3680 Bijlage 2 Was-wordt tabel 5e wijziging gemeenschappelijke regeling omgevingsdienst Haaglanden
Tekst van het document
Was-wordt lijst 5e wijziging Gemeenschappelijke Regeling ODH Leeswijzer In de ‘bestaande tekst’ zijn de woorden en leestekens waaraan iets verandert, cursief gezet en onderstreept. In de ‘nieuwe tekst’ zijn de nieuwe woorden en leestekens vet gedrukt. Onder bestaande tekst wordt verstaan de versie van 1 januari 2020 inclusief de wijzigingen uit de vierde wijziging. De naam van de gemeenschappelijke regeling en de intitulé worden als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Instellingsbesluit van Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland en de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Delft, Den Haag, Leidschendam- Voorburg, Midden-Delfland, PijnackerNootdorp, Rijswijk, Wassenaar, Westland en Zoetermeer houdende regels omtrent Omgevingsdienst Haaglanden (Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Haaglanden) Intitulé Instellingsbesluit van Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland en de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Delft, Den Haag, Leidschendam- Voorburg, Midden-Delfland, PijnackerNootdorp, Rijswijk, Wassenaar, Westland en Zoetermeer houdende regels omtrent Omgevingsdienst Haaglanden (Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Haaglanden)
Nieuwe tekst Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Haaglanden Intitulé Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland en de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Delft, Den Haag, Leidschendam-Voorburg, MiddenDelfland, Pijnacker-Nootdorp, Rijswijk, Wassenaar, Westland en Zoetermeer, ieder voor zover bevoegd, Gelet op hoofdstuk IV van de Wet gemeenschappelijke regelingen, Overwegende dat de gemeenschappelijke regeling is geactualiseerd in verband met de wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen per 1 juli 2022,
BESLUITEN: De Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Door de Stuurgroep voorgedragen voor besluitvorming in Haaglanden als volgt gewijzigd vast te stellen: de Colleges Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland en de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Delft, Den Haag, Leidschendam- Voorburg, MiddenDelfland, Pijnacker-Nootdorp, Rijswijk, Wassenaar, Westland en Zoetermeer, ieder voor zover bevoegd, Overwegende dat: • het Rijk, het Interprovinciaal Overleg en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten afspraken hebben gemaakt over de vorming van regionale uitvoeringsdiensten, het takenpakket dat deze diensten in ieder geval moeten gaan uitvoeren en de kwaliteitsnormering van vergunningverlening en handhaving; • de provincie Zuid-Holland en de deelnemende gemeenten op 3 februari 2010 de overeenkomst hebben ondertekend waarin de intentie is uitgesproken om te komen tot de oprichting van een omgevingsdienst in de regio Haaglanden; • de Omgevingsdienst Haaglanden namens de provincie en de deelnemende gemeenten vergunningverlenende, toezichthoudende en handhavingstaken gaat uitvoeren op het gebied van het milieu- en omgevingsdomein; • de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten en gedeputeerde staten van de provincie Zuid-Holland zijn overeengekomen een gemeenschappelijke regeling te treffen voor het vormen van een omgevingsdienst.
Gelet op: de Wet gemeenschappelijke regelingen, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Provinciewet, de Gemeentewet en de Algemene wet bestuursrecht; de toestemming van provinciale staten van Zuid- Holland van 28 maart 2012 de toestemmingen van de gemeenteraden.
BESLUITEN: de volgende gemeenschappelijke regeling te treffen onder de naam “Gemeenschappelijke Regeling Omgevingsdienst Haaglanden”: Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 1. Algemene bepalingen In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder: a. algemeen bestuur: het algemeen bestuur van de omgevingsdienst. b. college: colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten, te weten Delft, Den Haag, Leidschendam-Voorburg, Midden- Delfland, Pijnacker-Nootdorp, Rijswijk, Wassenaar, Westland en Zoetermeer. c. dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van de omgevingsdienst. d. gemeenten: de rechtspersonen waartoe de colleges van burgemeester en wethouders behoren; e. deelnemers: de aan deze gemeenschappelijke regeling deelnemende colleges van burgemeester wethouders en gedeputeerde staten van de provincie Zuid-Holland; f. gedeputeerde staten: gedeputeerde staten van de provincie Zuid-Holland. g. omgevingsdienst: het rechtspersoonlijkheid bezittend openbaar lichaam als bedoeld in artikel 3 van de regeling. h. provinciale staten: provinciale staten van ZuidHolland. i. raden: de raden van de gemeenten. j. regeling: de Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Haaglanden. k. wet: de Wet gemeenschappelijke regelingen.
Nieuwe tekst Artikel 1. Algemene bepalingen In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder: a. algemeen bestuur: het algemeen bestuur van de omgevingsdienst; b. college: de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Delft, Den Haag, Leidschendam-Voorburg, Midden-Delfland, Pijnacker-Nootdorp, Rijswijk, Wassenaar, Westland en Zoetermeer; c. dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van de omgevingsdienst; d. deelnemers: de aan deze gemeenschappelijke regeling deelnemende colleges van burgemeester wethouders en gedeputeerde staten van de provincie Zuid-Holland; e. gedeputeerde staten: het college van gedeputeerde staten van de provincie Zuid-Holland; f. gemeenten: de rechtspersonen waartoe de colleges van burgemeester en wethouders behoren; g. omgevingsdienst: het rechtspersoonlijkheid bezittend openbaar lichaam Omgevingsdienst Haaglanden als bedoeld in artikel 3 van de regeling; h. provinciale staten: de provinciale staten van ZuidHolland; i. raden: de raden van de gemeenten; j. regeling: de Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Haaglanden; k. wet: de Wet gemeenschappelijke regelingen.
Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 2. Doelstelling Deze regeling heeft ten doel het ondersteunen van de deelnemers bij de uitvoering van hun taken op het gebied van het omgevingsrecht in het algemeen en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in het bijzonder, alsmede de taken op het terrein van vergunningverlening, handhaving en toezicht op grond van de in artikel 5.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht genoemde wetten.
