3775 Na zienswijzen Artikelsgewijze toelichting
Tekst van het document
Bijlage
Artikelsgewijze toelichting
Artikel 1:1 begripsbepalingen Wijzigingen naar aanleiding van de actualisatie. a. Het begrip gemeenten is gewijzigd. De namen van de oude gemeenten zijn verwijderd en de nieuwe samengevoegde gemeenten zijn toegevoegd. b. Het begrip Besluit Vervoerregio is gewijzigd. Deze komt nu overeen met de vigerende wetgeving. c. Het begrip Wet afschaffing plusregio’s is verwijderd. Dit begrip komt voor in artikel 8:4 in relatie tot de inwerkingtreding van die wet. Inmiddels is die wet al in werking getreden, maar met wijziging van deze regeling wordt ook artikel 8:4 aangepast en dit begrip niet meer gebruikt. d. Het begrip meerjarenbegroting Vervoersautoriteit is toegevoegd. Deze toevoeging is gedaan om de wijziging van artikel 4:1 begroting te verduidelijken. Artikel 4:1 is aangepast aan de huidige praktijk bij de MRDH. De meerjarenbegroting Vervoersautoriteit kijkt 20 jaar vooruit. Dit in tegenstelling tot de meerjarenraming, een formeel stuk met een formele naam uit het Besluit begroting en verantwoording, die 3 jaar beslaat.
Artikel 2:1 besluitvorming in de gemeenteraden Wijzigingen naar aanleiding van de wetswijziging: Betreffende artikel Artikel 10 Wgr, 6e lid: Voorafgaande aan het nemen van het besluit waarover de zienswijze gegeven is stelt het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam of het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie, onderscheidenlijk het gemeenschappelijk orgaan, de raden van de deelnemende gemeenten en, indien het een besluit van het algemeen bestuur van een openbaar lichaam betreft, het algemeen bestuur van het openbaar lichaam schriftelijk en gemotiveerd in kennis van het oordeel over de zienswijze, bedoeld in het vorige lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt. Tegelijkertijd met het toezenden ter besluitvorming over een zienswijzeplichtig onderwerp dient het dagelijks bestuur dus een concept- nota van beantwoording mee te sturen. Dit is bij de MRDH al sinds oprichting het gebruik, maar naar aanleiding van de wetswijziging wordt dit nu vastgelegd in het artikel 2:1, derde lid Wijzigingen naar aanleiding van de actualisatie. a. Er zijn twee zienswijzeplichtige onderwerpen verwijderd uit dit artikel (maar niet uit de GR MRDH). In artikel 2:1, tweede lid is sub b verwijderd. Het werkplan is verwijderd omdat in de praktijk niet op deze wijze met werkplannen wordt gewerkt.
Het werkplan is opgenomen in de begroting en daarmee zienswijzeplichtig op grond van de wet gemeenschappelijke regelingen (artikel 34 en 35) b. In artikel 2:1 tweede lid is sub j verwijderd. De begroting is verwijderd omdat deze niet in het rijtje van deze zienswijzeplichtige onderwerpen behoort. Zoals sub j ook al aangaf is de zienswijzeplicht die op de begroting van toepassing is, een zienswijzeplicht op grond van de Wgr. Deze heeft een eigen procedure met eigen, afwijkende, termijnen. Een referentie daaraan wordt opgenomen in het financiële artikel 4:1 van deze regeling.
Artikel 2:2 informatie- en verantwoordingsplicht aan gemeenteraden Wijzigingen naar aanleiding van de wetswijziging Het betreffende Artikel 17 Wgr 1. De regeling houdt bepalingen in omtrent de wijze waarop door het bestuur van het openbaar lichaam of de bedrijfsvoeringsorganisatie of door het gemeenschappelijk orgaan aan de raden van de deelnemende gemeenten de door een of meer leden van die raden gevraagde inlichtingen worden verstrekt. 2. Het bestuur van het openbaar lichaam, de bedrijfsvoeringsorganisatie of het gemeenschappelijk orgaan geeft de raden van de deelnemende gemeenten alle inlichtingen die de raden nodig hebben voor de uitoefening van hun taken. 3. De regeling, bedoeld in artikel 8, eerste, tweede of derde lid, houdt bepalingen in omtrent de wijze waarop de inlichtingen, bedoeld in het tweede lid, worden verstrekt.
