CConstaterende datLeidschendam-Voorburg
Koppel je AI →
Document · PDF

3713 - Bijlagen bij de toelichting_Bijlage 15 Ecologisch onderzoek

Raadsvergadering 8 oktober 2024, gemeente Leidschendam-VoorburgBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststellen TAM-omgevingsplan Vlietweg 3 & 8a28.508 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Strijkviertel 30 3454 PM De Meern 030 - 666 1746 info@vandijktech.nl

IBAN: NL26 RABO 0156884186 BIC: RABO NL 2U KvK Utrecht: 30128364 BTW nr: NL 803.844.451.B01

Datum:

08-06-2023; versie 2 (definitief)

Opdrachtnummer:

153459

ACTIVITEITENPLAN TEN BEHOEVE VAN AANVRAAG ONTHEFFING WNB Project:

herontwikkeling, Vlietweg 3 te Leidschendam

Opdrachtgever:

1828-VIII B.V. Overschiestraat 63 1062 XD Amsterdam

Ecologisch adviseur: Projectleider: .

dhr. F. Dalm BSc en mevr. N.J. van Pelt dhr. drs. M.R. Hanraads

www.vandijktech.nl Voor al onze werkzaamheden geldende V.O.T.B. Voorwaarden zoals vermeld op onze website en gedeponeerd bij de KvK Utrecht ondernr. 40476246.

INHOUDSOPGAVE 1. 2.

INLEIDING .................................................................................................................................................. 3 PROJECTBESCHRIJVING ......................................................................................................................... 3 2.1 Plangebied ................................................................................................................................................ 3 2.2 Omschrijving activiteiten en werkzaamheden .......................................................................................... 3 2.3 Kader en doel ........................................................................................................................................... 3 2.4 Planning werkzaamheden ......................................................................................................................... 4 3. ECOLOGISCHE ONDERZOEKEN ............................................................................................................ 4 3.1 Quickscan Wet natuurbescherming .......................................................................................................... 4 3.2 Nader ecologisch onderzoek ....................................................................................................................

4 3.3 Effectenanalyse ........................................................................................................................................ 5 4. VOORWAARDEN VOOR EEN ONTHEFFING ........................................................................................ 6 4.1 Relevante wetgeving ................................................................................................................................ 6 4.2 Toetsing voorwaarden ontheffing............................................................................................................. 7 5. MAATREGELEN ....................................................................................................................................... 11 5.1 Algemeen ............................................................................................................................................... 11 5.2 Mitigerende maatregelen ........................................................................................................................ 11 5.3 Ongeschikt maken bestaande verblijfplaatsen ........................................................................................ 11 5.4 Compenserende maatregelen ..................................................................................................................

11 5.5 Zorgvuldig handelen .............................................................................................................................. 12 6. SLOTOPMERKINGEN .............................................................................................................................. 12

BIJLAGEN 1 2 3 4 4 5 6

Regionale situatie (niet op schaal) Rapportage quickscan Wet natuurbescherming Rapportage nader onderzoek vleermuizen Stukken t.b.v. onderbouwing alternatievenafweging en belang Memo tijdelijke vleermuiskasten Locaties tijdelijke vleermuiskasten Machtigingsformulier en uitreksel

08-06-2023 versie 2 (def.)

activiteitenplan ten behoeve van aanvraag ontheffing Wnb herontwikkeling, Vlietweg 3 te Leidschendam

153035 Pagina 2

1.

INLEIDING In opdracht van 1828-VIII B.V. (d.d. 08-02-2022) is door van Dijk geo- en milieutechniek b.v. een activiteitenplan opgesteld als onderdeel van de benodigde ontheffingsaanvraag Wet natuurbescherming. Naar aanleiding van de resultaten van de op onderhavige locatie uitgevoerde quickscan Wet natuurbescherming gevolgd door een nader ecologisch onderzoek naar vaste verblijfplaatsen van vleermuizen en jaarrond beschermde nesten van gierzwaluw is de aanwezigheid van streng beschermde vaste verblijfplaatsen van vleermuizen (gewone dwergvleermuis) vastgesteld. Derhalve vinden bij de voorziene werkzaamheden negatieve effecten op vleermuizen plaats. Aangezien vleermuizen binnen de Wet natuurbescherming een strikte bescherming genieten, is voor het uitvoeren van de werkzaamheden een ontheffing van de Wet natuurbescherming vereist. Onderhavige rapportage betreft een activiteitenplan dat is opgesteld als onderdeel van de benodigde ontheffingsaanvraag.

2.

PROJECTBESCHRIJVING

2.1

Plangebied Het plangebied bestaat uit twee geschakelde loodsen (A en B), een vrijstaande loods (C) en een houten schuur. Rondom de bebouwing is een grasveld gelegen met enkele bomen. De twee geschakelde loodsen en de vrijstaande loods zijn opgetrokken uit baksteen en hebben een zadeldak afgewerkt met dakleer. De schuur is opgetrokken uit hout en staat ten zuiden van de geschakelde loodsen. Onder de betimmering aan de noordelijke gevel van de geschakelde loodsen is ruimte aanwezig; voorts bevinden zich diverse openingen en kieren in de overige bebouwing. Het grasveld met de bomen ligt ten noorden van de geschakelde loodsen. De vrijstaande loods ligt ten oosten van de geschakelde loodsen en bestaat uit twee aparte ruimtes. Aan de zuidzijde van het plangebied is een ruigte aanwezig met relatief veel groen, aan de westzijde grenst het plangebied aan een bomenrij. De planlocatie is weergegeven op de situatietekening die is opgenomen als Bijlage 1.2. Een fotooverzicht is opgenomen als bijlage 1.3.

