3654 Koersbrief Iedereen telt mee
Tekst van het document
Koers voor het nieuwe minimabeleid 2024
Iedereen telt mee Koers voor het nieuwe minimabeleid
Pagina 1
Koers voor het nieuwe minimabeleid 2024
Koers voor het nieuwe minimabeleid 2024
Aanleiding Bestaanszekerheid en armoede(bestrijding) zijn landelijk en in Leidschendam-Voorburg actuele en belangrijke thema’s. Financiële zorgen, bijvoorbeeld over schulden en armoede, brengen allerlei andere problemen met zich mee. Stress, verminderde gezondheid, eenzaamheid, niet mee kunnen doen in de samenleving. Kinderen die opgroeien in armoede hebben minder mogelijkheden om zich te ontwikkelen en te ontplooien. Ook in onze gemeente zijn er inwoners die niet of alleen met heel veel moeite rond kunnen komen. Met alle gevolgen voor hun gezondheid, welzijn en dat van hun kinderen. De gemeente vindt het belangrijk om deze inwoners te ondersteunen zodat zij minder zorgen hebben om noodzakelijke uitgaven en mee kunnen doen in de samenleving. Met minimaregelingen en bijzondere bijstand ondersteunt de gemeente inwoners met een laag inkomen. Hiermee dragen deze regelingen bij aan het vergroten van de financiële zelfredzaamheid. Dit helpt de inwoners te beschermen tegen armoede en armoede-effecten. De minimaregelingen en bijzondere bijstand zijn beschreven in het minimabeleid. Het huidige minimabeleid is vastgesteld voor de periode 2019-2022. Sindsdien zijn er veel ontwikkelingen geweest die van invloed zijn op de bestaanszekerheid van inwoners en op de dienstverlening van de gemeente. De samenleving verandert, zo ook de opgaven en taken waar de gemeente voor aan de lat staat.
Het beleid zal zich continu moeten aanpassen om mee te kunnen bewegen met de veranderingen, zonder willekeur en wispelturigheid. Het ontwikkelen van beleid is een continu proces en het is niet mogelijk om dit voor vier jaar vast te leggen. In deze brief leest u als uitwerking van onder andere het aangescherpte sociaal kompas, de voorgestelde richting voor het nieuwe minimabeleid. De intentie is om deze richting budgettair neutraal voor te stellen.
Pagina 2
Op 20 juni 2023 is de raad met de raadsbrief Ontwikkeling nieuw minimabeleid (nr. 3415) geïnformeerd over het proces van het te herziene minimabeleid. Vervolgens is onder andere het bestaande beleid geëvalueerd en input opgehaald bij relevante maatschappelijke organisaties. De voorliggende brief heeft als doel de raad te informeren en uit te nodigen voor een dialoog over de koers voor het minimabeleid. Het college wil het beleidsplan dat daarop volgt na het komende zomerreces aan de raad aanbieden. Leeswijzer Eerst wordt de context geschetst waarbinnen het minimabeleid zich bevindt, gevolgd door landelijke ontwikkelingen. Vervolgens gaan we in op de visie en waarden die de basis vormen voor het minimabeleid. Deze visie leidt op basis van de evaluatie tot voorstellen voor de richting van het nieuwe minimabeleid. Tot slot wordt inzicht gegeven in de invloed van de beoogde koers op de financiën. Afbakening De koers die uiteen wordt gezet in deze brief betreft beleid op de minimaregelingen en bijzondere bijstand, oftewel het minimabeleid. We erkennen dat het minimabeleid onderdeel is van de bredere opgaven rondom armoedebestrijding en bestaanszekerheid. Om de lokale minimaregelingen in perspectief te brengen, wordt daarom in deze brief ook aandacht gegeven aan het bredere verhaal over bestaanszekerheid, armoede en minima.
Pagina 3
Koers voor het nieuwe minimabeleid 2024
Jaarverslag Leerplicht en RMC | Schooljaar 2021 – 2022
Context schets Bestaanszekerheid is een (grondwettelijk) recht voor alle Nederlandse ingezetenen en doelt op een toereikende levensstandaard. Dit is een breed begrip en gaat bijvoorbeeld om voldoende inkomen, gezonde sociale relaties, onderwijskansen en zekerheid van betaalbare huisvesting. Bestaanszekerheid is voorwerp van overheidszorg via sociale zekerheid en bijstand. Wanneer bestaanszekerheid in het geding komt, heeft dit zowel persoonlijke als maatschappelijke gevolgen. Persoonlijke gevolgen zijn bijvoorbeeld verslechterde gezondheid en verminderde eigenwaarde. Bij kinderen zijn er gevolgen voor de leerprestaties, gezondheid, psychosociale problemen en toekomstkansen. Maatschappelijke gevolgen zijn onderbenutting van menselijk kapitaal, hogere kosten voor gezondheidszorg en afnemende sociale cohesie. Omgekeerd biedt voldoende bestaanszekerheid juist kansen op maatschappelijke participatie en ontwikkeling.
In het kader van het minimabeleid richten we ons op financiële bestaanszekerheid. Armoede heeft geen vaste definitie, maar is te omschrijven als te weinig financiële mogelijkheden hebben om de minimaal noodzakelijke goederen en voorzieningen te bekostigen. Het Rijk is verantwoordelijk voor voldoende bestaanszekerheid. Als gemeente kunnen én willen we inwoners die in (financiële) bestaansonzekerheid leven natuurlijk wel ondersteunen. De gemeente is verantwoordelijk voor het bieden van extra ondersteuning door maatwerk en sociale participatie, aansluitend op de lokale situatie en gemeenschap. Hiervoor gelden strenge wettelijke kaders, we mogen als gemeente niet aan inkomenspolitiek doen. We bieden verschillende vormen van hulpverlening, begeleiding en directe financiële maatregelen waar (wettelijk) mogelijk om bij te dragen aan de bestrijding van armoede
Pagina 4
en de vergroting van bestaanszekerheid. Twee belangrijke aanpalende beleidsterreinen die hieraan bijdragen zijn re-integratie en participatie en schuldhulpverlening. Het Re-integratie en Participatiebeleid is onlangs herzien en vastgesteld op 26 september 2023. Met dit nieuwe beleid is er, naast onverminderde inzet op toeleiding naar werk, een grotere focus gekomen op participatie. Het beleid rondom schuldhulpverlening is zich meer gaan richten op preventie van schulden. Een ander belangrijk beleid om inwoners te ondersteunen is het minimabeleid. Met het minimabeleid van de gemeente wordt gedoeld op de minimaregelingen en de bijzondere bijstand. Deze regelingen zijn gericht op de individuele inwoner. De lokale regelingen zijn enerzijds bedoeld om noodzakelijke uitgaven te financieren van mensen die hiervoor geen geld kunnen reserveren (bijzondere bijstand), anderzijds om deelname in de
samenleving te stimuleren (bijvoorbeeld deelname aan sociale, culturele en sportactiviteiten). Met name dit laatste onderdeel is nauw verbonden met onze opgaven in het brede sociale domein. Naast de directe gemeentelijke inzet zijn maatschappelijke initiatieven van groot belang in de versterking van (financiële) bestaanszekerheid door de begeleiding en ondersteuning van de financiële situatie van de inwoner. In onderstaand figuur is schematisch weergeven waar het minimabeleid zich bevindt in de bredere context van ondersteuning van (financiële) bestaanszekerheid, participatie en armoedebestrijding.
