CConstaterende datLeidschendam-Voorburg
Koppel je AI →
Document · PDF

3337 Toelichting_Bijlage 7 Quickscan Flora & Fauna Vlietvoorde-West

Raadsvergadering 4 juli 2023, gemeente Leidschendam-VoorburgBij agendapunt: Raadsvoorstel: Vaststelling bestemmingsplan Vlietvoorde West.3.852 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

QuickScan Flora en fauna Deelgebied 1 Vlietvoorde Leidschendam-Voorburg Rapport nr. 2021.061 December 2021

Taharo Ecologisch advies Valleiweg 51 30911 DB Rhenen www.taharo.nl

Inhoudsopgave 1 Inleiding Werkwijze QuickScan flora en fauna

2 2

2 Planbeschrijving Ligging van het plangebied Huidige situatie Toekomstige situatie

3 3 3 4

3 Toetsing gebiedsbescherming Wettelijke gebiedsbescherming Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid

6 6 6

4 Toetsing beschermde houtopstanden

8

5 Toetsing soortbescherming Vogels Vleermuizen Grondgebonden zoogdieren Reptielen Amfibieën Vissen Ongewervelde dieren Vaatplanten

9 10 11 11 11 12 13 13 13

6 Conclusie

14

7 Samenvatting 8 Geraadpleegde bronnen

15 16

1

1

Inleiding

Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen geldt dat deze in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid moeten worden uitgevoerd. In het kader van een bestemmingsplanwijziging, om woningbouw te kunnen realiseren, is door middel van een verkennend flora- en faunaonderzoek (quickscan) een beoordeling gemaakt van de mogelijke effecten die het plan kan hebben op beschermde natuurwaarden. Hierdoor wordt duidelijk of het plan in overeenstemming is met de natuurwetgeving. De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Omtrent houtopstanden is de voormalige nationale Boswet eveneens in de Wet natuurbescherming opgenomen. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS).

Werkwijze quickscan flora en fauna In de quickscan zijn de gevolgen van de ruimtelijke ingreep afgezet tegen de aanwezige natuurwaarden vanuit de Wet natuurbescherming en planologisch beschermde natuurwaarden. Deze werkwijze vloeit voort uit de brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van Economische Zaken van december 2016. Om een beeld te krijgen van de huidige natuurwaarden is op 9 december 2021 van circa 11.30 – 12.30 uur door een ecoloog van Taharo1 een verkennend veldbezoek gebracht aan het plangebied en de directe omgeving hiervan. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek betroffen: zwaarbewolkt, met een oostenwind van 4 Bft, 7,2°C en lichte regen. Tijdens het veldbezoek is gelet op de potentiele aanwezigheid van beschermde soorten op basis van het aanwezige habitat en nest/verblijfsmogelijkheden. Daarnaast is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van ‘expert judgement’ nagegaan welke beschermde planten- en diersoorten voor kunnen komen binnen en nabij het plangebied en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Zuid-Holland geraadpleegd.

Aan de hand van het verkennende onderzoek is vervolgens beoordeeld welke beschermde soorten daadwerkelijk voor (kunnen) komen binnen het plangebied en is er vervolgens een inschatting gemaakt van de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling op beschermde natuurwaarden.

1

Taharo werkt volgens de protocollen en richtlijnen van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus en heeft als doel kwaliteitsbevordering en belangenbehartiging. Onze werkzaamheden voeren wij dan ook uit volgens de door het NGB vastgestelde gedragscode (versie juni 2008, aangevuld in februari 2010). De medewerkers binnen de discipline ecologie voldoen aan de door het Ministerie van EZ genoemde voorwaarden voor ter zake deskundigen op het gebied van ecologisch onderzoek.

