2984-13 Bijlage 10 toelichting, Nota archeologie - herijking 2013
Tekst van het document
RAAP schrijft dat het vaststellen van de archeologische verwachting voor een gebied kan gebaseerd zijn op kwantitatieve vindplaatsgegevens (een zogenaamde inductieve benadering), maar er zijn ook verwachtingsmodellen die sterk leunen op een hypothetische benadering (een zogenaamde deductieve benadering). In het geval van een inductieve benadering worden de relaties tussen archeologische vindplaatsen en landschappelijke kenmerken berekend door middel van een statistische (GIS-)analyse. Een deductieve benadering is gebaseerd op kennis over de locatiekeuzen in het verleden op grond waarvan aan landschappelijke eenheden verwachtingswaarden worden toegekend. Het probleem van deze benadering is dat er sprake is van een subjectieve beoordeling die statistisch vaak niet goed onderbouwd kan worden. In het rapport wordt aangegeven dat er gebruik gemaakt is van een hybidemodel. Bij de extrapolatie van deze gegevens naar samenwerkende gemeenten is vooral afgegaan op expert judgement15. Bij welke dichtheid aan archeologische waarnemingen gesproken kan worden van hoge verwachting, en wanneer van middelhoge wordt uit de toelichting niet duidelijk16. Van verwachtingenkaart naar beleidskaart Zoals aangegeven in hoofdstuk 5, van de Herijkingsnota, wordt in het nieuwe archeologiebeleid uitgegaan van kansrijke onderzoekssituaties.
Kenniswinst is daarbij leidend; eisen worden gesteld waar en wanneer verwacht wordt dat archeologisch vooronderzoek zinvol is en resultaat kan opleveren. Dit heeft geleid tot de aangepaste vrijstellingsnormen voor de beleidskaart van de Pactgemeentes. Uitgangspunt bij het bepalen van vrijstellingsgrenzen voor de gemeenten is het vinden van een maatschappelijk aanvaardbare balans tussen de ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening en het zorgvuldig beheren van het archeologisch erfgoed. Het gaat dan met name om de verhouding tussen de economische en maatschappelijke kosten enerzijds en het duurzaam behoud van archeologische informatie in situ dan wel ex situ anderzijds. Om deze balans goed te kunnen bepalen, zijn de volgende criteria te onderscheiden:
12
W.A.M. Hessing. Advies met betrekking tot de vrijstellingsgrenzen voor archeologisch onderzoek in de gemeente Duiven, 2009. p.7. Vestigia rapport V644. 14 RAAP bijlage 4 p. 86 15 Idem. P. 88. 16 W.A.M. Hessing. Advies met betrekking tot de vrijstellingsgrenzen voor archeologisch onderzoek in de gemeente Duiven, 2009. p.13. Vestigia rapport V644..
23 conceptnota archeologie herijking 2013
Archeologisch inhoudelijke criteria 1. Verwachtingszones en trefkans 2. Percentage areaal dat wordt onderzocht 3. Verwacht resultaat van het onderzoek 4. Verlies / behoud van archeologische waarden Economisch-maatschappelijke criteria 5. Kosten en tijd: aan de kant van de initiatiefnemer 6. Kosten en tijd: aan de kant van het bevoegd gezag 7. Draagvlak: voorkomen van overbodige toetsingen Met de nieuwe vrijstellingsnormen is geprobeerd een goede balans te vinden tussen archeologische belangen enerzijds en economische en overige belangen anderzijds. De afwegingen die hierbij gemaakt zijn worden hieronder toegelicht. Minder categorieën archeologische waarden en verwachtings waarden Het grote aantal verwachtingswaarden van de oude beleidskaart is in het nieuwe beleid teruggebracht van negen naar vier. De reden hiervoor is in de eerste plaats pragmatisch; de beleidskaart wordt opgenomen in bijvoorbeeld bestemmingsplannen en wordt daarbij gebruikt als instrument voor de beoordeling van ruimtelijke plannen. Een overzichtelijke en duidelijke beleidskaart is doelmatig voor zowel de initiatiefnemer als het bevoegd gezag. Eenvoudiger begrenzingen Op de verwachting kaart (figuur 2) is te zien dat voor vrijwel het gehele grondgebied van de Pactgemeentes een archeologische verwachting of waarde geldt.
