3734 Bijlage 4. GR GGD en VT Haaglanden - toelichting
Tekst van het document
De taken op het terrein van de jeugdgezondheidszorg worden echter uitgezonderd omdat die taken door andere organisaties worden uitgevoerd. Artikel 14, vierde lid, Wpg biedt hiervoor de wettelijke basis. Zie verder het algemeen deel van de toelichting onder de kop ‘3. Taken en bevoegdheden’. Artikel 5 Zie algemeen deel van de toelichting onder de kop ‘4. Basispakket GGD, pluspakket GGD en pakket VT; lokaal pakket’. Artikel 6 Tweede lid. Omdat de regeling uitsluitend wordt getroffen door de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten, moeten de leden van het Algemeen Bestuur, op grond van artikel 13, zesde lid, Wgr door en uit die colleges worden aangewezen. Vijfde lid. Deze ontslagbevoegdheid wordt voorgeschreven door artikel 16 jo artikel 18 Wgr. Zie ook het algemeen deel van de toelichting onder de kop ‘5. Bestuur’. Artikel 7 Tweede lid. Dat de vergaderingen van het Algemeen Bestuur in openbaarheid moeten plaatsvinden, is bepaald in artikel 22, derde lid, Wgr. Niettemin kunnen vergaderingen onder bepaalde voorwaarden met gesloten deuren worden gehouden. Er bestaat in de wet geen
verplichting om de onderwerpen die in een besloten vergadering behandeld kunnen worden, te beperken. Derde lid. Artikel 20 Gemeentewet is op deze situatie van toepassing. Vierde lid. In dit reglement zullen onder meer de relatie tussen de bij de regeling betrokken partijen en hun verantwoordelijkheden worden beschreven. Op het houden van de orde van de vergaderingen van het Algemeen Bestuur, zijn in de Wgr enkele artikelen uit de Gemeentewet die betrekking hebben op vergaderingen van de gemeenteraad, van overeenkomstige toepassing verklaard. Artikel 8 Eerste lid. De gemeenten die deelnemen aan deze regeling werken al lange tijd nauw samen in de Gemeenschappelijke regeling Veiligheidsregio Haaglanden. Met de regionalisering van de GGD is mede beoogd de relatie met de veiligheidsregio’s zo optimaal mogelijk te maken. Tweede lid. Vanwege de publicatiedatum van de bevolkingsstatistiek van het CBS wordt uitgegaan van het inwonertal van het voorafgaande jaar. Vierde lid. Uitgewerkt is dat het Algemeen Bestuur kan besluiten om de raden te verzoeken niet verplichte zienswijzen in te dienen op een voorgenomen besluit. Artikel 9 De GGD en VT Haaglanden is een samenwerkingsverband met alleen collegebevoegdheden. Het vaststellen van kaderstellend beleid of verordeningen is niet overgedragen aan de regeling.
De meest passende plek voor participatie is gelegen bij de gemeenteraden van de deelnemende gemeenten. Dit artikel biedt de mogelijkheid aan de regeling om in voorkomende situaties een participatietraject te organiseren met inwoners. Deelnemende colleges en de gemeenteraden behouden overzicht over participatietrajecten doordat het bestuur de raden informeert wanneer een participatietraject wordt opgestart. In de activiteiten die de regeling ontplooit is geen duidelijke logica waarom de GR participatie zelf of zelfstandig zal organiseren. In het Reglement van Orde van het AB wordt de mogelijkheid tot inspraak nader uitgewerkt. Artikel 10 Eerste lid. Beschrijft de mogelijkheid voor rekenkamers van de deelnemende gemeenten, zowel van een als van meerdere gemeenten in samenwerking, om onderzoek te kunnen doen naar de GR GGD en VT Haaglanden. Her wordt bepaalt dat het DB de rekenkamer voorziet van alle informatie. Tweede lid. Omwille van zelfstandige leesbaarheid is het recht van enquête uitgeschreven in de regeling. Artikel 11 Op basis van artikel 33 van de Wgr berusten de bevoegdheden die bij de regeling worden overgedragen bij het Algemeen Bestuur, tenzij bij wet of in de regeling anders is bepaald. Het Algemeen Bestuur kan zijn bevoegdheden altijd zelf overdragen aan het Dagelijks Bestuur (art. 33a Wgr). De aard van de bevoegdheid kan zich daar echter tegen verzetten.