2.2

Omschrijving activiteiten en werkzaamheden De momenteel binnen het plangebied aanwezige loodsen en schuur zullen worden gesloopt en het opgaand groen zal worden gerooid. Hierna zal een wooncomplex worden gerealiseerd met 138 appartementen. Het pand zal bestaan uit vier bouwlagen met een vijfde terugliggende laag waarbij de begane grond deels dienst zal doen als parkeergelegenheid. Tevens zal er onder het pand een doorgang worden gemaakt waardoor het zuidwestelijk gelegen perceel bereikbaar blijft.

2.3

Kader en doel

08-06-2023 versie 2 (def.)

activiteitenplan ten behoeve van aanvraag ontheffing Wnb herontwikkeling, Vlietweg 3 te Leidschendam

153035 Pagina 3

De huidige loodsen en schuur dateren uit 1952 en werden gebruikt als timmerfabriek. De bebouwing is dermate in slechte staat dat het niet meer in gebruik is. Voorts bevinden zich op meerdere locaties asbesthoudende materialen, waaronder in het dak en in de bodem onder de loodsen. Om langdurige leegstand te voorkomen en de gezondheid van omwonenden te waarborgen, dient de bebouwing te worden gesloopt waarna 138 nieuwe en duurzame woningen zijn voorzien. 2.4

Planning werkzaamheden Het project zit momenteel in de voorbereidende fase, waardoor een exacte planning op dit moment nog niet bekend is. Vooralsnog staan de werkzaamheden gepland vanaf medio 2024. De werktijden zullen overdag plaatsvinden en waar mogelijk zal rekening worden gehouden met de broedperiode van vogels en de actieve periode van vleermuizen.

3.

ECOLOGISCHE ONDERZOEKEN

3.1

Quickscan Wet natuurbescherming Op onderhavig perceel is in 2021 een quickscan Wet natuurbescherming (Econsultancy, ref.:16161.001, d.d. 06-07-2021) uitgevoerd. Uit deze quickscan blijkt dat het voorkomen van streng beschermde vaste verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, ruige dwergvleermuis en gewone grootoorvleermuis in de ruimte onder betimmering en dakbekleding en diverse openingen in de loodsen en de schuur niet kan worden uitgesloten. Bij de toekomstige sloop en nieuwbouw is derhalve mogelijk sprake van vernietiging/verstoring van vaste verblijfplaatsen van vleermuizen. Dit betekent een overtreding van de verbodsbepalingen zoals deze zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Derhalve dient voorafgaand aan de werkzaamheden een nader ecologisch onderzoek naar vleermuizen conform vigerend protocol te worden uitgevoerd. In de quickscan Wet natuurbescherming wordt verder opgemerkt dat, behoudens het uitvoeren van soortspecifiek nader onderzoek, - vanuit het oogpunt van zorgplicht -, voorafgaand en tijdens de geplande werkzaamheden tevens (middels enkele maatregelen) rekening dient te worden gehouden met foeragerende vleermuizen, vleermuizen in vlucht en met broedvogels in het algemeen.

3.2

Nader ecologisch onderzoek In navolging op de hierboven beschreven quickscan Wet natuurbescherming is in 2022 een nader ecologisch onderzoek (van Dijk geotechniek- en milieu b.v., kenmerk 153459, d.d. 03-11-2022) uitgevoerd naar het voorkomen van vaste verblijfplaatsen van vleermuizen. Onderzoeksmethode vleermuizen Het onderzoek naar de aanwezigheid van vaste verblijfplaatsen van vleermuizen is conform het Vleermuisprotocol (2021) van het Netwerk Groene Bureaus uitgevoerd. Er zijn in totaal vijf inventarisatierondes verricht, waarvan drie tijdens het voorjaar (respectievelijk 18 juni, 19 juni en 13 juli) en twee gedurende het najaar (17 augustus en 7 september). De voorjaarsronde van 12 juli is vroegtijdig afgebroken i.v.m. slechte weersomstandigheden. Om de betrouwbaarheid van het onderzoek te kunnen waarborgen is betreffende ronde opnieuw (d.d. 13-07-2022) uitgevoerd.

08-06-2023 versie 2 (def.)

activiteitenplan ten behoeve van aanvraag ontheffing Wnb herontwikkeling, Vlietweg 3 te Leidschendam

153035 Pagina 4

De inventarisatierondes zijn uitgevoerd met de volgens het protocol minimale tussenperiode van twintig dagen. Gezien de grootte van het plangebied zijn de inventarisatierondes door drie personen verricht tijdens de avondrondes en door twee personen tijdens de ochtendrondes. Resultaten Gedurende de eerste onderzoeksronde van het voorjaarsonderzoek is een kraamverblijfplaats vastgesteld op circa 35 m afstand ten noorden van het plangebied. Tijdens de telling zijn tientallen gewone dwergvleermuizen uitvliegend vanuit het gebouw aan de Nieuwstraat waargenomen. Deze vleermuizen gebruikten de onder andere loodsen binnen het plangebied als vliegroute naar de ruigte achter het plangebied, maar voornamelijk bomenrij (coniferen) aan de westzijde van het plangebied. Door de aanwezigheid van voldoende alternatieven in de omgeving van het plangebied (bovengenoemde bomenrij van coniferen) en gelijkwaardige loods op het naastgelegen perceel zal de sloop van de aanwezige loodsen geen aantasting van essentiële vliegroutes veroorzaken. Daarnaast ligt het plangebied op zodanige afstand van de aanwezige kraamkolonie waardoor directe negatieve effecten op de kraamkolonie nihil worden geacht. Gedurende de tweede en derde ronde van het voorjaarsonderzoek is de aanwezigheid van twee zomerverblijfplaatsen in de vrijstaande loods geconstateerd.

