2984-32 Bijlage 29 toelichting, Beleidsregel hogere waarden Wet geluidhinder gemeente Leidschendam- Voorburg
Tekst van het document
Bijlage: 29
Beleidsregel hogere waarden Wet geluidhinder gemeente LeidschendamVoorburg
1. Inleiding In Leidschendam-Voorburg speelt geluidhinder bij het realiseren van nieuwe ruimtelijke plannen vrijwel altijd een rol. Een belangrijke reden hiervan is, dat veel nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de gemeente plaatsvinden in bestaand stedelijk gebied en dus op reeds geluidbelaste locaties. Veelal gaat het om plannen voor nieuwbouw van geluidgevoelige bestemmingen zoals woningen, scholen e.d. Bij toetsing van de geluidhinderaspecten bij dit soort van plannen is de Wet geluidhinder van toepassing. De Wet geluidhinder kent namelijk voor nieuw geprojecteerde geluidgevoelige bestemmingen een stelsel van voorkeursgrenswaarden en maximale grenswaarden. Nieuwe geluidgevoelige bestemmingen dienen bij voorkeur te worden gebouwd met in achtneming van de wettelijke voorkeursgrenswaarden voor wegverkeerslawaai, industrielawaai en spoorweglawaai. Alleen voor situaties waarbij goed onderbouwd is vastgesteld dat dit laatste niet mogelijk is, biedt de Wet geluidhinder de mogelijkheid tot het verlenen van ontheffing van deze voorkeursgrenswaarden (artikel 110a Wet geluidhinder). Hierbij dienen dan wel de wettelijke maximale ontheffingswaarden uit de wet in acht te worden genomen. Op 1 januari 2007 is de Wet geluidhinder ingrijpend gewijzigd.
Eén van de belangrijkste wijzigingen betreft de decentralisatie van de bevoegdheid tot het vaststellen van hogere grenswaarden van de provincie naar de gemeente (burgemeester en wethouders). Een andere belangrijke wijziging betreft het feit, dat een groot aantal ontheffingsgronden die in de oude wet waren opgenomen in de nieuwe Wet geluidhinder zijn verdwenen. De gemeenten hebben ingevolge de nieuwe Wet geluidhinder een belangrijke eigen beleidsruimte, maar ook een uitdrukkelijk in de wet aangegeven motiveringsplicht bij het verlenen van hogere waarden(artikel 110, lid 5 Wet geluidhinder). Door middel van deze notitie geven wij invulling aan deze in de Wet geluidhinder aangegeven beleidsruimte voor het verlenen van hogere waarden, zodat in voorkomende gevallen op een goede wijze aan de wettelijke vereiste motiveringsplicht kan worden voldaan. Bij het nieuwe hogere waardenbeleid gaat het om de afweging in welke gevallen en onder welke voorwaarden de vaststelling van hogere waarden in de gemeente acceptabel en gewenst is. Deze notitie vervangt het op 14 september 2007 door ons vastgestelde interimbeleid hogere grenswaarden Wet geluidhinder.
Belangrijk om hier te vermelden is, dat met de inwerkingtreding van de nieuwe Wet geluidhinder op 1 januari 2007 voor wegverkeerslawaai en spoorweglawaai is overgestapt op de ingevolge de EUrichtlijn omgevingslawaai verplichte wettelijke dosismaat Lden (Level day, evening, night). Lden wordt in de nieuwe Wet geluidhinder aangeduid met dB. De oude dosismaat Letm, aangeduid met dB(A) wordt in de nieuwe wet alleen nog gehanteerd bij industrielawaai. Overigens zijn beide dosismaten “Agewogen”, dat wil zeggen dat zij overeenkomen met de gevoeligheid voor het menselijk oor.
Beleidsregel hogere waarden Wet geluidhinder Leidschendam-Voorburg (2010/3089)
1
2. Doel en reikwijdte van het hogere waardenbeleid Het vaststellen van hogere waardenbeleid is om een tweetal redenen van belang. a. Bij nieuwe ruimtelijke planvorming binnen de invloedsfeer van geluidsbronnen (wegen, spoorwegen, industrie) is een wettelijke toets noodzakelijk aan de normen uit de Wet geluidhinder. Hogere waardenbeleid kan dan ook bijdragen aan het bereiken van een goede geluidskwaliteit (en daarmee leefomgevingkwaliteit) bij nieuwe ruimtelijke planvorming. b. Het opstellen van gemeentelijk hogere waardenbeleid is belangrijk om het ontstaan van nieuwe geluidknelpunten te voorkomen. Zoals veel gemeenten is de gemeente Leidschendam-Voorburg ook verplicht tot het opstellen van een Actieplan geluid. Een Actieplan geluid heeft als belangrijkste doel om bestaande geluidknelpunten in de gemeente op te lossen. Een hogere waardenbeleid kan er toe bijdragen te voorkomen dat op termijn weer nieuwe geluidknelpunten ontstaan. Om de onder a en b genoemde doelstellingen te bereiken, is het belangrijk dat in een zo vroeg mogelijk stadium van de planvorming en bij de verdere uitwerking van ruimtelijke plannen rekening wordt gehouden met het geluidsaspect. Het hogere waardenbeleid heeft betrekking op de nieuwbouw van geluidgevoelige gebouwen zoals woningen, scholen, ziekenhuizen, verpleegtehuizen e.d.