Nieuwe tekst Artikel 2. Doelstelling Deze regeling heeft ten doel het ondersteunen van de deelnemers bij de uitvoering van hun taken op het gebied van het omgevingsrecht en andere opgedragen taken.
Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 3. Instelling 1. Er is een openbaar lichaam, genaamd Omgevingsdienst Haaglanden. 2. 2. De omgevingsdienst is gevestigd op het grondgebied van één van de deelnemende gemeenten.
Nieuwe tekst Artikel 3. Instelling 1. Er is een openbaar lichaam, genaamd Omgevingsdienst Haaglanden, gevestigd in Den Haag. 2. Het openbaar lichaam heeft rechtspersoonlijkheid.
Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Nieuwe tekst Artikel 4. Taken Artikel 4. Taken 1. Het verrichten van adviserende, ondersteunende en 1. De omgevingsdienst verricht adviserende, voorbereidende werkzaamheden op het gebied van ondersteunende en voorbereidende de zorg voor het milieu, bouw en RO, één en ander werkzaamheden op het gebied van de fysieke afhankelijk van de per deelnemer af te nemen taken, leefomgeving, één en ander afhankelijk van de per en de uitvoering van programma’s en projecten voor deelnemer af te nemen taken, en de uitvoering van de deelnemers, waaronder begrepen het voor de programma’s en projecten voor de deelnemers, gemeenten ontwikkelen en handhaven van een waaronder begrepen het voor de gemeenten gemeenschappelijk beleid, het aan gedeputeerde ontwikkelen en handhaven van een staten leveren van technische inbreng, zoals in gemeenschappelijk beleid, het aan gedeputeerde milieueffectrapporten c.q. door gedeputeerde staten staten leveren van technische inbreng, zoals in vast te stellen richtlijnen ten behoeve van milieueffectrapporten c.q. door gedeputeerde staten milieueffectrapportages, het uitvoeren van vast te stellen richtlijnen ten behoeve van onderzoek en metingen en het leveren van een milieueffectrapportages, het uitvoeren van bijdrage aan beleidsontwikkeling. onderzoek en metingen en het leveren van een 2.
Het verrichten van werkzaamheden voor de colleges bijdrage aan beleidsontwikkeling. 2. 2. De omgevingsdienst verricht werkzaamheden van de gemeenten, voor zover daartoe mandaat is verleend en met inachtneming van het door de voor de deelnemers, voor zover daartoe mandaat is verleend en met inachtneming van het door de diverse colleges vastgestelde beleid op het gebied van: deelnemers vastgestelde beleid op het gebied van: a. De Omgevingswet a. de Omgevingswet en de op die wet b. De Wet milieubeheer, met uitzondering van de gebaseerde regels; b. de Wet milieubeheer; titels 10.4 en 10.5. c. De Wet geluidhinder. c. de Natuurschoonwet 1928; d. De Wet bodembescherming. d. de Wet vervoer gevaarlijke stoffen; e. De handhavings- en toezichtstaken bij of e. de Wet explosieven voor civiel gebruik; f. het Vuurwerkbesluit; krachtens de onder a tot en met d genoemde g. het Asbestverwijderingsbesluit; wetten. f. Alsmede milieu-, handhavings- en h. het Besluit geluidsproductie sportmotoren; i. de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening; toezichtstaken op grond van andere wet- en j. de Wet algemene bepalingen regelgeving dan genoemd in onder a tot en met omgevingsrecht, de Wet e. 3.
Het verrichten van werkzaamheden voor de colleges bodembescherming, de Wet geluidhinder, de van de gemeenten, voor zover daartoe mandaat is Waterwet, de Woningwet, voor zover deze verleend en met inachtneming van de van (op grond van het overgangsrecht van de Omgevingswet) van toepassing blijven; toepassing zijnde provinciale en gemeentelijke k. de handhavings- en toezichtstaken bij of regelgeving en het vastgestelde gemeentelijk beleid krachtens de onder a tot en met j genoemde op het gebied van: a. De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wetten; alsmede b. De handhavings- en toezichtstaken bij of l. milieu-, handhavings- en toezichtstaken op krachtens de onder a genoemde wet. grond van andere wet- en regelgeving dan c. Alsmede handhavings- en toezichtstaken op genoemd in onder a tot en met i. 3. De omgevingsdienst verricht werkzaamheden ten grond van andere wet- en regelgeving dan genoemd onder a behoeve van de eigen bedrijfsvoering zoals: 4. Het verrichten van werkzaamheden voor a. het opstellen en vaststellen van een bedrijfsplan gedeputeerde staten, voor zover daartoe mandaat is en beleidsplannen van de omgevingsdienst; b. het jaarlijks vaststellen van een jaarverslag. verleend en met inachtneming van de van toepassing zijnde provinciale en gemeentelijke 4.
Voor zover bij de mandaatverlening niet anders is regelgeving en het vastgestelde gemeentelijk beleid bepaald kan ten aanzien van de aan de op het gebied van in elk geval: omgevingsdienst in mandaat toekomende taken en a. De in het tweede lid, onder a tot en met d, en de bevoegdheden ondermandaat worden verleend. in het derde lid onder a en b genoemde wet- en 5. Indien ten gevolge van wijziging van wettelijke regelgeving, voor zover gedeputeerde staten regelingen ter bescherming van het milieu, de uitvoering van werkzaamheden als bedoeld in het het bevoegd gezag zijn. b. De provinciale milieuverordening en de tweede lid gaan strekken ter uitvoering van een omgevingsverordening Zuid-Holland. andere regeling dan ter uitvoering waarvan zij ten c. De Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen tijde van het van kracht worden van deze regeling en zwemgelegenheden strekten, dan welindien in deze werkzaamheden ten d. De Waterwet. gevolge van een dergelijke wijziging veranderingen e. De Wet natuurbescherming en de optreden, blijven zij, voor zover hun strekking en Natuurschoonwet. omvang door hun wijziging niet wezenlijk f. De Ontgrondingenwet. veranderen, behoren tot de taken die in de g. De handhavings- en toezichtstaken bij of genoemde artikelleden aan de omgevingsdienst zijn krachtens de onder a tot en met f genoemde opgedragen. 6.