Het betreft in beide gevallen een verblijfplaats van gewone dwergvleermuis. De invliegopeningen bevinden zich onder de daklijst aan de kopse kant van het gebouw en ter hoogte van de schuifdeur aan de zuidzijde van het pand. Daarnaast doen de loodsen dienst als vliegroute van en naar de waterloop en achterliggende ruigte aan de achterzijde van het plangebied. Er zijn in de omgeving echter voldoende alternatieve structuren aanwezig (in de vorm van gebouwen, bomenlanen en watergangen), waardoor de aangetroffen vliegroutes geen essentieel onderdeel uitmaken van het leefgebied van de aangetroffen vleermuizen. Rondom de waterloop en bomenrij achter geschakelde loodsen werd tijdens de onderzoeksrondes actief gefoerageerd. Daarnaast zijn overvliegende individuen van de rosse vleermuis, laatvlieger, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en ruige dwergvleermuis waargenomen, deze vleermuizen hadden geen binding met het plangebied. 3.3

Effectenanalyse Door de toekomstige werkzaamheden (sloop en nieuwbouw) zullen twee zomerverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis worden vernietigd. Omdat zomerverblijfplaatsen doorgaans ook worden gebruikt als winterverblijfplaats, kan eveneens niet worden uitgesloten dat er tevens een tweetal tijdelijke winterverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis zullen worden vernietigd. Verzachting van de effecten Door het aanbieden van tijdelijke voorzieningen (mitigerende maatregelen) in de directe omgeving en het realiseren van permanente voorzieningen (compenserende maatregelen) in de toekomstige nieuwbouw, blijven er zowel in de sloop-, nieuwbouw- en realisatiefase als in de gebruiksfase (toekomstige situatie) voldoende alternatieve verblijfplaatsen beschikbaar voor gewone dwergvleermuis. Dergelijke maatregelen zijn noodzakelijk om een significant negatief effect op genoemde soort zoveel mogelijk te beperken.

08-06-2023 versie 2 (def.)

activiteitenplan ten behoeve van aanvraag ontheffing Wnb herontwikkeling, Vlietweg 3 te Leidschendam

153035 Pagina 5

4.

VOORWAARDEN VOOR EEN ONTHEFFING

4.1

Relevante wetgeving Alle vleermuissoorten vallen onder het beschermingsregime voor Europees beschermde soorten als bedoeld in artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming. Voor activiteiten als ruimtelijke ontwikkelingen of het bestendig beheren of onderhouden van watergangen, bermen, natuurterreinen en dergelijke zijn geen provinciale vrijstellingen mogelijk.

Art. 3.5: Verboden ten aanzien van soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn: lid 1. Het is verboden in het wild levende dieren van deze soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen, lid 2. Het is verboden dieren als bedoelt in het eerste lid opzettelijk te verstoren, lid 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen, lid 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze dieren te beschadigen of te vernielen, lid 5. Het is verboden planten van deze soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Een ontheffing of een vrijstelling van de Wet natuurbescherming voor soorten van artikel 3.5 (Bijlage IV van de Habitatrichtlijn) wordt uitsluitend verleend als de volgende voorwaarden van toepassing zijn (lid 5 artikel 3.8): a. Er bestaat geen andere bevredigende oplossing, b. Zij is nodig; 1. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; 2. ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; 3.

in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; 4. voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten; 5. om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of bij zich te hebben. c. er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.

08-06-2023 versie 2 (def.)

activiteitenplan ten behoeve van aanvraag ontheffing Wnb herontwikkeling, Vlietweg 3 te Leidschendam

153035 Pagina 6

4.2

Toetsing voorwaarden ontheffing Bij het realiseren van de herontwikkeling (sloop en nieuwbouw) worden twee vaste verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis (twee zomerverblijfplaatsen welke mogelijk tevens gebruikt worden als tijdelijk winterverblijf) aangetast (vernietigd). Het uitvoeren van de werkzaamheden leidt daardoor tot een overtreding van de verbodsbepalingen (lid 2; opzettelijk verstoren en lid 4; beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren) uit de Wet natuurbescherming. Teneinde de geplande werkzaamheden uit te kunnen voeren dient derhalve een ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd, waarbij de werkzaamheden worden getoetst aan de voorwaarden zoals gesteld in de onderdelen a t/m c van lid 5 behorende bij artikel 3.8. Alternatievenafweging (lid 5a artikel 3.8) Onderhavig plangebied is gelegen te midden van de bebouwde kom van Leidschendam. Binnen regio Haaglanden is voor Leidschendam een doel opgesteld waarbij 750 extra sociale huurwoningen dienen te worden gerealiseerd per 2025. De afgelopen jaren heeft de ontwikkeling van nieuwe sociale huurwoningen op een laag pitje gestaan. De toenemende druk op de sociale woningmarkt, als gevolg van de economische crisis enkele jaren geleden, heeft ertoe geleid dat dat wachttijden zijn opgelopen en de slagingskans voor woningzoekenden sterk is afgenomen.

De gemeente Leidschendam zet zich in om de achterstand op de sociale woningmarkt te verminderen. De geplande werkzaamheden worden gerealiseerd in een gebied waar de woningnood hoog is. Hierbij wordt tevens aangesloten op de reeds bebouwde delen van de gemeente. Derhalve is gekozen voor het inpassen van nieuwe sociale huurwoningen in al bebouwd gebied. Gezien de grootschaligheid van het project zijn er op dit moment geen andere geschikte locaties binnen Leidschendam aanwezig voor de voorgenomen plannen. Onderhavig plangebied is momenteel bebouwd met een drietal loodsen en een schuur welke, door de slechte staat, niet meer in gebruik zijn. Renovatie van de loodsen en de schuur is mogelijk maar deze kunnen de functie als woonbestemming niet vervullen, terwijl daar juist grote vraag naar is. Door het slopen van de loodsen en de schuur wordt nieuwe ruimte gecreëerd welke optimaal benut wordt door het realiseren van sociale huurwoningen. Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat er geen andere reële oplossingen zijn voor de voorgenomen activiteit (locatie, inrichting en uitvoering) die geen of minder negatieve effecten hebben voor de betreffende soorten. Hiermee wordt voldaan aan de voorwaarde zoals gesteld in onderdeel a van lid 5 behorende bij artikel 3.8. Belangen (lid 5b artikel 3.8) Nederland kampt op dit moment met een schrijnend tekort van zo’n 300.000 woningen.