Het hogere waardenbeleid heeft alleen betrekking op wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai en heeft geen betrekking op geluidhinder van bijvoorbeeld evenementen, burenlawaai of luchtvaartlawaai e.d. Het hogere waardenbeleid heeft ook geen betrekking op de vaststelling van hogere waarden vanwege wijziging van een zone van een hoofdspoorweg, een provinciale weg of rijksweg of een gezoneerd industrieterrein. Bij wijziging van de zone van één van laatstgenoemde bronnen zijn Gedeputeerde Staten verantwoordelijk voor de vaststelling van hogere waarden.
3. Wettelijk kader De Wet geluidhinder verbindt een aantal voorwaarden aan de bevoegdheid om hogere waarden vast te stellen. •
Het vaststellen van hogere waarden is altijd gekoppeld aan een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij geluidgevoelige bestemmingen (woningen, scholen e.d.) zijn voorzien. De vaststelling van hogere waarden is dan ook vaak gekoppeld aan de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan, het nemen van een projectbesluit en een reconstructie of aanleg van een weg of spoorweg anders dan in het kader van de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan.
•
Hogere waarden kunnen worden verleend op verzoek (bijvoorbeeld van een wegaanlegger, projectontwikkelaar) of ambtshalve worden verleend.
•
Bij de verlening van hogere waarden dienen de in de Wet geluidhinder opgenomen maximale grenswaarden in acht te worden genomen.
Beleidsregel hogere waarden Wet geluidhinder Leidschendam-Voorburg (2010/3089)
2
Deze maximale grenswaarden zijn:
Wegverkeerslawaai in binnenstedelijke gebied Wegverkeerslawaai in buitenstedelijk gebied Industrielawaai Spoorweglawaai •
Maximaal 63 dB Maximaal 53 dB Maximaal 55 dB(A) Maximaal 68 dB
Voordat een hogere waarde kan worden vastgesteld, dient akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidbelasting op de nieuw geprojecteerde geluidsgevoelige bestemmingen. Onderdeel van dit akoestisch onderzoek dient te zijn onderzoek naar de mogelijkheden tot het treffen van geluidbeperkende maatregelen om de voldoen of zoveel mogelijk te voldoen aan de wettelijke voorkeursgrenswaarden. Tot het vaststellen van een hogere waarde kan namelijk alleen worden besloten, als vaststaat dat de toepassing van geluidsbeperkende maatregelen om alsnog aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen onvoldoende doeltreffend zullen zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard (artikel 110a, vijfde lid, Wet geluidhinder).
•
Een hogere waarde kan alleen worden vastgesteld als wordt gegarandeerd, dat zal worden voldaan aan de wettelijk vereiste binnenwaarden in geluidgevoelige bestemmingen. Deze wettelijke binnenwaarden zijn opgenomen in de Wet geluidhinder en het Bouwbesluit en gelden voor geluidsgevoelige ruimten (woonkamer, slaapkamer, keuken groter dan 11 m2) in een woning of verblijfsruimten in andere geluidsgevoelige gebouwen. De wettelijk vereiste binnenwaarde bij woningen ten gevolge van wegverkeerslawaai bedraagt 33 dB. Bij industrielawaai bedraagt de wettelijke vereiste binnenwaarde 35 dB(A) en bij spoorweglawaai is dit 35 dB. Voor andere geluidgevoelige bestemmingen kent de Wet geluid-
•
hinder andere afwijkende maximale binnenwaarden (zie overzicht bijlage 1). Voordat een hogere waarde kan worden vastgesteld, moet worden onderzocht in hoeverre het mogelijk is via geluidbeperkende maatregelen te voldoen aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde (artikel 110a, 5e lid Wet geluidhinder). Er zijn verschillende soorten geluidbeperkende maatregelen. Deze kunnen worden ingedeeld in bronmaatregelen, overdrachtsmaatregelen en maatregelen bij de ontvanger. In de Wet geluidhinder is niet aangegeven in welke situaties bepaalde maatregelen dienen te worden onderzocht. Om deze reden is de hierbij toe te passen werkwijze verwerkt in deze notitie.
