3196 Adviesrecht gemeenteraad en participatie bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten gemeente Leidschendam-Voorburg
Tekst van het document
Besluit Adviesrecht gemeenteraad en participatie bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten gemeente Leidschendam-Voorburg De raad van de gemeente Leidschendam-Voorburg, Gelezen het voorstel van het college d.d. 26 september 2023 (3196) Gelet op de artikelen 16.15 en 16.15a van de Omgevingswet Besluit Vast te stellen het Besluit Adviesrecht gemeenteraad en participatie bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten
Artikel 1 Aanwijzing van gevallen waarvoor een bindend advies is vereist De volgende gevallen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit worden aangewezen als gevallen waarbij de gemeenteraad een bindend advies - gebaseerd op artikel 16.15a, onder b, van de Omgevingswet - geeft aan het college van burgemeester en wethouders: a. Het bouwen van woningen en/of het wijzigen van een bestaande functie naar wonen, al dan niet in combinatie met bedrijvigheid, van tien (10) of meer woningen binnen de bebouwde kom van Leidschendam en Voorburg en van vijf [5] of meer woningen buiten de bebouwde kom en de kern van Stompwijk. (+ én waarbij een ontheffing op basis van de nota parkeernormen aan de orde is). b. Indien - naar oordeel van het college - sprake is van grote maatschappelijke impact, er grote maatschappelijke onrust is, en/of anderszins politiek gevoelige initiatieven. De hierboven genoemde gevallen zijn niet van toepassing als een aanvraag in overeenstemming is met een door de gemeenteraad vastgesteld specifiek en op het plan gericht ruimtelijk kader (een ruimtelijk kader is een planfiguur waarin de voorwaarden en/of uitgangspunten op hoofdlijnen beschreven staan om de desbetreffende ontwikkeling planologisch juridisch mogelijk te maken waarna de planologische procedure kan worden opgestart). Een termijn van vijf [5] jaar na vaststelling wordt gehanteerd.
Artikel 2 Aanwijzing van gevallen verplichte participatie bij aanvraag omgevingsvergunning De volgende gevallen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit worden aangewezen als gevallen waarbij de gemeenteraad - gebaseerd op artikel 16.55, lid 7, van de Omgevingswet - verplichte participatie voorschrijft: a. Het bouwen van woningen en/of het wijzigen van een bestaande functie naar wonen, al dan niet in combinatie met bedrijvigheid, van tien (10) of meer woningen binnen de bebouwde kom van Leidschendam en Voorburg en van vijf [5] of meer woningen buiten de bebouwde kom en de kern van Stompwijk. (+ én waarbij een ontheffing op basis van de nota parkeernormen aan de orde is). b. Indien - naar oordeel van het college - sprake is van grote maatschappelijke impact, er grote maatschappelijke onrust is, en/of anderszins politiek gevoelige initiatieven. de hierboven genoemde gevallen zijn niet van toepassing: c. als een project in overeenstemming is met een door de gemeenteraad vastgesteld specifiek en op het plan gericht ruimtelijk kader (een ruimtelijk kader is een planfiguur waarin de voorwaarden en/of uitgangspunten op hoofdlijnen beschreven staan om de desbetreffende ontwikkeling
planologisch juridisch mogelijk te maken waarna de planologische procedure kan worden opgestart). Een termijn van vijf [5] jaar na vaststelling wordt gehanteerd; d. op een activiteit genoemd in ‘Bijlage II, artikel 4 Besluit omgevingsrecht’ (Bor) zoals dat luidde op de dag voor de dag van inwerkingtreding van de Omgevingswet (Kruimelregeling, zie Bijlage 1). Artikel 3 Overzicht genomen besluiten Het college overlegt aan de raad eenmaal per jaar een overzicht van de verleende buitenplanse omgevingsplanactiviteiten. Artikel 4 Vindplaats Het besluit dat is genomen op grond van dit besluit, vermeldt als grondslag onderhavig besluit en de vindplaats daarvan. Artikel 5 Inwerkingtreding Te bepalen dat dit besluit in werking treedt met ingang van de dag waarop de Omgevingswet inwerking treedt en gelijktijdig het “Besluit aanwijzing categorieën waar een verklaring van geen bedenkingen niet vereist is en het delegatiebesluit exploitatieplannen Leidschendam-Voorburg” wordt ingetrokken. Artikel 6 Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit Adviesrecht gemeenteraad en participatie bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten gemeente Leidschendam-Voorburg
Ondertekening Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Leidschendam-Voorburg van 7 november 2023 de griffier,
de voorzitter,
R. Jeene
M.W. Vroom