Gemeenten, provincies, ngo’s en het bedrijfsleven hebben middels de Actieagenda Wonen (Bijlage 4) te kennen gegeven dit probleem aan te willen pakken door in de komende tien jaar in totaal 1 miljoen woningen te bouwen. Het plan voor de sloop en nieuwbouw op onderhavige locatie zorgt voor de realisatie van minimaal 138 nieuwe sociale huurwoningen, waardoor er een bijdrage wordt geleverd aan het inkrimpen van het nijpende woningtekort.

08-06-2023 versie 2 (def.)

activiteitenplan ten behoeve van aanvraag ontheffing Wnb herontwikkeling, Vlietweg 3 te Leidschendam

153035 Pagina 7

Samen met 1828 Groep B.V. wilt Leidschendam zich in zetten voor de hoge vraag naar sociale huurwoningen. 1828 Groep B.V. is een organisatie welke samen met gemeentes het tekort aan sociale huurwoningen actief wilt oplossen door het aanbieden van sociale huurwoningen specifiek voor de doelgroep jongvolwassenen tussen de 18 en 28 jaar. De organisatie wilt jongvolwassenen helpen bij de eerste stappen naar zelfstandig wonen in de gemeente waar hun sociale en economische kringen liggen. De gemeente Leidschendam spant zich hierbij in door het helpen met het vinden van beschikbare locaties om aan de vraag naar sociale huurwoningen te kunnen voldoen. De toekomstige sociale huurwoningen voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG), waardoor de bebouwing toekomstbestendig zal worden gemaakt. Het doel van het nationale klimaatbeleid is het tegengaan van klimaatverandering, onder andere door een reductie van broeikasgassen. Door de optimalisatie van woningen via isolatie kan de hoeveelheid aardgas die nodig is om woningen te verwarmen verminderd worden, waardoor er ook minder broeikasgassen in de atmosfeer vrijkomen. Het doel van de realisatie van de nieuwe woningen is het realiseren van extra woongelegenheid, welke duurzaam en klimaatbestendig zijn. Daarnaast wordt de buitenruimte zo groen mogelijk ingericht.

De ontheffing voor opzettelijke verstoring en vernietiging van twee zomerverblijfplaatsen (tevens mogelijk in gebruik als tijdelijke winterverblijfplaatsen) van gewone dwergvleermuis wordt derhalve geschaard onder lid 5b artikel 3.8; in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten. Gunstige staat van instandhouding (lid 5c artikel 3.8) De gewone dwergvleermuis is de meest zichtbare en de meest algemeen en wijdverbreid voorkomende vleermuissoort van Nederland. De Nederlandse populatie wordt geschat op tussen de 300.000 of 600.000 dieren. Ondanks het algemene voorkomen is niet goed bekend hoe het met de soort gaat. Uit monitoring blijkt dat vleermuizen in het algemeen een positieve trend ontwikkelen in Nederland, waarvan de gewone dwergvleermuis de minst veeleisende soort is. Daarnaast is uit monitoring vanaf 2015 gebleken dat de populatie een voorzichtige toename toont (CBS.nl) (figuur 1).

Figuur 1 trend gewone dwergvleermuis in Nederland.

08-06-2023 versie 2 (def.)

activiteitenplan ten behoeve van aanvraag ontheffing Wnb herontwikkeling, Vlietweg 3 te Leidschendam

153035 Pagina 8

De soort staat niet op de Rode Lijst. Verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis worden met name aangetroffen in gebouwen, maar verblijfplaatsen van individuele dieren worden tevens in bomen aangetroffen. In de levenscyclus van de gewone dwergvleermuis kunnen verschillende periodes worden onderscheiden namelijk: de kraamtijd, paartijd, winterslaapperiode en de zomerperiode. Voor iedere periode worden andere eisen aan een verblijfplaats gesteld, waarbij (in onderhavig geval) de periode direct voor of na de paarperiode (eind augustus tot half oktober) doch voor de winterperiode (november t/m maart) geldt als de minst kwetsbare periode. Dit omdat de dieren dan het meest mobiel en flexibel zijn (kennisdocument gewone dwergvleermuis van BIJ12, 2017). Daarnaast is uit de praktijk gebleken dat de gewone dwergvleermuis qua eisen aan een verblijfplaats de minst kritische vleermuissoort in Nederland is. De soort komt dan ook in geheel Nederland voor (figuur 2) en is lokaal ook goed vertegenwoordigd.

Figuur 2 Verspreidingsgebied gewone dwergvleermuis in Nederland (NDFF verspreidingsatlas, 2023).

Leidschendam ligt in een stedelijke omgeving met relatief veel oudere woningen welke geschikt zijn als huisvesting voor vleermuizen; er zijn gebied dekkende waarnemingen bekend in en rondom Leidschendam (figuur 3). De beoogde werkzaamheden zullen geen negatief effect hebben op de lokale staat van instandhouding van de gewone dwergvleermuis. Het plangebied ligt in een omgeving met veel vergelijkbare bebouwing. Met de beoogde werkzaamheden zal het geschikte habitat niet significant afnemen en heeft dit geen grote gevolgen voor een langere periode op de lokale populatie van de gewone dwergvleermuis. Tijdens en na de beoogde werkzaamheden worden voldoende maatregelen in acht genomen om impact op deze soort zoveel mogelijk te beperken.

08-06-2023 versie 2 (def.)

activiteitenplan ten behoeve van aanvraag ontheffing Wnb herontwikkeling, Vlietweg 3 te Leidschendam

153035 Pagina 9

Figuur 3 verspreiding gewone dwergvleermuis rondom Leidschendam (waarneming.nl, 2023).