Het grote aantal verwachtingszones (zes verwachting zones, vijf soorten vindplaatsen en drie soorten gewaardeerde terreinen) zoals deze zijn gedefinieerd op de gedetailleerde verwachtingskaart zijn op de beleidskaart teruggebracht tot vier zones en terreinen met een archeologische waarde of verwachting. De reden hiervoor is pragmatisch. Een van de voornaamste functies van de beleidskaart is dat deze als vertrekpunt wordt gebruikt voor de advisering en beoordeling van ruimtelijke ordeningsprocessen. De beleidskaart moet daarom gevisualiseerd worden in bijvoorbeeld bestemmingsplannen, en daarbij voor initiatiefnemer van ontwikkelingen inzichtelijk maken waarmee rekening gehouden dient te worden. Grotere vrijstellingsgrenzen Het gegeven dat voor vrijwel het gehele grondgebied van de Pactgemeentes een archeologische verwachting of waarde geldt betekent in de praktijk dat initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen, terreineigenaren en -beheerders, maar ook de gemeenten zelf, te maken hebben met archeologische voorwaarden aan gebruik van de grond. Om te voorkomen dat bij elke ingreep archeologisch onderzoek nodig is, worden door de Pactgemeentes vrijstellingsgrenzen ingesteld, zowel in oppervlaktematen als in dieptes.
Uitzondering hierop is het rijksmonument Forum Hadriani, dat onder de bevoegdheid valt van de Minister (namens deze, de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed/RCE) en waarvoor een monumentenvergunning nodig is (zie hieronder, punt 1). De wet stelt hiervoor als ondergrens een oppervlakte van 100 m2 (Mw artikel 41a). Hierbij bestaat de mogelijkheid om afwijkende ondergrenzen te hanteren, mits deze inhoudelijk zijn onderbouwd. Een achtergrond van deze regeling is de gedachte dat bij kleine oppervlakten de verhouding tussen kosten en baten ongunstig is. In een aantal groot aantal gebieden is oppervlaktecriterium vergroot naar 100 m2 dan wel 2000 m2. De reden voor het hanteren van deze grotere vrijstelling is dat de opbrengst van archeologisch onderzoek op kleinere locaties niet in verhouding is met de kosten en de organisatorische 24 conceptnota archeologie herijking 2013
inspanningen van zowel initiatiefnemer als de toezichthoudende overheid. De archeologische vraagstellingen die voor deze kunnen slechts effectief beantwoord worden ingeval grotere oppervlakken vlakdekkend worden onderzocht. Archeologisch onderzoek op locaties kleiner dan 100 m2 levert hoogst zelden toegevoegde informatie over het verleden op terwijl de kosten voor de (vaak particuliere) initiatiefnemer verhoudingsgewijs hoog zijn. Bij de kosten moet dan niet alleen worden gedacht aan de door initiatiefnemers van werkzaamheden te maken kosten voor archeologisch (voor)onderzoek, maar ook aan de tijd van ambtenaren en de administratieve lasten. Aan de kant van de baten speelt de vraag of het onderzoek voldoende resultaten oplevert. Uitgangspunt voor de gemeenten is dat er een maatschappelijk aanvaardbare balans tussen de ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening en het zorgvuldig beheren van archeologisch erfgoed gevonden dient te worden.
25 conceptnota archeologie herijking 2013
Figuur 1. Archeologische beleidskaart herijking 2013
26 conceptnota archeologie herijking 2013
Figuur 2 Verwachtingskaart RAAP 2012
27 conceptnota archeologie herijking 2013