•
De Wet geluidhinder bepaalt dat de vaststelling van hogere waarden alleen is toegestaan, indien is vastgesteld dat de toepassing van geluidbeperkende maatregelen tot de voorkeursgrenswaarde leidt tot overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard. In de Wet geluidhinder is overigens niet uitgewerkt wat
•
precies wordt verstaan onder deze bezwaren. Bij het vaststellen van een hogere waarde moet rekening worden gehouden met eventuele cumulatie van de geluidsbelasting door de aanwezigheid van andere relevante geluidbronnen in een bepaalde situatie. Dit kan het geval zijn, indien een geluidsgevoelige bestemming is
Beleidsregel hogere waarden Wet geluidhinder Leidschendam-Voorburg (2010/3089)
3
gesitueerd binnen meerdere geluidzones (van wegverkeerslawaai, industrielawaai of spoorweglawaai). De Wet geluidhinder bepaalt, dat in situaties waarin er sprake is van cumulatie van geluid burgemeester en wethouders dienen te beoordelen of deze cumulatie niet leidt tot een uit geluidoogpunt onaanvaardbare situatie. Wat hiermee wordt bedoeld is in de wet niet aangegeven. Dit laatste aspect is in deze Beleidsregel uitgewerkt. •
Tenslotte zijn er procedurele eisen in de Wet geluidhinder opgenomen, die moeten worden gevolgd bij het vaststellen van een hogere waarde. Op de vaststelling van hogere waarden is de uniforme voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene Wet Bestuursrecht van toepassing. Op grond van artikel 7:1 van de Algemene Wet Bestuursrecht is het mogelijk om direct beroep (Raad van State, afdeling Bestuursrechtspraak) in te stellen tegen een hogere waardenbesluit van burgemeester en wethouders. Indien het hogere waardenbesluit wordt genomen door burgemeester en wethouders en gepaard gaat met de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan, start de termijn voor het indienen van een beroepschrift tegen dat besluit met ingang van de dag, waarop ook beroep kan worden ingesteld tegen het betreffende WRO-besluit.
•
De gemeente dient een (onherroepelijk geworden) hogere waardenbesluit zo spoedig mogelijk te laten inschrijven in de openbare registers van het Kadaster.
4. Status en inspraak hogere waardenbeleid Het hogere waardenbeleid is opgesteld in de vorm van een beleidsregel zoals bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht. Het ontwerp van deze Beleidsregel dient ingevolge de Algemene Wet Bestuursrecht dan ook openbaar bekend te worden gemaakt en gedurende 4 weken ter inzage te worden gelegd. Binnen de termijn van ter inzagelegging kan een ieder schriftelijk dan wel mondeling zienswijzen indienen met betrekking tot de inhoud van deze ontwerp-Beleisregel..
5. Gemeentelijk hogere waardenbeleid Onderstaand wordt aangegeven op welke wijze wij invulling geven aan de bevoegdheid ex.artikel 110a van de Wet geluidhinder tot het verlenen van hogere waarden. Alle hogere waardenverzoeken en ambtshalve te nemen hogere waardenbesluiten, zullen naast aan de eerder aangegeven wettelijke randvoorwaarden, worden getoetst aan dit beleid. Algemene uitgangspunten en werkwijze Een groot gedeelte van de gemeente bestaat uit stedelijk gebied waar de geluidbelasting veelal ligt boven de wettelijke voorkeurswaarden. Dit geldt met name voor wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Belangrijke oorzaken hiervan zijn de ligging van de gemeente ten opzichte van belangrijke geluidbronnen zoals rijkswegen (A4 en A12 en N14), spoorwegen (spoortraject Den Haag-Leiden, spoortraject Delft Den-Haag en Randstadrail), en de situering van een aantal hoofdontsluitingswegen binnen het stedelijk gebied, die samen zorgen voor een aanzienlijke geluidbelasting in grote delen van de gemeente. Dit betekent dat de gemeente veelal genoodzaakt is om nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen te situeren in reeds geluidbelaste gebieden. Wonen op locaties met een hoge geluidsbelasting hoeft echter niet te leiden tot een toename van geluidhinder.
Beleidsregel hogere waarden Wet geluidhinder Leidschendam-Voorburg (2010/3089)
4
Gezien het bovenstaande hanteren wij als werkwijze dat ruimtelijke plannen reeds in de ontwerpfase worden getoetst aan de beleidsregels uit het gemeentelijke hogere waardenbeleid.(zie hiervoor bijlage 3). Hoofddoelstelling van het geluidbeleid (voor wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai) De hoofddoelstelling voor het gemeentelijk geluidbeleid is het zoveel mogelijk beperken en verminderen van het aantal geluidgehinderden. Het gemeentelijke Actieplan geluid 2009-2013 heeft tot doel een aantal bestaande geluidknelpunten op te lossen. Met het hogere waardenbeleid willen wij voorkomen, dat nieuwe geluidhinderknelpunten in de gemeente ontstaan. Voorkeursgrenswaarden versus hogere waarden Het uitgangspunt is dat nieuwe geluidgevoelige bestemmingen voldoen aan de wettelijke voorkeursgrenswaarden. Het vaststellen van hogere waarden dient dan ook geen regel maar uitzondering te zijn. Hogere waarden worden alleen verleend indien is aangetoond, dat het niet mogelijk is te voldoen aan de wettelijke voorkeursgrenswaarden (voor wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai). Voorwaarden voor het vaststellen van hogere waarden Een besluit tot vaststelling van hogere waarden kan alleen worden genomen nadat is vastgesteld, dat de toepassing van maatregelen om te voldoen aan de voorkeursgrenswaarden van de Wet geluidhinder niet mogelijk is.
