CConstaterende datLeidschendam-Voorburg
Koppel je AI →
Document · PDF

3551-09 Regels bestemmingsplan 'Landelijk-2', versie 2

Raadsvergadering 9 juli 2024, gemeente Leidschendam-VoorburgBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststellen bestemmingsplan Landelijk-232.987 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Vestiging zorgboerderij

Burgemeester en wethouders zijn op grond van het bepaalde in artikel 3.6 van de Wro bevoegd de aanduiding 'zorgboerderij' (zbo) aan een bestemmingsvlak van een (voormalig) grondgebonden agrarisch bedrijf als bedoeld in lid 3.1.1 toe te kennen, indien is komen vast te staan dat ter plaatse een zorgboerderij is of wordt gevestigd en dat wijziging van de bestemming noodzakelijk is voor de (continuïteit van de) van bedrijfsvoering. Daarbij zijn burgemeester en wethouders bevoegd het bestemmingsvlak/bouwvlak te wijzigen naar een, voor de aard en omvang van de bedrijfsvoering gepaste omvang. Voor zover van toepassing, wordt bij de wijziging van het bestemmingsvlak/bouwvlak delen van de bestemming 'Agrarisch' gewijzigd in de bestemming, 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' als bedoeld in artikel 6 of in de bestemming 'Agrarisch met waarden - Natuur- en Landschapswaarden' als bedoeld in artikel 7, of andersom, met inbegrip van de aanduiding 'zorgboerderij' (zbo). 3.4.6

Voorwaarden wijziging

Voor de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid genoemd in lid 3.4.5 gelden dezelfde voorwaarden als genoemd in lid 3.4.4 met dien verstande dat: a. van deze wijzigingsbevoegdheid wordt uitsluitend gebruik gemaakt, voor zover het aantal verkeersbewegingen gerelateerd aan de betreffende bedrijfsfunctie passend is. b. om de aard, omvang en het toekomstperspectief van het ter plaatse te vestigen bedrijf te kunnen beoordelen, dient bij burgemeester en wethouders een bedrijfsplan te worden ingediend; c. burgemeester en wethouders kunnen over de aard, omvang en het toekomstperspectief van de ter plaatse te vestigen bedrijfsvoering dan wel over de noodzaak en doelmatigheid van de gewenste bebouwing/voorzieningen advies inwinnen bij een agrarische deskundige en/of een deskundige op het gebied van de betreffende zorgfunctie; d. in het wijzigingsplan wordt aangegeven welk type zorgfunctie op het betreffende bouwperceel is toegestaan, alsmede de omvang van de zorgfunctie, de gebruiksmogelijkheden en de daarbij toegestane bebouwing en voorzieningen, waarbij zoveel als mogelijk gebruik dient te worden gemaakt van de bestaande gebouwen; e.

voor de (her)inrichting van het bouwperceel dient bij burgemeester en wethouders een inrichtingsplan te worden ingediend, op basis waarvan onder andere de ruimtelijke dan wel landschappelijke inpassing van de bebouwing/voorzieningen (inclusief ontsluiting en parkeren) kan worden getoetst; f. indien en voor zover tevens een wijziging het bestemmingsvlak/bouwvlak gewenst en noodzakelijk is voor de continuïteit en doelmatigheid van de bedrijfsvoering, dient het bestemmingsvlak/bouwvlak te worden afgestemd op de aard en omvang van de bedrijfsvoering, met dien verstande dat het bouwvlak niet groter mag zijn dan: 1. 1,25 ha in de gebieden (grenzend aan het bouwvlak) met de bestemming 'Agrarisch met waarden - Natuur- en Landschapswaarden'; 2. 1,5 ha in de gebieden (grenzend aan het bouwvlak) met de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden'; g. de bebouwing en/of voorzieningen dienen landschappelijk goed te worden ingepast, waarvoor burgemeester en wethouders advies kunnen inwinnen bij een landschapsdeskundige; h. er mag door de wijziging geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan de waarden verbonden aan de bestemming van de gronden die aan het bestemmingsvlak/bouwvlak grenzen of de uiterlijke verschijningsvorm en/of cultuurhistorische waarde van bebouwing ter plaatse dan wel in de directe omgeving; i.

de wijziging mag geen onevenredige afbreuk doen aan de belangen van de in de omgeving gelegen

Regels (vastgesteld)

33

bestemmingsplan Landelijk - 2 agrarische bedrijven of de functie of het gebruik van de gronden en bouwwerken in de omgeving belemmeren; j. de wijziging mag geen onevenredige schade, hinder of andere nadelige (milieu)gevolgen voor de omgeving met zich mee brengen; k. er mag ten behoeve van de nieuwe functie geen opslag/stalling in de open lucht, onder overkappingen en/of in kassen plaatsvinden; l. de wijze waarop aan de nieuwe functie uitvoering wordt gegeven, dient te passen bij de specifieke kwaliteiten van de omgeving en mag niet leiden tot een aantasting van het landelijke karakter van het gebied, o.a. door visuele aspecten, zoals reclame-uitingen. 3.4.7

Bewoning bestaande woning(en) na beëindiging bedrijfsvoering

Burgemeester en wethouders zijn op grond van het bepaalde in artikel 3.6 van de Wro bevoegd de bestemming 'Agrarisch', ter plaatse van een bestemmingsvlak/bouwvlak voor een grondgebonden agrarisch bedrijf als bedoel in lid 3.1.1, al dan niet voorzien van een specifieke aanduiding, te wijzigen in de bestemming 'Wonen - Grondgebonden - buitengebied' als bedoeld in artikel 28, ten behoeve van het gebruik van de bestaande bedrijfswoning(en) als burgerwoning(en), indien is komen vast te staan dat: a. de bedrijfsvoering van het ter plaatse gevestigde agrarisch bedrijf is of wordt beëindigd; b. vestiging van een nieuw grondgebonden agrarisch bedrijf ter plaatse niet reëel is; c. wijziging van de bestemming ten behoeve van de woonfunctie gewenst dan wel noodzakelijk is en de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse door de wijziging noemenswaardig zal verbeteren. In deze wijzigingsbevoegdheid is inbegrepen de mogelijkheid tot splitsing van de voormalige bedrijfswoning in twee woningen overeenkomstig het bepaalde in artikel 47.2. 3.4.8

Voorwaarden wijziging

Voor de toepassing van de in lid 3.4.7 genoemde wijzigingsbevoegdheid gelden de volgende voorwaarden: a. de gronden ter plaatse van en aansluitend op de bestaande voormalige bedrijfswoning(en) worden aangewezen met de bestemming 'Wonen - Grondgebonden - buitengebied' als bedoeld in artikel 28, waarbij: 1. de grootte van het bijbehorend bestemmingsvlak wordt afgestemd op de inrichting van het erf/bouwperceel, de omvang en/of waarde van de aanwezige bebouwing; 2. het bepaalde in artikel 28 van overeenkomstige toepassing is, voor zover in het wijzigingsplan niet anders is bepaald. b. Voor zover van toepassing, worden bij de wijziging de betreffende aanduiding en het bouwvlak verwijderd en delen van de bestemming 'Agrarisch' gewijzigd in de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' als bedoeld in artikel 6 of in de bestemming 'Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden' als bedoeld in artikel 7 c. burgemeester en wethouders kunnen bij de wijziging van de bestemming eisen dat (een deel van de) voormalige bedrijfsbebouwing, met uitzondering van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing, en voorzieningen worden gesloopt of verwijderd, teneinde de inrichting van het bouwperceel dan wel de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse te verbeteren; d.

bij een (her)inrichting van het bouwperceel dient vooraf bij burgemeester en wethouders een inrichtingsplan te worden ingediend, op basis waarvan onder andere de meerwaarde van de wijziging voor de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse en de ruimtelijke/landschappelijke inpassing van de in stand te houden bebouwing (en/of nieuwbouw) kunnen worden getoetst; e. voor zover voormalige bedrijfsgebouwen niet worden gesloopt, dienen deze te fungeren als bijbehorende bouwwerk(en) bij de woning(en); indien deze gebouwen door de wijziging (deels) buiten het bestemmingsvlak komen te staan, is op die gebouwen het overgangsrecht van toepassing; f. het aantal woningen binnen het bestemmingsvlak mag door de wijziging niet worden vergroot, behoudens toepassing van artikel 47.2; g. de (agrarische) gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bebouwing mogen door de wijziging niet in onevenredig mate worden aangetast; h. er mag door de wijziging geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan de ruimtelijke kwaliteit en/of de cultuurhistorische waarde van de bebouwing ter plaatse dan wel aan de waarden

34

Regels (vastgesteld)

bestemmingsplan Landelijk - 2

i.