Pagina 5
Koers voor het nieuwe minimabeleid 2024
Koers voor het nieuwe minimabeleid 2024
Landelijke onderzoeken en ontwikkelingen Op dit moment constateert de Commissie Sociaal Minimum (CSM) dat een deel van de Nederlandse huishoudens met een inkomen rond het sociaal minimum, in financiële bestaansonzekerheid leeft. Zij hebben niet de noodzakelijke goederen en voorzieningen om rond te komen en mee te doen. De regering heeft voor 2023 extra geld uitgetrokken om huishoudens met een lager inkomen te helpen. Daarnaast zijn onder het demissionair kabinet al enkele maatregelen genomen zoals verhoging van het minimumloon en huurtoeslag. Door deze maatregelen blijft het aantal Nederlanders dat in armoede leeft naar verwachting gelijk op 4,8%. Het aantal kinderen dat onder de armoedegrens leeft daalt van 6,2% naar 5,1%1. De groepen die het meest risico lopen op armoede zijn kinderen, alleenstaanden met en zonder kinderen, bijstandsgerechtigden en mensen met een migratieachtergrond. De meeste kinderen lijken wel het armoederisico van de ouders te ontstijgen en leven later zelf niet meer in armoede2. Ook blijkt 27% van de arme huishoudens betaald werk te hebben als belangrijkste inkomensbron, wat aangeeft dat werkende armen een belangrijke groep is om aandacht aan te schenken.
Verder heeft de CSM ook getoetst in welke mate bepaalde type minimahuishoudens ondanks de landelijke en lokale regelingen maandelijks geld tekortkomen, dit wordt een toetsing van toereikendheid genoemd. De een komt namelijk meer tekort dan een ander. In deze toetsing zijn inkomens uit landelijke regelingen en lokale regelingen (bij een ondergemiddelde gemeente) afgezet tegen een uitgavennorm. Hieruit blijkt dat over het algemeen bijna alle huishoudtypen op het sociaal minimum maandelijks nog steeds tekortkomen. De uitzonderingen op dit beeld zijn alleenstaande ouders met één kind (€70,- boven het minimaal noodzakelijke), alleenstaande AOW’ers (€114 boven het minimaal noodzakelijke) en paren AOW’ers (€42 boven het minimaal noodzakelijke). De netto AOW ligt ruim €200,- per maand hoger dan de netto bijstand waardoor er meer te besteden
is. De tekorten bij huishoudens met kinderen lopen op naarmate er meer kinderen zijn. De minimaal noodzakelijke uitgaven voor kinderen nemen toe naarmate kinderen ouder worden, terwijl de kindbedragen in de kinderbijslag en het kindgebonden budget beperkt meegroeien met leeftijd. De CSM stelt dat het Rijk verantwoordelijk is om te voorzien in een bestaansminimum waarmee mensen de noodzakelijke uitgaven kunnen doen. Het blijkt dat het Rijk hierin, ondanks de al genomen maatregelen, tekortschiet. Het CBS/SCP/Nibud en de CSM constateren dat lokale minimaregelingen in de huidige situatie daarom noodzakelijk zijn om rond te kunnen komen en mee te kunnen doen in de samenleving. Op het moment van schrijven is er nog geen kabinet gevormd waardoor er nog veel onduidelijk is over hoe het Rijk verder inspeelt op de oplopende financiële tekorten van huishoudens. De gemeente heeft niet de positie en krijgt bovendien onvoldoende middelen om de omissie van het Rijk op te vangen. Het college volgt de landelijke ontwikkelingen op de voet. Een landelijke ontwikkeling om rekening mee te houden en op in te spelen is de herziening van de Participatiewet. Op 11 december 2023 is hiervoor het programmaplan Participatiewet in balans gepresenteerd . Kernwoorden in deze herziening zijn de menselijke maat, vertrouwen en eenvoud.
Er wordt gewerkt naar een voorspelbaar en begrijpelijk vangnet met ruimte voor individuele ondersteuningsbehoeften. Hierbij wordt uitgegaan van een reëel in plaats van rationeel mensbeeld. Er zijn mensen in de Participatiewet die voor langere tijd of permanent niet in staat zijn tot (voltijds) betaald werk, ook voor deze mensen moet een passend perspectief geboden worden. Daarbij wordt participatie breder opgevat dan alleen betaald werk. Verder krijgt de uitvoerende professional meer ruimte om te kunnen doen wat in het individuele geval nodig is en wordt ingezet op vereenvoudiging om gebruik te kunnen maken van de Participatiewet.
Centraal Planbureau. (2023). Macro Economische Verkenning 2024. Commissie Sociaal Minimum. (2023). Een zeker bestaan: Naar een toekomstbestendig stelsel van het sociaal minimum. Rapport I. p.57 - 62 3 Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. (2023). Programmaplan Participatiewet in Balans. 1
2
Pagina 6
Pagina 7
Koers voor het nieuwe minimabeleid 2024
Koers voor het nieuwe minimabeleid 2024
Visie en waarden Meedoen in de samenleving heeft verscheidene positieve gevolgen. Meedoen kan bijdragen aan het geluk van mensen4, een grotere eigenwaarde en verminderde gevoelens van stress. Maatschappelijke participatie geeft structuur aan de dagen en zorgt voor ontmoeting5. Deze sociale contacten kunnen dan leiden tot versterkte sociale steun. Ook ervaren mensen die participeren over het algemeen een betere gezondheid dan mensen die niet participeren. De samenhang is het sterkst bij arbeidsparticipatie6. De gemeente blijft dan ook onverminderd inzetten op arbeidsparticipatie naast andere vormen van participatie zoals beoogd in het Re-integratie en Participatiebeleid. Maatschappelijk gezien betekent dit dat participatie positieve gevolgen heeft zoals betere sociale cohesie en lagere gezondheidszorgkosten. In het coalitieakkoord staat geschreven dat iedere inwoner die in een situatie belandt waarin hij of zij ondersteuning nodig heeft om (weer) aan het werk te komen of deel te nemen aan de samenleving, kan rekenen op ondersteuning van de gemeente. Met oog voor ieder individueel persoon wordt, waar mogelijk, perspectief geboden om naar vermogen echt mee te doen en een bijdrage te leveren aan de samenleving. Lokale minimaregelingen dragen direct bij aan sociale participatie. Voor een deel van de inwoners kan dit indirect ook bijdragen aan arbeidsdeelname of activering7.
Het minimabeleid draagt bij aan de volgende opgave van het sociaal domein: ‘We vinden het belangrijk dat iedereen mee kan doen in de samenleving en naar vermogen bij kan dragen aan onze gemeenschap’ We werken aan deze opgave volgens onderstaande waarden: 1. Individuele autonomie 2. Perspectief en hoop 3. Meedoen en naar vermogen bijdragen 4. Eenvoud, maatwerk en persoonlijke hulp 5. Maatschappelijke rechtvaardigheid en uitlegbaarheid Deze waarden worden hieronder verder uitgewerkt.
1. Individuele autonomie Er wordt gewerkt op basis van vertrouwen en een positief, realistisch mensbeeld. Inwoners zijn autonoom en veerkrachtig. Een streven is dat inwoners zelfredzaam zijn, waar nodig ondersteund door de omgeving. Zelfredzaamheid en regie op het eigen leven zijn belangrijk om verschillende redenen. Onderzoek laat zien dat gevoel van geen controle leidt tot minder geluk en gezondheid, eerder overlijden, gevoel van maatschappelijk onbehagen en sterker wij-zij denken. We erkennen dat meer zelfredzaamheid niet altijd realistisch is vanwege denkvermogen, doenvermogen8 en/of grip9. Denk- en doenvermogen gaat erover dat voor de ene persoon de opgave van zelfredzaamheid groter is dan voor de ander vanwege verschillen in cognitief vermogen, persoonskenmerken en mentale belasting. Denk bijvoorbeeld aan mensen met een licht verstandelijke beperking en laaggeletterden, maar ook aan mensen die te kampen hebben met grote stress door faillissement of ontslag. Ook schaamte en trots spelen een belangrijke rol. Grip betreft de ruimte en mogelijkheden vanuit de omgeving om invloed uit te oefenen op de eigen situatie en het bereiken van gewenste doelen. De gemeente kan vooral ruimte en mogelijkheden bieden voor grip. 2. Perspectief en hoop De gemeente helpt inwoners verder en onzekerheden worden daar waar mogelijk weggenomen.