Dit is het geval indien maatregelen “onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard” (artikel 110a. lid 5). Indien dit laatste het geval is behoeven de betreffende maatregelen inhoudelijk niet te worden onderzocht in een akoestisch onderzoek. Hierbij dient onder andere te worden gekeken naar de locatiespecifieke omstandigheden. Zijn er bijvoorbeeld reële mogelijkheden (uit stedenbouwkundig, financieel, landschappelijk of verkeerskundig oogpunt) tot de plaatsing van een geluidscherm of is het mogelijk verkeersmaatregelen te treffen in verband met de verkeerssituatie rondom een planlocatie, die de geluidbelasting kunnen verminderen. Per situatie zal een en ander goed moeten worden gemotiveerd in het akoestisch onderzoek. Geluidbeperkende maatregelen Bij geluidbeperkende maatregelen gaat conform het rijksbeleid zoals dat is geformuleerd in het NMP-4 de voorkeur in volgorde uit naar eerst bronmaatregelen, vervolgens overdrachtsmaatregelen en tenslotte gevelmaatregelen. De afweging hierbij is dat beperking van het geluid aan de bron leidt tot de beste geluidskwaliteit in een bepaald gebied. Overdrachts- en gevelmaatregelen leiden alleen tot beperking van geluid bij of in te beschermen geluidsgevoelige bestemmingen.
In een akoestisch onderzoek dienen in situaties waarbij zonder maatregelen niet wordt voldaan aan de wettelijke voorkeursgrenswaarden, in ieder geval de navolgende specifieke maatregelen te worden onderzocht met als doel om alsnog te voldoen of zoveel mogelijk te voldoen aan de voorkeursgrenswaarden.
Beleidsregel hogere waarden Wet geluidhinder Leidschendam-Voorburg (2010/3089)
5
a. Bronmaatregelen Bij geluidonderzoek door verkeerslawaai dienen (afhankelijk van de situatie) in principe standaard de volgende bronmaatregelen te worden onderzocht: ° °
de aanleg van stil asfalt (tot 50 meter vanuit het hart van kruispunten). de aanleg van rotondes (in plaats van verkeerslichtinstallaties).
° °
het instellen eenrichtingsverkeer. de verlaging van de maximum snelheid.
Bij geluidsonderzoek in verband met spoorweglawaai dienen in principe de volgende maatregelen standaard te worden onderzocht: ° de plaatsing van raildempers. ° °
het slijpen van rails (op basis van een monitoringsprogramma). de wijziging van de maximum snelheid.
Bij geluidsonderzoek in verband met industrielawaai dient in principe volgens de Wet milieubeheer door bedrijven te worden voldaan aan de best bestaande technieken. Dit geldt dus ook voor het aspect brongeluid bij gebruik van machines, bij productieprocessen e.d. b. Overdrachtsmaatregelen Indien er geen of onvoldoende bronmaatregelen mogelijk zijn, dient de mogelijkheid te worden onderzocht van achtereenvolgens overdrachtsmaatregelen of maatregelen bij de ontvanger (gevelmaatregelen). Bij geluidsonderzoek naar overdrachtsmaatregelen dienen de navolgende maatregelen standaard in het onderzoek te worden betrokken. ° het aanhouden van een grotere afstand tot een geluidsbron. ° °
het plaatsen van geluidschermen. het aanleg van een grondwal.
c. Maatregelen bij de ontvanger Bij het onderzoek naar gevelmaatregelen dienen de navolgende maatregelen standaard in het onderzoek te worden betrokken. ° °
het ontwerpen van een geluidluwe gevel. het ontwerpen van een (gezamenlijke) geluidluwe buitenruimte (die bestemd is als verblijfsruimte). Bij het ontwerpen van meerdere buitenruimten per woning volstaat dat 1 van de buitenruimten aan de geluidluwe zijde is gesitueerd.
°
het realiseren van zoveel mogelijk geluidgevoelige ruimten (zoals woon, slaapkamers e.d.)aan de geluidluwe gevels van een gebouw. Een geluidluwe gevel is een gevel waarbij de geluidbelasting niet hoger mag zijn dan de voorkeurswaarde van elk van de relevante geluidsbronnen. Zie hiervoor onderstaand staatje.