Artikel 17 Wgr heeft nu een verplichting tot actieve informatieverstrekking opgenomen in het tweede lid. Het derde lid bepaalt dat de GR ook bepalingen moet bevatten over de wijze waarop die verstrekking plaatsvindt. In het eerste lid van artikel 2:2 van de GR MRDH was al een actieve informatieplicht opgenomen, maar dit eerste lid is nu nader uitgewerkt met de wijze waarop dient te worden geïnformeerd en welke documenten in ieder geval in aanmerking komen. Wijzigingen naar aanleiding van de actualisatie Ook de verplichting tot passieve informatieverstrekking was al opgenomen in de GR MRDH in artikel 2:2, tweede lid. Wat echter verzuimd was op te nemen, was de wijze waarop dit zou moeten en de wijze waarop ook de andere raden van de overige deelnemers van vragen en antwoorden op de hoogte worden gesteld. In het vierde lid staat alleen maar dat het AB hierover iets moet opnemen in haar Reglement van Orde. a. Uiteraard staat dus ook in de huidige reglementen van orde bepalingen hieromtrent. Het voorgestelde derde lid van artikel 2:2 heeft conform de beleidsarme insteek de huidige werkwijze die tot nu was opgenomen in de betreffende reglementen van orde overgenomen. Deze is geheel conform de eis van de wet nog iets concreter gemaakt. Uiteraard kan de vertegenwoordiger van de betreffende gemeente bij het beantwoorden van de vragen te allen tijde ondersteuning krijgen van de MRDH.
b. Vanzelfsprekend kunnen raden en raadsleden hun eigen vertegenwoordigers in de MRDH bevragen op grond van de Gemeentewet en de daaruit voortvloeiende verantwoordingslijnen. Dit staat los van dit artikel waar juist bevraging van het MRDH bestuur aan de orde is en deze zelfde mensen dus als MRDH-bestuurder worden bevraagd. Om dit onderscheid duidelijk te maken is het vierde lid opgenomen in artikel 2:2 c. Het vijfde lid is een nieuw voor te stellen werkwijze. Deze werkwijze kan alleen maar succes hebben als de bestuurders die vanuit de gemeente zitting hebben in de bestuursorganen van de MRDH de aan hen gestelde vragen tijdig en volledig melden.
Artikel 2:2a inspraak van belanghebbenden en ingezetenen Naar aanleiding van de wetswijziging De betreffende passage in de wet: Art 10 Wgr, 7e en 8e lid: 7. Een regeling als bedoeld in het tweede lid houdt bepalingen in omtrent de wijze waarop ingezetenen van de deelnemende gemeenten en belanghebbenden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid op grond van deze regeling betrokken worden. 8. De in het zevende lid bedoelde inspraak wordt verleend door toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover in de regeling niet anders is bepaald.
Er dient dus een bepaling opgenomen te worden of en op welke wijze burgers betrokken worden. De MRDH kent al de mogelijkheid van inspreken bij het AB en de bestuurscommissies VA en EV en adviescommissies VA en EV. Dit is geregeld in de reglementen van orde. De wet vereist nu dat de GR bepalingen omtrent inspraak opneemt. Een zo beleidsarm mogelijke wijziging betekent dat de bepalingen uit de regelementen van orde worden overgenomen in de GR MRDH. Artikel 2:3 algemeen bestuur Naar aanleiding van de actualisatie: a. Stukken voor het AB worden vanuit de eerste tussenevaluatie twee weken van tevoren toegezonden. Daarbij is er altijd de mogelijkheid om rekening te houden met de vakantieperioden. De termijn in artikel 2:3 tweede lid wordt op deze praktijk aangepast b. De nieuw samengevoegde gemeenten Nissewaard en Voorne aan Zee zijn toegevoegd. Dit leidt tot een ander aantal leden en ook een ander aantal stemmen in het algemeen bestuur en dus ook in artikel 2:3. De stemmen zijn destijds bepaald op de toen actuele inwonertallen (2013). De nu voorgestelde stemverhoudingen zijn bepaald op basis van nu actuele inwonertallen van 2022 (cijfers CBS). Zoals in onderstaande schema’s wordt aangetoond is bij het bepalen van het aantal stemmen zoveel mogelijk de oorspronkelijke stemverhoudingen aangehouden.