Cumulatieve effecten op lokale populatie In de omgeving van het plangebied vinden meerdere projecten plaats op het gebied van nieuwbouw en herontwikkeling. Op korte afstand van het plangebied ligt Overgoo; een gebied waar nu voornamelijk kantoren en bedrijven zijn gevestigd. In de toekomst zal dit gebied worden veranderd naar een woonwerkgebied. Transitie van het gebied zal plaatsvinden door het aanbieden van circa 700 woningen (waaronder sociale huurwoningen en woningen voor starters, gezinnen en senioren). Daarnaast zal de buitenruimte opnieuw worden ingericht. Ter plaatse van de Veursestraatweg zal een nieuwe woonwijk worden gerealiseerd; de Vlietvoorde. De start van de nieuwbouw staat gepland in eind 2024. Een kleinschaliger project op korte afstand is de herontwikkeling van het terrein achter LeidsekadeVenestraat. Hierbij zullen vier panden worden gesloopt en wordt een appartementencomplex gerealiseerd van 15 appartementen. Bovengenoemde plannen zijn een samenvatting van de projecten welke mogelijk een cumulatief effect hebben op de populatie gewone dwergvleermuis in de omgeving van het plangebied. Bovengenoemde projecten vinden allemaal plaats in bebouwd gebied waarvan verwachting van significant negatieve effecten op de lokale populatie klein wordt geacht.

Tijdens bovenstaande projecten worden nauwelijks gebouwen gesloopt, wel zal er een deel van de huidige bebouwing worden gerenoveerd. Daarnaast zal de toename aan woningen door bovenstaande projecten zorgen voor meer geschikte verblijflocaties voor vleermuizen. Op de onderhavige locatie zal sprake zijn van de aantasting (vernietiging) van twee zomerverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis, welke tevens mogelijk gebruikt worden als tijdelijk winterverblijf. De zomerverblijfplaatsen bevinden zich onder de daklijst aan de kopse kant van het gebouw en ter hoogte van de schuifdeur aan de zuidzijde van het pand. Het aantasten van deze verblijfplaatsen heeft zeer waarschijnlijk een marginale invloed op de vrij forse populatie gewone dwergvleermuizen in Nederland. Door het realiseren van permanente verblijfplaatsen (compenserende maatregelen) in de nieuwbouw kan de gewone dwergvleermuis aanwezig blijven op deze locatie en komt het duurzaam voortbestaan van de lokale en landelijke populatie niet in gevaar.

08-06-2023 versie 2 (def.)

activiteitenplan ten behoeve van aanvraag ontheffing Wnb herontwikkeling, Vlietweg 3 te Leidschendam

153035 Pagina 10

5.

MAATREGELEN In dit hoofdstuk worden de te nemen mitigerende en compenserende maatregelen uitgewerkt. Er worden maatregelen voorgeschreven om de negatieve effecten op de gewone dwergvleermuis te minimaliseren.

5.1

Algemeen Voor het uitvoeren van de activiteit gelden een aantal algemene voorwaarden, te weten: • alle genoemde maatregelen worden uitgevoerd onder begeleiding van een ter zake kundige ecoloog, • de voorwaarden worden vastgelegd in een ecologisch werkprotocol; alle betrokken partijen, waaronder de uitvoerenden aanwezig op de bouw- of projectlocatie worden van de voorwaarden op de hoogte gesteld.

5.2

Mitigerende maatregelen Ten einde te garanderen dat er voldoende alternatieve zomer- en paar(winter)verblijfplaatsen voor gewone dwergvleermuis aanwezig zijn gedurende de sloop- en nieuwbouwwerkzaamheden, dient conform het Kennisdocument van BIJ12 minimaal drie maanden voorafgaand aan de start van de werkzaamheden een achttal (tijdelijke) vleermuiskasten in de directe nabijheid van de bestaande verblijfplaatsen (maar buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden) te worden aangebracht. Naar aanleiding van de uitgevoerde quickscan op onderhavig plangebied zijn uit voorzorg op d.d. 11-022022, onder begeleiding van Econsultancy, twaalf kasten in de omgeving van het plangebied opgehangen; waarvan acht tijdelijke paar- en/of zomerkasten en vier tijdelijke kraamkasten. De locaties van deze kasten zijn opgenomen als Bijlage 5.

5.3

Ongeschikt maken bestaande verblijfplaatsen Het daadwerkelijke ongeschikt maken van de bebouwing hangt af van het moment waarop een eventuele ontheffing wordt verkregen. Het ongeschikt maken van de bebouwing zal plaatsvinden buiten de paarperiode (van 15 augustus t/m 15 oktober) en de winterrust (van 15 oktober t/m 15 april), zodat gewerkt wordt buiten de minst kwetsbare periode voor deze soort. Op deze manier worden negatieve effecten op gewone dwergvleermuizen zoveel mogelijk voorkomen. Het ongeschikt maken van de bebouwing zal bestaan uit het aanbrengen van enkele exclusionflaps over de geschikte openingen. De delen tussen de exclusion flaps worden met rondschuim gedicht (e.e.a. zal nader worden toegelicht in een nog op te stellen ecologisch werkprotocol). Wanneer individuen na controle niet (meer) aanwezig zijn, zullen de openingen ter plaatse van de exclusion flaps eveneens worden gedicht met rondschuim teneinde herbezetting te voorkomen.

