3196 Raadsvoorstel vaststelling Delegatiebesluit Omgevingswet Adviesrecht gemeenteraad en participatie bij bopa
Tekst van het document
Aan de raad van de gemeente LEIDSCHENDAM-VOORBURG
Datum 26 september 2023 Nummer 3196 Onderwerp Raadsvoorstel vaststelling Delegatiebesluit Omgevingswet, Besluit Adviesrecht
gemeenteraad en participatie bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten gemeente Leidschendam-Voorburg Portefeuillehouder Wethouder Van Veller
1. Voorgesteld raadsbesluit De raad besluit: a. het Delegatiebesluit Omgevingswet gemeente Leidschendam-Voorburg vast te stellen; b. het Besluit Adviesrecht gemeenteraad en participatie bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten gemeente Leidschendam-Voorburg vast te stellen, en gelijktijdig het “Besluit aanwijzing categorieen waar een verklaring van geen bedenkingen niet vereist is en het delegatiebesluit vaststellen exploitatieplannen Leidschendam-Voorburg” in te trekken.
2. Aanleiding Op 1 januari 2024 treedt de Omgevingswet in werking. Met dit voorstel vragen wij u een besluit te nemen over de toepassing van 3 nieuwe instrumenten uit deze wet: het Delegatiebesluit Omgevingswet, het Adviesrecht gemeenteraad en (Verplichte) participatie bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten. Het delegatiebesluit heeft betrekking op het omgevingsplan. Met dit besluit kan de raad bevoegdheden over het wijzigen van het omgevingsplan delegeren aan het college. Bij het adviesrecht gaat het om gevallen waarbij het college voor de verlening van een buitenplanse omgevingsvergunningactiviteit (bindend) advies moet vragen aan de raad. Tot slot gaat het om de door de gemeenteraad aangewezen gevallen van buitenplanse omgevingsplanactiviteiten waar initiatiefnemers verplicht zijn om aan participatie te doen. Omdat het adviesrecht en de verplichte participatie beiden specifiek gaan over buitenplanse omgevingsplanactiviteiten en nauw verwant zijn, zijn deze samengevoegd in één besluit.
Datum 26 september 2023 Nummer 3196 Pagina 2/5
3. Afwegingen 1.1 Het delegatiebesluit is vooral gericht op de uitvoering van eerder genomen raadsbesluiten In het delegatiebesluit zijn vooral praktische zaken opgenomen die betrekking hebben op de uitvoering van het beleid of op het verwerken van eerdere besluiten in het omgevingsplan. Door bevoegdheden te delegeren, hoeft niet elke wijziging aan het omgevingsplan ter besluitvorming aan de raad te worden voorgelegd. Het gaat dan bijvoorbeeld om het verwerken van verleende vergunningen, het verwerken van eerder vastgesteld beleid (zowel gemeentelijk als van hogere overheden), toepassing geven aan wijzigings- en uitwerkingsregels uit (voormalige) bestemmingsplannen of het verbeteren van verschrijvingen. In deze gevallen is een delegatie van bevoegdheden aan het college gerechtvaardigd in het belang van snelle besluitvorming. De gevallen die in het delegatiebesluit zijn opgesomd, zijn voorbereid in een aantal sessies met de woordvoerders van de raadsfracties op het thema Omgevingswet. Het besluit bevat een artikelsgewijze toelichting. Nadat de raad het Delegatiebesluit Omgevingswet heeft vastgesteld, wordt deze bekendgemaakt in het Gemeenteblad en treedt hierna in werking met ingang van de dag waarop de Omgevingswet in werking treedt.