Daar waar nodig kunnen inwoners rekenen op een steuntje in de rug om grip te krijgen op hun situatie en te participeren in de gemeenschap. De ene persoon zal met kortdurende ondersteuning geholpen zijn, een ander zal het langer nodig hebben; hier is ruimte voor. Dit houdt in dat met een brede blik naar problemen gekeken wordt zodat de ondersteuningsbehoefte beter in beeld komt en maatwerk geboden kan worden in verbinding met andere terreinen. Daarbij moet oog zijn dat voor bepaalde groepen inwoners continuïteit en rust in ondersteuning nodig kan zijn. Inwoners weten ook waar ze recht op hebben, waar ze aan toe zijn en wat er gebeurt als er veranderingen optreden in hun persoonlijke situatie. Dit biedt inwoners de mogelijkheid om naar de toekomst te kijken en te werken naar de persoonlijke gewenste situatie.
Pagina 8
3. Meedoen en naar vermogen bijdragen Drempels om mee te kunnen doen in de samenleving worden waar mogelijk weggenomen. Wie in een situatie terechtkomt waarbij extra ondersteuning nodig is, kan daarvoor rekenen op de gemeente. Daar staat tegenover dat we wel verwachten dat inwoners zich naar vermogen op een manier, bijvoorbeeld door betaald werk of vrijwilligerswerk, blijven inzetten voor de samenleving. In het beleid zullen we er ook rekening mee moeten houden dat voor sommige inwoners ondersteuning voor langere tijd of blijvend nodig is, terwijl voor anderen kortdurende ondersteuning voldoende is. Maatschappelijke samenhang en draagkracht voor het sociale zekerheidsstelsel wordt gestimuleerd als mensen naar vermogen een bijdrage leveren aan de gemeenschap. 4. Eenvoud, maatwerk en persoonlijke hulp We hebben oog voor de lokale uitvoering. De huidige samenleving vraagt veel van inwoners. Een stevige gemeenschap en lokale uitvoering zorgt ervoor dat inwoners met veerkracht kunnen blijven reageren op uitdagingen. De uitvoering ligt bij gemeentelijke professionals, maatschappelijke partners, maatschappelijke initiatieven en vrijwilligers. Met name het maatschappelijke veld en vrijwilligers zijn nabij inwoners en kunnen inspelen op specifieke situaties. Daar gebeurt het, en daar zit de kracht.
Lokale hulporganisaties bij armoede zien in het afgelopen jaar een stijging in aantal hulpvragen waardoor de druk op deze organisaties toeneemt10. We zetten ons daarom niet alleen in om direct persoonlijke hulp te bieden, zoals de gemeentelijke professionals doen, maar vooral ook om diegenen te ondersteunen die inwoners helpen. Het is nodig dat onze regelingen en het systeem eenvoudig, begrijpelijk en bekend zijn zodat de lokale uitvoering zich hier makkelijk in kan bewegen en makkelijk
contact kan hebben met de gemeente. Ook moet er ruimte zijn voor de lokale uitvoering om te experimenteren en daadwerkelijk in te kunnen spelen op de situatie via maatwerk. 5. Maatschappelijke rechtvaardigheid en uitlegbaarheid We ondersteunen die mensen die het nodig hebben. Juist omdat het binnen het minimabeleid gaat om individuele gevallen, is maatwerk geboden. Bovendien veranderen individuele en maatschappelijke omstandigheden. Dat vergt wendbaarheid binnen en tussen regelingen en in de tijd. Door meedoen en naar vermogen een bijdrage leveren ontstaat onderlinge solidariteit. Hiermee blijven de regelingen uitlegbaar en rechtvaardig. Stelsel vereisten De CSM stelt een aantal vereisten aan het stelsel van het sociaal minimum11. Deze vereisten zijn ook op lokaal niveau toe te passen op beleid rondom de minimaregelingen en helpen om het beleid vorm te geven. Het gaat hierbij om: • Voorspelbaarheid: regelingen zijn eenduidig en duidelijk. Inwoners weten waar ze recht op hebben, waar ze aan toe zijn en ze kunnen vertrouwen op bestaande afspraken. • Toegankelijkheid: regelingen zijn voor iedereen toegankelijk. Er zijn geen hoge drempels om gebruik te maken van de regelingen en alle inwoners worden respectvol behandeld. • Uitvoerbaarheid: regelingen zijn simpel en eenvoudig. De te realiseren doelen zijn in balans met de beschikbare mensen, middelen en tijd.
• Houdbaarheid: regelingen zijn betaalbaar en hebben draagvlak in de samenleving. Geld moet terechtkomen bij inwoners die het echt nodig hebben.
C. van Kampen & M. Olsthoorn (2022). Meedoen aan de samenleving: naast kunnen en moeten ook een kwestie van willen en mogen, p. 3. Den Haag: Sociaal Cultureel Planbureau K. Sok, S. Nourozi. (2020). Participatie: Meedoen in de samenleving, p.2. Movisie. 6 M.M. Harbers & N. Hoeymans (2013). Gezondheid en Maatschappelijke participatie, p. 147. Bilthoven: RIVM 7 Commissie Sociaal Minimum. (2023). Een zeker bestaan: Naar een toekomstbestendig stelsel van het sociaal minimum. Rapport II, p.146 8 Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (2017). Weten is nog geen doen: Een realistisch perspectief op redzaamheid. WRR-rapport 97. Den Haag: WRR. 9 Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (2023). Grip: Het maatschappelijk belang van persoonlijke controle. WRRrapport 108. Den Haag: WRR. 10 Stichting Armoedefonds. (2023). De impact van voortdurende armoede op hulporganisaties, Rosmalen: Stichting Armoedefonds 11 Commissie Sociaal Minimum. (2023). Een zeker bestaan: Naar een toekomstbestendig stelsel van het sociaal minimum. Rapport I. p. 36-38. 4 5
Pagina 9
Koers voor het nieuwe minimabeleid 2024
Koers voor het nieuwe minimabeleid 2024
Invulling van de opgave Thema’s en uitgangspunten De opgave van het sociaal domein luidt dat we het belangrijk vinden dat iedereen mee kan doen in de samenleving en naar vermogen bij kan dragen aan onze gemeenschap. De vervolgvraag is: hoe zorgen we daarvoor? Gezien de opgave en de waarden ligt de focus van het nieuwe minimabeleid op de volgende vier thema’s: 1. Mensen in kwetsbare situaties 2. Naar sociale participatie en meedoen, te beginnen op school 3. Zelf doen en eigen regie 4. Maatschappelijke kracht verstevigen Op deze thema’s hebben we enkele uitgangspunten geformuleerd: 1. Mensen in kwetsbare situaties: Regelingen/beleid moet specifiek gericht zijn op inwoners in kwetsbare situaties, we blijven dus ook onverminderd inzetten op ondersteuning van kinderen gezien de negatieve gevolgen van armoede op kansengelijkheid en talentontwikkeling.
5. Gemeentelijke verantwoordelijkheid pakken: Het Rijk is verantwoordelijk voor voldoende bestaanszekerheid. De gemeente is verantwoordelijk voor het bieden van extra ondersteuning door maatwerk en sociale participatie, aansluitend op de lokale situatie en gemeenschap. De gemeente is niet aan zet en financieel niet in staat om de tekorten op het bestaansminimum aan te vullen. De gemeente zou daarmee bovendien aan inkomenspolitiek doen. 6. Budgetneutrale inzet: Het streven is om binnen de bestaande budgetten van de bijzondere bijstand en de minimaregelingen te blijven. Het open einde karakter van de regelingen brengen wel financiële risico’s met zich mee.
2.