2

2

Planbeschrijving

Ligging van het plangebied Het plangebied is gelegen aan de Veursestraatweg (N447) in Leidschendam, in het buitengebied ten noordoostenen van Leidschendam. Volgens de topografische kaart van Nederland kaartblad 30G (schaal 1:25.000) zijn de coördinaten van het midden van het plangebied X = 104.829, Y = 453.133. Het plangebied is rood omkaderd weergegeven op de luchtfoto (figuur 1) en weergegeven als een rode ster op de topografische kaart (figuur 2).

Figuur 1. Luchtfoto met het plangebied in blauw aangegeven.

Huidige situatie Het plangebied ligt ten oosten van, grenzend aan de provinciale weg N447, tegenover de Gamma. Het plangebied bestaat momenteel uit een grasvlakte. Halverwege de grasvlak-

3

te is een paddenscherm aangebracht, met halve emmers om eventueel aanwezige padden uit een deel van het gebied te weren. Figuren 4 t/m 9 geven een impressie van het plangebied.

Figuur 2. Topografische kaart plangebied (rode ster).

Toekomstige gewenste situatie Het planvoornemen betreft de realisatie van een herbestemming, waarbij uiteindelijk woningbouw gerealiseerd wordt.

4

Figuur 4. Overzicht van het onderzoeksgebied, foto genomen in westelijke richting.

Figuur 5. Overzicht van het middendeel van het onderzoeksgebied, foto genomen in noordelijke richting.

Figuur 6. Overzicht van het middendeel van het onderzoeksgebied, foto genomen in noordelijke richting.

Figuur 7. Detail paddenscherm met halve emmer om amfibien ui te laten treden tot buiten het gebied.

Figuur 8. Overzicht van het onderzoeksgebied, foto genomen in zuidelijke richting.

Figuur 9, Overzicht van het onderzoeksgebied foto genomen in noordwestelijke richting.

5

3

Toetsing gebiedsbescherming

Wettelijke gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijnen Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde wettelijke beschermde natuurgebied is Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide op 5.5 km afstand. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. De ontwikkeling betreft woningbouw op een plek waar momenteel graslanden aanwezig zijn. Gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als licht en geluid uitgesloten. Daar de voorgenomen ontwikkeling de nieuwbouw van woningen betreft, kan een toename aan stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied niet geheel uitgesloten worden.

Vervolgonderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming, onderdeel Natura 2000, in de vorm van een Aeriusberekening wordt dan ook noodzakelijk geacht.

Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Het plangebied is niet gelegen binnen het Natuurnetwerk Nederland (zie figuur 10). Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNN ligt op ongeveer 450 meter ten noordoosten van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen, zullen de wezenlijke kenmerken en waarden van de huidige staat van het NNN niet worden aangetast.

Vervolgonderzoek in het kader van het NNN wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.

6

Figuur 10. Ligging van het plangebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden, de rode ster geeft de ligging van het plangebied weer.

7

4

Toetsing beschermde houtopstanden

De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Aangezien er op het plangebied geen bomen aanwezig zijn is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde.

8

5

Toetsing soortenbescherming

De Wet natuurbescherming heeft, voor wat betreft soortenbescherming, betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën:   

Nationaal beschermde soorten (artikel 3.10 Wnb) Europees beschermde soorten (artikel 3.5 Wnb) Vogels (artikel 3.1 Wnb)

De Wet natuurbescherming regelt dat de provincie bevoegd gezag is en de lijst met te beschermen soorten kan aanpassen op de situatie in de provincie. De soortbescherming kan hierdoor per provincie verschillen. In het algemeen gelden voor alle drie de categorieën de zogenoemde verbodsregels. Een ontheffing hierop wordt voor de eerste categorie (art. 3.10 Wet natuurbescherming) met een lichte toets verleend. Voor de tweede en derde categorie geldt een zware toetsing. Het verschil binnen provincies zit vooral in het aantal nationaal beschermde soorten met een vrijstelling bij onder meer ruimtelijke ontwikkelingen. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.11 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend.