1.2 Het nemen van een voorbereidingsbesluit wordt in principe niet gedelegeerd Het nemen van een voorbereidingsbesluit is nu een bevoegdheid van de raad. Nieuwe bouwaanvragen moeten onder de Wet ruimtelijke ordening worden aangehouden wanneer een voorbereidingsbesluit is genomen. Onder de Omgevingswet leidt een voorbereidingsbesluit niet meer tot een aanhoudingsplicht (een aanhoudingsplicht onder de Wet ruimtelijke ordening verplicht een gemeente om een omgevingsvergunningaanvraag aan te houden. Deze mag dan niet verleend worden, ook al past deze in het geldende bestemmingsplan). De mogelijkheid om via het voorbereidingsbesluit voorbeschermingsregels te stellen in het omgevingsplan over bouwactiviteiten en het in stand houden van bouwwerken, vervangt de aanhoudingsregeling. Delegatie van deze bevoegdheid aan het college (artikel 4.14 lid 5 van de Omgevingswet) betekent snellere besluitvorming over het voorbereidingsbesluit en verkleint daarmee de periode waarbinnen een omgevingsvergunning kan worden aangevraagd (aanvragen die worden ingediend voordat het voorbereidingsbesluit in werking treedt, moeten namelijk nog wel in behandeling worden genomen). Tijden de voorbereidende sessies met de woordvoerders van de raadsfracties is aangegeven dat deze bevoegdheid in principe niet gedelegeerd moet worden, maar dat het oordeel aan de raad is. 2.1
De bestaande werkwijze blijft, vooruitlopend op de vaststelling van de sturingsfilosofie in de
omgevingsvisie, het uitgangspunt Op 5 januari 2021 heeft de raad het besluit aanwijzing categorieën waar een verklaring van geen bedenkingen niet vereist is vastgesteld. Aanvragen waarvoor een uitgebreide omgevingsvergunning-procedure gevoerd moet worden, worden aan deze lijst getoetst. Indien een aanvraag niet behoort tot de aangewezen gevallen, dan wordt de raad gevraagd een Verklaring
Datum 26 september 2023 Nummer 3196 Pagina 3/5
van geen bedenkingen (VVGB) af te geven. Behoort een aanvraag wel tot de lijst met aangewezen gevallen, dan heeft de raad daarmee de VVGB automatisch afgegeven.
Onder de Omgevingswet wordt de VVGB vervangen door het Adviesrecht. De raad moet in het Besluit Adviesrecht op voorhand aangegeven welke categorieën van gevallen hij wel wil zien. Dit besluit hangt nauw samen met de sturingsfilosofie. Met de sturingsfilosofie legt de raad vast welke basisnormen en waarden de gemeente hanteert om zijn missie, visie en strategie waar te maken. Op basis van de sturingsfilosofie wordt invulling gegeven aan het besturingsmodel van de organisatie. Het gaat daarbij om vragen als het beleggen van bevoegdheden en verantwoordelijkheden in de organisatie en de mate waarin inwoners vrij worden gelaten om initiatieven te ontplooien. De sturingsfilosofie wordt vastgelegd in de omgevingsvisie. Met de sturingsfilosofie bepaalt de raad welk soort gemeente hij voor de inwoners wil zijn. Dit betekent ook dat de raad dan bepaalt in hoeverre inwoners zelf verantwoordelijkheid mogen nemen, danwel in hoeverre de gemeente stuurt bij ontwikkelingen. De omgevingsvisie is nog in ontwikkeling. Vooruitlopend op de vaststelling van de omgevingsvisie is daarom de huidige bevoegdheidsverdeling, zoals vastgelegd in de lijst Verklaring van geen bedenkingen, vertaald naar het Adviesrecht. Dit betekent dat uw raad dezelfde categorieën van gevallen voorgelegd krijgt voor advies als voor een VVGB.