(landschappelijke en/of natuurwaarden) verbonden aan de bestemming van de gronden, die aan het bestemmingsvlak grenzen; voor zover van toepassing dient de wijziging gepaard te gaan met het afstoten of verpachten van eventuele, in relatie tot de woonfunctie, overtollige gronden (weilanden) aan of ten behoeve van agrariërs in het landelijk gebied.

3.4.9

Vestiging paardenhouderij

Burgemeester en wethouders zijn op grond van het bepaalde in artikel 3.6 van de Wro bevoegd de bestemming 'Agrarisch' van de gronden ter plaatse van een bestemmingsvlak/bouwvlak voor een grondgebonden agrarisch bedrijf als bedoeld in lid 3.1.1, al dan niet voorzien van een aanduiding, te wijzigen in de bestemming 'Agrarisch - Paardenhouderij' als bedoeld in artikel 5, ten behoeve van de vestiging van een gebruiksgerichte paardenhouderij of een stoeterij, indien is komen vast te staan dat: a. de bedrijfsvoering van het ter plaatse gevestigde agrarisch bedrijf is of wordt beëindigd of dat de aard van de bedrijfsvoering van het ter plaatse gevestigde agrarisch bedrijf niet meer past binnen de bestemming; b. ter plaatse een paardenhouderij met een reëel toekomstperspectief wordt gevestigd en dat wijziging van de bestemming noodzakelijk is voor de (continuïteit van de) bedrijfsvoering. Voor zover van toepassing, worden bij de wijziging de betreffende aanduiding verwijderd en delen van de gronden met de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' als bedoeld in artikel 6, die aan het bestaande bestemmingsvlak/bouwvlak grenzen, omgezet in de bestemming 'Agrarisch Paardenhouderij' als hiervoor genoemd, met inbegrip van een bouwvlak. 3.4.10 Voorwaarden wijziging Voor de toepassing van de in lid 3.4.9 genoemde wijzigingsbevoegdheid gelden de volgende voorwaarden: a.

van deze wijzigingsbevoegdheid wordt uitsluitend gebruik gemaakt bij bestaande bouwpercelen/bouwvlakken gesitueerd op gronden in een gebied, dat op de verbeelding is aangeduid als 'overige zone - paardenbeleid agrarische gebieden'; b. om de aard, omvang en het toekomstperspectief van het ter plaatse te vestigen of gevestigde bedrijf te kunnen beoordelen, dient bij burgemeester en wethouders een bedrijfsplan te worden ingediend; c. burgemeester en wethouders kunnen over de aard, omvang en het toekomstperspectief van de ter plaatse te vestigen bedrijfsvoering dan wel over de noodzaak en doelmatigheid van de gewenste bebouwing/voorzieningen advies inwinnen bij een (agrarische) deskundige; d. in het wijzigingsplan dient te worden aangegeven, welk type paardenhouderij op het betreffende bouwperceel is toegestaan, alsmede de daarbij toegestane bebouwing en voorzieningen, waarbij zoveel als mogelijk gebruik dient te worden gemaakt van de bestaande gebouwen; e. de voormalige agrarische bedrijfswoning wordt aangemerkt als de bedrijfswoning behorende bij de paardenhouderij; f. voor de (her)inrichting van het bouwperceel dient bij burgemeester en wethouders een inrichtingsplan te worden ingediend, op basis waarvan onder andere de ruimtelijke dan wel landschappelijke inpassing van de bebouwing/voorzieningen (inclusief ontsluiting en parkeren) kan worden getoetst; g.

indien en voor zover tevens een wijziging dan wel uitbreiding van het bestemmingsvlak/bouwvlak gewenst en noodzakelijk is voor de continuïteit en doelmatigheid van de paardenhouderij, dient het bestemmingsvlak/bouwvlak te worden afgestemd op de aard en omvang van de bedrijfsvoering, met dien verstande dat het bouwvlak niet groter mag zijn dan 1,5 ha; h. de bebouwing en/of voorzieningen ten behoeve van de paardenhouderij dienen landschappelijk goed te worden ingepast, waarvoor burgemeester en wethouders advies kunnen inwinnen bij een landschapsdeskundige; i. er mag door de wijziging geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan de waarden verbonden aan de bestemming van de gronden die aan het bestemmingsvlak/bouwvlak grenzen of de cultuurhistorische waarde van bebouwing ter plaatse dan wel in de directe omgeving; j. de wijziging mag geen onevenredige afbreuk doen aan de belangen van de in de omgeving gelegen agrarische bedrijven of de functie of het gebruik van de gronden en bouwwerken in de omgeving belemmeren; k. de wijziging mag geen onevenredige schade, hinder of andere nadelige (milieu)gevolgen voor de

Regels (vastgesteld)

35

bestemmingsplan Landelijk - 2

l.

omgeving met zich mee brengen; het bepaalde in artikel 5 is van overeenkomstige toepassing, voor zover in het wijzigingsplan niet anders is bepaald.

3.4.11 Vestiging landelijk bedrijf Burgemeester en wethouders zijn op grond van het bepaalde in artikel 3.6 van de Wro bevoegd de bestemming 'Agrarisch' van de gronden ter plaatse van een bestemmingsvlak/bouwvlak voor een grondgebonden agrarisch bedrijf als bedoeld in lid 3.1.1, te wijzigen in de bestemming 'Bedrijf' als bedoeld in artikel 8, uitsluitend ten behoeve van de vestiging van een landelijk bedrijf als bedoeld in dit plan, indien is komen vast te staan dat: a. de bedrijfsvoering van het ter plaatse gevestigde agrarisch bedrijf is of wordt beëindigd of dat de aard van de bedrijfsvoering van het ter plaatse gevestigde agrarisch bedrijf niet meer past binnen de agrarische bestemming; b. ter plaatse een landelijk bedrijf met een reëel toekomstperspectief is of wordt gevestigd en dat wijziging van de bestemming noodzakelijk is voor de (continuïteit van de) bedrijfsvoering. Daarbij zijn burgemeester en wethouders bevoegd het bestemmingsvlak/bouwvlak te wijzigen naar een, voor de aard en omvang van de bedrijfsvoering, gepaste omvang. Voor zover van toepassing, wordt bij de wijziging van het bestemmingsvlak/bouwvlak delen van de bestemming 'Agrarisch' gewijzigd in de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' als bedoeld in artikel 6 of in de bestemming 'Agrarisch met waarden - Natuur- en Landschapswaarden' als bedoeld in artikel 7.

3.4.12 Voorwaarden wijziging Voor de toepassing van de in lid 3.4.11 noemde wijzigingsbevoegdheid gelden de volgende voorwaarden: a. van deze wijzigingsbevoegdheid wordt uitsluitend gebruik gemaakt, voor zover het aantal verkeersbewegingen gerelateerd aan de betreffende bedrijfsfunctie passend is; b. ter toets van de aard, omvang en het toekomstperspectief van het ter plaatse te vestigen bedrijf, dient vooraf bij burgemeester en wethouders een bedrijfsplan te worden ingediend; c. burgemeester en wethouders kunnen over de aard, omvang en het toekomstperspectief van de ter plaatse te vestigen bedrijfsvoering dan wel over de noodzaak en doelmatigheid van de gewenste bebouwing/voorzieningen advies inwinnen bij een deskundige op het gebied van de betreffende bedrijfsfunctie; d. in het wijzigingsplan dienen te worden aangegeven, welk type landelijk bedrijf op het betreffende bouwperceel is toegestaan door hiervoor een specifieke aanduiding op te nemen, alsmede de omvang van het landelijk bedrijf, de gebruiksmogelijkheden en de daarbij toegestane bebouwing en voorzieningen met bijbehorende maatvoering, waarbij zoveel als mogelijk gebruik dient te worden gemaakt van de bestaande gebouwen; e. de voormalige agrarische bedrijfswoning wordt aangemerkt als de bedrijfswoning behorende bij het landelijk bedrijf; f.