Naar sociale participatie en meedoen (op school): Regelingen zijn gericht op het kunnen participeren in de samenleving. Belangrijk daarbij is dat de aangeboden voorzieningen aansluiten bij de behoefte en daadwerkelijk inwoners in staat stellen om mee te doen. 3. Zelf doen en eigen regie: Het systeem van de regelingen en het aanvraagproces moeten eenvoudiger en toegankelijker zodat inwoners er (zoveel mogelijk) op eigen kracht en in eigen regie gebruik van kunnen maken. De dienstverlening is integraal en in staat tot het organiseren van maatwerk. De gemeentelijke uitvoering moet hiervoor voldoende worden toegerust. 4. Maatschappelijke kracht verstevigen: De maatschappelijke kracht in de gemeente wordt aangewend en versterkt voor de ondersteuning van inwoners met een minimum inkomen. De gemeente faciliteert en stimuleert de maatschappelijke kracht. Vanaf 2026 wordt de financiële positie van de
gemeente slechter (Ravijnjaar). De gemeente staat hiermee voor keuzes. Meer financiële middelen toekennen gaat ten koste van andere doelen van de gemeente en kan (daarmee) leiden tot minder draagvlak. Ook moet in het oog gehouden worden dat dit niet leidt tot meer landelijke verschillen tussen hulp vanuit gemeenten. Leidschendam-Voorburg reserveert op dit moment per inwoner meer budget voor de minimaregelingen dan omliggende gemeenten. Dit brengt ons tot de volgende financiële uitgangspunten.
Uitwerking van thema’s en uitgangspunten Bij het uitwerken van deze thema’s en uitgangspunten hebben we gebruikgemaakt van het evaluatierapport van het huidige beleid, het onderzoek ‘armoedeval gemeente LeidschendamVoorburg 2020’ van KWIZ, de uitkomsten van de themabijeenkomst ‘Opgroeien in armoede in deze tijd’ van 10 november 2023 georganiseerd door de adviesraad sociaal domein en gesprekken met stakeholders die goed zicht hebben op wat er speelt onder inwoners. In het evaluatierapport van het huidige beleid zijn de volgende rapporten en onderzoeken samengebracht: • Armoedemonitor: bestaande uit een dashboard en een Duidingsrapportage Dashboard minima gemeente Leidschendam-Voorburg, meting over 2022, KWIZ, november 2023 • Evaluatie klantbeleving minimabeleid, Regioplan,
Pagina 10
september 2023 • Minimabeleid in Wassenaar, Voorschoten, Leidschendam-Voorburg en Oegstgeest, Eindrapport Rekenkamercommissie Wassenaar, Voorschoten, Oegstgeest en LeidschendamVoorburg, april 2023 • Input van het Sociaal Service Punt en Woej over regelingen en het aanvraagproces • Input uit de 2-jaarlijkse bewonersenquête (Wijkatlas) • Input uit de Welzijnsgesprekken die momenteel plaatsvinden
langdurig een laag inkomen heeft. Ook bij minimahuishoudens met kinderen valt op dat ruim de helft opgroeit in een éénoudergezin en dat 70% een niet westerse migratieachtergrond heeft. Dit sluit aan bij de risicogroepen voor armoede zoals genoemd door de CSM.
Deze evaluatie geeft een beeld en kenmerken van de huishoudens met een inkomen tot 130% van het wettelijk sociaal minimum, het gebruik van de regelingen en de ervaren dienstverlening. De gehele evaluatie is meegestuurd met deze koersbrief. In bijlage A is een overzicht van de huidige beschikbare regelingen te vinden. Thema 1: Mensen in kwetsbare situaties We willen inzetten op doelmatige ondersteuning die eigen regie versterkt. Ondersteuning is gericht op de kwetsbare inwoner, degene die het ook echt nodig heeft. In Leidschendam-Voorburg zijn er naar schatting 4.471 huishoudens met een inkomen tot 130% van het sociaal minimum (= ca. 12% van het totale aantal huishoudens). Van deze minimahuishoudens heeft de gemeente ongeveer 81% in beeld. Met ‘in beeld’ gaat het om de minimahuishoudens die bekend zijn bij de gemeente omdat zij gebruik maken van een uitkering of een minimaregeling via de gemeente, of van schuldhulpverlening. Van de minimahuishoudens met een inkomen tot 100% van het sociaal minimum heeft de gemeente 94% in beeld. Naar schatting groeien ongeveer 2.326 kinderen op in minimahuishoudens, waarvan de gemeente 82% in beeld heeft. Kenmerken van minimahuishoudens Opvallend is dat uit de cijfers blijkt dat meer dan de helft van de minimahuishoudens alleenstaand is en dat ruim de helft van de minimahuishoudens een niet-westerse migratieachtergrond heeft.
Verder blijkt dat driekwart van de minimahuishoudens
Focus van de regelingen Het aanbod en de waarde van de regelingen in Leidschendam-Voorburg (zie bijlage B) zijn vooral gericht op huishoudens met kinderen. Kinderen in armoede was dan ook een speerpunt in het lokale minimabeleid van 2019-2022. Ook landelijk gezien is er tot op heden een focus op de ondersteuning van huishoudens met kinderen. Hierdoor hebben zowel lokaal als landelijk gezien huishoudens met kinderen recht op meer regelingen dan huishoudens zonder kinderen, wat betekent dat het bedrag dat zij kunnen ontvangen ook hoger is. Verder is er in Leidschendam-Voorburg financieel een specifiek aanbod voor AOW-gerechtigden in de vorm van een participatiebudget, namelijk € 650,00 per huishouden. Het aanbod voor alleenstaanden en paren (zonder kinderen) onder de AOW gerechtigde leeftijd, is het minst. Het aandeel alleenstaanden onder de minimahuishoudens betreft wel een grote groep, namelijk 55%. De CSM heeft op basis van een aantal minimaeffectrapportages de waarde van lokale regelingen berekend (exclusief individuele inkomenstoeslag en bijzondere bijstand chronisch zieken) en hieruit een range opgesteld van een ondergemiddelde, gemiddelde en bovengemiddelde gemeente12. Deze range hebben we naast de waarde van de lokale regelingen in Leidschendam-Voorburg gehouden zoals te zien in bijlage C.
De gemeente Leidschendam-Voorburg scoort bij alleenstaanden en paren met twee kinderen als bovengemiddelde gemeente, bij AOW alleenstaanden als gemiddeld/bovengemiddeld, bij AOW-paren als ondergemiddeld/gemiddeld en bij alleenstaanden en paren zonder kinderen of met één kind als ondergemiddeld. Uit de toetsing van toereikendheid van de CSM, zoals omschreven in de landelijke onderzoeken
Commissie Sociaal Minimum. (2023). Een zeker bestaan: Naar een toekomstbestendig stelsel van het sociaal minimum. Rapport I, p.85-100 12
Pagina 11
Koers voor het nieuwe minimabeleid 2024
en ontwikkelingen, is gebleken dat de tekorten bij huishoudens met kinderen oplopen naarmate er meer kinderen zijn. Deze landelijke bevindingen komen overeen met de lokale minima-effectrapportage van Leidschendam-Voorburg van 2017 (die gebruikt is als input voor het huidige beleid). Deze oplopende tekorten bij meer kinderen in het huishouden steunt de lokale waardeverdeling, waarin de waarde van regelingen voor huishoudens met twee kinderen het hoogst ligt. Als we de landelijke normberekening hanteren en inkomsten (lokaal en landelijk) afzetten tegen uitgaven (zie bijlage B), zien we echter dat in LeidschendamVoorburg stellen met (en zonder) kinderen nog steeds te maken hebben met grote tekorten. Alleen AOWgerechtigden (zowel alleenstaand als een stel) en alleenstaanden met kinderen lijken door de regelingen rond te kunnen komen. Uit de lokale evaluatie uit Leidschendam-Voorburg en de gesprekken met stakeholders blijkt verder dat voor bepaalde groepen inwoners behoefte is aan meer of andere regelingen. Groepen die genoemd worden zijn alleenstaanden (met en zonder kinderen) en jongeren die overgaan van 18- naar 18+. Bij jongeren die 18 jaar worden verandert er veel en bepaalde regelingen komen te vervallen terwijl het kind nog geen eigen inkomen heeft. Ook is er meer aandacht nodig voor inwoners die de Nederlandse taal niet (goed) spreken.