De omgevingsdienst kan op verzoek van derden, wetten. h. Alsmede milieu-, handhavings- en niet-deelnemers aan deze regeling, adviserende, ondersteunende en uitvoerende werkzaamheden toezichtstaken op grond van andere wet- en regelgeving dan onder a tot en met f genoemd. verrichten op het gebied van de zorg voor het milieu.
5.
6.
7.
8.
9.
Het verrichten van werkzaamheden ten behoeve 7. van de eigen bedrijfsvoering zoals: a. Het opstellen en vaststellen van een bedrijfsplan en beleidsplannen van de omgevingsdienst. b. Het jaarlijks vaststellen van een jaarverslag. Voor zover bij de mandaatverlening niet anders is bepaald kan ten aanzien van de aan de omgevingsdienst in mandaat toekomende taken en bevoegdheden ondermandaat worden verleend. Indien ten gevolge van wijziging van wettelijke regelingen ter bescherming van het milieu, de uitvoering van werkzaamheden als bedoeld in het tweede tot en met vijfde lid gaan strekken ter uitvoering van een andere regeling dan ter uitvoering waarvan zij ten tijde van het van kracht worden van deze regeling strekten, dan welindien in deze werkzaamheden ten gevolge van een dergelijke wijziging veranderingen optreden, blijven zij, voor zover hun strekking en omvang door hun wijziging niet wezenlijk veranderen, behoren tot de taken die in de genoemde artikelleden aan de omgevingsdienst zijn opgedragen. De omgevingsdienst kan op verzoek van derden, niet deelnemers aan deze regeling, adviserende, ondersteunende en uitvoerende werkzaamheden verrichten op het gebied van de zorg voor het milieu. 9. Op een verzoek zoals bedoeld in het achtste lid, beslist het dagelijks bestuur in incidentele gevallen en het algemeen bestuur in de overige gevallen.
Op een verzoek zoals bedoeld in het zesde lid, beslist het dagelijks bestuur in incidentele gevallen en het algemeen bestuur in de overige gevallen.
Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 5. Het bestuur Het bestuur van de omgevingsdienst bestaat uit: a. Het algemeen bestuur. b. Het dagelijks bestuur. c. De voorzitter.
Nieuwe tekst Artikel 5. Het bestuur Het bestuur van de omgevingsdienst bestaat uit: a. het algemeen bestuur; b. het dagelijks bestuur; c. de voorzitter.
Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Nieuwe tekst Artikel 6. Samenstelling algemeen bestuur Artikel 6. Samenstelling algemeen bestuur 1. Het algemeen bestuur bestaat uit dertien leden. 1. Het algemeen bestuur bestaat, de voorzitter 2. Gedeputeerde staten wijzen uit hun midden twee inbegrepen, uit dertien leden. leden van het algemeen bestuur aan. 2. Gedeputeerde staten wijzen uit hun midden twee 3. Het college van de gemeente Den Haag benoemt uit leden van het algemeen bestuur aan. 3. Het college van de gemeente Den Haag wijst uit zijn midden twee leden van het algemeen bestuur. Het college van de gemeente Westland benoemt uit zijn midden twee leden van het algemeen bestuur aan. Het college van de gemeente Westland wijst zijn midden twee leden van het algemeen bestuur. 4. De overige colleges benoemen uit hun midden elk uit zijn midden twee leden van het algemeen bestuur aan. één lid van het algemeen bestuur. 5. De colleges en gedeputeerde staten kunnen voor de 4. De overige colleges wijzen uit hun midden ieder door hen benoemde leden van het algemeen één lid van het algemeen bestuur aan. bestuur plaatsvervangende leden aanwijzen, die de 5. De colleges en gedeputeerde staten kunnen voor de door hen benoemde leden bij ontstentenis of door hen aangewezen leden van het algemeen verhindering vervangen.
Het bepaalde in deze bestuur plaatsvervangende leden aanwijzen, die de regeling ten aanzien van de leden van het algemeen door hen aangewezen leden bij ontstentenis of bestuur is op de plaatsvervangende leden van verhindering vervangen. Het bepaalde in deze overeenkomstige toepassing. regeling ten aanzien van de leden van het algemeen 6. De aanwijzing van de leden van het algemeen bestuur is op de plaatsvervangende leden van bestuur zoals bedoeld in het tweede, derde en overeenkomstige toepassing. 6. De aanwijzing van de leden van het algemeen vierde lid geschiedt voor dezelfde periode als bestuur, als bedoeld in het tweede, derde en vierde waarvoor het betreffende college of gedeputeerde lid, geschiedt voor dezelfde periode als waarvoor het staten worden benoemd en vindt plaats in de eerste vergadering van het betreffende college of betreffende college of gedeputeerde staten worden benoemd en vindt plaats in de eerste vergadering gedeputeerde staten in nieuwe samenstelling.
7.