Oorspronkelijk:
Gemeente
Inwoneraantal 2013 Aantal stemmen in GR
% van de stemmen
Rotterdam
615.726
45
22,5%
Den Haag
505.568
39
19,5%
Zoetermeer
123.064
9
4,5%
Westland
102.717
9
4,5%
Delft
99.085
9
4,5%
Schiedam
76.354
7
3,5%
Leidschendam-Voorburg
72.561
7
3,5%
Spijkenisse
72.332
7
3,5%
Vlaardingen
70.889
7
3,5%
Capelle a/d IJssel
66.034
7
3,5%
Lansingerland
56.508
5
2,5%
Pijnacker-Nootdorp
50.454
5
2,5%
Barendrecht
47.387
5
2,5%
Rijswijk
47.345
5
2,5%
Ridderkerk
45.327
5
2,5%
Hellevoetsluis
39.093
5
2,5%
Maassluis
31.956
4
2,0%
Krimpen a/d IJssel
28.854
4
2,0%
Wassenaar
25.695
4
2,0%
Albrandswaard
25.114
4
2,0%
Midden-Delfland
18.243
2
1,0%
Brielle
16.328
2
1,0%
Westvoorne
13.889
2
1,0%
Bernisse
12.339
2
1,0%
totaal is 200 stemmen Huidige voorstel (in groen de wijzigingen):
Gemeente
Voorlopig Inwoneraantal 2022
Voorstel verdeling aantal stemmen in GR
% van de stemmen
Rotterdam
655.468
45
22,5%
Den Haag
553.417
39
19,5%
Zoetermeer
125.767
9
4,5%
Westland
112.448
9
4,5%
Delft
104.572
9
4,5%
Nissewaard
86.332
9
4,5%
Schiedam
79.644
7
3,5%
Leidschendam-Voorburg
76.659
7
3,5%
Vlaardingen
74.143
7
3,5%
Voorne aan Zee
73.238
7
3,5%
Capelle a/d IJssel
67.188
7
3,5%
Lansingerland
64.110
5
2,5%
Rijswijk
56.947
5
2,5%
Pijnacker-Nootdorp
56.597
5
2,5%
Barendrecht
48.714
5
2,5%
Ridderkerk
47.099
5
2,5%
Maassluis
34.148
4
2,0%
Krimpen a/d IJssel
29.415
4
2,0%
Wassenaar
27.115
4
2,0%
Albrandswaard
25.934
4
2,0%
Midden-Delfland
19.484
4
2,0%
c.
In het zesde lid van artikel 2:3 is toegevoegd dat het lid van gedeputeerde staten geen stem heeft. Dit is al zo, maar op verzoek is dit duidelijker opgeschreven.
Artikel 2:5 voorzitter en plaatsvervangend voorzitter Naar aanleiding van de actualisatie: Het tweede lid van artikel 2:5 regelt dat de zittende voorzitter niet direct herbenoembaar is. In de praktijk echter, blijkt en is gebleken dat er na twee jaar ook de behoefte is om de mogelijkheid te hebben dezelfde voorzitter te herbenoemen voor nog eens twee jaar. Daarom wordt voorgesteld het
tweede lid te verwijderen. Dat iedere twee jaar een beslissing over het voorzitterschap wordt genomen blijft. Artikel 2:6 dagelijks bestuur Naar aanleiding van de actualisatie. a. In artikel 2:6 eerste lid sub b wordt verwezen naar alle deelnemende gemeenten in artikel 2:3. Omdat door gemeentelijke herindeling artikel 2:3 is veranderd is, klopt de verwijzing in artikel 2:6 niet meer. De verwijzing is aangepast. b. Het derde lid van artikel 2:6 is verwijderd. Deze verwees naar een mogelijke deelname van de provincie in het dagelijks bestuur. De provincie heeft geen zitting in het dagelijks bestuur. Dit artikel was destijds gecreëerd vanuit het idee dat Provincie Zuid-Holland mogelijk ooit zou deelnemen aan deze GR. Dat is nu niet aan de orde. Daarom wordt dit aangepast aan de huidige werkwijze en geschrapt. c. In plaats daarvan wordt een nieuw derde lid voorgesteld: 3.Het dagelijks bestuur kiest in ieder geval een portefeuillehouder Middelen uit haar midden. Het dagelijks bestuur is het wettelijk aangewezen gremium om de ontwerp-begroting, de bestuursrapportages inclusief begrotingswijzigingen en de jaarrekening aan te bieden aan het algemeen bestuur. Daarom is het gewenst altijd een portefeuillehouder middelen te hebben in het dagelijks bestuur. d.