Beleidsregel hogere waarden Wet geluidhinder Leidschendam-Voorburg (2010/3089)
6
Geluidsbron
Grenswaarde geluidluwe gevel
Wegverkeer
53 dB
Spoorwegverkeer
55 dB
Industrie
50 dB(A)
Voor geluidluwe buitenruimten dienen de navolgende grenswaarden te worden aangehouden. Geluidsbron
Grenswaarde ‘buitenruimte’
Wegverkeer
58 dB
Spoorwegverkeer
60 dB
Industrie
55 dB(A)
Geluidluwe gevel De praktijk leert dat het uitvoeren van bron- en overdrachtsmaatregelen in stedelijk gebied veelal niet mogelijk is. Bronmaatregelen zoals het verminderen van de verkeersintensiteit op een weg, zijn vaak niet uitvoerbaar uit mobiliteitsoogpunt. Bovendien leidt dit vaak tot verplaatsing van verkeer en geluidhinder naar andere wegen. Overdrachtsmaatregelen (zoals geluidschermen) zijn in stedelijk gebied vaak uit stedenbouwkundig oogpunt ongewenst. Als bron- en overdrachtmaatregelen niet mogelijk zijn, moet bij een nieuwe geluidgevoelige bestemming (bijv. een woning) mimimaal 1 geluidluwe gevel aanwezig zijn. Het is belangrijk dat de geluidssituatie bij een geluidluwe gevel niet wordt verstoord door de aanwezigheid van andere geluidsbronnen dan die waar het hogere waterbeleid op betrekking heeft. Zo kan parkeren op binnenterreinen waaraan geluidluwe gevels grenzen tot onbedoelde geluidproblemen leiden. Dergelijke situaties dienen bij de opzet van stedenbouwkundige plannen te worden vermeden. Er kunnen zeker in stedelijk gebied situaties voorkomen dat niet alle woningen van een bouwplan aan bovengenoemde eis van een geluidluwe gevel kunnen voldoen.
Als een bouwplan echter zodanig is vormgegeven dat voor het merendeel van nieuw te realiseren geluidgevoelige bestemmingen wordt voldaan aan de eis van een geluidluwe gevel, dan kan gemotiveerd worden afgeweken voor de overblijvende geluidsgevoelige bestemmingen in een plan. Voorwaarde is dan wel dat een bouwplan 1 gevel heeft, waar de geluidbelasting maximaal 58 dB bedraagt. Geluidluwe buitenruimten Onder een geluidluwe buitenruimte (terras, balkons, tuin) wordt verstaan een ruimte met een geluidniveau, dat maximaal 5 dB(A) hoger is dan het geluidniveau bij een geluidluwe gevel. Indien een woning waarvoor een hogere waarde dient te worden vastgesteld, beschikt over een buitenruimte is deze buitenruimte bij voorkeur gesitueerd aan de geluidluwe zijde van een woning. Als een woning beschikt over meerdere buitenruimten, is het voldoende als één van deze buitenruimten aan de geluidluwe zijde is gesitueerd. Indien buitenruimten niet aan de geluidluwe zijde kunnen worden gesitueerd, is het mogelijk buitenruimten aan de geluidbelaste zijde te situeren. Hieraan verbinden wij de voor de voorwaarde dat de maximale geluidbelasting ter plaatse van deze buitenruimte 58 dB bedraagt. Beleidsregel hogere waarden Wet geluidhinder Leidschendam-Voorburg (2010/3089)
7
Cumulatie Ingevolge artikel 110a, lid 6 van de Wet geluidhinder moet bij de vaststelling van hogere waarden rekening worden gehouden met cumulatie van geluid ten gevolge van andere relevante geluidsbronnen. Deze situatie kan zich voordoen wanneer een nieuwe geluidsgevoelige bestemming is gesitueerd binnen de geluidzone van meerdere wegen, spoorweg(en) industrieterreinen of een combinatie van deze geluidsbronnen. De Wet geluidhinder bepaalt dat een hogere waarde alleen wordt vastgesteld, voor zover de gecumuleerde geluidsbelasting in een bepaalde situatie niet leidt tot een naar het oordeel van burgemeester en wethouders onaanvaardbare geluidsbelasting. In de Wet geluidhinder is echter niet geregeld in welke situatie sprake is van een onaanvaardbare geluidbelasting. Wij hanteren daarom de volgende regel. De maximaal toegestane gecumuleerde waarde mag niet meer bedragen dan de benodigde hogere waarde per geluidbron vermeerderd met 2dB. Indeling van woningen Bij het vaststellen van hogere waarden dient altijd worden voldaan aan de wettelijk vereiste binnenwaarden voor geluidgevoelige bestemmingen. In de praktijk blijkt dat het voldoen aan deze wettelijke normen niet altijd volstaat om geluidhinder te voorkomen. Dit geldt met name in situaties “met geopende ramen”.