De leden van het algemeen bestuur treden af op de van het betreffende college of gedeputeerde staten dag waarop de nieuw aangewezen leden van het in nieuwe samenstelling. algemeen bestuur in functie treden. 7. De leden van het algemeen bestuur treden af op de dag waarop de nieuw aangewezen leden van het 8. Wanneer een lid van het algemeen bestuur ophoudt algemeen bestuur in functie treden. lid te zijn van het college of gedeputeerde staten dat hem heeft benoemd, dan houdt hij tevens op lid te 8. Wanneer een lid van het algemeen bestuur ophoudt lid te zijn van het college of gedeputeerde staten dat zijn van het algemeen bestuur. Het college of hem heeft aangewezen, dan houdt hij tevens op lid gedeputeerde staten dat hem heeft benoemd, voorziet zo spoedig mogelijk in de vacature. te zijn van het algemeen bestuur. Het college of 9. De leden van het algemeen bestuur kunnen te allen gedeputeerde staten dat hem heeft aangewezen, voorziet zo spoedig mogelijk in opvulling van de tijde ontslag nemen. 10. Bij tussentijds ontslag voorziet het betreffende vacature. college of gedeputeerde staten zo spoedig mogelijk 9. De leden van het algemeen bestuur kunnen te allen in de aanwijzing van een nieuw lid van het algemeen tijde ontslag nemen. bestuur. 10. Bij tussentijds ontslag voorziet het betreffende 11.
Leden van het algemeen bestuur, die ontslag college of gedeputeerde staten zo spoedig mogelijk hebben genomen, behouden hun lidmaatschap in de aanwijzing van een nieuw lid van het algemeen totdat onherroepelijk in hun opvolging is voorzien. bestuur. 12. De colleges en gedeputeerde staten kunnen een 11. Leden van het algemeen bestuur, die ontslag door hem aangewezen lid in het algemeen bestuur hebben genomen, behouden hun lidmaatschap ontslaan bij gebrek aan vertrouwen. Het college of totdat in hun opvolging is voorzien. 12. De colleges en gedeputeerde staten kunnen een gedeputeerde staten dat hem heeft benoemd, door hen aangewezen lid in het algemeen bestuur voorziet zo spoedig mogelijk in de aanwijzing van ontslaan bij gebrek aan vertrouwen. Het college of een nieuw lid. gedeputeerde staten dat het lid heeft benoemd, voorziet zo spoedig mogelijk in de aanwijzing van een nieuw lid.
Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 7. Stemverdeling 1. Het aantal stemmen per deelnemer is als volgt: a. Provincie Zuid-Holland 29 stemmen per lid. b. Den Haag 27 stemmen per lid. c. Westland 14 stemmen per lid. d. Zoetermeer 16 stemmen per lid. e. Delft 16 stemmen per lid. f. Rijswijk 8 stemmen per lid. g. Pijnacker-Nootdorp 8 stemmen per lid. h. Leidschendam-Voorburg 4 stemmen per lid. i. Midden-Delfland 4 stemmen per lid. j. Wassenaar 4 stemmen per lid. 2. De stemverhouding wordt eens in de vier jaar geëvalueerd of op een eerder moment indien de financiële bijdragen van de deelnemers en de begroting behorende bij het moment dat de geldende stemverdeling werd vastgesteld, substantieel ten opzichte van elkaar wijzigen. Het algemeen bestuur doet in dat geval voorstellen aan de deelnemers om met toepassing van artikel 30 de stemverhouding als gegeven in het eerste lid te wijzigen. 3. Een stemming is alleen geldig als meer dan de helft van het aantal leden dat zitting heeft, en zich niet van deelneming aan de stemming moet onthouden, daaraan heeft deelgenomen. 4. Voor het tot stand komen van een besluit bij stemming wordt de meerderheid vereist van het aantal uitgebrachte stemmen, die tot stand wordt gebracht door minimaal drie deelnemers. 5. Een lid neemt niet deel aan de stemming over: a.
Een aangelegenheid die hem rechtstreeks of middellijk persoonlijk aangaat of waarbij hij als vertegenwoordiger is betrokken; b. De vaststelling of goedkeuring van de rekening van een lichaam waaraan hij rekenplichtig is of tot welk bestuur hij behoort;
Nieuwe tekst Artikel 7. Stemverdeling 1. Het aantal stemmen per deelnemer en per lid is als volgt: a. Provincie Zuid-Holland: 29; b. Gemeente Den Haag: 27; c. Gemeente Delft: 16; d. Gemeente Zoetermeer:16; e. Gemeente Westland: 14; f. Gemeente Pijnacker-Nootdorp: 8; g. Gemeente Rijswijk: 8; h. Gemeente Leidschendam-Voorburg: 4; i. Gemeente Midden-Delfland: 4; j. Gemeente Wassenaar: 4. 2. De stemverhouding wordt eens in de vier jaar geëvalueerd of op een eerder moment indien de financiële bijdragen van de deelnemers en de begroting behorende bij het moment dat de geldende stemverdeling werd vastgesteld, substantieel ten opzichte van elkaar wijzigen. Het algemeen bestuur doet in dat geval voorstellen aan de deelnemers om met toepassing van artikel 32 de stemverhouding als gegeven in het eerste lid te wijzigen. 3. Een stemming is alleen geldig als meer dan de helft van het aantal leden dat zitting heeft, en zich niet van deelneming aan de stemming moet onthouden, daaraan heeft deelgenomen. 4. Voor het tot stand komen van een besluit bij stemming wordt de meerderheid vereist van het aantal uitgebrachte stemmen, die tot stand wordt gebracht door minimaal drie deelnemers. 5. Een lid neemt niet deel aan de stemming over: a. een aangelegenheid die hem rechtstreeks of middellijk persoonlijk aangaat of waarbij hij als vertegenwoordiger is betrokken; b.
de vaststelling of goedkeuring van de rekening van een lichaam waaraan hij rekenplichtig is of tot welk bestuur hij behoort;
c.
Een benoeming die hem zelf aangaat, wanneer hij behoort tot de personen tot wie de keuze door voordracht of stemming is beperkt.
c.
een benoeming die hem zelf aangaat, wanneer hij behoort tot de personen tot wie de keuze door voordracht of stemming is beperkt.
Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Nieuwe tekst Artikel 10. Bevoegdheden algemeen bestuur Artikel 10. Bevoegdheden algemeen bestuur 1. Alle bevoegdheden in het kader van de regeling, die 1. Alle bevoegdheden in het kader van de regeling, die niet aan een ander orgaan zijn opgedragen, behoren niet aan een ander orgaan zijn opgedragen, behoren aan het algemeen bestuur. aan het algemeen bestuur. 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 57a van de 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 57a van de Wet en naast de uitoefening van taken en wet en naast de uitoefening van taken en bevoegdheden op grond van het elders in deze bevoegdheden op grond van het elders in deze regeling bepaalde, is het algemeen bestuur in ieder regeling bepaalde, is het algemeen bestuur in ieder geval bevoegd tot het besluiten tot het oprichten van geval bevoegd tot het besluiten tot het oprichten van en deelnemen in stichtingen, maatschappijen, en deelnemen in stichtingen, maatschappijen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen, indien dit onderlinge waarborgmaatschappijen, indien dit bijdraagt aan de behartiging van het belang als bijdraagt aan de behartiging van het doel als genoemd in artikel 2 dan wel aan de uitvoering van genoemd in artikel 2 dan wel aan de uitvoering van de taken als genoemd in
artikel 4. de taken als genoemd in artikel 4. 3. Ingezetenen van de deelnemers en andere belanghebbenden kunnen via de reguliere procedures bij de deelnemers worden betrokken bij besluiten van het algemeen bestuur. 4. In aanvulling op lid 3 kan het algemeen bestuur ertoe besluiten om ingezetenen van de deelnemers of andere belanghebbenden te betrekken bij de besluiten die het neemt, en de manier waarop dat gebeurt.
Artikel 11 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Nieuwe tekst Artikel 11. Samenstelling dagelijks bestuur Artikel 11. Samenstelling dagelijks bestuur 1. Het dagelijks bestuur bestaat, de voorzitter 1. Het dagelijks bestuur bestaat, de voorzitter inbegrepen, uit een oneven aantal en maximaal vijf inbegrepen, uit een oneven aantal en maximaal vijf leden welke door en uit het algemeen bestuur leden welke door en uit het algemeen bestuur worden aangewezen. worden aangewezen. 2. Het dagelijks bestuur bestaat in ieder geval uit één 2. Het dagelijks bestuur bestaat in ieder geval uit één lid van de provincie, één lid van Den Haag en één lid lid van de provincie, één lid van de gemeente Den van Westland. Haag en één lid van de gemeente Westland. 3. De leden van het dagelijks bestuur worden 3. De leden van het dagelijks bestuur worden aangewezen in de eerste vergadering van het aangewezen in de eerste vergadering van het algemeen bestuur in nieuwe samenstelling. algemeen bestuur in nieuwe samenstelling. 4. De leden van het dagelijks bestuur treden af op de 4. De leden van het dagelijks bestuur treden af op de dag waarop zij ophouden lid van het algemeen dag waarop zij ophouden lid van het algemeen bestuur te zijn. bestuur te zijn. 5. De leden van het dagelijks bestuur kunnen te allen 5. De leden van het dagelijks bestuur kunnen te allen tijde ontslag nemen. tijde ontslag nemen. 6.
Het ontslag in het vijfde lid gaat in met ingang van 6. Het ontslag in het vijfde lid gaat in met ingang van de dag, gelegen een maand na de dag waarop hij de dag, gelegen een maand na de dag waarop hij zijn ontslag heeft genomen of zoveel eerder als zijn zijn ontslag heeft genomen of zoveel eerder als zijn opvolger de benoeming heeft aangenomen. opvolger de benoeming heeft aangenomen. 7. Het algemeen bestuur kan een of meer leden van 7. Het algemeen bestuur kan een lid van het dagelijks het dagelijks bestuur, de voorzitter inbegrepen, bestuur, de voorzitter inbegrepen, ontslag verlenen ontslag verlenen indien deze(n) het vertrouwen van indien hij het vertrouwen van het algemeen bestuur het algemeen bestuur niet meer bezit(ten). niet meer bezit. 8. 8. Indien een plaats in het dagelijks bestuur 8. Indien een plaats in het dagelijks bestuur beschikbaar komt, het algemeen bestuur zo spoedig beschikbaar komt, wijst het algemeen bestuur zo mogelijk een nieuw lid. spoedig mogelijk een nieuw lid aan.
Artikel 13 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 13. Bevoegdheden dagelijks bestuur Het dagelijks bestuur is naast het uitoefenen van de taken en bevoegdheden genoemd in hoofdstuk IV afdeling 3 paragraaf 5 van de Wgr belast met : a. [vervallen]; b. [vervallen]; c. Het beheer van de financiële administratie; d. De zorg, voor zover niet aan anderen opgedragen, voor de controle op het geldelijk beheer en de boekhouding; e. Het stimuleren en coördineren van overleg tussen de deelnemers; f. Het behartigen van de belangen van de omgevingsdienst bij andere overheden, instellingen, diensten of personen, waarmee contact voor de omgevingsdienst van belang is; g. [vervallen]; h. Het houden van toezicht op al hetgeen de omgevingsdienst aangaat; i. [vervallen]; j. [vervallen]; k. [vervallen]; l. Het conform artikel 10:4 eerste lid Awb instemmen met een mandaat verleend aan de directeur.
Nieuwe tekst Artikel 13. Bevoegdheden dagelijks bestuur Het dagelijks bestuur is naast het uitoefenen van de taken en bevoegdheden genoemd in artikel 57b van de wet belast met: a. het beheer van de financiële administratie; b. de zorg, voor zover niet aan anderen opgedragen, voor de controle op het geldelijk beheer en de boekhouding; c. het stimuleren en coördineren van overleg tussen de deelnemers; d. het behartigen van de belangen van de omgevingsdienst bij andere overheden, instellingen, diensten of personen, waarmee contact voor de omgevingsdienst van belang is; e. het houden van toezicht op al hetgeen de omgevingsdienst aangaat; f. het conform artikel 10:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, instemmen met een mandaat verleend aan de secretaris.