Artikelsgewijze toelichting Artikel 1 Aanwijzing van gevallen waarvoor een bindend advies is vereist Bij een vergunningsaanvraag voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is het college onder de Omgevingswet bevoegd gezag (net als bij de uitgebreide omgevingsvergunning onder de Wabo). Hiermee kunnen buiten de gemeenteraad om (grote) projecten vergund worden. Als een initiatief binnen de omgevingsvisie (of soortgelijk beleidsdocument) past, dan stuurt de gemeenteraad op hoofdlijnen. Als dit niet het geval is, of initiatieven liggen maatschappelijk gevoelig, dan kan het wenselijk zijn dat de gemeenteraad wel een rol heeft. De Omgevingswet voorziet daarin met de mogelijkheid tot een bindend advies. Onder de huidige wetgeving moet de gemeenteraad voor activiteiten in strijd met het bestemmingsplan een “verklaring van geen bedenkingen” (VVGB) afgeven. De raad heeft in 2021 een lijst van gevallen vastgesteld waarvoor geen VVGB nodig is. In alle andere gevallen van een uitgebreide omgevingsvergunningprocedure is de verklaring dan vereist. Planologische ‘kruimelgevallen’ behoren niet tot deze lijst, omdat hiervoor een reguliere omgevingsvergunningprocedure wordt doorlopen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet vervalt de ‘verklaring van geen bedenkingen’. Daarvoor in de plaats komt een bindend adviesrecht voor de gemeenteraad.
Met het adviesrecht is het in vergelijking met de ‘oude’ situatie precies andersom: de gemeenteraad legt in een lijst van categorieën vast bij welke buitenplanse omgevingsplanactiviteiten hij wel gebruik wilt maken van het bindend adviesrecht. Alle andere gevallen kunnen door het college worden afgedaan. In voorbereidende sessies met een vertegenwoordiging van de raad is niet gebleken dat behoefte bestaat aan een aanpassing van de huidige categorieën. Doordat in Leidschendam-Voorburg gewerkt wordt met ruimtelijke kaders heeft de raad bij veel projecten vooraf de spelregels vastgelegd voor een project. Indien een ruimtelijk kader is vastgesteld, dan wordt het adviesrecht voor dat project niet toegepast. Wel is een bepaling opgenomen die het voor het college mogelijk maakt om projecten waar sprake is van grote maatschappelijke impact, grote maatschappelijke onrust en/of anderszins politiek gevoelige initiatieven voor advies voor te leggen aan de raad. Dit kan bijvoorbeeld ook wanneer vanuit de raad het signaal komt dat sprake is van een dergelijk project. Daarvoor is het noodzakelijk dat de raad vroegtijdig geïnformeerd wordt over nieuwe aanvragen, bijvoorbeeld in de vorm van een collegemail. De raad heeft nog geen sturingsfilosofie vastgelegd. Dit wordt gedaan met de vaststelling van de omgevingsvisie.
In de voorbereidende sessies met de woordvoerders van de raadsfracties is niet gebleken dat hier vooruitlopend op de omgevingsvisie een afwijking gewenst is. Na vaststelling van de omgevingsvisie kan het adviesrecht indien nodig geactualiseerd worden op basis van de gekozen sturingsfilosofie. Artikel 2 Aanwijzing van gevallen verplichte participatie bij aanvraag omgevingsvergunning Participatie is onder de Omgevingswet een aanvraagvereiste. Dat betekent dat iedere initiatiefnemer bij het indienen van een vergunningaanvraag moet aangeven óf hij inwoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties of bestuursorganen heeft betrokken bij een initiatief. Initiatiefnemers zijn zelf verantwoordelijk voor het betrekken van de omgeving. Zij motiveren hoe zij dit doen en geven daarbij invulling aan het participatiebeleid. Bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten, die niet passen in het omgevingsplan, kan de gemeenteraad verder gaan en categorieën aanwijzen waarbij participatie verplicht is. De Omgevingswet biedt de raad
daarom de ruimte om te bepalen of participatie bij deze afwijkingen verplicht is. Net als bij het adviesrecht kan de gemeenteraad categorieën van buitenplanse omgevingsplanactiviteiten aanwijzen waarbij participatie verplicht is. Het vrijwillige karakter van participatie vervalt dan. Bij de aangewezen activiteiten is de initiatiefnemer verplicht om een participatieproces vorm te geven en aan te geven wat met de resultaten is gedaan. Ook dan blijft participatie overigens vormvrij: de initiatiefnemer mag zelf weten hoe hij het participatieproces aanpakt. De gemeente heeft een participatieleidraad vastgesteld die een initiatiefnemer daar bij helpt. De raad heeft nog geen sturingsfilosofie vastgelegd. Dit wordt gedaan met de vaststelling van de omgevingsvisie. Daarop vooruitlopend worden de buitenplanse omgevingsplanactiviteiten waarbij de gemeenteraad participatie verplicht stelt gelijkgetrokken aan de gevallen waarvoor een bindend adviesrecht is vereist, zoals aangegeven in artikel 1. Zo is participatie verplicht voor elke buitenplanse omgevingsplanactiviteit die voor advies aan de raad wordt voorgelegd. In de voorbereidende sessies met de woordvoerders van de raadsfracties is niet gebleken dat hier vooruitlopend op de omgevingsvisie een afwijking gewenst is. De participatieverplichting kan na vaststelling van de omgevingsvisie en indien nodig geactualiseerd worden.