5.4

Compenserende maatregelen Teneinde de aanwezigheid en het voortbestaan van de gewone dwergvleermuis te waarborgen zullen in het nieuw te bouwen complex minimaal acht geschikte verblijfsruimten worden aangebracht. Permanente verblijfsruimten kunnen bestaan uit vleermuis-inbouwstenen of geschikte openingen in het metselwerk, waardoor voor vleermuizen toegang bestaat tot een (gedeeltelijke) luchtspouw (e.e.a. zal nader worden uitgewerkt en toegelicht in een nog op te stellen ecologisch werkprotocol). De locaties voor permanente voorzieningen in de toekomstige bebouwing zijn vooralsnog niet bekend, voor het bepalen van de definitieve locaties worden de voorschriften opgesteld door het bevoegd gezag

08-06-2023 versie 2 (def.)

activiteitenplan ten behoeve van aanvraag ontheffing Wnb herontwikkeling, Vlietweg 3 te Leidschendam

153035 Pagina 11

in acht genomen. De voorzieningen worden toekomstige bebouwing geïntegreerd en zullen na de werkzaamheden beschikbaar zijn. 5.5

Zorgvuldig handelen Werkzaamheden in de actieve periode van vleermuizen (van april/mei tot oktober/november) dienen, i.v.m. verstoring door kunstlicht, bij daglicht uitgevoerd te worden. Eventueel kunnen werkzaamheden ook bij schemer en in het donker worden uitgevoerd mits de bouwlampen op aangegeven van een ecoloog goed worden gericht zodat geen verlichting van de omliggende structuren optreedt. Benadrukt wordt dat te allen tijde rekening dient te worden gehouden met de zorgplicht. Dit houdt in dat voldoende zorg in acht moet worden genomen voor alle in het wild voorkomende dieren en planten en hun leefomgeving. Bij de werkzaamheden moet derhalve ook worden gelet op de aanwezigheid van algemeen voorkomende soorten. Bij het aantreffen van algemene soorten, wordt deze de gelegenheid geboden om aan de werkzaamheden te kunnen ontsnappen. Bij eventueel aantreffen van beschermde soorten uit een zwaarder beschermingsregime zal in samenspraak met een ter zake deskundige worden gekeken naar een passende oplossing.

6.

SLOTOPMERKINGEN Wellicht ten overvloede wordt opgemerkt dat onderhavig activiteitenplan is opgesteld op basis van door de opdrachtgever beschreven activiteiten en werkzaamheden. Wanneer hiervan wordt afgeweken, dient dit te worden besproken met een deskundig ecoloog en/of bevoegde instantie teneinde te voorkomen dat wordt afgeweken van datgene waarvoor een ontheffing is verleend. In vertrouwen u hiermede van dienst te zijn geweest, verblijven wij, hoogachtend, van Dijk geo- en milieutechniek b.v.

dhr. drs. M.R. Hanraads (algemeen directeur)

08-06-2023 versie 2 (def.)

activiteitenplan ten behoeve van aanvraag ontheffing Wnb herontwikkeling, Vlietweg 3 te Leidschendam

mevr. N.J. van Pelt (ecologisch adviseur)

153035 Pagina 12

Bijlage 1

Regionale situatie

REGIONALE SITUATIE

Deze kaart is noordelijk georiënteerd

Adviesbureau voor geotechniek en milieu Strijkviertel 30 3454 PM De Meern

Legenda onderzoekslocatie

Bijlage 1.1

Project:

Tel. : 030 - 666 1746 E-mail : teken@vandijktech.nl

herontwikkeling, vlietweg 3 te Leidschendam

Plaats: Opdrachtnr.: Schaal: Datum:

Leidschendam 153459 niet op schaal maart ’23

Bijlage 2

Rapportage quickscan Wet natuurbescherming

QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING VLIETWEG 3 TE LEIDSCHENDAM

Rapportage quickscan Wet natuurbescherming Vlietweg 3 te Leidschendam Opdrachtgever

Wibaut Projectontwikkeling Muiderstraat 5E 1011PZ Amsterdam

Rapportnummer Versienummer

16161.001 D1

Status

Eindrapportage

Datum

6 juli 2021

Vestiging

Zuid-Holland Max Euwelaan 21-29 3062 MA Rotterdam 088 - 5001600 rotterdam@econsultancy.nl

Opsteller

De heer N. Zwartjes, BSc

Paraaf

Kwaliteitscontrole

De heer J. Bakker, BSc

Paraaf

Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.

Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING .................................................................................................................................. 1

2

GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 2 2.1 2.2

Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................... 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen ..................... 4

3

ONDERZOEKSMETHODIEK ..................................................................................................... 4

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ..................................................... 5 4.1 4.2 4.3 4.4

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN .................................. 8 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6

6

Vogels ............................................................................................................................... 8 Vleermuizen .................................................................................................................... 10 Overige zoogdieren ........................................................................................................ 11 Reptielen, amfibieën en vissen....................................................................................... 12 Ongewervelden............................................................................................................... 12 Vaatplanten..................................................................................................................... 13

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ......................................................................... 14 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5

7

Zorgplicht .......................................................................................................................... 5 Soortenbescherming ........................................................................................................ 5 Gebiedenbescherming ..................................................................................................... 6 Houtopstanden ................................................................................................................. 7

Broedvogels .................................................................................................................... 14 Vleermuizen .................................................................................................................... 14 Amfibieën ........................................................................................................................ 15 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën .................................................... 15 Overige soort(groep)en .................................................................................................. 15

TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ........................................................................ 17 7.1 7.2

Natura 2000 .................................................................................................................... 17 Natuurnetwerk Nederland ............................................................................................... 18

8

HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................. 19

9

SAMENVATTING EN CONCLUSIES ....................................................................................... 20

Bijlage 1 Bijlage 2

toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst 16161.001

1

INLEIDING

Econsultancy heeft van Wibaut Projectontwikkeling opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan Wet natuurbescherming aan de Vlietweg 3 te Leidschendam. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van de sloop van diverse gebouwen, om vervolgens hier nieuwbouw te gaan realiseren. De quickscan Wet natuurbescherming heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging "Netwerk Groene Bureaus" en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest voor ecologische advisering of ecologisch onderzoek.

16161.001 versie D1

Pagina 1 van 22

2 2.1

GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving

De onderzoekslocatie (± 3.000 m²) ligt aan de Vlietweg 3, circa 1 kilometer ten zuidwesten van de kern van Leidschendam (zie figuur 1).

Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie.