Uit het landelijke beeld blijkt verder dat mensen met een inkomen uit werk ook een belangrijke groep is om mee te nemen. In te zetten richting: • De inzet op huishoudens met kinderen blijft van groot belang, het wordt aanbevolen deze inzet voort te zetten. Op deze manier kunnen we mee in het landelijke beeld dat kinderen de armoede van ouders overstijgen, dit biedt perspectief en hoop. Extra aandacht moet er komen voor de groep van 18- naar 18+. Belangrijk is dat dit in gesprek met jongeren gebeurt. • Meer inzicht verkrijgen in verdere specifieke doelgroepen, met name alleenstaanden en huishoudens met een niet-westerse migratieachtergrond. Bij huishoudens met een niet-westerse migratieachtergrond behoeven statushouders extra aandacht. Naar verwachting betreft de groep die we niet in beeld hebben mensen met een inkomen uit werk, ook deze groep behoeft extra aandacht. Door dit onderzoek kan er een beter beeld ontstaan van wie welke regelingen het meest nodig hebben en kan beter op hun behoefte worden ingespeeld. • Wat betreft de grote groep langdurige
minimahuishoudens, erkennen we dat er inwoners zijn die meer of andere dingen nodig hebben. Hiermee houden we rekening met een realistisch mensbeeld. Sommige inwoners zijn zonder specifieke hulp en/of begeleiding niet in staat om de regelingen te bereiken of er effectief gebruik van te maken. Voor sommige inwoners sluiten de regelingen wellicht niet goed aan. En sommige inwoners zullen misschien blijvend extra ondersteuning nodig hebben. Onderzoek is nodig om de juiste interventies te ontwikkelen voor de groep langdurige minimahuishoudens en daarbij ook gebruik te maken van de maatschappelijke kracht (zoals uitgewerkt in thema 4). Thema 2: Naar sociale participatie en meedoen, te beginnen op school Veel mensen met een inkomen tot 130% van het sociaal minimum participeren in de samenleving en leveren een bijdrage aan de gemeenschap, maar dit lukt niet iedereen. Voor de inwoners die dit niet kunnen, geeft de gemeente inwoners een steuntje in de rug om te kunnen participeren. De minimaregelingen creëren ruimte voor inwoners om mee te doen, naar de toekomst te kunnen kijken en een bijdrage te kunnen leveren aan de gemeenschap. Het gaat hierbij niet alleen om wat inwoners zouden kunnen krijgen (welke regelingen beschikbaar zijn), maar ook om wat inwoners willen (wat inwoners zelf nodig vinden).
Dit betekent dat ook aangesloten moet worden bij de behoefte en noodzaak die inwoners ervaren. Verder is het belangrijk te kijken naar welke regelingen effectief zijn. Ervaren belang van regelingen In 2020 is door het armoedeval onderzoek van KWIZ aangetoond dat alle minimahuishoudens in Leidschendam-Voorburg door de gemeentelijke regelingen (meer) geld overhouden voor het doen van vrije bestedingen en dat er geen sprake is van een armoedeval bij het aanvaarden van werk. Dankzij de gemeentelijke regelingen gaan alle onderzochte huishoudtypes er bij elk hoger inkomensniveau meer op vooruit ten opzichte van de bijstandssituatie. Gezien de ontwikkelingen van de afgelopen jaren kan het zijn dat hier iets in is veranderd en dat dit niet meer geldt voor alle huishoudtypen. Toch komt ook in het recente evaluatierapport naar voren dat inwoners die gebruikmaken van de regelingen deze belangrijk voor hen vinden. Dit werd door de stakeholders bevestigd. De regelingen zijn noodzakelijk en geven zowel volwassenen als kinderen de mogelijkheid om mee te kunnen doen en deel te nemen aan leuke dingen zoals sport en cultuuractiviteiten. Regelingen voor kinderen
Pagina 12
Koers voor het nieuwe minimabeleid 2024
worden gewaardeerd, zo ook de ooievaarspas en de individuele inkomenstoeslag. Dit ervaren belang van de regelingen is in lijn met de landelijke bevindingen zoals omschreven door de CSM; minimaregelingen zijn nodig en er is behoefte aan. Ondanks deze waardering voor de regelingen wordt de behoefte uitgesproken voor veranderingen in de regelingen of toevoeging van nieuwe regelingen. Zo benoemden stakeholders dat de Ooievaarspas beperkt is en er behoefte is aan uitbreiding van de pas in mogelijkheden voor sport, zwemles, kleding en voedingsmiddelen. Er wordt met de huidige regelingen dus nog niet volledig aangesloten op de behoefte van inwoners. Gebruik en bereik In het evaluatierapport wordt gesproken over
gebruik en bereik van minimaregelingen. Dat zijn twee verschillende begrippen. Met gebruik wordt het aantal huishoudens (of kinderen) bedoeld dat daadwerkelijk gebruikmaakt van een regeling. Met bereik wordt bedoeld het percentage van de geschatte minima die recht hebben op de regeling en hier ook daadwerkelijk gebruik van maken. Omdat we alleen de groep minima die de gemeente in beeld heeft kennen, heeft KWIZ via een model een inschatting gemaakt van de totale groep minima die waarschijnlijk recht heeft op een regeling. Het bereik is dus altijd een procentuele inschatting. Uit de evaluatie blijkt dat het gebruik en bereik lijkt te zijn afgenomen. Deze afname heeft verschillende redenen, zoals onbekendheid met de regelingen, complexiteit van de regelingen, instantieangst en onbekendheid met de weg naar gemeente of
Overzicht 2: Regelingen, gebruik en bereik gemeente Leidschendam-Voorburg in 2022 Type
Inkomen Regeling
Gebruik Bereik LV** huishoudens
Bereik vergelijking
Bereik LV vergelijking
Kindpakket
< 130%
Computerregeling*
58
-
-
-
Internetregeling
252
24%
-
-
Tabletregeling*
114
-
-
-
Schoolkosten PO
227
28%
45-50%
Lager
Schoolkosten VO
214
34%
45-50%
Lager
Schoolspullenpas*
788
42%
30-35%
Hoger
Algemeen
397
12%
30-35%
Lager
Chronisch zieken/ gehandicapten
479
-
-
-
AOW-gerechtigden
256
24%
-
-
Ooievaarspas
2244
50%
40-45%
Hoger
Gemeentepolis Collectieve Verzekering
1376
31%
45-50%
Lager
< 110%
Individuele Inkomenstoeslag
1063
73%
55-60%
Hoger
< 100%
Kwijtschelding gemeentelijke belastingen
2175
77%
70-75%
Hoger
Bijzondere < 110% bijstand
Overige < 130% regelingen < 130%
* Het gebruik van de tabletregeling is gemeten in aantal kinderen dat er gebruik van maakt i.p.v. huishoudens. Daarbij kan het gebruik van de tabletregeling en computerregeling vertekend zijn omdat deze eens per vijf jaar aangevraagd kunnen worden i.p.v. elk jaar. ** Kwijtschelding is niet in de cijfers van gebruik en bereik meegenomen. Hierdoor kan het gebruik en bereik lager uitvallen dan werkelijk het geval is. Pagina 13
Koers voor het nieuwe minimabeleid 2024
maatschappelijke organisaties. Overzicht 2 biedt een schematisch overzicht van het gebruik en bereik van de verschillende regelingen in LeidschendamVoorburg en in vergelijking met andere stedelijke gemeenten met 50.000-100.000 inwoners. In sommige gevallen is het bereik groter dan in vergelijkbare gemeenten, in andere gevallen is het bereik juist lager dan in vergelijkbare gemeenten. Er zijn ook de nodige huishoudens die niet of niet volledig gebruik maken van de regelingen waar zij recht op hebben/voor in aanmerking komen. Zo maken er 159 van de minimahuishoudens die in beeld zijn van geen enkele regeling gebruik (ruim 4%). Van de minimahuishoudens met kinderen die in beeld zijn maken er 359 geen gebruik van de kindregelingen (bijna 38%). Laag tot geen gebruik en bereik kan betekenen dat inwoners nog niet (volledig) in staat gesteld worden om grip te krijgen op de eigen situatie. Hier is niet duidelijk één reden voor aan te wijzen, het is aan te nemen dat het door een combinatie van deze zaken komt. Uit de evaluatie blijken mogelijke oorzaken: • Een mismatch tussen het beschikbare aanbod en de behoeften; • Een te complex systeem van regelingen en het aanvraagproces (zie thema 3); • Problemen met toegankelijkheid en dienstverlening (zie thema 3). In te zetten richting: • Er is waardering voor de bestaande voorzieningen. Ze dragen bij aan autonomie en bieden hoop.