Artikel 16 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Nieuwe tekst Artikel 16. Informatie van het bestuur aan raad of Artikel 16. Informatie van het bestuur aan raad of provinciale staten provinciale staten 1. Het algemeen bestuur, dagelijks bestuur en de 1. Het algemeen bestuur, dagelijks bestuur en de voorzitter verstrekken de raden en provinciale staten voorzitter verstrekken de raden en provinciale staten ongevraagd alle inlichtingen die voor een juiste schriftelijk ongevraagd alle inlichtingen die voor beoordeling van het door het bestuur van de een juiste beoordeling van het door het bestuur van omgevingsdienst gevoerde en te voeren beleid de omgevingsdienst gevoerde en te voeren beleid nodig is. nodig is. 2. Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de 2. Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter verstrekken aan de raden en provinciale voorzitter verstrekken aan de raden en provinciale staten alle inlichtingen die door één of meer leden staten schriftelijk alle inlichtingen die door één of van die bestuursorganen worden verlangd. meer leden van die bestuursorganen worden verlangd. 3. Het reglement van orde van het betreffende bestuur regelt de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan 3. Het reglement van orde van het betreffende bestuur het in de vorige leden bepaalde.
regelt de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan het bepaalde in het eerste en tweede lid. 4. De vergaderstukken en verslagen van het algemeen bestuur worden actief openbaar gemaakt overeenkomstig het bepaalde in de Wet open overheid. 5. Besluitenlijsten en andere documenten van het dagelijks bestuur worden actief openbaar gemaakt overeenkomstig het bepaalde in de Wet open overheid.
In artikel 21, tweede lid, wordt aan het einde ingevoegd: “van de regeling”. In artikel 23, tweede lid, worden de woorden “algemeen bestuur, dagelijks bestuur, secretaris” gewijzigd in: “algemeen bestuur, dagelijks bestuur en secretaris.
Artikel 24 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Nieuwe tekst Artikel 24. Begroting Artikel 24. Begroting 1. Het dagelijks bestuur zendt de ontwerpbegroting 1. Het dagelijks bestuur zendt uiterlijk 30 april van acht weken voordat zij aan het algemeen bestuur het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de wordt aangeboden, toe aan de raden en provinciale begroting dient, de algemene financiële en staten. beleidsmatige kaders aan de raden en 2. De ontwerpbegroting wordt door de zorg van de provinciale staten. deelnemers voor een ieder ter inzage gelegd en, 2. Het dagelijks bestuur zendt de ontwerpbegroting ten tegen betaling van de kosten, algemeen verkrijgbaar minste twaalf weken voordat zij aan het algemeen gesteld. bestuur wordt aangeboden toe aan de raden en 3. De raden en provinciale staten kunnen hun provinciale staten. 3. De ontwerpbegroting wordt door de zorg van de zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de deelnemers voor een ieder ter inzage gelegd en, tegen betaling van de kosten, algemeen verkrijgbaar commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de ontwerpbegroting, zoals deze aan het algemeen gesteld. bestuur wordt aangeboden. 4. De raden en provinciale staten kunnen gedurende 4.
Het algemeen bestuur stelt de begroting vast, op twaalf weken na aanbieding door het dagelijks uiterlijk 1 juli in het jaar voorafgaande aan dat bestuur hun zienswijze over de ontwerpbegroting waarvoor zij dient. naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de 5. Het dagelijks bestuur zendt de vastgestelde commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de begroting toe aan de raden en provinciale staten. ontwerpbegroting, zoals deze aan het algemeen 6. Het dagelijks bestuur zendt de begroting binnen bestuur wordt aangeboden. 5. Het algemeen bestuur stelt de begroting vast, op twee weken na vaststelling, in ieder geval vóór1 augustus van het jaar voorafgaande aan dat uiterlijk 1 september in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient. waarvoor de begroting dient, aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. 6. Het dagelijks bestuur zendt de vastgestelde 7. Het bepaalde in het eerste, derde en vijfde lid is begroting toe aan de raden en provinciale staten. mede van toepassing op besluiten tot wijziging van 7. Het dagelijks bestuur zendt de begroting binnen de begroting. twee weken na vaststelling, in ieder geval vóór 15 8.
Het dagelijks bestuur biedt voorgenomen september van het jaar voorafgaande aan dat begrotingswijzigingen aan de deelnemers aan voor waarvoor de begroting dient, aan de Minister van een zienswijze tenzij: Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. a. De wijzigingen minder bedragen dan 5% van de 8. Het bepaalde in het eerste, derde en vijfde lid is totale begrotingsomvang (baten); mede van toepassing op besluiten tot wijziging van b. De wijzigingen voortkomen uit extra de begroting. 9. Het dagelijks bestuur biedt voorgenomen opdracht(en) van een of meerdere opdrachtgevers met bijbehorende financiële begrotingswijzigingen aan de deelnemers aan voor een zienswijze tenzij: dekking; c. De wijzigingen voortkomen uit overige taken al a. de wijzigingen minder bedragen dan 5% van de dan niet bij of krachtens wet opgedragen door totale begrotingsomvang (baten); b. de wijzigingen voortkomen uit extra derden/deelnemers met bijbehorende financiële opdracht(en) van een of meerdere dekking. opdrachtgevers met bijbehorende financiële dekking; c. de wijzigingen voortkomen uit overige taken al dan niet bij of krachtens wet opgedragen door derden of deelnemers met bijbehorende financiële dekking.