De onderzoekslocatie betreft twee geschakelde loodsen, een losstaande loods, een houten schuur en een grasveld met vijf bomen erop. De twee geschakelde loodsen en de losstaande loods zijn opgetrokken uit baksteen en hebben een zadeldak, bestaande uit dakleer. De houten schuur is alleen opgetrokken uit hout en staat ten zuiden van de geschakelde loodsen. Het grasveld met de bomen ligt ten noorden van de geschakelde loodsen. De losstaande loods ligt ten oosten van de geschakelde loodsen. De losstaande loods bestaat uit twee diverse kamers. In het westen wordt de onderzoekslocatie direct begrenst door een smalle sloot, in het zuiden wordt deze direct begrenst door een brede watergang. Ten noorden van de onderzoekslocatie loopt het Rijn-Schiekanaal. Ten oosten en westen wordt de onderzoekslocatie begrensd door woningen. Op circa 400 meter ten zuiden van de onderzoekslocatie is een snelweg gelegen. Binnen een radius van 4 km, vanaf de onderzoekslocatie, liggen de grote wateren: Vogelplas Starrevaart en de Nieuwe driemandpolder. In figuur 2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 11 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.

16161.001 versie D1

Pagina 2 van 22

Figuur 2. Luchtfoto onderzoekslocatie en directe omgeving.

Figuur 3. Noordelijke gevel van de geschakelde loodsen.

Figuur 4. Oostelijke gevel van de geschakelde loodsen.

Figuur 5. Westelijke gevel van de geschakelde loodsen.

Figuur 6. Zuidelijke gevel van de geschakelde loodsen, maat daarop aansluitend de houten schuur.

Figuur 7. Noordelijke gevel van de losstaande loods.

Figuur 8. Westelijke gevel van de losstaande loods.

16161.001 versie D1

Pagina 3 van 22

Figuur 9. Zuidelijke binnenkant van de losstaande loods.

2.2

Figuur 10. Noordelijke binnenkant van de losstaande loods.

Figuur 11. Houten schuur ten zuiden van de geschakelde loodsen.

Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen

De initiatiefnemer is voornemens de loodsen te slopen en nieuwbouw te realiseren, ook worden hierbij de bomen geveld. Het huidige plan bestaat uit het realiseren van 135 woningen. 3

ONDERZOEKSMETHODIEK

Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 30 juni 2021. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Zuid-Holland opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan Wet natuurbescherming is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.

16161.001 versie D1

Pagina 4 van 22

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING

Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op: • • •

het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.

De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 4.1

Zorgplicht

Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht. 4.2

Soortenbescherming

Bij een quickscan wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of voortplantingsplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • • •

soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).

In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.

16161.001 versie D1

Pagina 5 van 22

4.3

Gebiedenbescherming

Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. 4.3.1

Natura 2000

Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000).

Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied. (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. 4.3.2

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: • • • • •

bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.

16161.001 versie D1

Pagina 6 van 22

Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. 4.4

Houtopstanden

De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel VI) worden de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.

De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.

16161.001 versie D1

Pagina 7 van 22

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN

Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat / verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- of voortplantingsplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft. 5.1 5.1.1

Vogels Broedvogels (nesten jaarrond beschermd)

Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF zijn in de afgelopen 5 jaar binnen drie kilometers van de onderzoekslocatie vogelsoorten waargenomen waarvan de nestlocaties jaarrond beschermd zijn. Deze broedvogelsoorten zijn: huismus, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, kerkuil, steenuil, slechtvalk, ooievaar, roek, boomvalk, buizerd, havik, ransuil, sperwer en wespendief. De gierzwaluw en huismus zijn koloniebroeders die in Nederland gebonden zijn aan gebouwen als broedlocaties. De gierzwaluw maakt gebruik van kleine holtes in de bebouwing. Nestlocaties van gierzwaluwen bevinden zich minimaal op 3 meter hoogte en vereisen een vrije invliegroute. De huismus maakt gebruik van nissen in het dak, onder dakpannen of andere geschikte invliegopeningen, zoals gaten en kieren, om te broeden. Vanwege de afwezigheid van geschikte broedlocaties in de bebouwing op de onderzoekslocatie is het redelijkerwijs uit te sluiten dat deze soorten op de onderzoekslocatie broeden en dat deze soorten een negatief effect ondervinden van de voorgenomen ingreep. De dichtstbijzijnde gierzwaluw- en huismusgeschikte woningen bevinden zich op 400 meter afstand van de onderzoekslocatie.

Gezien de afstand en de aard van de ingreep kan een negatief effect op mogelijke gierzwaluw- en huismusnestlocaties in deze woningen uitgesloten worden. Nader onderzoek ten aanzien van de gierzwaluw en huismus wordt niet nodig geacht. De grote gele kwikstaart broedt het liefst bij stromend water in vegetatie of structuren die beschutting bieden. Dit is niet in geschikte vorm aanwezig op of nabij de onderzoekslocatie. De watergangen rondom de onderzoekslocatie zijn geen stromende watergangen. Tijdens het veldbezoek zijn ook geen exemplaren waargenomen. Het is daarom redelijkerwijs uit te sluiten dat deze soort op of nabij de onderzoekslocatie broedt en een negatief effect ondervindt van de voorgenomen ingreep. Nader onderzoek ten aanzien van de grote gele kwikstaart wordt niet nodig geacht. De kerkuil en steenuil hebben de voorkeur voor kleinschalige cultuurlandschappen. De verspreidingsgegevens van steenuil en kerkuil van de NDFF hebben betrekking op incidentele waarnemingen. De onderzoekslocatie is door de stedelijke ligging, het ontbreken van geschikte boomholtes en nestkasten voor de steenuil, geschikte gebouwen en nestkasten voor de kerkuil ongeschikt als broedlocatie voor de steenuil en kerkuil.

Ook zijn er geen sporen van aanwezigheid, zoals braakballen of krijtstrepen, aangetroffen op de onderzoekslocatie, waardoor het redelijkerwijs uit te sluiten is dat deze soorten broeden op de onderzoekslocatie en een negatief effect ondervindt van de voorgenomen ingreep. Nader onderzoek ten aanzien van de kerkuil en steenuil wordt niet nodig geacht.