Waar voorzieningen effectief bijdragen aan sociale participatie zullen we deze handhaven en verbeteren waar we kansen daartoe zien. Per 1 januari 2024 is de vergoeding voor activiteiten d.m.v. de Ooievaarspas verhoogd van €330,- naar €450,- waardoor er meer mogelijkheden zijn om gebruik te maken van activiteiten. • Onderzoeken of bedragen voor specifieke goederen nog passen bij het huidige prijspeil (in verband met inflatie). • Onderzoek doen naar de aansluiting van aanbod op de behoefte en noodzaak die inwoners ervaren en wat echt helpt. Dit zullen we toetsen of het bijdraagt aan mee kunnen doen. Op het moment van schrijven is er al een onderzoek gestart naar de Ooievaarspas. • Input van welzijnsgesprekken gebruiken bij het minimabeleid. • Gebruik maken van de kennis van inwoners die dichtbij inwoners met een minimuminkomen staan
en/of daar ook ervaring mee hebben (Bijvoorbeeld spreidstandburgers). Thema 3: Zelf doen en eigen regie In plaats van de zorg over te nemen (zorgen voor), werken we toe naar onafhankelijkheid van de inwoner. De gemeente kan hierin ondersteunen door de ruimte en mogelijkheden te bieden aan inwoners om grip te krijgen en zelf regie te nemen. Uit de evaluatie blijkt dat de vormgeving van het systeem en de geboden dienstverlening en toegang op dit moment deze ruimte beperken. Systeem van regelingen en aanvraagproces Uit de evaluatie blijkt dat het systeem erg complex is. Zo overlappen sommige regelingen elkaar (bijvoorbeeld binnen de kindregelingen), moeten er veel stukken aangeleverd worden en zijn documenten erg ingewikkeld. In de bijeenkomst ‘Opgroeien in armoede in deze tijd’ kwam naar voren dat het vaak niet duidelijk is wat van jongeren verwacht wordt en wat mogelijk is wanneer zij 18 worden. Ook werd in deze bijeenkomst en door stakeholders de behoefte uitgesproken aan eenduidigheid in de inkomensgrenzen. Verschillen in grenzen maken het extra ingewikkeld om de regelingen te begrijpen en te weten waar je aan toe bent. Dienstverlening en toegang Zoals het evaluatie rapport stelt is er in de afgelopen jaren veel inzet gevraagd op landelijke crises.
Dit is, ondanks de inzet van extra consulenten, zichtbaar binnen de reguliere dienstverlening en daarmee ook voor de bereikbaarheid en het leveren van maatwerk. In het afgelopen jaar zijn wel weer stappen ondernomen om de dienstverlening en toegang te verbeteren. Er is bijvoorbeeld aan de website gewerkt, brieven en formulieren zijn omgezet naar B1 niveau en er is een onderzoek gestart naar geautomatiseerde reminders. Inwoners hebben de behoefte uitgesproken voor verbeteringen van de dienstverlening en de toegang. In de dienstverlening wordt bijvoorbeeld gevraagd om meer oog voor de persoonlijke situatie en een bredere blik bij de uitvraag. Wat betreft de toegang blijkt dat regelingen niet goed zichtbaar en vindbaar zijn of moeilijk te begrijpen zijn. Dit werd beaamd door de gesproken stakeholders. Deze behoeften sluiten aan bij de landelijke ontwikkelingen rondom de herziening van de Participatiewet. In te zetten richting: • Vereenvoudiging van het systeem van regelingen en het aanvraagproces met aandacht voor wat
Pagina 14
Koers voor het nieuwe minimabeleid 2024
systeemtechnisch mogelijk is. Denk hierbij aan de mogelijkheid tot bundeling van regelingen, onderzoek naar vermindering van bewijsstukken en onderzoek naar de mogelijkheden voor ambtshalve toekenning. Dit moet helpen voor inwoners om zelf regie te pakken. • Beleid moet meebewegen met maatschappelijke ontwikkelingen zoals crises, het beleid moet adaptief zijn. • Voor uitzonderingssituaties en individueel maatwerk de bijzondere bijstand beter benutten. • Onderzoek of de inkomensgrenzen gelijk getrokken kunnen worden en/of verhoogd voor specifieke regelingen in verband met ongewenste effecten. Ook zal de mogelijkheid van een glijdende schaal onderzocht worden zodat er een minder abrupte inkomensgrens is. • Binnen de gemeentelijke dienstverlening en het toegangsproces zijn al enkele stappen ondernomen ter verbetering, dit zetten we voort. Op dit gebied zijn nog een aantal relatief simpele verbeteringen mogelijk zoals inzet op actieve communicatie en in deze communicatie rekening houden met laaggeletterden en anderstaligen. • Met een brede blik kijken naar ondersteuningsvragen en wat voor een inwoner realistisch en haalbaar is.
In contacten van inwoners met de “gemeentelijke toegang” in het sociaal domein (naast werk en inkomen, bijvoorbeeld ook bij de WMO en Jeugd) kan meer aandacht besteed worden aan verschillende vormen van financiële ondersteuning, zowel op lokaal niveau als via landelijke mogelijkheden. Contact tussen het maatschappelijk veld en de gemeente is hiervoor van belang (zie ook thema 4).
Deze maatschappelijke kracht is vanuit de gemeente op twee niveaus te verstevigen. Het eerste is het gemeenschappelijk niveau. Het gemeenschappelijke niveau gaat over ontmoeting via bijvoorbeeld verenigingen en wonen in dezelfde straat. De kracht van dit niveau komt vooral uit de gemeenschap maar kan wel door de gemeente gefaciliteerd (met middelen, ruimte en/of kennis) en gestimuleerd (met waardering en bewustzijn) worden. Daarnaast hebben we het niveau waarin de instituties actief zijn die in direct opdrachtgeverschap van de gemeente (via subsidies) taken uitvoeren. Dit gaat over algemeen toegankelijke voorzieningen. Denk hierbij aan algemeen maatschappelijk werk en jongerenwerk. Deze instituties kunnen ook de partijen op het gemeenschappelijke niveau versterken. De gemeente zorgt voor een dekkend aanbod en kan hierin sturen.
Thema 4: Maatschappelijke kracht verstevigen Vrijwilligers, maatschappelijke organisaties en maatschappelijke en particuliere initiatieven zijn van groot belang om de inwoners in kwetsbare situaties te versterken. Dit noemen we ook wel de maatschappelijke kracht als onderdeel van de sociale basis van de gemeenschap. Deze partijen zijn nabij de inwoners en kunnen inspelen op specifieke situaties. Inzet op de maatschappelijke kracht is nodig vanwege drie hoofdredenen13. Ten eerste stimuleert het ontmoeting en meedoen. Ten tweede helpt het bij signaleren van problemen waardoor makkelijker hulp geboden kan worden of doorverwezen kan worden. Ten derde kan het de kosten voor de gemeente temperen omdat het maatschappelijk veld al mensen opvangt en versterkt.