Na vaststelling van de omgevingsvisie kan het adviesrecht op maat worden gemaakt door een nieuw besluit te nemen. 2.2 Het aantal gevallen waarvoor het adviesrecht wordt toegepast is beperkt gehouden De Omgevingswet gaat uit van snellere besluitvorming. De beslistermijn op een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is standaard 8 weken. Voor gevallen waarop adviesrecht van toepassing is, wordt deze termijn niet gehaald. Dit rechtvaardigt terughoudend gebruik van het adviesrecht. Het besluit bevat een artikelsgewijze toelichting. 2.3 De bevoegdheden uit de kruimelregeling blijven in stand In de huidige situatie mag het college via de landelijke kruimelregeling (Bijlage II, artikel 4 Besluit omgevingsrecht) in bepaalde gevallen zelfstandig besluiten om, in afwijking van het bestemmingsplan, een omgevingsvergunning te verlenen. Dit is dus een wettelijke bevoegdheid. De wettelijke termijn voor een dergelijke vergunning is 8 weken. De kruimelregeling komt onder de Omgevingswet te vervallen, omdat onder de Omgevingswet in principe voor iedere omgevingsvergunningaanvraag een termijn van 8 weken geldt. De kruimelregeling is opgenomen in het besluit als categorie van gevallen waarop het adviesrecht niet van toepassing is. De bestaande werkwijze wordt daarmee gehandhaafd. 2.4
Voor de gevallen die niet onder het adviesrecht vallen kan de raad op andere manieren
sturen Sturing vindt plaats door het vaststellen van beleid waaraan het college een omgevingsvergunning dient te toetsen. De omgevingsvisie is daarvoor het belangrijkste instrument, maar ook een
Datum 26 september 2023 Nummer 3196 Pagina 4/5
ruimtelijk kader bij nieuwe ontwikkelingen dient als toetsingskader. Een ruimtelijk kader is een planfiguur waarin de voorwaarden en/of uitgangspunten op hoofdlijnen beschreven staan om de desbetreffende ontwikkeling planologisch juridisch mogelijk te maken waarna de planologische procedure kan worden opgestart. Een ruimtelijk kader wordt door de raad vastgesteld. 3.1 Participatieplicht geldt als stok achter de deur bij grotere ontwikkelingen Met de participatieplicht wordt voorkomen dat een initiatiefnemer in de ‘aangewezen gevallen’ een vergunningaanvraag doet zonder enige vorm van participatie te organiseren. Participatie is maatwerk en hangt grotendeels af van de omvang en impact van het initiatief. De participatieplicht kan echter niet garanderen dat daadwerkelijk een goed participatieproces wordt doorlopen. De gemeente mag namelijk geen eisen opleggen aan de (verplichte) participatie. 3.2 Participatie verplicht stellen voor alle buitenplanse omgevingsplanactiviteiten mag niet De wet biedt alleen de mogelijkheid om voor ‘aangewezen gevallen’ participatie verplicht te stellen. Het is de bedoeling van de wetgever om de verantwoordelijkheid bij de aanvrager te leggen (loslaten) en niet bij de overheid. Een algemeen besluit om voor elke buitenplanse omgevingsplanactiviteit participatie te verplichten, mag dus niet.
3.3 De participatieverplichting wordt gelijkgetrokken aan het adviesrecht Zoals aangegeven onder 2.1 moet de raad in de omgevingsvisie zijn sturingsfilosofie vastleggen. De participatieverplichting is vervolgens een uitwerking van de gekozen sturingsfilosofie. Omdat de raad nog niet vastgesteld heeft welke sturingsfilosofie gehanteerd gaat worden, kan de participatieverplichting nog niet op maat worden gemaakt. Daarom wordt deze gelijkgetrokken met het adviesrecht. Dit betekent dat elke aanvraag voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit die voor adviesrecht naar de raad gaat, verplicht aan participatie gedaan moet hebben. Voor alle andere gevallen is participatie een aanvraagvereiste en daarmee de verantwoordelijkheid van de aanvrager.
4. De financiële gevolgen van het besluit Het besluit heeft geen financiële gevolgen.
5. Hoe zijn inwoners / belanghebbenden betrokken Dit besluit heeft betrekking op de wijze waarop de bevoegdheidsverdeling tussen de gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders is geregeld onder de Omgevingswet. In voorbereiding op deze besluiten zijn diverse werksessies gehouden met leden van de raadsfracties. Over de voorgestelde besluiten heeft geen participatie plaatsgevonden. De wijze waarop de bevoegdheidsverdeling onder de Omgevingswet is vastgelegd sluit zoveel mogelijk aan bij de bevoegdheidsverdeling onder de Wet ruimtelijke ordening.
Datum 26 september 2023 Nummer 3196 Pagina 5/5
In het kader van de omgevingsvisie wordt participatie georganiseerd. De sturingsfilosofie van de gemeente is daar een onderdeel van. Na vaststelling van de omgevingsvisie kunnen, indien nodig, de voorliggende besluiten door de raad worden herzien om uitvoering te geven aan de sturingsfilosofie.
burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg,
R.J. den Haan secretaris
M.W. Vroom burgemeester
Documenten behorende bij dit raadvoorstel • 3196 Delegatiebesluit Omgevingswet gemeente Leidschendam-Voorburg • 3196 Besluit Adviesrecht gemeenteraad en participatie bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten gemeente Leidschendam-Voorburg