Om deze reden dienen geluidgevoelige ruimten zoals slaapkamers en woonkamers, bij voorkeur aan de geluidluwe zijde van een woning te worden gesitueerd. Dove gevels Bij situaties waarbij de maximaal toegestane wettelijke grenswaarde(n) worden overschreden, bestaat er een mogelijkheid dat de bouw van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen toch kan worden gerealiseerd Dit kan namelijk met toepassing van een zogenaamde “dove gevel”. Onder een dove gevel wordt volgens artikel 1b van de Wet geluidhinder verstaan:“Een bouwkundige constructie waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een in NEN 5077 bedoelde karakteristieke geluidwering, die ten minste gelijk is aan het verschil tussen de geluidsbelasting van die constructie en 33 dB onderscheidenlijk 35 dB(A)” of “Een bouwkundige constructie waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits die delen niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte. De geluidnormen uit Wet geluidhinder zijn niet van toepassing op dove gevels. De toepassing van dove gevels dient in principe zoveel mogelijk te worden beperkt en bij voorkeur alleen te worden toegepast in stedelijke situaties met hoogbouw. Indien het principe van een dove gevel wordt toegepast, dient dit tot maximaal 1 gevel (per woning) beperkt te blijven.
Bij laagbouw en vrijstaande woningbouw is de toepassing van dove gevels technisch gezien niet goed mogelijk, omdat veelal meerdere gevels geluidbelast zijn en dus meerdere gevels als “dove gevel” zouden moeten worden uitgevoerd. Bijzondere situaties 30 km-wegen en woonerven Wegen met een maximumsnelheid van 30-km per uur hebben volgens de Wet geluidhinder geen geluidzone. Bij een onderzoek in het kader voor een hogere waarde voor de Wet geluidhinder worden deze wegen om deze reden dan ook buiten beschouwing gelaten. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient de geluidbelasting van 30 -km wegen bij de beoordeling van de ruimtelijke
Beleidsregel hogere waarden Wet geluidhinder Leidschendam-Voorburg (2010/3089)
8
planvorming te worden betrokken. Dit laatste blijkt uit jurisprudentie van de Raad van State. (“het bevoegd gezag dient bij het nemen van een besluit voor het verlenen van goedkeuring aan of het vaststellen van een plan, zich uit te spreken over de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting op de geluidsgevoelige bestemmingen vanwege 30 km-wegen”). Om deze reden zijn de regels uit dit hogere waardenbeleid ook van toepassing op 30 km wegen. Woonboten De Wet geluidhinder is niet van toepassing op woonboten. Op basis van een goede ruimtelijke ordening dienen echter bij de beoordeling van het ruimtelijke plan ook de geluidsbelastingen bij woonboten of woonbootligplaatsen te worden betrokken. Het hogere waardenbeleid is derhalve ook van toepassing op woonboten, voor zover het gaat om permanente en legale ligplaatsen.
Beleidsregel hogere waarden Wet geluidhinder Leidschendam-Voorburg (2010/3089)
9
Bijlage 1 Overzicht voorkeurswaarden en maximale grenswaarden bij wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai. Wegverkeerslawaai A. Woningen langs wegen Situatie
Voorkeursgrenswaarde
Nieuwe woning langs een bestaande
48 dB
weg Nieuwe agrarische woning langs een
Maximale grenswaarde -Stedelijk 63 dB -Buitenstedelijk 53 dB
48 dB
-Buitenstedelijk 58 dB
48 dB
-Stedelijk 68 dB -Buiten bebouwde kom 58 dB
bestaande weg Vervangende nieuwbouw langs een bestaande weg
-Langs autosnelweg binnen bebouwde kom 63 dB Aanwezige of in aanbouw zijnde woning langs een nieuwe weg
48 dB
-Stedelijk 63 dB -Buitenstedelijk 58 dB
B. Reconstructie van wegen en woningen Situatie
Voorkeursgrenswaarde
Maximale grenswaarde
Heersende geluidsbelasting ≤ 48 dB
48 dB
-Verhoging maximaal 5 dB
Eerder hogere waarde vastgesteld en
Laagste van de
-Stedelijk 63 dB
heersende waarde > 48 dB
heersende waarde of de eerder vastgestelde
-Buitenstedelijk58dB
Woningen
waarde Niet eerder hogere waarde vastgesteld
Heersende waarde
-Stedelijk 63 dB
en de bestaande geluidbelasting tussen 48 en 53 dB
voor reconstructie
-Buitenstedelijk 58dB
Spoorwegverkeer Aanleg en wijziging spoorweg en woningen Situatie