Voorbeelden daarvan zijn het vaststellen van de begroting of jaarrekening.
Artikel 14 Nu de uitvoering van de regeling wordt opgedragen aan de gemeente Den Haag is, gelet op de financiële risico’s die zij hierbij loopt, vastgelegd dat de gemeente Den Haag in ieder geval vertegenwoordigd is in het Dagelijks Bestuur. Tweede lid. Het lid van het DB van de gemeente Den Haag is uitgesloten de functie van penningmeester te bekleden, gezien de gewenste scheiding van rollen. Artikel 15 Er is geen minimum jaarlijks te houden aantal vergaderingen vastgelegd. Artikel 16 Dit artikel behoeft geen nadere toelichting. Artikel 15 Voor wat betreft de taken en bevoegdheden van het Dagelijks Bestuur is aansluiting gezocht bij de bevoegdheden die in artikel 33b van de Wgr zijn toegekend aan het Dagelijks Bestuur van een gemeenschappelijke regeling. Artikel 17 Dit artikel behoeft geen nadere toelichting. Artikel 18 Dit artikel behoeft geen nadere toelichting. Artikel 19 Volgens artikel 12, eerste lid, van de Wgr bestaat het bestuur van een openbaar lichaam uit een Algemeen Bestuur, een Dagelijks Bestuur en een voorzitter. De voorzitter wordt door en uit het Algemeen Bestuur aangewezen (Art. 13, negende lid Wgr). De voorzitter is zowel voorzitter van het Algemeen Bestuur als van het Dagelijks Bestuur (Art. 12 derde lid Wgr) Artikel 20 Tweede lid. Dit betreft de civiel rechtelijke vertegenwoordiging van de GGD-VT als rechtspersoon.
Het artikel biedt de mogelijkheid om aan een ander, bijvoorbeeld de Directeur Publieke Gezondheid, een volmacht te geven (zie ook artikel 33d van de Wgr). Derde lid. Dit betreft het ondertekenen van brieven en besluiten. Volgens artikel 32a Gemeentewet, dat van overeenkomstige toepassing is verklaard, moeten stukken die van de raad uitgaan, mede worden ondertekend door de griffier. De Wet gemeenschappelijke regelingen kent echter niet de functie van griffier.
Artikel 21 Eerste lid. Deze bepaling vloeit voor wat betreft de Directeur Publieke Gezondheid voort uit artikel 14, derde lid, Wpg. Vastgelegd is dat burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag de Directeur Publieke Gezondheid en de Directeur Veilig Thuis voordragen. Zij zijn immers rechtspositioneel in dienst van die gemeente en tevens uit hoofde van hun functie directeur van de uitvoeringsorganisatie. Ingevolge artikel 32, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s is de Directeur Publieke Gezondheid tevens belast met de leiding van de GHOR. Tweede en achtste lid. Omdat de uitvoering van GGD en VT taken is belegd bij de gemeente Den Haag heeft GGD-VT geen personeel in dienst. Om die reden is ervoor gekozen ook de Directeur Publieke Gezondheid rechtspositioneel onder te brengen bij de gemeente Den Haag. Omdat de Wgr voorschrijft dat het Dagelijks Bestuur ambtenaren in dienst neemt en ontslaat en de directeur VT en de controller en secretaris ambtenaren zijn, is het Dagelijks Bestuur daartoe bevoegd. Dit geldt niet voor de benoeming van de DPG, omdat de WPG de bevoegdheid daartoe toekent aan het Algemeen Bestuur. Zie verder de algemene toelichting onder de koppen ‘Directeur publieke gezondheid; personele unie’, ‘Directeur Veilig Thuis; personele unie ’en ‘Uitvoering door Den Haag’. Artikel 22 Zie hiervoor de algemene toelichting bij onderdeel 14.