Artikel 25 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 25. Jaarrekening 1. Het algemeen bestuur stelt de jaarrekening vast op uiterlijk 1 juli in het jaar volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft. 2. Het dagelijks bestuur zendt de vastgestelde jaarrekening ter kennisneming aan de raden en provinciale staten. 3. Het dagelijks bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na vaststelling, vóór 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Nieuwe tekst Artikel 25. Jaarrekening 1. Op de voorlopige jaarrekening is artikel 58b van de wet van toepassing. 2. Het algemeen bestuur stelt de jaarrekening vast op uiterlijk 1 juli in het jaar volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft. 3. Het dagelijks bestuur zendt de vastgestelde jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 juli ter kennisneming aan de raden en provinciale staten. 4. Het dagelijks bestuur stelt de in het eerste, tweede en derde lid bedoelde stukken algemeen verkrijgbaar. 5. Het dagelijks bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na vaststelling, vóór 15 juli
van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Artikel 28 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 28. Archief 1. Het dagelijks bestuur draagt zorg voor de archiefbescheiden van de organen ingesteld bij de gemeenschappelijke regeling overeenkomstig een door het algemeen bestuur vast te stellen regeling, die aan Gedeputeerde Staten wordt medegedeeld. 2. Gedeputeerde Staten oefenen toezicht uit op de aan het dagelijks bestuur opgedragen zorg voor de archiefbescheiden overeenkomstig artikel 33, lid 1 van de Archiefwet 1995. 3. […]
Nieuwe tekst Artikel 28. Archief 1. Het dagelijks bestuur draagt zorg voor de archiefbescheiden van de organen ingesteld bij de gemeenschappelijke regeling overeenkomstig een door het algemeen bestuur vast te stellen regeling, die aan gedeputeerde staten wordt medegedeeld. 2. Gedeputeerde staten oefenen toezicht uit op de aan het dagelijks bestuur opgedragen zorg voor de archiefbescheiden. 3. […]
De titel van Hoofdstuk 10 (Toe- en uittreding), wordt gewijzigd in “Toetreding, uittreding, wijziging en opheffing” Artikel 29 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Nieuwe tekst Artikel 29. Toe- en uittreding Artikel 29. Toetreding 1. Het algemeen bestuur doet een unaniem voorstel tot 1. Het algemeen bestuur doet een unaniem voorstel tot toetreding. toetreding. 2. Toetreding vindt plaats bij daartoe strekkende 2. Toetreding vindt plaats bij een daartoe strekkend besluiten van de bevoegde bestuursorganen van besluit van het bestuursorgaan dat wenst toe te alle deelnemers. treden, na goedkeuring van de raden en 3. Toetreding is mogelijk per 1 januari van het provinciale staten, met inachtneming van artikel volgende kalenderjaar. 51, tweede lid, van de wet. 4. Het algemeen bestuur regelt de gevolgen van de 3. Toetreding is mogelijk per 1 januari van het toetreding. volgende kalenderjaar. 5. Het algemeen bestuur doet een unaniem voorstel tot 4. Het algemeen bestuur regelt de gevolgen van de uittreding. toetreding en kan hieraan voorwaarden verbinden. 6. Uittreding vindt plaats indien de bevoegde bestuursorganen van alle deelnemers instemmen Artikel 30. Uittreding met de afwikkeling van de financiële en 1. Het algemeen bestuur doet een unaniem voorstel tot organisatorische gevolgen daarvan. 7. Indien een deelnemer uit de regeling wenst te uittreding. 2.
Uittreding vindt plaats indien de bevoegde treden, zal in het kader van de in het zesde lid bedoelde afwikkeling van de financiële gevolgen bestuursorganen van alle deelnemers instemmen met de afwikkeling van de financiële en daarvan een toewijzing van personeel aan deze deelnemer plaatsvinden en zal er een compensatie organisatorische gevolgen daarvan. 3. De uittreding kan eerst plaatsvinden per 1 verschuldigd zijn voor de overige rechten en januari van het tweede jaar volgend op het jaar verplichtingen. 8. De hoeveelheid toe te wijzen personeel wordt waarin het algemeen bestuur heeft ingestemd bepaald op basis van de begroting over het jaar met de uittreding, tenzij het algemeen bestuur voorafgaand aan het jaar van uittreding en betreft een andere datum heeft bepaald. zowel het directe als het indirecte personeel. 4. Het dagelijks bestuur inventariseert de gevolgen 9. De hoeveelheid toe te wijzen indirect personeel en van de uittreding, de wijze waarop met deze de overige rechten en verplichten worden bepaald gevolgen kan of moet worden omgegaan en de op basis van de kostenverdelingen, welke zijn voorwaarden voor uittreding, welke uiterlijk zes opgenomen in de begroting over het jaar maanden na het moment van uittreding worden voorafgaand aan het jaar van uittreding. vastgelegd in een door het algemeen bestuur 10.
Compensatie voor de overige rechten en vast te stellen uittredingsplan. 5. Indien een deelnemer uit de regeling wenst te verplichtingen zal in een bijdrage ineens worden voldaan. Deze bijdrage is gelijk aan driemaal de op treden, zal in het kader van de afwikkeling van de financiële gevolgen daarvan een toewijzing van de in het negende lid aangegeven wijze bepaalde hoeveelheid overige rechten en verplichtingen. personeel aan deze deelnemer plaatsvinden en zal 11. De feitelijke uittreding kan eerst plaatsvinden per 1 er een compensatie verschuldigd zijn voor de januari van het tweede jaar volgend op het jaar overige rechten en verplichtingen. 6. De hoeveelheid toe te wijzen personeel wordt waarin het algemeen bestuur heeft ingestemd met bepaald op basis van de begroting over het jaar
de uittreding, tenzij het algemeen bestuur een andere datum heeft bepaald. 12. Het algemeen bestuur regelt de gevolgen van uittreding.
7.
8.
voorafgaand aan het jaar van uittreding en betreft zowel het directe als het indirecte personeel. De hoeveelheid toe te wijzen indirect personeel en de overige rechten en verplichten worden bepaald op basis van de kostenverdelingen, welke zijn opgenomen in de begroting over het jaar voorafgaand aan het jaar van uittreding. Compensatie voor de overige rechten en verplichtingen zal in een bijdrage ineens worden voldaan. Deze bijdrage is gelijk aan driemaal de op de in het zevende lid aangegeven wijze bepaalde hoeveelheid overige rechten en verplichtingen.