voor de (her)inrichting van het bouwperceel dient bij burgemeester en wethouders een inrichtingsplan te worden ingediend, op basis waarvan onder andere de ruimtelijke dan wel landschappelijke inpassing van de bebouwing/voorzieningen (inclusief ontsluiting en parkeren) kan worden getoetst; g. indien en voor zover tevens een wijziging van het bestemmingsvlak/bouwvlak gewenst en noodzakelijk is voor de continuïteit en doelmatigheid van de bedrijfsvoering, dient het bestemmingsvlak/bouwvlak te worden afgestemd op de aard en omvang van de bedrijfsvoering, met dien verstande dat het bouwvlak niet groter mag zijn dan 1 ha; h. de bebouwing en/of voorzieningen ten behoeve van het landelijk bedrijf dienen landschappelijk goed te worden ingepast, waarvoor burgemeester en wethouders advies kunnen inwinnen bij een landschapsdeskundige; i. er mag door de wijziging geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan de waarden verbonden aan de bestemming van de gronden die aan het bestemmingsvlak/bouwvlak grenzen of de cultuurhistorische waarde van bebouwing ter plaatse dan wel in de directe omgeving; j. de wijziging mag geen onevenredige afbreuk doen aan de belangen van de in de omgeving gelegen agrarische bedrijven of de functie of het gebruik van de gronden en bouwwerken in de omgeving belemmeren; k. de wijziging mag geen onevenredige schade, hinder of andere nadelige (milieu)gevolgen voor de

36

Regels (vastgesteld)

bestemmingsplan Landelijk - 2 omgeving met zich mee brengen; voor zover van toepassing dient de wijziging gepaard te gaan met het afstoten of verpachten van eventuele, in relatie tot de bedrijfsfunctie, overtollige gronden (weilanden) aan of ten behoeve van agrariërs in het landelijk gebied; m. er mag ten behoeve van de nieuwe functie geen opslag/stalling in de open lucht, onder overkappingen en/of in kassen plaatsvinden, behoudens opslag/stalling overeenkomstig de bestemming; n. de wijze waarop aan de nieuwe functie uitvoering wordt gegeven, dient te passen bij de specifieke kwaliteiten van de omgeving en mag niet leiden tot een aantasting van het landelijke karakter van het gebied, o.a. door visuele aspecten, zoals reclame-uitingen; o. het bepaalde in artikel 8 is van overeenkomstige toepassing, voor zover in het wijzigingsplan niet anders is bepaald. l.

Regels (vastgesteld)

37

bestemmingsplan Landelijk - 2

Artikel 4

Agrarisch - Glastuinbouw

4.1

Bestemmingsomschrijving

4.1.1

Algemeen

De voor 'Agrarisch - Glastuinbouw' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. het agrarisch bedrijfscentrum ten behoeve van de uitoefening van een bestaand, in het plangebied verspreid gelegen, glastuinbouwbedrijf; b. ter plaatse van de aanduiding 'gemaal' (gm): een gemaal. met de daarbij behorende: c. d. e. f.

bebouwing; ontsluitingswegen, paden en parkeerplaatsen; groen- en nutsvoorzieningen; waterlopen.

4.1.2

Dubbelbestemming

De bij deze bestemming behorende bouw-, gebruiks- en overige regels zijn slechts van toepassing indien en voor zover deze niet in strijd zijn met de regels, behorende bij de dubbelbestemming(en) waarvoor deze gronden eveneens zijn aangewezen. 4.2

Bouwregels

4.2.1

Algemeen

Op deze gronden mogen ten dienste van de bestemming uitsluitend worden gebouwd: a. hoofdgebouwen; b. bijbehorende bouwwerken; c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 4.2.2

Inrichting bouwvlak en maatvoering bebouwing

Voor de inrichting van het bouwvlak gelden de volgende regels: a. bebouwing dient te worden gesitueerd in het bouwvlak; b. per bouwvlak mag één glastuinbouwbedrijf zijn gevestigd; c. per bouwvlak is één bedrijfswoning toegestaan; indien een bestaande dan wel voormalige bedrijfswoning op enig moment is of wordt verkocht, of een bedrijfssplitsing of enige daarmee gelijk te stellen transactie plaatsvindt of heeft plaatsgevonden, waarbij die bedrijfswoning is of wordt afgestoten, blijft die woning tellen als een bedrijfswoning; d. de bebouwing dient zoveel mogelijk aansluitend op de bestaande bebouwing te worden gesitueerd dan wel een functionele en/of ruimtelijke eenheid te vormen; e. de grondoppervlakte van een bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 150 m² inclusief bijbehorende bouwwerken, of, indien de bestaande oppervlakte meer dan 150 m² bedraagt, niet meer dan de bestaande oppervlakte, inclusief bijbehorende bouwwerken; f. bedrijfswoningen dienen te worden afgedekt met een kap, waarvan de dakhelling ten minste 50º bedraagt; g. de diameter van watertanks mag niet meer bedragen dan 25 m; h. kassen zijn toegestaan, voor zover deze bestaand zijn; i. de bestaande gezamenlijke grondoppervlakte van kassen mag niet worden vergroot; j. de hoogte van bouwwerken/voorzieningen mag niet meer bedragen dan aangegeven in onderstaande tabel:

38

Regels (vastgesteld)

bestemmingsplan Landelijk - 2

bouwwerken

max. goothoogte (m)

max. bouwhoogte (m)

bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen

6

10

kassen

4,5

6

overige gebouwen

3

6

watertanks

-

6

warmwaterbuffers

-

10

windmolens

6

erf- of perceelgrensafscheidingen op ten minste 1 m achter de voorgevel(rooi)lijn

-

2

overige erf- of perceelgrensafscheidingen

-

1

overige bouwwerken, geen gebouw zijnde

-

3

k. indien ten tijde van de tervisielegging van het ontwerp van dit plan de goothoogte, dakhelling en/of bouwhoogte van gebouwen afwijkt van het vorenstaande, geldt de bestaande goothoogte, dakhelling en/of bouwhoogte voor deze gebouwen als maximum en mag deze niet worden vergroot. 4.3

Wijzigingsbevoegdheid

4.3.1

Bewoning bestaande woning(en) na beëindiging bedrijfsvoering

Burgemeester en wethouders zijn op grond van het bepaalde in artikel 3.6 van de Wro bevoegd de bestemming 'Agrarisch - Glastuinbouw', ter plaatse van een bestemmingsvlak/bouwvlak van een bestaand glastuinbouwbedrijf als bedoeld in lid 4.1.1, te wijzigen in de bestemming 'Wonen Grondgebonden - buitengebied' als bedoeld in artikel 28, ten behoeve van het gebruik van de bestaande bedrijfswoning als burgerwoning, indien is komen vast te staan dat: a. de bedrijfsvoering van het ter plaatse gevestigde agrarisch bedrijf is of wordt beëindigd; b. wijziging van de bestemming ten behoeve van de woonfunctie gewenst is en de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse door de wijziging noemenswaardig zal verbeteren. In deze wijzigingsbevoegdheid is inbegrepen de mogelijkheid tot splitsing van de voormalige bedrijfswoning in twee woningen overeenkomstig het bepaalde in artikel 47.2; Voor zover van toepassing, worden bij de wijziging het bouwvlak verwijderd en delen van de bestemming 'Agrarisch - Glastuinbouw' gewijzigd in de bestemming Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' als bedoeld in artikel 6 of in de bestemming 'Agrarisch met waarden - Natuur- en Landschapswaarden' als bedoeld in artikel 7. 4.3.2

Voorwaarden wijziging

Voor de toepassing van de in lid 4.3.1 genoemde wijzigingsbevoegdheid gelden de volgende voorwaarden: a. de gronden ter plaatse van en aansluitend op de bestaande voormalige bedrijfswoning worden aangewezen met de bestemming 'Wonen - Grondgebonden - buitengebied' als bedoeld in artikel 28, waarbij: 1. de grootte van het bijbehorend bestemmingsvlak wordt afgestemd op de inrichting van het erf/bouwperceel, de omvang en/of waarde van de aanwezige bebouwing; 2. het bepaalde in artikel 28 van overeenkomstige toepassing is, voor zover in het wijzigingsplan niet anders is bepaald; b. de resterende gronden (die niet voor 'Wonen - Grondgebonden - buitengebied' worden bestemd) worden bestemd overeenkomstig de agrarische bestemming, waaraan het bestemmingsvlak grenst, zijnde 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' of 'Agrarisch met waarden - Natuur- en