16161.001 versie D1

Pagina 8 van 22

De slechtvalk broedt enkel op hoge stenige bebouwing, zoals torens, kantoorgebouwen en fabrieksschoorstenen. Dit is niet aanwezig op of rondom de onderzoekslocatie, waardoor het redelijkerwijs uit te sluiten is dat deze soort broedt op de onderzoekslocatie en een negatief effect ondervindt van de voorgenomen ingreep. Nader onderzoek ten aanzien van de slechtvalk wordt niet nodig geacht. De ooievaar broedt op ooievaarspalen en andere menselijke bouwwerken, maar soms ook in zelfgemaakte nesten in bomen. De roek maakt gebruik van agrarische gebieden om te foerageren en broedt in koloniën in hoge bomen. Tijdens het veldbezoek zijn geen (sporen van) exemplaren of grote nesten van deze soorten waargenomen op en nabij de onderzoekslocatie. Ook is de onderzoekslocatie niet geschikt als broedlocatie, gezien er geen hoge en grote bomen op de onderzoekslocatie aanwezig zijn. Het is daarom voor deze vogelsoorten redelijkerwijs uit te sluiten dat deze op of nabij de onderzoekslocatie broeden en een negatief effect ondervinden van de voorgenomen ingreep. Nader onderzoek ten aanzien van deze soorten wordt niet nodig geacht. De boomvalk, buizerd, havik, ransuil, sperwer en wespendief broeden in bossen of halfopen landschappen, vaak hoog in een boomkruin, waar ze grote nesten maken of hergebruiken.

Tijdens het veldbezoek zijn alle aanwezige bomen en struiken geïnspecteerd en zijn geen grote nesten of andere sporen van de bovengenoemde soorten waargenomen. Het is daarom voor deze vogelsoorten redelijkerwijs uit te sluiten dat deze op en nabij de onderzoekslocatie broeden en een negatief effect ondervinden van de voorgenomen ingreep. Nader onderzoek ten aanzien van deze soorten wordt niet nodig geacht. 5.1.2

Broedvogels (in sommige gevallen jaarrond beschermd)

De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders zoals spechten en mezen, of makers van grote nesten zoals ekster en zwarte kraai. Voor de vogelsoorten in deze categorie geldt een jaarronde nestbescherming enkel bij ecologisch zwaarwegende redenen. Tijdens het veldbezoek zijn op de onderzoekslocatie oude boerenzwaluwnesten aangetroffen (figuur 12). Ook zijn er verschillende koolmezen, pimpelmezen en boomkruipers nabij de onderzoekslocatie gehoord. In de directe omgeving van de onderzoekslocatie is er voldoende broedgelegenheid voor deze soorten, indien zij in de omgeving zouden willen nestelen. Er zijn derhalve geen bijzondere ecologische omstandigheden die rechtvaardigen dat eventueel aanwezige nesten van genoemde soorten op de onderzoekslocatie een jaarrond beschermde status zouden moeten hebben. Het kan voorkomen dat op een later moment nesten alsnog worden aangetroffen op onderzoekslocatie. Het werken buiten het broedseizoen is voldoende om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen (zie hoofdstuk 6).

Figuur 12. Boerenzwaluwnest

16161.001 versie D1

Pagina 9 van 22

5.1.3

Overige broedvogels

Van de algemene voorkomende broedvogels zijn de nesten alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. De struiken op en nabij de onderzoekslocatie en de schuur bieden ook geschikt broedhabitat voor verschillende soorten overige broedvogels, zoals houtduif en merel welke tijdens het veldbezoek ook zijn waargenomen. Tevens is een boerenzwaluw nest in de oostelijke schuur waargenomen. Overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming is te voorkomen (zie hoofdstuk 6). 5.2

Vleermuizen

Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en de NDFF verspreidingsatlas is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, watervleermuis, meervleermuis en gewone grootoorvleermuis Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie De bebouwing op de onderzoekslocatie is in principe geschikt als verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen, vanwege de ruimte onder betimmering of dak bekleding (figuur 13 & 14), ook zijn diverse openingen in de geschakelde loodsen, houten schuur en de losstaande schuur waargenomen waar vleermuizen gebruik van kunnen maken (figuur 15). De bebouwing is geschikt als verblijfplaats voor de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis en gewone grootoorvleermuis. Deze soorten kunnen de bebouwing in principe gebruiken als zomerverblijf-, kraamverblijf-, baltsverblijf-, en individueel winterverblijfplaats. De aanwezigheid van een massawinterverblijfplaats kan op voorhand kan worden uitgesloten. Doordat de bebouwing circa 5 meter hoog is, is het te laag en te klein in omvang als massawinterverblijfplaats en tevens ongeschikt als zwermplaats voor de gewone dwergvleermuis. De bebouwing wordt derhalve als ongeschikt geacht als massawinterverblijfplaats.

Bij de werkzaamheden aan de schuur kan daarom sprake zijn van verstoring en vernietiging ten aanzien van een vaste rust- of voortplantingsplaats van desbetreffende soorten in beide gebouwen (zie hoofdstuk 6). De rosse vleermuis en watervleermuis gebruikt uitsluitend holtes in bomen als verblijfplaats. De aanwezige bomen zijn onderzocht op holtes, spleten en/of loshangend schors, die kunnen dienen als potentiële vaste rust- of voortplantingsplaats voor boombewonende vleermuizen, deze zijn tijdens het veldbezoek niet aangetroffen, waardoor verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen uit te sluiten zijn. Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Naast de onderzoekslocatie bevinden zich diverse bomen en gebouwen. Eventuele verblijfplaatsen hierin ondervinden door de afstand tot de bouwlocatie en de aard van de ingreep, geen hinder van de ingreep op de onderzoekslocatie. Door het treffen van maatregelen kan verstoring van eventueel aanwezige verblijfplaatsen in de nabije omgeving op voorhand voorkomen worden (hoofdstuk 6). Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leidschendam&id=cc324695-b64c-4bbd-8fce-52bfd616569b