Vanaf 1 januari 2017 moet, onder de Wet natuurbescherming, bij ruimtelijke ontwikkelingen naast de zorgplicht ook rekening gehouden worden met juridisch zwaarder beschermde soorten vanuit nationaal en Europees oogpunt. Beschermde soorten vanuit nationaal oogpunt betreffen soorten uit ‘bijlage A en B’ van de Wet natuurbescherming. Beschermde soorten vanuit Europees oogpunt betreffen soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, de soorten uit Bijlage 1 en 2 Verdrag van Bern, en Bijlage 1 verdrag van Bonn, en alle in Europa inheemse vogels (Vogelrichtlijn). Op de ‘Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten’ van het Ministerie van LNV (augustus 2009) wordt onderscheid gemaakt in verschillende categorieën vogelnesten. Van de meeste vogelsoorten zijn de nesten uitsluitend beschermd wanneer deze tijdens de broed- en nestperiode in gebruik zijn. Het gaat om soorten die jaarlijks nieuwe nesten maken. Van een aantal soorten roofvogels en uilen, koloniebroeders en gebouw bewonende vogelsoorten (‘categorie 1-4 soorten’) zijn de nesten en de functionele leefomgeving jaarrond beschermend. Ten slotte is er een categorie nesten van vogelsoorten die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed, maar die over voldoende flexibiliteit beschikken om, als die broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen (‘categorie 5-soorten’).

Vooralsnog is het uitgangspunt dat

9

deze indeling gehandhaafd blijft, totdat de provincies deze hebben aangepast en vastgesteld. Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op de beschermde soorten. Treden er effecten op, dan dient er gekeken te worden of er (provinciale) vrijstelling verleend kan worden (al dan niet door te werken volgens een goedgekeurde gedragscode), of dat er een alternatieve oplossing mogelijk is waardoor er geen negatief effect kan plaatsvinden. Indien dit niet mogelijk is, zal ontheffing aangevraagd moeten worden op basis van een geldig wettelijk belang, waarbij de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten niet in het geding komt. De ontheffing kan dan onder voorwaarden worden verleend. Vogels Tijdens het veldbezoek zijn rond het plangebied enkele algemeen voorkomende vogels waargenomen waaronder een paar wilde eenden en meerdere foeragerende houtduiven. In de nabije omgeving (op 0-1 km afstand van het plangebied) zijn waarnemingen bekend van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten zoals boomvalk, sperwer, buizerd, en gebouwbewonende vogels met jaarrond beschermde nesten zoals gierzwaluw en huismus. Wegens het ontbreken van bebouwing is de aanwezigheid van gebouwbewonende vogels zoals huismus en gierzwaluw uitgesloten.

Er zijn geen hoge bomen met grote takkennesten, of holtes aanwezig binnen het plangebied. Binnen het plangebied zijn voor overige vogels met jaarrond beschermde nesten, zoals genoemde roofvogels, om die reden geen geschikte nestplaatsen aangetroffen. Het plangebied is momenteel mogelijk wel geschikt als foerageergebied voor roofvogels als buizerd, sperwer, boomvalk et cetera. Subconclusie Bij uitvoering van de plannen gaan geen nestlocaties van soorten met een jaarrond beschermde status, of een beschermde status vanuit lokale bescherming, verloren. Er zijn geen bomen of gebouwen aanwezig die geschikt zijn voor jaarrond beschermde nesten. Tot 2017 was hier een groot kassencomplex en een tuincentrum met een parkeerplaats, en slechts recentelijk is dit gebied mogelijk foerageergebied van de buizerd, sperwer, boomvalk etc. Het fungeert dus momenteel mogelijk wel als tijdelijk foerageergebied, maar zeker niet als essentieel foerageergebied. De weidegebieden ten zuiden, noorden en noordoosten van het plangebied blijven intact waardoor er ruim voldoende foerageergebied was en blijft. De lokale populatie roofvogels zal door de ontwikkeling niet in gevaar komen. Binnen het plangebied kunnen niet-jaarrond beschermde nesten verstoord worden in het hoge gras (bijv. kievietsnesten) en in de slootkanten (bijv. eenden- of meerkoetnesten).