Artikel 30 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 30. Wijziging of opheffing 1. De colleges en gedeputeerde staten, het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur kunnen voorstellen doen tot wijziging van de regeling. Alleen het algemeen bestuur kan, op grond van artikel 7, lid 2, een voorstel doen tot wijziging van de stemverhouding. 2. Deze regeling kan worden gewijzigd indien de bevoegde bestuursorganen van meer dan tweederde van het aantal deelnemers daarmee heeft ingestemd. 3. De artikelen 2, 4, 6, leden 1 tot en met 4, 7, 11, leden 1 en 2, 29 en 30 van deze regeling kunnen alleen worden gewijzigd indien de bevoegde bestuursorganen van alle deelnemers daarmee instemmen. 4. De regeling kan worden opgeheven bij daartoe strekkende besluiten van alle colleges en gedeputeerde staten. 5. De deelnemende partijen verbinden zich in geval van opheffing van het openbaar lichaam een liquidatieplan op te stellen dat voorziet in de verdeling van de rechten en verplichtingen van het openbaar lichaam over de deelnemende partijen op een in dat plan te bepalen wijze.
Nieuwe tekst Artikel 31. Wijziging 1. De colleges en gedeputeerde staten, het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur kunnen voorstellen doen tot wijziging van de regeling. Alleen het algemeen bestuur kan, op grond van artikel 7, tweede lid, van de regeling, een voorstel doen tot wijziging van de stemverhouding. 2. Deze regeling kan worden gewijzigd indien tweederde van het aantal deelnemers daarmee heeft ingestemd. 3. De artikelen 2, 4, 6 eerste tot en met het vierde lid, 7, 11 eerste en tweede lid, 29, 30, 31 en 32 van deze regeling kunnen alleen worden gewijzigd indien de bevoegde bestuursorganen van alle deelnemers daarmee instemmen. 4. De raden en provinciale staten kunnen bij het dagelijks bestuur hun zienswijzen binnen acht weken na ontvangst van de ontwerpregeling naar voren brengen. Artikel 32. Opheffing 1. De regeling kan worden opgeheven bij daartoe strekkende besluiten van alle colleges en gedeputeerde staten. 2. Het besluit tot opheffing wordt niet genomen voordat de raden en provinciale staten gedurende twaalf weken in de gelegenheid zijn gesteld om schriftelijk op de voorgestelde opheffing hun zienswijze ter kennis te brengen. 3.
De deelnemers verbinden zich in geval van opheffing van het openbaar lichaam een liquidatieplan op te stellen dat voorziet in de verdeling van de rechten en verplichtingen van het openbaar lichaam over de deelnemers op een in dat plan te bepalen wijze. 4. Het liquidatieplan voorziet in ieder geval in de gevolgen die de opheffing heeft voor het personeel en stelt regels voor de wijze waarop de deelnemers, voor zover het saldo ontoereikend is, zorgdragen voor de nakoming van de verplichtingen van de omgevingsdienst. 5. In geval van een batig saldo wordt dit naar rato van de jaarlijkse bijdrage uitgekeerd aan de deelnemers. 6. Het dagelijks bestuur is belast met de uitvoering van de liquidatie, tenzij het algemeen bestuur anders besluit. 7. De deelnemers blijven na het tijdstip van opheffing in functie, totdat de liquidatie is voltooid.
Artikel 31 wordt als volgt gewijzigd Bestaande tekst Artikel 31. Geschillenregeling 1. Voordat over geschillen omtrent de toepassing in de ruimste zin, van een regeling tussen besturen van de deelnemers of tussen besturen van een of meer deelnemers en het bestuur van het openbaar lichaam, de beslissing van de rechter wordt ingeroepen, legt het algemeen bestuur het geschil voor aan de Commissaris van de Koningin in de provincie Zuid-Holland. 2. De commissaris hoort de bij het geschil betrokken partijen. 3. Hij brengt binnen drie maanden advies uit over de mogelijkheden partijen tot overeenstemming te brengen. 4. […]
Artikel 32 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 32. Slotbepaling 1. De regeling wordt op de gebruikelijke wijze openbaar gemaakt en treedt op 1 juli 2012 in werking. 2. Deze regeling kan worden aangehaald als “Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Haaglanden”. 3. Gedeputeerde staten zenden de regeling aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Nieuwe tekst Artikel 33. Geschillenregeling 1. Voordat over geschillen omtrent de toepassing, in de ruimste zin, van een regeling tussen besturen van de deelnemers of tussen besturen van een of meer deelnemers en het bestuur van het openbaar lichaam, de beslissing van de rechter wordt ingeroepen, legt het algemeen bestuur het geschil voor aan de Commissaris van de Koningin in de provincie Zuid-Holland. 2. De commissaris hoort de bij het geschil betrokken partijen. 3. De commissaris brengt binnen drie maanden advies uit over de mogelijkheden partijen tot overeenstemming te brengen. 4. […]
Nieuwe tekst Artikel 34. Slotbepaling 1. De regeling treedt in werking op de dag na bekendmaking door gedeputeerde staten in het Provincieblad. 2. Gedeputeerde staten zenden de regeling aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. 3. De werking van de regeling zal geëvalueerd worden indien het algemeen bestuur daartoe besluit. Het dagelijks bestuur zal dan een onderzoeksvoorstel aan de deelnemers voorleggen. 4. Gedeputeerde staten maken een volledig ondertekend exemplaar van deze regeling alsmede van besluiten tot wijziging, tot uittreding van, van toetreding tot en tot opheffing van deze regeling tijdig bekend in het Provincieblad. Artikel 35. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als “Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Haaglanden”.