Regels (vastgesteld)

39

bestemmingsplan Landelijk - 2 Landschapswaarden' als bedoeld in artikel 6 respectievelijk artikel 7; c. behoudens het bepaalde in lid d. dienen, behalve de voormalige bedrijfswoning, alle kassen en bedrijfsgebouwen te worden gesloopt, teneinde de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse te verbeteren; d. burgemeester en wethouders kunnen bij de wijziging van de bestemming toestaan dat een deel van de voormalige bedrijfsgebouwen (niet zijnde kassen) bij de herinrichting van het bouwperceel behouden blijft; e. voor de (her)inrichting van het erf/bouwperceel dient bij burgemeester en wethouders een inrichtingsplan te worden ingediend, op basis waarvan onder andere de meerwaarde van de wijziging voor de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse en de ruimtelijke dan wel landschappelijke inpassing van de instand te houden bebouwing (en eventuele nieuwbouw) kunnen worden getoetst; f. voor zover voormalige bedrijfsgebouwen niet worden gesloopt, dienen deze te fungeren als bijbehorende bouwwerken bij de voormalige bedrijfswoning; indien deze gebouwen door de wijziging (deels) buiten het bestemmingsvlak komen te staan, is op die gebouwen het overgangsrecht van toepassing; g. het aantal woningen binnen het bestemmingsvlak mag door de wijziging niet worden vergroot, behoudens toepassing van artikel 47.2; h.

de (agrarische) gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bebouwing mogen door de wijziging niet in onevenredig mate worden aangetast; i. er mag door de wijziging geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan de ruimtelijke kwaliteit en/of aan de waarden (landschappelijke en/of natuurwaarden) verbonden aan de bestemming van de gronden, die aan het bestemmingsvlak grenzen.

40

Regels (vastgesteld)

bestemmingsplan Landelijk - 2

Artikel 5

Agrarisch - Paardenhouderij

5.1

Bestemmingsomschrijving

5.1.1

Algemeen

De voor 'Agrarisch - Paardenhouderij' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. ter plaatse van de in onderstaande tabel aangegeven aanduiding, uitsluitend voor het agrarisch bedrijfscentrum ten behoeve van de uitoefening van de daarbij aangegeven bestaande productiegerichte en/ of gebruiksgerichte paardenhouderij, al dan niet in combinatie met de daarbij aangegeven andere bestaande bedrijfsvoering; (specifieke) aanduiding

type paardenhouderij plus andere bedrijfsvoering

ma

manege

sa-03

paardenpension

sa-04a

paardenpension annex manege a

sa-04b

paardenpension annex manege b

sa-05

stoeterij annex paardenpension

sa-06

paardenrusthuis

sa-08

stoeterij / loonbedrijf

sa-09

sportstal/ entertainment

b. ter plaatse van de aanduiding, 'sa-gph': uitsluitend een agrarisch bedrijfscentrum ten behoeve van de uitoefening van de daarbij aangegeven bestaande gebruiksgerichte paardenhouderij, al dan niet in combinatie met de daarbij aangegeven andere bestaande bedrijfsvoering; met daaraan ondergeschikt: c. de uitoefening van deelactiviteiten bij een paardenhouderij; met de daarbij behorende: d. e. f. g.

bebouwing; parkeervoorzieningen; groen- en nutsvoorzieningen; waterlopen.

5.1.2

Dubbelbestemming

De bij deze bestemming behorende bouw-, gebruiks- en overige regels zijn slechts van toepassing indien en voor zover deze niet in strijd zijn met de regels, behorende bij de dubbelbestemming(en) waarvoor deze gronden eveneens zijn aangewezen.

5.2

Bouwregels

5.2.1

Algemeen

Op deze gronden mogen ten dienste van de bestemming uitsluitend worden gebouwd: a. hoofdgebouwen; b. bijbehorende bouwwerken; c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Regels (vastgesteld)

41

bestemmingsplan Landelijk - 2

5.2.2

Inrichting bouwvlak en maatvoering bebouwing

Voor de inrichting van het bouwvlak gelden de volgende regels: a. bebouwing dient te worden gesitueerd in het bouwvlak; b. per bouwvlak is één bedrijf toegestaan; c. per bouwvlak is één bedrijfswoning toegestaan, met dien verstande dat; 1. indien een bestaande dan wel voormalige bedrijfswoning op enig moment is of wordt verkocht, of een bedrijfssplitsing of enige daarmee gelijk te stellen transactie plaatsvindt of heeft plaatsgevonden, waarbij die bedrijfswoning is of wordt afgestoten, blijft die woning tellen als een bedrijfswoning; 2. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' (-bw): geen bedrijfswoning mag worden gebouwd; d. een bedrijfswoning mag slechts worden gebouwd tegelijkertijd met dan wel nadat de (agrarische)bedrijfsbebouwing voor het bedrijf, waarbij de bedrijfswoning behoort, is gerealiseerd; e. de bebouwing dient zoveel mogelijk aansluitend op de bestaande bebouwing te worden gesitueerd dan wel een functionele en/of ruimtelijke eenheid te vormen; f. bij een paardenhouderij zijn toegestaan: 1. maximaal twee paardenbakken; 2. een paddock; 3. een longeercirkel; 4. een stap-/trainingsmolen; 5. een draf- en renbaan; 6. een binnenrijbaan, uitsluitend daar waar een manege is toegestaan; 7. een kantine/foyer; g. (hobby)kassen zijn toegestaan. De gezamenlijke grondoppervlakte van hobbykassen mag niet meer bedragen dan 18 m²; h.

de grondoppervlakte van een bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 150 m² of indien de bestaande oppervlakte meer dan 150 m² bedraagt, niet meer dan de bestaande oppervlakte, inclusief bijbehorende bouwwerken; i. bedrijfswoningen dienen te worden afgedekt met een kap, waarvan de dakhelling ten minste 50º bedraagt; j. de onderlinge afstand van bedrijfsgebouwen mag niet meer bedragen dan 20 m; k. paardenbakken, paddocks, longeercirkels, stap-/trainingsmolens, draf-/renbanen en binnenrijbanen dienen qua grootte te worden afgestemd op de omvang van de bedrijfsvoering en/of het bouwvlak, met dien verstande dat een paardenbak niet groter mag zijn dan 20 m x 60 m; l. de oppervlakte van de bedrijfsgebouwen, met inbegrip van de bedrijfswoning, bij de paardenhouderij mag niet meer bedragen dan aangegeven in onderstaande tabel:

42

Regels (vastgesteld)

bestemmingsplan Landelijk - 2

specifieke bouwaanduiding

type paardenhouderij plus andere bedrijfsvoering

max. oppervlakte bedrijfsgebouwen (m²)

sba-ma

manege

2035

sba-03

paardenpension

1840

sba-04a

paardenpension annex manege a

1930

sba-04b

paardenpension annex manege b

820

sba-05

stoeterij annex paardenpension

2700

sba-06

paardenrusthuis

420

sba-08

stoeterij / loonbedrijf

4645

sba-09

sportstal/ entrainement

650

m. de hoogte van bouwwerken, bouwwerken geen gebouw zijnde en voorzieningen mag niet meer bedragen dan aangegeven in onderstaande tabel: bouwwerken

max. goothoogte (m)

max. bouwhoogte (m)

bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen

6

10

overige gebouwen

3

6

bouwwerken voor mestopslag

-

3

lichtmasten binnen het bouwvlak

-

8

Hekwerk/omheining ten behoeve van een paardenbak of andere onder lid f. genoemde voorzieningen

-

1,5

erf- of perceelgrensafscheidingen op ten minste 1 m achter de voorgevel(rooi)lijn

-

2

overige erf- of perceelgrensafscheidingen

-

1

overige bouwwerken, geen gebouw zijnde

-

3

n. Lichtmasten ten behoeve van paardrijactiviteiten mogen slechts worden gebouwd op voorwaarde dat het gebruik van de lichtmasten: 1. geen onevenredige overlast en / of hinder veroorzaakt voor omwonenden; 2. geen onevenredige aantasting veroorzaakt van flora en/ fauna. o. indien ten tijde van de tervisielegging van het ontwerp van dit plan de goothoogte, dakhelling en/of bouwhoogte van gebouwen afwijkt van het vorenstaande, geldt de bestaande goothoogte, dakhelling en/of bouwhoogte voor deze gebouwen als maximum en mag deze niet worden vergroot.