Voor de betreffende vogelsoorten geldt dat, indien het verwijderen van het groen, het grondwerk in de huidige grasvlaktes, en de werken aan de slootkanten, buiten het broedseizoen wordt uitgevoerd, er redelijkerwijs geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot broedvogels. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een

10

broedgeval op het moment van ingrijpen. Bij twijfel over de aan/afwezigheid van een verlaat broedgeval (bijvoorbeeld van een meerkoet) dient een controle hieromtrent zekerheid te bieden. De voorgenomen plannen zullen geen afname van essentieel broedhabitat veroorzaken van een vogelsoort, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties is dan ook uitgesloten.

Vleermuizen Uit het plangebied en/of nabije omgeving (0-1 km) zijn waarnemingen bekend van diverse soorten vleermuizen, o.a. gebouwbewonende vleermuizen zoals gewone dwergvleermuis, meervleermuis, tweekleurige vleermuis, baard/Brandts vleermuis, gewone grootoorvleermuis, kleine dwergvleermuis en boombewonende vleermuizen zoals ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, bosvleermuis en watervleermuis. Alle soorten vleermuizen zijn Europees beschermde soorten, hiervoor geldt geen provinciale vrijstelling. Er zijn geen gebouwen of bomen op het onderzoeksgebied aanwezig, waarmee verblijfplaatsen van alle soorten vleermuizen bij voorbaat kunnen worden uitgesloten. Er zijn geen lijnvormige elementen die kunnen dienen als vliegroute, en het gebied is te open en kaal om te kunnen dienen als foerageergebied. subconclusie Gezien het ontbreken van geschikt habitat zijn rust- of verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden van vleermuizen binnen het onderzoeksgebied uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren Het plangebied vormt weinig geschikt habitat voor grondgebonden zoogdieren. Soorten als egel, bunzing, hermelijn, haas, konijn en veldmuis kunnen gebruik maken van het onderzoeksgebied. Door de aanwezigheid van voldoende alternatief foerageergebied betreft de ontwikkeling geen afname van essentieel foerageergebied voor deze soorten.

Daarbij geldt voor al deze soorten voor de provincie Zuid-Holland een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. In het kader van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om tijdens de werkzaamheden voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen, met name een relatief trage soort als de egel die onder dichte beplanting verscholen kan zitten. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Dieren moeten de gelegenheid krijgen om het werkgebied zelfstandig en veilig te kunnen verlaten. Indien noodzakelijk dienen soorten zorgvuldig te worden verplaatst naar buiten het werkgebied. Subconclusie Met de ontwikkeling binnen het plangebied gaat geen (essentieel) leefgebied van een grondgebonden zoogdiersoort verloren. Inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties van soorten is niet aan de orde. In het kader van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen. Reptielen Volgens verspreidingsgegevens van RAVON komen in de directe omgeving (0-1 km) van het plangebied geen beschermde reptielen voor. Beschermde soorten reptielen zijn, ge-

11

zien het ontbreken van geschikt habitat, niet te verwachten binnen het plangebied. Negatieve effecten voor reptielen zijn dan ook op voorhand uit te sluiten. Amfibieën In de omgeving van het plangebied zijn algemene soorten bekend als de gewone pad en de bastaardkikker. Bij ruimtelijke ontwikkeling geldt voor deze soorten een provinciale vrijstelling. Binnen het plangebied kan incidenteel een dergelijke soort worden aangetroffen, afkomstig uit de watergangen binnen en rondom het plangebied. Volgens de verspreidingsgegevens is in de omgeving van het plangebied ook de niet vrijgestelde rugstreeppad (Wnb-Hrl) bekend. Voortplantingslocaties van de rugstreeppad kenmerken zich over het algemeen als wateren die zich in de pioniersfase bevinden: ondiepe, meestal geheel vegetatieloze, tijdelijke watertjes. Voorbeelden zijn volgelopen greppels, regenplassen en karrensporen (rijsporen in het algemeen). Daarnaast zijn voortplantings-plaatsen ook te vinden in vennen en ondergelopen graslanden en in duinplassen. In akker- en graslandgebieden plant de soort zich voort in enkele dagen geleden geschoonde sloten, dus sloten die door het schonen weer in de pioniersfase bevinden. De watergangen binnen en rondom het plangebied voldoen hier niet aan en zijn om die reden niet aan te merken als voortplantingsplaats van de rugstreeppad.