Lid 4 is toegevoegd zodat het aansluit met de huidige werkwijze dat een door het algemeen bestuur aangewezen lid van het algemeen bestuur voor een specifiek onderwerp kan aansluiten bij de beraadslagingen van het dagelijks bestuur. Artikel 2:7 bestuurscommissies Naar aanleiding van de actualisatie a. De geschrapte tekst in het derde lid was ooit gecreëerd, vanuit de idee dat Provincie Zuid-Holland mogelijk ooit zou gaan deelnemen aan deze GR. Dat is nu niet aan de orde. Wel is het zo dat de portefeuillehouder van gedeputeerde staten wordt uitgenodigd voor de beraadslaging van het openbare gedeelte van de vergadering. De gedeputeerde heeft daarbij geen stem. Daar is dit artikel nu op aangepast. b. In de praktijk blijkt en is gebleken dat er, net zoals bij het dagelijks bestuur, de behoefte is om de mogelijkheid te hebben dezelfde voorzitter te herbenoemen voor nog eens twee jaar. Daarom wordt voorgesteld het vierde lid te verwijderen. Dat iedere twee jaar een beslissing over het voorzitterschap wordt genomen blijft. Artikel 2:8 adviescommissies Naar aanleiding van de actualisatie De geschrapte tekst in het derde lid was ooit gecreëerd, vanuit de idee dat Provincie mogelijk ooit zou gaan deelnemen aan deze GR. Dat is nu niet aan de orde. Het artikel wordt dus aangepast aan de huidige situatie en werkwijze. Artikel 3:2 strategische agenda Naar aanleiding van de actualisatie a.
In de praktijk is het met de tijd die het vormen van colleges in de deelnemende gemeenten kost en met de procedure die voor zienswijzen wordt doorlopen praktisch gezien onmogelijk om in het eerste bestuursjaar de strategische agenda vast te stellen. Doel van dit artikel is vooral dat dit proces gestart wordt in het eerste jaar en zodra het nieuwe bestuur is geïnstalleerd. Daarom wordt nu gekozen voor het in het eerste jaar in ieder geval vrijgeven voor zienswijze van deze strategische agenda. Het eerste lid van artikel 3:2 is hierop aangepast. b. In het tweede lid is het woordje werkplan vervangen door het woordje begroting. Het werkplan is immers een onderdeel van de begroting van de MRDH. Daaraan is toegevoegd: De
informatie in de MRDH-begroting stelt de gemeenteraden in staat om zo nodig bij te kunnen sturen op de ambities en activiteiten uit de Strategische Agenda. Artikel 3:3 bevoegdheidsverdeling Naar aanleiding van de actualisatie Het eerste lid van artikel 3:3 is in overeenstemming gebracht met artikel 33 van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Deze luidt: De bevoegdheden die bij de regeling worden overgedragen, berusten bij het algemeen bestuur, tenzij bij wet of in de regeling anders is bepaald. Hier staat dat de bevoegdheidsverdeling dus bij wet of gemeenschappelijke regeling dient te geschieden en niet op ander wijze. Dit betekent dat ‘krachtens de regeling’ niet is toegestaan. Artikel 3:5 faciliterende en dienstverlenende taken Naar aanleiding van de actualisatie Uiteraard is het impliciet de bedoeling en ook altijd de bedoeling geweest dat ook diensten verricht kunnen worden voor de deelnemende gemeenten. Dit is nu expliciet in het tweede lid van artikel 3:5 opgenomen Artikel 4:1 begroting Naar aanleiding van de wetswijziging a. Art 35 eerste lid Wgr luidt: 1.