Artikel 3 Voorleggen genomen besluiten Het college stelt de raad eenmaal per jaar op de hoogte van de vergunde buitenplanse omgevingsplanactiviteiten. Dit betreft zowel de gevallen waarop het binden adviesrecht van toepassing is als de gevallen zonder adviesrecht. Op deze manier kan goed gemonitord worden hoe het gaat. Artikel 4 Vindplaats adviesrecht en participatieverplichting Na vaststelling van het Besluit Adviesrecht en participatie bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten wordt deze bekendgemaakt in het Gemeenteblad (officielebekendmakingen.nl). Het besluit komt beschikbaar in de databank lokale wet- en regelgeving (overheid.nl) en op de gemeentelijke website. Artikel 5 Inwerkingtreding Dit artikel spreekt voor zich. De Omgevingswet treedt in principe op 1 januari 2024 in werking. Artikel 6 Citeertitel Dit artikel spreekt voor zich.
Bijlage 1
Hoofdstuk IV. Categorieën gevallen waarin voor planologische gebruiksactiviteiten een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet kan worden verleend Artikel 4 Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking: 1. een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, wordt voldaan aan de volgende eisen: a. niet hoger dan 5 m, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf, b. de oppervlakte niet meer dan 150 m2; 2. een gebouw ten behoeve van een infrastructurele of openbare voorziening als bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, onder a, dat niet voldoet aan de in dat subonderdeel genoemd eisen, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: a. niet hoger dan 5 m, en b. de oppervlakte niet meer dan 50 m²; 3. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: a. niet hoger dan 10 m, en b. de oppervlakte niet meer dan 50 m²; 4.
een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte aan of op een gebouw, een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw, de uitbreiding van een bouwwerk met een bouwdeel van ondergeschikte aard dan wel voorzieningen gericht op het isoleren van een gebouw; 5. een antenne-installatie, mits niet hoger dan 40 m; 6. een installatie bij een glastuinbouwbedrijf voor warmtekrachtkoppeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder w, van de Elektriciteitswet 1998; 7. een installatie bij een agrarisch bedrijf waarmee duurzame energie wordt geproduceerd door het bewerken van uitwerpselen van dieren tot krachtens artikel 5, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet aangewezen eindproducten van een krachtens dat artikellid omschreven bewerkingsprocedé dat ziet op het vergisten van ten minste 50 gewichtsprocenten uitwerpselen van dieren met in de omschrijving van dat procedé genoemde nevenbestanddelen; 8. het gebruiken van gronden voor een niet-ingrijpende herinrichting van openbaar gebied; 9.
het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers of de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen; 10. het gebruiken van een recreatiewoning voor bewoning, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: a. de recreatiewoning voldoet aan de bij of krachtens de Woningwet aan een bestaande woning gestelde eisen; b. de bewoning niet in strijd is met de bij of krachtens de Wet milieubeheer, de Wet geluidhinder, de Wet ammoniak en veehouderij en de Wet geurhinder en veehouderij gestelde regels of de Reconstructiewet concentratiegebieden,
c.
de bewoner op 31 oktober 2003 de recreatiewoning als woning in gebruik had en deze
sedertdien onafgebroken bewoont, en d. de bewoner op 31 oktober 2003 meerderjarig was; 11. ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10, voor een termijn van ten hoogste tien jaar.