Het landhabitat van de rugstreeppad kenmerkt zich door dat de rugstreeppad zich ingraaft in vergraafbare bodems, of ze schuilen onder elementen zoals tegels, pellets of tractorbanden. In de winter dienen de verblijfplaatsen vorstvrij te zijn. De overwinteringslocatie dient boven het grondwater gelegen te zijn. Er ligt geen vergraafbaar zand op het plangebied. Het plangebied is om die reden niet geschikt als landhabitat voor de rugstreeppad. Daarnaast is gezien de relatief stedelijke ligging, kolonisatie door rugstreeppad vanuit natuurgebieden eveneens zeer onwaarschijnlijk. Waarneming.nl geeft over een periode van 10 jaar slechts eenmalig, één waarneming van de rugstreeppad in de omgeving. In juni 2021 is bij de Lijtweg, op een afstand van 350 meter ten westen van het onderzoeksgebied een exemplaar van de rugstreeppad aangetroffen. Gezien het feit dat er binnen het onderzoeksgebied geen vergraafbaar zand ligt, en er geen diepe sporen aanwezig zijn is de rugstreeppad binnen het onderzoeksgebied redelijkerwijze uitgesloten. Subconclusie De voorgenomen plannen zullen geen afname van geschikt essentieel habitat van een amfibieënsoort, waaronder de rugstreeppad veroorzaken. Inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van populaties is dan ook uitgesloten.

In het kader van de algemene zorgplicht is het wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor eventueel passerende individuen. Het is echter wel mogelijk dat tijdens de werkzaamheden de juiste omstandigheden worden gecreëerd voor de rugstreeppad. Deze soort staat bekend om zijn vermogen om nieuw leefgebied te koloniseren. Om dit te voorkomen wordt geadviseerd tijdens de werkzaamheden de langdurige opslag van los zand en langdurige (met name in het voorjaar) aanwezigheid van ondiepe plassen te vermijden.

12

Vissen Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Om die reden is de aanwezigheid van beschermde vissen op voorhand uitgesloten. Beschermde ongewervelde diersoorten Volgens verspreidingsgegevens van de Vlinderstichting en NDDF zijn in de omgeving van het plangebied geen waarnemingen bekend van beschermde vlinders of libellen. Het plangebied vormt geen geschikt leefgebied voor overige strenger beschermde ongewervelde soorten vanwege het ontbreken van geschikte waardplanten en/of habitat. Negatieve effecten voor beschermde ongewervelde soorten zijn daarmee op voorhand uit te sluiten. Vaatplanten Het plangebied bestaat uit een grasvegetatie die eerste- en tweedejaars pionierskruiden bevat. Voor drie jaar geleden bestond dit gebied uit een bedrijfsgebouw met een grote parkeerplaats. Het gaat hier om een zeer jonge vegetatie. Uit de omgeving (0-1 km) zijn eveneens geen beschermde planten bekend. Beschermde soorten vaatplanten zijn gezien de ongeschikte standplaats binnen het plangebied niet te verwachten. Negatieve effecten voor beschermde vaatplanten zijn op voorhand uit te sluiten.