Het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam, het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie of het gemeenschappelijk orgaan zendt de ontwerpbegroting twaalf weken voordat zij aan het algemeen bestuur wordt aangeboden, onderscheidenlijk twaalf weken voordat zij door het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie of het gemeenschappelijk orgaan wordt vastgesteld, toe aan de raden van de deelnemende gemeenten. De wettelijke termijn van 12 weken voor de begrotingscyclus is uiteraard ook van toepassing op de MRDH. Het gewijzigde artikel 35, eerste lid uit de Wgr heeft directe werking en geldt dus al sinds inwerkingtreding van de wet in juli 2022. De MRDH heeft het dan ook al voor het jaar 2023 toegepast. Voor de duidelijkheid is in het eerste lid van artikel 4:1 ook opgenomen dat deze wettelijke termijn van 12 weken geldt bij de begrotingscyclus. b. Artikel 35, zesde lid Wgr luidt: 6. Het eerste, derde en vierde lid zijn van toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting. In de gemeenschappelijke regeling kan worden bepaald ten aanzien van welke categorieën begrotingswijzigingen hiervan kan worden afgeweken. Dit zesde lid regelt dat er voor begrotingswijzigingen kan worden afgeweken van de zienswijzeplicht en de zienswijzetermijn.
De huidige GR regelt al dat in bepaalde gevallen de zienswijzeplicht bij begrotingswijzigingen niet van toepassing is (zie hieronder ook de wijziging naar aanleiding van de actualisatie onder b.) In de gevallen waarbij onder de vigerende GR MRDH wel een zienswijzeplicht geldt voor de begrotingswijzigingen geldt een zienswijzetermijn van 8 weken. Als bij de ontwerp GR bij een begrotingswijziging, in de gevallen waarbij een zienswijzeplicht van toepassing is, wordt uitgegaan van een termijn van 12 weken zoals bij de gewone begrotingsprocedure wordt gehanteerd, zal een wijziging nauwelijks mogelijk zijn binnen het lopende begrotingsjaar. Daarom wordt gekozen voor de termijn van 8 weken, die tot nu gebruikelijk is en ook gebruikelijk is bij overige zienswijzen (zoals bijvoorbeeld in de Wgr bij wijziging van de GR). Nu zo’n wijziging gelijk is aan hoe het onder de huidige GR MRDH al geldt en vaak slechts enkele onderdelen betreft van de begroting, moet 8 weken ook goed haalbaar zijn. Het tweede lid is hierop aangepast. Naar aanleiding van de actualisatie
a.
b.
De MRDH werkt met een meerjarenbegroting naast de begroting voor het komende jaar, deze is nu opgenomen in het eerste lid van artikel 4:1. Het begrip meerjarenbegroting is eveneens opgenomen in de definities in artikel 1:1. Een meerjarenbegroting is iets anders dan meerjarenraming. De meerjarenraming betreft een formele term uit het Besluit begroting en verantwoording, en verwijst naar een document dat de 3 jaar na de begroting beslaat. MRDH werkt niet met begrotingsposten maar met Programma’s. Tot op heden is deze regel in de praktijk ook altijd toegepast op programma’s. Dit is aangepast in het tweede lid van dit artikel. Overigens dient opgemerkt dat het schuiven tussen programma’s uiterst zeldzaam is. Sinds de oprichting van de MRDH is dit slechts 1 keer voorgekomen.