Voorkeursgrenswaarde
Maximale grenswaarde
Nieuwe woning langs een bestaande of
55 dB
68 dB
55 dB
71 dB of eerder vastgestelde
nieuw aan te leggen spoorweg Bestaande of in aanbouw zijnde woning langs een te wijzigen spoorweg
waarde
Bestaande of in aanbouw zijnde woning langs een te wijzigen spoorweg
Laagste van de heersende waarde of de
als eerder vastgestelde waarde > 55 dB en heersende waarde > 55 dB
eerder vastgestelde waarde
71 dB of eerder vastgestelde waarde
Beleidsregel hogere waarden Wet geluidhinder Leidschendam-Voorburg (2010/3089)
10
Industrielawaai A. Bestaande industrieterreinen en woningen Situatie
Voorkeursgrenswaarde
Maximale grenswaarde
Nieuwe woning
50 dB(A)
55 dB(A)
Vervangende nieuwbouw van
50 dB(A)
60 dB(A), indien nog niet eerder
woningen
een vastgestelde waarde, anders 65 dB(A)
B. Wijziging zones rond industrieterreinen en woningen Situatie
Voorkeursgrenswaarde
Maximale grenswaarde
Wijziging zone en eerder vastgestelde
Eerder vastgestelde
Verhoging maximaal 5 dB(A) tot
hogere waarde
waarde
55 dB(A) voor geprojecteerde woningen of 60 dB(A) voor aanwezige of in aanbouw zijnde woningen
Wijziging zone en niet eerder vastgestelde hogere waarde
50 dB(A)
55 dB(A) voor geprojecteerde woningen of 60 dB(A) voor aanwezige of in aanbouw zijnde woningen
C. Vaststelling zones industrieterreinen en woningen Situatie
Voorkeursgrenswaarde
Maximale grenswaarde
Geprojecteerde woning
50 dB(A)
55 dB(A)
Aanwezige of in aanbouw zijnde woning
50 dB(A)
60 dB(A)
Beleidsregel hogere waarden Wet geluidhinder Leidschendam-Voorburg (2010/3089)
11
Bijlage 2 Benodigde informatie bij een aanvraag hogere waarde
Het verzoek voor een hogere waarde moet de volgende informatie bevatten: 1. de verzochte hogere waarde(n); 2. de redenen die aan het verzoek ten grondslag liggen; 3. de resultaten van het akoestisch onderzoek. In dit onderzoek moeten de volgende onderwerpen behandeld zijn: a. de geluidsbelasting op de woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen, indien geen geluidreducerende maatregelen worden getroffen; b. de doeltreffendheid van maatregelen om te vooromen dat de geluidsbelasting in de toekomst c.
boven de voorkeurswaarde uitkomt; de doeltreffendheid van maatregelen om te voldoen aan de vast te stellen hogere waarde voor de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting;
4. ruimtelijke onderbouwing voor de situering van de woningen en/of wegen; 5. financiële onderbouwing voor het wel of niet treffen van geluidreducerende maatregelen; 6. een kaart van het bestemmingsplan met bijbehorende verklaring; 7. situatietekening van de onderzoekslocatie met inbegrip van de omgeving waarop alle geluidbronnen zijn weergegeven met een wettelijk vastgestelde zone ter plaatse van de onderzoekslocatie; 8. indien mogelijk een overzichtstekening van het bouwplan waarop de situering van de buitenruimte(n) is aangegeven; 9. een daartoe strekkende verklaring, indien sprake is van een woningbouwontwikkeling van nieuwe woningbouw binnen een bestaande stedelijke structuur (bij het opvullen van een open plaats, bij transformatie van bestaande bedrijfsmatige activiteiten, e.d.) waarvoor een uitzondering is gemaakt van de gebiedsgerichte bovengrenzen. Indien relevant of van toepassing: •
een overzicht van de gecumuleerde geluidsbelasting; zoals berekend overeenkomstig de rekenmethode zoals opgenomen in Bijlage I van het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006;
•
een beschrijving, schetstekening en uitvoeringsplan van de geluidafschermende voorzieningen tussen geluidbron en geluidsgevoelige bestemming, indien deze voorziening noodzakelijk is om
•
de in het verzoek aangevraagde waarden te kunnen waarborgen; een schetstekening van de wijze waarop invulling wordt gegeven aan een akoestisch gunstige
•
indeling van de verblijfsruimten; een verklaring cf. art. 111 Wet geluidhinder, dat maatregelen zullen worden getroffen om te voldoen aan het wettelijk binnenniveau (gevelmaatregelen). Het hoeft op het moment van het verzoek voor een hogere waarde nog niet gedetailleerd bekend te zijn welke maatregelen getroffen zullen worden. Dit maakt deel uit van de bouwvergunning.