Regels (vastgesteld)

43

bestemmingsplan Landelijk - 2

5.3

Wijzigingsbevoegdheid

5.3.1

Verandering en/of vergroting bestemmingsvlak/bouwvlak

Burgemeester en wethouders zijn op grond van het bepaalde in artikel 3.6 van de Wro bevoegd een bestemmingsvlak/bouwvlak van een paardenhouderij als bedoeld in lid 5.1.1, te veranderen of te vergroten, door aan (een deel van) de gronden die aan dat bestemmingsvlak/bouwvlak grenzen, de bestemming 'Agrarisch - Paardenhouderij' als bedoeld in artikel 5 toe te kennen, met inbegrip van een bouwvlak. 5.3.2

Voorwaarden wijziging

Voor de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid genoemd in lid 5.3.1 gelden de volgende voorwaarden: a. deze wijzigingsbevoegdheid wordt uitsluitend toegepast, indien het bouwperceel gesitueerd is in een gebied, dat op de verbeelding aangeduid is als 'overige zone - paardenbeleid agrarische gebieden'; b. er dient vooraf te worden aangetoond dat een uitbreiding van het ter plaatse gevestigde paardenhouderij noodzakelijk is voor de continuïteit en doelmatigheid van de (agrarische) bedrijfsvoering, waarover burgemeester en wethouders advies kunnen inwinnen bij een agrarische deskundige; c. burgemeester en wethouders geven in de regels in het wijzigingsplan aan hoeveel bebouwing dan wel welke voorzieningen bij het betreffende bedrijf zijn toegestaan; d. de oppervlakte van het bestemmingsvlak dan wel bouwvlak mag na wijziging niet groter zijn dan 1,5 ha; e. er mag door de wijziging geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan de cultuurhistorische waarde van de bebouwing, dan wel de waarden (landschappelijke en/of natuurwaarden) verbonden aan de bestemming van de gronden, die aan het bouwvlak grenzen; f. de bebouwing en/of voorzieningen dienen landschappelijk goed te worden ingepast, waarover burgemeester en wethouders advies kunnen inwinnen bij een landschapsdeskundige; g.

de functie dan wel het gebruik van de gronden en bouwwerken in de omgeving mag door de wijziging niet (onevenredig) worden belemmerd; h. er mag door de wijziging geen onevenredige schade, hinder of andere nadelige (milieu)gevolgen worden veroorzaakt voor de omgeving. 5.3.3

Vestiging zorgboerderij

Burgemeester en wethouders zijn op grond van het bepaalde in artikel 3.6 van de Wro bevoegd de aanduiding 'zorgboerderij' (zbo) aan een bestemmingsvlak van een (voormalig) paardenhouderij als bedoeld in lid 5.1.1 toe te kennen, indien is komen vast te staan dat ter plaatse een zorgboerderij wordt gevestigd en dat wijziging van de bestemming noodzakelijk is voor de (continuïteit van de) van bedrijfsvoering. Daarbij zijn burgemeester en wethouders bevoegd het bestemmingsvlak/bouwvlak te wijzigen naar een, voor de aard en omvang van de bedrijfsvoering gepaste omvang. Voor zover van toepassing, wordt bij de wijziging van het bestemmingsvlak/bouwvlak delen van de bestemming 'Agrarisch - Paardenhouderij' gewijzigd in de bestemming, 'Agrarisch met waarden Landschapswaarden' als bedoeld in artikel 6 of in de bestemming 'Agrarisch met waarden - Natuur- en Landschapswaarden' als bedoeld in artikel 7, of andersom, met inbegrip van de aanduiding 'zorgboerderij' (zbo). 5.3.4

Voorwaarden wijziging

Voor de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid genoemd in lid 5.3.3 gelden de volgende voorwaarden: a. van deze wijzigingsbevoegdheid wordt uitsluitend gebruik gemaakt, voor zover het aantal verkeersbewegingen gerelateerd aan de betreffende bedrijfsfunctie passend is in het betrokken gebied, overeenkomstig de zonering, b. om de aard, omvang en het toekomstperspectief van het ter plaatse te vestigen bedrijf te kunnen beoordelen, dient bij burgemeester en wethouders een bedrijfsplan te worden ingediend; c. burgemeester en wethouders kunnen over de aard, omvang en het toekomstperspectief van de ter plaatse te vestigen bedrijfsvoering dan wel over de noodzaak en doelmatigheid van de gewenste bebouwing/voorzieningen advies inwinnen bij een agrarische deskundige en/of een deskundige op het gebied van de betreffende zorgfunctie; d. in het wijzigingsplan wordt aangegeven welk type zorgfunctie op het betreffende bouwperceel is 44

Regels (vastgesteld)

bestemmingsplan Landelijk - 2

e.

f.

g.

h.

i. j. k.

toegestaan, alsmede de omvang van de zorgfunctie, de gebruiksmogelijkheden en de daarbij toegestane bebouwing en voorzieningen, waarbij zoveel als mogelijk gebruik dient te worden gemaakt van de bestaande gebouwen; voor de (her)inrichting van het bouwperceel dient bij burgemeester en wethouders een inrichtingsplan te worden ingediend, op basis waarvan onder andere de ruimtelijke dan wel landschappelijke inpassing van de bebouwing/voorzieningen (inclusief ontsluiting en parkeren) kan worden getoetst; indien en voor zover tevens een wijziging het bestemmingsvlak/bouwvlak gewenst en noodzakelijk is voor de continuïteit en doelmatigheid van de bedrijfsvoering, dient het bestemmingsvlak/bouwvlak te worden afgestemd op de aard en omvang van de bedrijfsvoering, met dien verstande dat het bouwvlak niet groter mag zijn dan: 1. 1,25 ha in de gebieden (grenzend aan het bouwvlak) met de bestemming 'Agrarisch met waarden - Natuur- en Landschapswaarden' 2.

1,5 ha in de gebieden (grenzend aan het bouwvlak) met de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden'; de bebouwing en/of voorzieningen ten behoeve van de bedrijfsvoering dienen landschappelijk goed te worden ingepast, waarvoor burgemeester en wethouders advies kunnen inwinnen bij een landschapsdeskundige; er mag door de wijziging geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan de waarden verbonden aan de bestemming van de gronden die aan het bestemmingsvlak/bouwvlak grenzen of de uiterlijke verschijningsvorm en/of cultuurhistorische waarde van bebouwing ter plaatse dan wel in de directe omgeving; de functie dan wel het gebruik van de gronden en bouwwerken in de omgeving mag door de wijziging niet (onevenredig) worden belemmerd; de wijziging mag geen onevenredige schade, hinder of andere nadelige (milieu)gevolgen voor de omgeving met zich mee brengen; er mag ten behoeve van de nieuwe functie geen opslag/stalling in de open lucht, onder overkappingen en/of in kassen plaatsvinden;

5.3.5

Ander type paardenhouderij

Burgemeester en wethouders zijn op grond van het bepaalde in artikel 3.6 van de Wro bevoegd de aanduiding ten behoeve van de uitoefening van een ander type paardenhouderij zoals bedoeld in lid 5.2.2 onder l te wijzigen. Burgemeester en wethouders zijn daarbij bevoegd het bestemmingsvlak/bouwvlak te veranderen en/of te vergroten, door aan (een deel van) de gronden die aan dat bestemmingsvlak/bouwvlak grenzen, de bestemming 'Agrarisch - Paardenhouderij' als bedoeld in artikel 5 toe te kennen, met inbegrip van een bouwvlak. 5.3.6