In te zetten richting: • Samenwerking tussen partners en gemeente intensiveren. In gezamenlijkheid is maatwerk beter te realiseren en hulp te bieden aan degenen die het echt nodig hebben. Dit draagt ook bij aan solidariteit en houdbaarheid. • Faciliteren en stimuleren van de gemeenschappelijke kracht door bijvoorbeeld vrijwilligers te ondersteunen en rolmodellen in te zetten. • Instituties en organisaties bereikbaar maken, bijvoorbeeld door actief te communiceren over voorzieningen. • Gericht opdracht geven aan maatschappelijke instituties en organisaties, bijvoorbeeld door het verstrekken van subsidies
13
De evaluatie onderschrijft het idee dat maatschappelijke organisaties en vrijwilligers belangrijk zijn om tot passende ondersteuning te komen, de geïnterviewde inwoners zijn hier heel tevreden over. Dit biedt aanknopingspunten voor de verbetering en versterking van dienstverlening en toegang in het nieuwe beleid via het maatschappelijk veld. In de gesprekken met stakeholders werd de behoefte uitgesproken aan verbeterde samenwerking tussen maatschappelijke organisaties en de gemeente. In deze samenwerking zien de stakeholders graag korte lijntjes en de mogelijkheid om de gemeente te bereiken voor vragen en professionele hulp. De gemeente brengt overzicht in het maatschappelijk veld en weet partijen met elkaar te verbinden.
A. Brit, M. Kwakernaak, et al. (2022). Leren, sturen en verantwoorden in de sociale basis, p.6, Utrecht: Verwey-Jonker Instituut. Pagina 15
Koers voor het nieuwe minimabeleid 2024
Koers voor het nieuwe minimabeleid 2024
Financiën In 2022 had de gemeente LeidschendamVoorburg ruim 3.1 miljoen euro budget voor de minimaregelingen. Dit is een toename met 9% sinds 2019. In 2023 was het budget ruim 3.3 miljoen, dit is exclusief de energietoeslag. Deze toename is een gevolg van incidentele acties gericht op minima. Van het totale budget voor minimaregelingen en bijzondere bijstand blijft naar verwachting in 2023 ongeveer € 300.000 over door onderbenutting en door achterblijving van indexering. De uitgave in 2023 voor de Ooivaarspas bedroeg € 420.000, voor de gemeentelijke zorgpolis € 378.596 en voor de schoolspullenpas €155.500. De realisatie en uitsplitsing van de uitgaven over de overige regelingen is nu nog niet bekend. Bij het beleidsplan zal dit wel inzichtelijk zijn. Met bovenstaande uiteengezette richting wordt ingezet op verbetering van het huidige beleid, het systeem en de dienstverlening. De verwachting is dat het gebruik van regelingen toeneemt vanwege deze verbeteringen. Dit heeft uiteraard gevolgen voor het budget. Met de huidige systematiek van de regelingen is er sprake van een zogenaamde “open einde regeling”. Wie aanvraagt en recht heeft, dient de regeling ook te krijgen en kan niet afgewezen worden omdat er geen budget meer is.
In te zetten richting: • Het Rijk is verantwoordelijk voor voldoende bestaanszekerheid en de gemeente ondersteunt inwoners op sociale participatie, meedoen in de samenleving en meedoen op school. Dit kan anders komen te liggen als de gemeente hiervoor meer geld van het Rijk toegekend krijgt. • Het streven is om het minimabeleid budgetneutraal te herzien. Er zit beperkte ruimte in de huidige begroting om het beleid te verbeteren vanwege niet gebruik binnen het beschikbare budget. • Overige ruimte zal gezocht moeten worden in anders inrichten van huidige regelingen. Hierbij kijken we bijvoorbeeld naar de overlap binnen de kindregelingen. Dit betreft dan een herverdeling van middelen. • Streven is om door te gaan binnen de huidige capaciteit in de uitvoering.
Bij vraag om meer maatwerk en persoonlijke aandacht, ook de ambitie in de herziening van de Participatiewet, zal meer tijd per inwoner gevraagd worden van de uitvoering. Een deel van de oplossing om deze extra druk op te vangen zit in de versimpeling van de systemen van regelingen en het aanvraagproces. Hierdoor gaat minder tijd verloren aan administratieve zaken en kan meer tijd besteed worden aan de inwoner. Het is echter nog de vraag of deze oplossing voldoende ruimte biedt om de extra vraag aan de uitvoering op te vangen. Op voorhand kan dus niet gesteld worden dat deze ambitie van meer maatwerk en persoonlijke aandacht voor de inwoner, neutraal kan wat betreft uitvoeringscapaciteit.
Pagina 16
Pagina 17
Koers voor het nieuwe minimabeleid 2024
Koers voor het nieuwe minimabeleid 2024
Op weg naar het beleidsplan minimabeleid 2024 en verder Met deze vier thema’s gaat het college op weg naar een mensgerichte dienstverlening waarbij succesvolle regelingen worden ingezet om mensen een steuntje in de rug te geven richting maatschappelijke participatie. We zorgen dat inwoners zelf, of met hulp van de maatschappelijke kracht, grip kunnen krijgen op hun situatie en naar vermogen een bijdrage kunnen leveren aan de gemeenschap. In onderstaande tabel staan de uitgangspunten en gegeven richtingen per thema samengevat.
met onderzoeken en analyseren. De koers en de bijbehorende financiën zullen uitgewerkt worden en kort na de zomer zal het nieuwe minimabeleid aan de raad worden aangeboden. Het college nodigt de raad van harte uit om nader in gesprek te gaan over de koers. Graag hoort het college van de raad hoe wordt aangekeken tegen de uiteengezette richting.
Overzicht 3: Samenvatting uitgangspunten en in te zetten richting
Het college zal in de komende periode doorgaan
Thema 1: Mensen in een kwetsbare situatie Uitgangspunt: Richting: Regelingen/beleid moet specifiek gericht zijn op • Inzet op kinderen voortzetten. Extra op 18-/18+ inwoners in kwetsbare situaties, we blijven dus • Verdiepend onderzoek doen naar verdere ook onverminderd inzetten op ondersteuning van specifieke doelgroepen ( alleenstaanden, nietkinderen gezien de negatieve gevolgen van armoede westerse migratieachtergrond, statushouders, op kansengelijkheid en talentontwikkeling. inkomen uit werk). • Onderzoek naar langdurige minimahuishoudens. Thema 2: Naar sociale participatie en meedoen, te beginnen op school Uitgangspunt: Regelingen zijn gericht op het kunnen participeren in de samenleving. Belangrijk daarbij is dat de aangeboden voorzieningen aansluiten bij de behoefte en daadwerkelijk inwoners in staat stellen om mee te doen.
Richting: • Ga uit van het bestaande en verbeteren waar nodig. • Onderzoek bedragen voor specifieke goederen t.o.v. het huidige prijspeil. • Onderzoek aanbod - behoefte match. • Gebruik input van welzijnsgesprekken. • Gebruik de kennis van inwoners.
Thema 4: Maatschappelijke kracht versterken Uitgangspunt: De maatschappelijke kracht in de gemeente wordt aangewend en versterkt voor de ondersteuning van inwoners met een minimum inkomen. De gemeente faciliteert en stimuleert de maatschappelijke kracht.
Richting: Samenwerking tussen partners en gemeente intensiveren. Faciliteer en stimuleer de gemeenschappelijke kracht. Instituties en organisaties bereikbaar maken. Gericht opdracht geven aan maatschappelijke instituties en organisaties.
Financiën Uitgangspunten: 1. Het Rijk is verantwoordelijk voor voldoende bestaanszekerheid. De gemeente is verantwoordelijk voor het bieden van extra ondersteuning door maatwerk en sociale participatie, aansluitend op de lokale situatie en gemeenschap. De gemeente is niet aan zet en financieel niet in staat om de tekorten op het bestaansminimum aan te vullen. De gemeente zou daarmee bovendien aan inkomenspolitiek doen. 2. Het streven is om binnen de bestaande budgetten van de bijzondere bijstand en de minimaregelingen te blijven. Inzet op meer maatwerk en toename in het gebruik door specifieke acties kan, gezien het open einde van de regelingen, echter leiden tot een overschrijding.