Artikel 23 Zie de algemene toelichting onder de koppen ‘6. Commissies’. Artikel 24 De tekst van dit artikel is in lijn gebracht met de artikelen 34 en 35 Wgr. Eerste lid. Conform de Wgr dient de ontwerpbegroting aan alle gemeenteraden te worden aangeboden. Derde en Vierde lid. De wijziging van de Wgr in 2022 heeft de zienswijze termijn verlengd naar 12 weken. In deze regeling is bewust gekozen voor het gezamenlijk aanbieden van de ontwerpbegroting en de conceptjaarrekening voor 30 april. Vierde lid. Voorts is opgenomen, in lijn met de Wgr wijziging van 2022 dat het Dagelijks Bestuur de raden informeert hoe zij de zienswijze weegt en wat de argumentatie daarvoor is. Artikel 25 en 26 Zie hiervoor de algemene toelichting bij onderdeel 14. Artikel 27
De tekst van dit artikel is in lijn met artikel 34 en 34 b Wgr. De jaarrekening geeft inzicht in de werkelijke uitgaven voor de uitvoering van het takenpakket, afgezet tegen de daarvoor begrote kosten. Hierbij kunnen geen overschotten of tekorten ontstaan omdat de uitvoeringsorganisatie haar diensten verricht tegen een vooraf overeengekomen, en in de begroting opgenomen, vergoeding. Onverwachte financiële voor- of nadelen bij de uitvoering, komen dan ook voor rekening en risico van de uitvoeringsorganisatie. Ook de uitgaven voor de taken als bedoeld in artikel 25, vijfde lid kunnen niet leiden tot een overschot of tekort op de jaarrekening. Die uitgaven zijn immers gelijk aan de bijdragen die de regiogemeenten daarvoor op grond van artikel 26, tweede lid hebben betaald. De rekening geeft geen inzicht in de uitgaven van de bedrijfsvoering van de uitvoeringsorganisatie. Die cijfers zijn opgenomen in de jaarrekening/jaarverslag van de gemeente Den Haag. Artikel 28 en 29 Deze artikelen behoeven geen nadere toelichting. Artikel 30, 31, 32, 33 en 34 Een voor onbepaalde tijd getroffen gemeenschappelijke regeling dient bepalingen te bevatten omtrent wijziging, opheffing, toetreding en uittreding (art. 9 Wgr). In de wijziging van de wet is de bepaling uittreden meer omvattend en verplichtend geworden.
De artikelen 30 tot en met 34 geven het proces weer dat bij uittreden of gedeeltelijk uittreden moet worden doorlopen. Onder gedeeltelijk uittreden wordt verstaan het niet langer afnemen van diensten of niet langer delegeren (dan wel mandateren) van tot dan toe gedelegeerde taken en bevoegdheden. Het afbouwen van een taak valt onder het gedeeltelijk uittreden. Met deze artikelen wordt niet alleen een gedegen proces vastgelegd. Ook wordt zorg gedragen dat een latende partij v(in dit geval de GR GGD en VT Haaglanden) zo min mogelijk negatieve effecten ervaart (zoals financieel nadeel) van een uittreden of gedeeltelijk uittreden wat resulteert in een hogere bijdrage van de deelnemers. Op grond van artikel 14, eerste lid, Wpg moet de gemeenschappelijke regeling voor een regionale GGD worden getroffen door de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten die behoren tot één veiligheidsregio. Daarnaast kan op grond van het vijfde lid van dat wetsartikel een regionale GGD ook in stand worden gehouden door de colleges van burgemeester en wethouders van gemeenten die behoren tot twee of meer veiligheidsregio’s. Dit betekent dat, zolang dit wetsartikel bestaat, toetreding en uittreding slechts beperkt mogelijk is.
Artikel 35, 36, 37, 38, 39 Deze artikelen behoeven geen nadere toelichting. Artikel 40
De evaluatie is voorzien in het derde zittingsjaar van het bestuur. Daarmee wordt beoogd dat het zittende bestuur de aanbevelingen uit een evaluatie ook zelf kan omzetten en vertalen naar acties binnen de zittingsperiode. Een evaluatie later dan het derde zittingsjaar resulteert in het overdragen van de te nemen acties naar een nieuw bestuur. Daarmee verliest de evaluatie en de aanbevelingen aan impact en verbeterkracht.