Artikel 5:2 ambtelijke ondersteuning Naar aanleiding van de actualisatie a. In een eerdere wetswijziging van de Wgr zijn de in artikel 5:2 genoemde bevoegdheden expliciet bij het dagelijks bestuur neergelegd in artikel 33b (voorheen was het algemeen bestuur de bevoegde). Tevens is de terminologie uit de wet overgenomen. b. Artikel 4 van de gemeentewet is per 1-1-2020 vervallen en dus verwijderd uit het tweede lid van dit artikel. Artikel 5:3 Archief Naar aanleiding van de actualisatie Het gehele artikel 5:3 is op advies van en in overleg met de archiefinspectie aangepast aan de actuele wet- en regelgeving. a. Op grond van de Archiefwet 1995 (art. 4 en 40) moet bij een gemeenschappelijke regeling een voorziening worden vastgesteld voor de archiefbescheiden. Hieronder wordt verstaan: de zorg (bestuurlijke verantwoordelijkheid), het beheer (ambtelijke verantwoordelijkheid), de bewaring en het toezicht. b. Eveneens is vastgelegd dat het algemeen bestuur een archiefverordening opstelt. c. Het tweede lid van artikel 5:3 is niet meer van toepassing sinds de Wet revitalisering generiek toezicht uit 2012. Artikel 6:2 uittreding Naar aanleiding van de wetswijziging Artikel 9 Wgr, eerste lid luidt: 1.
De regeling houdt bepalingen in omtrent wijziging, opheffing, toetreding, de voorwaarden waaronder kan worden uitgetreden en de gevolgen van uittreding, waaronder bepalingen omtrent de gevolgen voor het vermogen van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 8, eerste en derde lid, en de deelnemende gemeenten, met inachtneming van artikel 1. MRDH had al uittreedregels. Deze zijn vastgesteld door het AB op 12 juli 2019. Deze worden nu voor een deel ongewijzigd overgenomen in de regeling. Dit met name omdat de gevolgen van uittreding, waaronder bepalingen omtrent het vermogen dienen te worden opgenomen in de GR MRDH Voorzover de uittreedregels niet worden overgenomen in de GR blijven deze gelden op basis van het tweede lid van artikel 6:2. Artikel 6:4 opheffing Artikel 9 Wgr, eerste lid luidt: 1. De regeling houdt bepalingen in omtrent wijziging, opheffing, toetreding, de voorwaarden waaronder kan worden uitgetreden en de gevolgen van uittreding, waaronder bepalingen omtrent de gevolgen voor het vermogen van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 8, eerste en derde lid, en de deelnemende gemeenten, met inachtneming van artikel 1.
Omdat het grootste deel van de MRDH wordt gefinancierd met rijksgelden vanuit haar wettelijke taken als Vervoerautoriteit, kan worden aangenomen dat bij opheffing van de MRDH die taken teruggaan naar waar ze anders zouden liggen (de provincie) en de gelden terug naar het Rijk zullen gaan. Dat betekent dat de MRDH uitsluitend eigen, door gemeenten ingebracht, vermogen heeft op het onderdeel Economisch vestigingsklimaat. Daarom kan ook alleen over dat stukje een bepaling over de verdeling van het vermogen worden opgenomen. Daarom wordt voorgesteld om aan artikel 6:4 een zesde lid toe te voegen die luidt: 6. Voor zover financiële gevolgen, zowel in negatieve als positieve zin, gekoppeld zijn aan de taak economisch vestigingsklimaat zal deze verdeeld worden over de gemeenten naar rato van de inwoneraantallen zoals opgenomen in de laatste voor de opheffing vastgestelde reguliere begroting. Artikel 8:1 periodieke evaluatie Naar aanleiding van de actualisatie Doordat de eerste evaluatie na 2 jaar werd gehouden, bleek de vijfjaarlijkse evaluatie niet uit te komen op 2024 (moment van de speciale evaluatie) om te voorkomen dat dit leidt tot verwarring, is gekozen om die eerste evaluatie (die overigens wel heeft plaatsgevonden) te schrappen zodat tellend vanaf 2024 gewoon elke 5 jaar geëvalueerd wordt. Het laatste zinnetje van artikel 8:1 wordt daarom geschrapt.
Artikel 8:2 toezending ex artikel 26 van de wet Naar aanleiding van de actualisatie Artikel 8:2 is de naam van het ministerie aangepast aan de huidige naam van het ministerie. Artikel 8:4 Naar aanleiding van de wetswijziging In het eerste lid van artikel 8:4 wordt voor inwerkingtreding verwezen naar de wet afschaffing plusregio’s. Deze wet is in december 2014 in werking getreden. De nu voorliggende versie van de GR dient conform de wetswijziging in werking te treden op 1 juli 2024. Het eerste lid van artikel 8:4 is hierop aangepast.