13

6

Conclusie

Gelet op de potentiele ecologische waarden kan het voorgenomen plan in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, in acht te worden genomen:  Met betrekking tot de rugstreeppad dient, om kolonisatie tijdens de werkzaamheden te voorkomen, de opslag van zand voor langere tijd, en het ontstaan van ondiepe plassen (met name in het voorjaar) te worden voorkomen.  Ten aanzien van broedvogels zonder jaarrond beschermde nesten dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten.  Ten behoeve van (incidenteel) aanwezige algemene soorten dient de zorgplicht in acht te worden genomen. Volledige uitsluitsel ten aanzien van stikstofuitstoot kan alleen worden verkregen middels een enkelvoudige Aerius-berekening. Overig vervolgonderzoek ten behoeve van Natura 2000, het NNN en/of toetsing aan het onderdeel houtopstanden (voormalige Boswet) is bij dit plan verder niet aan de orde.

14

7

Samenvatting

In onderstaande tabel is samengevat of de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten kan hebben op beschermde soorten en/of gebieden, en wat de eventuele vervolgstappen zijn, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningtrajecten. In de tabel is tevens weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel I. Overzicht (potentiele) aanwezigheid beschermde soorten/gebieden en te nemen vervolgstappen Soortgroep

Potentieel

Sprake van

Vervolgtraject / maatre-

Bijzonderheden / opmerkin-

aanwezig

verstoring

gelen

gen

Ja

Nee

Plangebied buiten broedAlgemeen

seizoen bouwrijp maken of controle vooraf

Broedvogels Jaarrond

Globale broedseizoen loopt van maart tot half augustus

Nee

Nee

-

-

Nee

Nee

-

-

Minimaal

Nee

-

-

Nee

Nee

-

-

Grondgebonden zoogdieren

Ja

Mogelijk

Zorgplicht

Reptielen

Nee

Nee

-

Amfibieën

Ja

Mogelijk

Zorgplicht

Vissen

Nee

Nee

-

-

Ongewervelden

Nee

Nee

-

-

Vaatplanten

Nee

Nee

-

-

Afstand tot

Sprake van

gebied

aantasting

Natura 2000

ca. 5,5 km

Nee

-

Natuurnetwerk Nederland

ca. 0,45 km

Nee

-

Houtopstanden

-

Nee

-

beschermd Verblijfplaatsen Vleermuizen

Foerageerhabitat Vliegroutes

Gebiedsbescherming

Vervolgtraject

Heeft betrekking op een soort als de egel Heeft betrekking op een soort als de gewone pad

Bijzonderheden / opmerkingen Geen externe verstorende factoren Wezenlijke ecologische waarde en kenmerken blijven gelijk Niet van toepassing

15

8

Geraadpleegde bronnen

Algemene Literatuur 

Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (red.) 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, Leiden / European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden.

Dietz C., O. von Helversen & D. Nill 2011. Vleermuizen. Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. De Fontein/Tirion Uitgevers, Utrecht.

Limpens, H., J. Regelink & R. Koelman 2010. Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen.

Ministerie van Economische Zaken 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescher-

SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse fauna 5. Nationaal

ming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag.

Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.

Algemene websites 

bij12.nl (kennisdocumenten van o.a. huismus, gierzwaluw, rugstreeppad, grote modderkruiper en diverse vleermuis-

eis-nederland.nl (soortgegevens ongewervelden)

floron.nl (soortgegevens planten)

ravon.nl (soortgegevens amfibieën, reptielen en vissen)

sovon.nl (soortgegevens vogels)

synbiosys.alterra.nl/natura2000 (Natura 2000-gebieden)

verspreidingsatlas.nl/planten (verspreidingsgegevens planten)

vlinderstichting.nl (soortgegevens vlinders en libellen)

wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2017-03-01 (wettekst Wet natuurbescherming)

www.zoogdiervereniging.nl (soortgegevens zoogdieren)

soorten)

Provinciale websites 

https://www.zuid-holland.nl/overons/feiten-cijfers/interactieve / (NNN en natuurbeheerplan Zuid-Holland)

16

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leidschendam&id=109cc356-6342-47ae-88fc-4135ca1a4d8a