Voorwaarden wijziging

Voor de toepassing van de in lid 5.3.5 genoemde wijzigingsbevoegdheid gelden de volgende voorwaarden: a. van deze wijzigingsbevoegdheid wordt uitsluitend gebruik gemaakt bij bestaande bouwpercelen/bouwvlakken gesitueerd op gronden in een gebied, dat op de verbeelding is aangeduid als 'overige zone - paardenbeleid agrarische gebieden'; b. om de aard, omvang en het toekomstperspectief van het ter plaatse te vestigen bedrijf te kunnen beoordelen, dient bij burgemeester en wethouders een bedrijfsplan te worden ingediend; c. er dient te worden aangetoond dat ter plaatse een paardenhouderij met een reëel toekomstperspectief wordt gevestigd en dat wijziging noodzakelijk is voor de (continuïteit van de) bedrijfsvoering; d. burgemeester en wethouders kunnen over de aard, omvang en het toekomstperspectief van de ter plaatse te vestigen bedrijfsvoering dan wel over de noodzaak en doelmatigheid van de gewenste bebouwing/voorzieningen advies inwinnen bij een (agrarische) deskundige; e. indien tevens een wijziging dan wel uitbreiding van het bestemmingsvlak/bouwvlak noodzakelijk is voor de continuïteit en doelmatigheid van de bedrijfsvoering, dient het bestemmingsvlak/bouwvlak te worden afgestemd op de aard en omvang van de bedrijfsvoering, met dien verstande dat het bouwvlak niet groter mag zijn dan 1,5 ha; f.

in de bij het wijzigingsplan behorende regels wordt aangegeven, welk type paardenhouderij op het

Regels (vastgesteld)

45

bestemmingsplan Landelijk - 2 betreffende perceel is toegestaan, alsmede de daarbij toegestane bebouwing en voorzieningen, met dien verstande dat het bepaalde in artikel 5 van overeenkomstige toepassing is, voor zover in het wijzigingsplan niet anders is geregeld; daarbij dient zoveel als mogelijk gebruik te worden gemaakt van de bestaande gebouwen; g. de bestaande bedrijfswoning wordt aangemerkt als de bedrijfswoning behorende bij de nieuwe paardenhouderij; h. indien het bouwperceel wordt (her)ingericht, dient bij burgemeester en wethouders vooraf een inrichtingsplan te worden ingediend, op basis waarvan onder andere de ruimtelijke dan wel landschappelijke inpassing van de bebouwing/voorzieningen (inclusief ontsluiting en parkeren) kan worden getoetst; i. de bebouwing en voorzieningen ten behoeve van de bedrijfsvoering dienen landschappelijk goed te worden ingepast, waarvoor burgemeester en wethouders advies kunnen inwinnen bij een landschapsdeskundige; j. de wijziging mag niet tot gevolg hebben dat omliggende (agrarische) bedrijven in onevenredige mate in hun bedrijfsvoering worden aangetast of dat onevenredige schade, hinder of andere nadelige (milieu)gevolgen voor de omgeving wordt veroorzaakt; k. het aantal bedrijfswoningen op het bouwperceel mag door de wijziging niet toenemen; l.

het bepaalde in artikel 5 is van overeenkomstige toepassing, voor zover in het wijzigingsplan niet anders is geregeld. 5.3.7

Vestiging grondgebonden agrarisch bedrijf

Burgemeester en wethouders zijn op grond van het bepaalde in artikel 3.6 van de Wro bevoegd de bestemming 'Agrarisch - Paardenhouderij' van de gronden ter plaatse van een bestemmingsvlak/bouwvlak voor paardenhouderij als bedoeld in lid 5.1.1, te wijzigen in de bestemming 'Agrarisch' als bedoeld in artikel 3, ten behoeve van de vestiging van een grondgebonden agrarisch bedrijf, indien is komen vast te staan dat: a. de bedrijfsvoering van de ter plaatse gevestigde paardenhouderij is of wordt beëindigd; b. ter plaatse een grondgebonden agrarisch bedrijf met een reëel toekomstperspectief wordt gevestigd en dat wijziging van de bestemming noodzakelijk is voor de (continuïteit van de) bedrijfsvoering. Voor zover van toepassing, worden bij de wijziging delen van de gronden met de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' als bedoeld in artikel 6 of de bestemming 'Agrarisch met waarden Natuur- en Landschapswaarden' als bedoeld in artikel 7, die aan het bestaande bestemmingsvlak/bouwvlak grenzen, omgezet in de bestemming 'Agrarisch' als hiervoor genoemd, met inbegrip van een bouwvlak. 5.3.8

Voorwaarden wijziging

Voor de toepassing van de in lid 5.3.7 genoemde wijzigingsbevoegdheid gelden de volgende voorwaarden: a. van deze wijzigingsbevoegdheid wordt uitsluitend gebruik gemaakt bij bestaande bouwpercelen/bouwvlakken; b. om de aard, omvang en het toekomstperspectief van het ter plaatse te vestigen bedrijf te kunnen beoordelen, dient bij burgemeester en wethouders een bedrijfsplan te worden ingediend; c. burgemeester en wethouders kunnen over de aard, omvang en het toekomstperspectief van de ter plaatse te vestigen bedrijfsvoering dan wel over de noodzaak en doelmatigheid van de gewenste bebouwing/voorzieningen advies inwinnen bij een (agrarische) deskundige; d. voor de (her)inrichting van het bouwperceel dient bij burgemeester en wethouders een inrichtingsplan te worden ingediend, op basis waarvan onder andere de ruimtelijke dan wel landschappelijke inpassing van de bebouwing/voorzieningen (inclusief ontsluiting en parkeren) kan worden getoetst; e. indien en voor zover tevens een wijziging dan wel uitbreiding van het bestemmingsvlak/bouwvlak gewenst en noodzakelijk is voor de continuïteit en doelmatigheid van de bedrijfsvoering, dient het bestemmingsvlak/bouwvlak te worden afgestemd op de aard en omvang van de bedrijfsvoering, met dien verstande dat de oppervlakte van het bouwvlak na de wijziging niet groter mag zijn dan: 1.

1,25 ha in de gebieden (grenzend aan het bouwvlak) met de bestemming 'Agrarisch met waarden - Natuur- en Landschapswaarden'; 2. 1,5 ha in de gebieden (grenzend aan het bouwvlak) met de bestemming 'Agrarisch met waarden

46

Regels (vastgesteld)

bestemmingsplan Landelijk - 2 - Landschapswaarden'; f. het bepaalde in lid 5.3.6 onder f. tot en met k. is van overeenkomstige toepassing; g. het bepaalde in artikel 3 is van overeenkomstige toepassing, voor zover in het wijzigingsplan niet anders is bepaald. 5.3.9

Vestiging landelijk bedrijf

Burgemeester en wethouders zijn op grond van het bepaalde in artikel 3.6 van de Wro bevoegd de bestemming van de gronden ter plaatse van een bestemmingsvlak/bouwvlak voor een paardenhouderij als bedoeld in lid 5.1.1, te wijzigen in de bestemming 'Bedrijf' als bedoeld in artikel 8, uitsluitend ten behoeve van de vestiging van een landelijk bedrijf als bedoeld in dit plan, indien is komen vast te staan dat: a. de bedrijfsvoering van de ter plaatse gevestigde paardenhouderij is of wordt beëindigd; b. ter plaatse een landelijk bedrijf met een reëel toekomstperspectief wordt gevestigd en dat wijziging van de bestemming noodzakelijk is voor de (continuïteit van de) bedrijfsvoering. Daarbij zijn burgemeester en wethouders bevoegd het bestemmingsvlak/bouwvlak te wijzigen naar een, voor de aard en omvang van de bedrijfsvoering, gepaste omvang. Voor zover van toepassing, wordt bij de wijziging van het bestemmingsvlak/bouwvlak delen van de bestemming 'Agrarisch - Paardenhouderij' gewijzigd in de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' als bedoeld in artikel 6 of in de bestemming 'Agrarisch met waarden - Natuur- en Landschapswaarden' als bedoeld in artikel 7. 5.3.10 Voorwaarden wijziging Voor de toepassing van de in lid 5.3.9 genoemde wijzigingsbevoegdheid gelden de volgende voorwaarden: a.

van deze wijzigingsbevoegdheid wordt uitsluitend gebruik gemaakt, voor zover het aantal verkeersbewegingen gerelateerd aan de betreffende bedrijfsfunctie passend is in het betrokken gebied; b. ter toets van de aard, omvang en het toekomstperspectief van het ter plaatse te vestigen bedrijf, dient vooraf bij burgemeester en wethouders een bedrijfsplan te worden ingediend; c. burgemeester en wethouders kunnen over de aard, omvang en het toekomstperspectief van de ter plaatse te vestigen bedrijfsvoering dan wel over de noodzaak en doelmatigheid van de gewenste bebouwing/voorzieningen advies inwinnen bij een deskundige op het gebied van de betreffende bedrijfsfunctie; d. in het wijzigingsplan dient te worden aangegeven, welk type landelijk bedrijf op het betreffende bouwperceel is toegestaan door hiervoor een specifieke aanduiding op te nemen, alsmede de omvang van het landelijk bedrijf, de gebruiksmogelijkheden en de daarbij toegestane bebouwing en voorzieningen met bijbehorende maatvoering, waarbij zoveel als mogelijk gebruik dient te worden gemaakt van de bestaande gebouwen; e. de voormalige agrarische bedrijfswoning wordt aangemerkt als de bedrijfswoning behorende bij het landelijk bedrijf; f.