Geluidsniveau binnen woningen
Beleidsregel hogere waarden Wet geluidhinder Leidschendam-Voorburg (2010/3089)
12
In de Wet geluidhinder (art. 110a) is bepaald dat bij het vaststellen van een hogere waarde rekening moet worden gehouden met het eventueel optreden van cumulatie van geluid. Ter bescherming van (toekomstige) bewoners mag de gecumuleerde geluidsbelasting niet onaanvaardbaar hoog worden. Bij een hogere waardenafweging dient derhalve de gecumuleerde geluidsbelasting in beeld gebracht te worden gebracht als sprake is van meerdere relevante geluidsbronnen. In bijlage 9 is de wettelijke beoordelingsmethodiek voor de cumuleerde geluidsbelasting opgenomen. Daar waar als gevolg van cumulatie een hogere geluidsbelasting optreedt moet bij het dimensioneren van gevelisolatie rekening worden gehouden met deze gecumuleerde geluidsbelasting. Op deze manier blijft de geluidskwaliteit van het binnenklimaat in woningen (bijvoorbeeld belangrijk voor een goede nachtrust) gewaarborgd. Op grond van het Bouwbesluit moet bij het ontwerp van woningen voldaan worden aan de wettelijke binnenniveaus. Indien een hogere waarde wordt vastgesteld geldt immers voor de geluidsgevoelige bestemming nog wel een limiet aan het wettelijk toelaatbare binnenniveau in de geluidsgevoelige ruimten. Op basis van een bouwakoestisch onderzoek dient aangetoond te worden dat het wettelijk toelaatbare binnenniveau niet wordt overschreden.
Beleidsregel hogere waarden Wet geluidhinder Leidschendam-Voorburg (2010/3089)
13
Bijlage 3 Procedurele aspecten hogere waardenbeleid Met het wijzigen van de Wet geluidhinder is de bevoegdheid tot het vaststellen van een hogere waardenbesluit grotendeels gedecentraliseerd naar de gemeenten. Dit heeft consequenties voor de te volgen procedure. In veel gevallen zal de gemeente namelijk naast toetser ook de aanvrager en handhaver zijn van het besluit. Het is van belang hiervoor een goede procedure op te stellen, om de objectiviteit en zorgvuldigheid van de besluiten te waarborgen. Tevens is het van belang om een vlotte afhandeling van de aanvraag te realiseren. Hiervoor is een goed inzicht in alle procedurestappen nodig: wat moet er per procedurestap gebeuren, wat is daarbij nodig en wie is voor welke stap verantwoordelijk. Vaststellingsprocedure Op het nemen van een hogere waarde besluit is afdeling 3.4 van de Awb van toepassing. Tevens is de procedure voor het vaststellen van een hogere waarde gekoppeld aan de procedure voor een bestemmingsplan. De ontwerpbesluiten dienen gelijktijdig ter inzage te worden gelegd. Een bestemmingsplan kan pas worden vastgesteld, nadat de besluitvorming omtrent de hogere waarde is afgerond. De vastgestelde hogere waarde moet in overeenstemming zijn met het bestemmingsplan en vice versa. Indien het definitieve bestemmingsplan afwijkt van het ontwerp, moet de vastgestelde hogere waarde in acht worden genomen.
Als de afwijking van invloed is op de hogere waarde, moet de gemeenteraad haar besluit omtrent het bestemmingsplan aanhouden totdat burgemeester en wethouders een nieuw hogere waardebesluit hebben genomen. In de navolgende tabel worden de wettelijke termijnen weergegeven vanaf het moment dat de ontwerpbeschikking ter inzage wordt gelegd.
Overzicht procedure en termijnen Procedurestap
Termijn
Wettelijke grondslag
Ontwerpbeschikking ter inzage
6 weken (2 weken i.g.v. projectbesluit WRO)
Artikel 3.11 en 3.12 Awb Artikel 110c, lid 2 Wgh
Besluit b en w
Indien geen zienswijzen zijn ingediend: binnen 4 weken
Art 3.18, lid 4
Afhandelingstermijn
vanaf einde inspraaktermijn. Indien wel zienswijzen: niet nader bepaald (maar wel binnen max. afhandelingstermijn).
Awb
Binnen 6 maanden na ontvangst verzoek (tenzij
Art 3.18 lid 1
aanvullende informatie is opgevraagd: -> opschorten termijn)
en lid 2 Awb
Binnen 6 weken na bekendmaking besluit
Art 146 Wgh
Beroep bij RvS
Hfdst 20 Wm Art 6.7 Awb
Beleidsregel hogere waarden Wet geluidhinder Leidschendam-Voorburg (2010/3089)
14
Verplichting tot kadastrale registratie In de Wet geluidhinder is verankerd dat de hogere waarden worden geregistreerd bij het Kadaster. Dit dient zo snel als mogelijk’ te gebeuren. Bij gedetailleerde plannen, waarbij straatnaam en huisnummers bekend zijn, is dit mogelijk. Bij de vaststelling van een globaal bestemmingsplan zijn de straatnamen en/of huisnummers vaak nog niet bekend en zullen de hogere waarden zijn vastgesteld op bepaalde locaties in het plangebied. In een dergelijk geval is inschrijving pas mogelijk als de bouwvergunning is verleend. In de praktijk kan er daarmee een groot tijdsverschil zitten tussen het vaststellen van hogere waarden en het registreren van hogere waarden.
Beleidsregel hogere waarden Wet geluidhinder Leidschendam-Voorburg (2010/3089)
15