Richting: Ondersteun inwoners op sociale participatie, meedoen in de samenleving en meedoen op school. Budgetneutrale herziening: beperkte ruimte vanwege niet gebruik. Herverdeling van middelen door anders inrichten van regelingen. Streven om door te gaan binnen de huidige capaciteit in de uitvoering.
Thema 3: Zelf doen en eigen regie Uitgangspunt: Het systeem van de regelingen en het aanvraagproces moeten eenvoudiger en toegankelijker zodat inwoners er (zoveel mogelijk) op eigen kracht en in eigen regie gebruik van kunnen maken. De dienstverlening is integraal en in staat tot het organiseren van maatwerk. De gemeentelijke uitvoering moet hiervoor voldoende worden toegerust.
Richting: • Vereenvoudiging van het systeem van regelingen en het aanvraagproces. • Het beleid moet adaptief zijn. • Benut bijzondere bijstand beter. • Onderzoek inkomensgrenzen. • Zet verbetering binnen de gemeentelijke dienstverlening en het toegangsproces voort. • Kijk met een brede blik naar ondersteuningsvragen.
Pagina 18
Pagina 19
Koers voor het nieuwe minimabeleid 2024
Koers voor het nieuwe minimabeleid 2024
Bijlage A Overzicht van minimaregelingen en bijzondere bijstand in Leidschendam-Voorburg
< 130%
Ooievaarspas
jaarlijks
1x per 5 jaar maximaal € 540,- per huishouden bij kinderen groep 7/8, VO, MBO tot 18 jaar.
< 130%
Gemeentepolis Collectieve Verzekering
jaarlijks
Internetregeling
€20,- per maand per huishouden bij kinderen groep 7/8, VO, MBO tot 18 jaar.
< 110%
Individuele Inkomenstoeslag
Tabletregeling
1x per 5 jaar jaar maximaal € 310,per kind op VO of MBO tot 18 jaar
Schoolkosten PO
€238,- per jaar inkomen tot 110%,50% (€119) inkomen 110-130%
Bij langdurig laag inkomen (3jaar), leeftijd tussen 21 en pensioengerechtigd. Alleenstaande, alleenstaande met kinderen tot 12 jr, gehuwden of samenwonend met kinderen tot 12 jr €450,- per jaar. Alleenstaanden en gehuwden met kinderen van 12 jr en ouder, gehuwden of samenwonenden zonder kinderen €600,- per jaar.
Schoolkosten VO
€500,- per jaar inkomen tot 110%,50% (€250) inkomen 110-130%
< 100%
Kwijtschelding gemeentelijke belastingen
ter hoogte van het bedrag voor de Norm vastgesteld afvalstoffenheffing en de rioolheffing door VNG
Schoolspullenpas
per kind per schooljaar: €100,- of 1x per 2 jaar tablet bij kinderen PO. €300,- bij brugklas €200,- bij kinderen VO of mbo-bol tot 18 jaar.
Via stichting leergeld
Algemeen
Bijzondere, noodzakelijke kosten zoals verhuizing, kosten voor een bewindvoerder of eigen bijdrage rechtshulp.
Als lening of als gift
Chronisch zieken/ gehandicapten
€305,- per jaar
AOW-gerechtigden
€650,- per jaar per huishouden
Type
Inkomen
Regeling
Toelichting
Kindpakket
< 130%
Computerregeling
Bijzondere bijstand
< 110%
Pagina 20
Opmerking
Overige regelingen
Pagina 21
Uitvoering door Den Haag
Koers voor het nieuwe minimabeleid 2024
Koers voor het nieuwe minimabeleid 2024
Bijlage B Waarde van regelingen bij verschillende huishoudsamenstellingen in Leidschendam-Voorburg, berekend voor huishoudens met een inkomen tot 100% van het sociaal minimum. Hierbij is uitgegaan van de situatie dat een inwoner aanspraak maakt op alle regelingen waar de inwoner recht op heeft. Inkomen 100% wsm
Alleenstaand
Paar
AOW, 0 kinderen
Minimaregeling*
0 kinderen
1 kind 8 jaar
2k 8/13 jaar
0 kinderen
1 kind 8 jaar
2k 8/13 jaar
Alleenstaand
Paar
Schoolkosten PO&VO
€ 0,-
€ 238,-
€ 738,-
€ 0,-
€ 238,-
€ 738,-
€ 0,-
€ 0,-
Computer
€ 0,-
€ 108,-
€ 108,-
€ 0,-
€ 108,-
€ 108,-
€ 0,-
€ 0,-
Tablet
€ 0,-
€ 0,-
€ 310,-
€ 0,-
€ 0,-
€ 310,-
€ 0,-
€ 0,-
Internet
€ 0,-
€ 0,-
€ 240,-
€ 0,-
€ 0,-
€ 240,-
€ 0,-
€ 0,-
Ooievaarspas**
€ 36,78
€ 73,56
€ 110,34
€ 73,56
€ 110,34
€ 147,12
€ 36,78
€ 73,56
Kwijtscheldingen gem. belastingen
€ 534,36
€ 601,08
€ 601,08
€ 534,36
€ 601,08
€ 601,08
€ 534,36
€ 601,08
Gemeente Polis
€ 248,04
€ 248,04
€ 248,04
€ 496,08
€ 496,08
€ 496,08
€ 248,04
€ 496,08
Schoolspullenpas
€ 0,-
€ 100,0-
€ 300,-
€ 0,-
€ 100,-
€ 300,-
€ 0,-
€ 0,-
AOWgerechtigden
€ 0,-
€ 0,-
€ 0,-
€ 0,-
€ 0,-
€ 0,-
€ 650,-
€ 650,-
Totaalper jaar € 819,18 inkomsten lokale regelingen
€ 1.368,68 € 2.655,46
€ 1.104,-
€ 1.653,50 € 2.940,28
€ 1.469,18
€ 1.820,72
Totaal per maand inkomsten lokale regelingen
€ 68,27
€ 114,06
€ 221,29
€ 92,-
€ 137,79
€ 245,02
€ 122,43
€ 151,73
Totaal per maand inkomsten landelijke regelingen
€ 1.568,-
€ 2.117,-
€ 2.369,-
€ 2.224,-
€ 2.444,-
€ 2.695,-
€ 1.793,-
€ 2.432,-
Totaal per maand inkomsten
€ 1.636,27 € 2.231,06 € 2.590,29 € 2.316,-
€ 2.581,79 € 2.940,02 € 1.915,43
€ 2.583,73
Totaal per maand uitgavennorm
€ 1.731,-
€ 2.156,-
€ 2.562,-
€ 2.525,-
€ 2.792,-
€ 3.176,-
€ 1.748,-
€ 2.495,-
Totaal per maand over
-€ 94,73
€ 75,06
€ 28,29
-€ 209,-
-€ 210,21
-€ 235,98
€ 167,43
€ 88,73
* M.u.v. de individuele inkomenstoeslag en bijzondere bijstand chronisch zieken. Bedragen kunnen hierdoor hoger uitvallen voor sommige huishoudens. ** Voor de Ooievaarspas geldt geen maximumbedrag, we zijn hier uitgegaan van het gemiddelde gebruik. N.B. De precieze bedragen voor wat elk huishoudtype per maand overhoudt kunnen anders liggen aangezien dit is berekend met een gemiddelde uitgavennorm voor Nederland. Lokaal kan deze uitgavennorm anders liggen door bijvoorbeeld andere huurprijzen. Pagina 22
Pagina 23
Koers voor het nieuwe minimabeleid 2024
Koers voor het nieuwe minimabeleid 2024
Bijlage C Range van de waarde van lokale minimaregelingen per huishoudtype (in euro’s per maand), exclusief individuele inkomenstoeslag en bijzondere bijstand chronisch zieken.
Pagina 24
Pagina 25
Colofon Dit is een uitgave van de gemeente Leidschendam-Voorburg in samenwerking met de deelnemende instellingen. Postbus 1005, 2260 BA Leidschendam www.leidschendam-voorburg.nl T 14 070 Februari 2024