voor de (her)inrichting van het bouwperceel dient bij burgemeester en wethouders een inrichtingsplan te worden ingediend, op basis waarvan onder andere de ruimtelijke dan wel landschappelijke inpassing van de bebouwing/voorzieningen (inclusief ontsluiting en parkeren) kan worden getoetst; g. indien en voor zover tevens een wijziging van het bestemmingsvlak/bouwvlak gewenst en noodzakelijk is voor de continuïteit en doelmatigheid van de bedrijfsvoering, dient het bestemmingsvlak/bouwvlak te worden afgestemd op de aard en omvang van de bedrijfsvoering, met dien verstande dat het bouwvlak niet groter mag zijn dan 1 ha; h. de bebouwing en/of voorzieningen ten behoeve van het landelijk bedrijf dienen landschappelijk goed te worden ingepast, waarvoor burgemeester en wethouders advies kunnen inwinnen bij een landschapsdeskundige; i. er mag door de wijziging geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan de waarden verbonden aan de bestemming van de gronden die aan het bestemmingsvlak/bouwvlak grenzen of de cultuurhistorische waarde van bebouwing ter plaatse dan wel in de directe omgeving; j. de functie dan wel het gebruik van de gronden en bouwwerken in de omgeving mag door de wijziging niet (onevenredig) worden belemmerd; k. de wijziging mag geen onevenredige schade, hinder of andere nadelige (milieu)gevolgen voor de

Regels (vastgesteld)

47

bestemmingsplan Landelijk - 2 omgeving met zich mee brengen; voor zover van toepassing dient de wijziging gepaard te gaan met het afstoten of verpachten van eventuele, in relatie tot de bedrijfsfunctie, overtollige gronden (weilanden) aan of ten behoeve van agrariërs in het landelijk gebied; m. er mag ten behoeve van de nieuwe functie geen opslag/stalling in de open lucht, onder overkappingen en/of in kassen plaatsvinden, behoudens opslag/stalling overeenkomstig de bestemming; n. de wijze waarop aan de nieuwe functie uitvoering wordt gegeven, dient te passen bij de specifieke kwaliteiten van de omgeving en mag niet leiden tot een aantasting van het landelijke karakter van het gebied, o.a. door visuele aspecten, zoals reclame-uitingen. o. het bepaalde in artikel 8 is van overeenkomstige toepassing, voor zover in het wijzigingsplan niet anders is bepaald. l.

5.3.11 Bewoning bestaande woning(en) na beëindiging bedrijfsvoering Burgemeester en wethouders zijn op grond van het bepaalde in artikel 3.6 van de Wro bevoegd de bestemming 'Agrarisch - Paardenhouderij', ter plaatse van een bestemmingsvlak/bouwvlak voor een paardenhouderij als bedoeld in lid 5.1.1, te wijzigen in de bestemming 'Wonen - Grondgebonden buitengebied' als bedoeld in artikel 28, ten behoeve van het gebruik van de bestaande bedrijfswoning(en) als burgerwoning(en), indien is komen vast te staan dat: a. de bedrijfsvoering van de ter plaatse gevestigde paardenhouderij is of wordt beëindigd; b. vestiging van een nieuwe paardenhouderij ter plaatse niet reëel is dan wel ongewenst is; c. wijziging van de bestemming ten behoeve van de woonfunctie gewenst dan wel noodzakelijk is en de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse door de wijziging noemenswaardig zal verbeteren. 5.3.12 Voorwaarden wijziging Voor de toepassing van de in lid 5.3.11 genoemde wijzigingsbevoegdheid gelden de volgende voorwaarden: a. de gronden ter plaatse van en aansluitend op de bestaande voormalige bedrijfswoning(en) worden aangewezen met de bestemming 'Wonen - Grondgebonden - buitengebied' als bedoeld in artikel 28, waarbij: b. de grootte van het bijbehorend bestemmingsvlak wordt afgestemd op de inrichting van het erf/bouwperceel, de omvang en/of waarde van de aanwezige bebouwing; 1.

het bepaalde in artikel 28 van overeenkomstige toepassing is, voor zover in het wijzigingsplan niet anders is bepaald; 2. de resterende gronden (die niet voor bestemming 'Wonen - Grondgebonden - buitengebied' als bedoeld in artikel 28 worden bestemd) overeenkomstig de agrarische bestemming, waaraan het bestemmingsvlak grenst, zijnde 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' of 'Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden' als bedoeld in artikel 6 respectievelijk artikel 7; c. burgemeester en wethouders kunnen bij de wijziging van de bestemming eisen dat (een deel van de) voormalige bedrijfsbebouwing, met uitzondering van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing, en voorzieningen worden gesloopt of verwijderd, teneinde de inrichting van het bouwperceel dan wel de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse te verbeteren; d. bij een (her)inrichting van het bouwperceel dient vooraf bij burgemeester en wethouders een inrichtingsplan te worden ingediend, op basis waarvan onder andere de meerwaarde van de wijziging voor de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse en de ruimtelijke/landschappelijke inpassing van de instand te houden bebouwing (en/of nieuwbouw) kunnen worden getoetst; e. voor zover voormalige bedrijfsgebouwen niet worden gesloopt, dienen deze te fungeren als bijbehorende bouwwerken bij de woning(en); f.

het aantal woningen binnen het bestemmingsvlak mag door de wijziging niet worden vergroot, behoudens toepassing van artikel 45.2.2 en artikel 45.2.3; g. de (agrarische) gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bebouwing mogen door de wijziging niet in onevenredig mate worden aangetast; h. er mag door de wijziging geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan de ruimtelijke kwaliteit en/of de cultuurhistorische waarde van de bebouwing ter plaatse dan wel aan de waarden (landschappelijke en/of natuurwaarden) verbonden aan de bestemming van de gronden, die aan het bestemmingsvlak grenzen;

48

Regels (vastgesteld)

bestemmingsplan Landelijk - 2 i. j.

de functie dan wel het gebruik van de gronden en bouwwerken in de omgeving mag door de wijziging niet (onevenredig) worden belemmerd; de wijziging mag geen onevenredige schade, hinder of andere nadelige (milieu)gevolgen voor de omgeving met zich mee brengen.

Regels (vastgesteld)

49

bestemmingsplan Landelijk - 2

Artikel 6

Agrarisch met waarden - Landschapswaarden

6.1

Bestemmingsomschrijving

6.1.1

Algemeen

De voor 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. de instandhouding en ontwikkeling van agrarische gronden ten behoeve van de bedrijfsuitoefening van de grondgebonden agrarische bedrijven; b. de instandhouding, versterking en/of het herstel van de landschappelijke en cultuurhistorische waarden, bestaande uit de openheid, het verkavelings-/slotenpatroon en landschapselementen; c. het behoud van graslandvegetaties en de daarmee samenhangende vogelkundige en cultuurhistorische waarden van het gebied; en mede bestemd voor: d. extensieve recreatie en bijbehorende voorzieningen, zoals wandelpaden, picknickplaatsen, uitkijkpunten, ruiterpaden en menroutes; voor zover deze voorzieningen zijn afgestemd op de onder b. en c. genoemde waarden en aan deze waarden geen onevenredige afbreuk wordt gedaan; e. ter plaatse van de aanduiding 'saw-01': een bestaande kwekerij; f. ter plaatse van de aanduiding 'saw-02': bestaande schuilgelegenheid voor vee, met daarbij behorende voorzieningen; g. ter plaatse van de aanduiding 'saw--03': een bestaande draf- en renbaan; h. ter plaatse van de aanduiding 'saw-04': een bestaande longeercirkel; i. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - paardenbak' (saw-05): een bestaande paardenbak; j. ter plaatse van de aanduiding 'saw-bwp': beweiding met paarden; met daaraan ondergeschikt: k.

het gebruik van de gronden voor kleinschalig kamperen; l. extensieve weidegang door paarden; m. het hobbymatig houden van paarden; met de daarbij behorende: n. o. p. q.

bebouwing; ontsluitingswegen en (wandel)paden; groenvoorzieningen, waaronder afschermende beplanting langs bouwpercelen; waterlopen.

6.1.2

Dubbelbestemming

De bij deze bestemming behorende bouw-, gebruiks- en overige regels zijn slechts van toepassing indien en voor zover deze niet in strijd zijn met de regels, behorende bij de dubbelbestemming(en) waarvoor deze gronden eveneens zijn aangewezen.

6.2

Bouwregels

6.2.1

Algemeen

a. Op deze gronden mogen, indien noodzakelijk voor en ten behoeve van de bestemming, uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd; 6.2.2

Maatvoering bebouwing

Voor bouwwerken als bedoeld in lid 6.2.1 geldt de volgende maatvoering: a. ter plaatse van de aanduiding 'saw-01' mogen de afmetingen van bebouwing niet meer bedragen dan de bestaande afmetingen; b. er plaatse van de aanduiding 'saw-02': mogen de afmetingen van bebouwing niet meer bedragen dan

50

Regels (vastgesteld)

bestemmingsplan Landelijk - 2 de bestaande afmetingen; c. erfgrens- en perceelgrensafscheidingen, hekwerken en andere soorten afscheidingen mogen niet hoger zijn dan 1 m; d. andere bouwwerken, geen gebouw zijnde, mogen niet hoger zijn dan 2 m, waarvan de oppervlakte niet meer bedraagt dan 5 m². 6.3

Specifieke gebruiksregels

6.3.1

Kleinschalig kamperen

a. het gebruik van kleinschalig kamperen, zoals bedoeld in lid 6.1.1 onder k., is toegestaan 1. alleen bij de grondgebonden agrarische bedrijven; 2. waarbij de kampeermiddelen uitsluitend in de periode van 15 maart tot en met 31 oktober op de gronden mogen staan; 3. maximaal 25 kampeermiddelen zijn toegestaan; 4. kampeermiddelen zijn binnen of direct aansluitend op het bouwvlak van de ter plaatse gevestigde grondgebonden agrarische bedrijven dienen te worden gesitueerd. 6.3.2

Extensieve weidegang paarden

Een extensieve weidegang voor paarden, zoals bedoeld in lid 6.1.1 onder l., is toegestaan behorende bij de ondergeschikte deeltijdactiviteiten bij de grondgebonden agrarische bedrijven, geen paardenfokkerij zijnde. 6.3.3

Hobbymatig houden van paarden

a. hobbymatig houden van paarden, zoals bedoeld in lid 6.1.1 onder m., is toegestaan 1. van/door particulieren, die op de aan deze gronden grenzende woonbestemmingen woonachtig zijn; 2. voor maximaal 4 paarden; 3. dit gebruik geen onevenredige afbreuk mag doen aan de in lid 6.1.1 onder b. en c. genoemde waarden. 6.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 6.4.1

Algemeen

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning, op en/of in de gronden met de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden', de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het aanleggen en/of verharden van (kavel)wegen en het aanbrengen van oppervlakteverhardingen, toeritten naar bouwwerken op percelen uitgezonderd; b. het verlagen van de bodem, het afgraven, ontgrondingen, ophogen en/of egaliseren van de gronden, het ophogen van gronden in verband met grootschalige verwerking van bagger; c. het aanleggen en/of dempen van watergangen, sloten, weidegreppels en andere waterlopen of het aanleggen van natuurelementen, zoals paddenpoels, met een groter oppervlakte dan 250 m²; d. het aanbrengen van boven- en/of ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur; e. het vellen en rooien van bomen, hakhout en andere houtopstanden en het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging tot gevolg hebben of kunnen hebben, met uitzondering van het vellen, rooien of beschadigen van fruitbomen en het periodiek afzetten van hakhout; f. diepwoelen of diepploegen; g. het beplanten met houtopstanden of het aanbrengen van hoogopgaande beplanting en/of diepwortelende beplanting; h.

het (chemisch) scheuren van grasland, anders dan voor normaal onderhoud, graslandverbetering of

Regels (vastgesteld)

51

bestemmingsplan Landelijk - 2 voor ruwvoederteelt; het uitvoeren van heiwerken of het op een andere wijze indrijven van voorwerpen in de bodem; het aanleggen/plaatsen van -niet als bouwwerk aan te merken- (folie)mestbassins, sleufsilo's en daarmee vergelijkbare voorzieningen; k. het opbrengen van zand en/of ander materiaal ten behoeve van een ander gebruik van het grasland. i. j.

6.4.2

Uitzonderingen

Het in lid 6.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op de volgende werken en werkzaamheden: a. het normale beheer en/of onderhoud van graslanden; b. reeds in uitvoering zijnde (legale) werken en werkzaamheden bij de tervisielegging van het ontwerp van dit plan of werken en werkzaamheden waarvoor reeds een aanlegvergunning is verleend; c. de aanleg en/of normaal onderhoud van natuurvriendelijke oevers. 6.4.3

Voorwaarden omgevingsvergunning

De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 6.4.1 wordt slechts verleend, indien en voor zover de werken en/of werkzaamheden, waarop de vergunning betrekking heeft: a. geen onevenredige aantasting met zich meebrengen voor de landschappelijke, cultuurhistorische, vogelkundige en/of archeologische waarden van de gronden; b. de mogelijkheden voor het behoud, de versterking en/of het herstel van die waarden niet in onevenredige mate verkleinen; c. noodzakelijk zijn voor een doelmatig gebruik van de gronden overeenkomstig hun bestemming, waaronder ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering; d. geen belemmering met zich meebrengen voor bestaande agrarische bedrijfsvoeringen en/of de inrichting dan wel uitbreidingsmogelijkheden van agrarische bedrijfspercelen; en indien: een afweging van de in het geding zijnde belangen, waaronder begrepen het agrarisch belang, en voor zover aan de orde, de belangen die met de in dit bestemmingsplan opgenomen dubbelbestemmingen worden gediend, tot uitkomst heeft dat een omgevingsvergunning in redelijkheid niet kan worden geweigerd.

6.4.4

Advies omtrent omgevingsvergunning

Alvorens omtrent een aanvraag omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden te beslissen, winnen burgemeester en wethouders, indien nodig, advies in bij de met betrekking tot het betreffende terrein meest aangewezen instantie.

52

Regels (vastgesteld)

bestemmingsplan Landelijk - 2

Artikel 7

Agrarisch met waarden - Natuur- en Landschapswaarden

7.1

Bestemmingsomschrijving

7.1.1

Algemeen

De voor 'Agrarisch met waarden - Natuur- en Landschapswaarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. de instandhouding en ontwikkeling van agrarische gronden ten behoeve van de bedrijfsuitoefening van de grondgebonden agrarische bedrijven; b. de instandhouding, versterking en/of het herstel van de landschappelijke, cultuurhistorische en (aanwezige en/of potentiële) natuurwaarden, bestaande uit onder meer graslandvegetaties en vegetatie van slootoevers, de openheid, het verkavelings-/slotenpatroon en landschapselementen; c. het behoud van graslandvegetaties en de daarmee samenhangende vogelkundige en cultuurhistorische waarden van het gebied; en mede bestemd voor: d. extensieve recreatie en bijbehorende voorzieningen, zoals wandelpaden, picknickplaatsen, ruiterpaden, menroutes en uitkijkpunten, voor zover dit gebruik wordt afgestemd op de onder b. en c. genoemde waarden en aan deze waarden geen onevenredige afbreuk wordt gedaan; e. ter plaatse van de aanduiding 'saw-02': bestaande schuilgelegenheden voor vee met daarbij behorende voorzieningen; f. ter plaatse van de aanduiding 'saw-03': een bestaande draf- en renbaan; g. ter plaatse van de aanduiding 'saw-04': een bestaande longeercirkel; h. ter plaatse van de aanduiding 'saw-06': twee bestaande recreatieve nachtverblijven; met daaraan ondergeschikt: i. het gebruik van de gronden voor kleinschalig kamperen; j.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leidschendam&id=94d0494d-1df6-4a4f-8ddb-eb56a53d8a01