CConstaterende datLeidschendam-Voorburg
Koppel je AI →
Document · PDF

2984-05 Bijlage 02 toelichting, Nationale Omgevingsvisie

Raadsvergadering 17 januari 2023, gemeente Leidschendam-VoorburgBij agendapunt: Raadsvoorstel :Vaststellen herstelbesluit bestemmingsplan Stedelijk38.214 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Nationale Omgevingsvisie | 51

Goed wonen betekent ook dat je kwaliteit mag verwachten: van bouwers en verhuurders die hun werk goed en transparant doen. En dat de overheid optreedt tegen excessen. Het betekent ook dat wonen betaalbaar moet zijn: voor elke portemonnee een passende en gezonde woning, en een betaalbare overgang naar schone energie in je huis. Bij kwaliteit gaat het niet alleen om de woning, maar ook om de woon- en leefomgeving. Voorzien in de huisvesting van asielzoekers is onderdeel van dit belang.

Opgave Het huidige woningtekort en de toename van het aantal inwoners en huishoudens vraagt een groei van de woningvoorraad (vooral in en bij de stedelijke regio’s) in een fijne, leefbare omgeving. Tussen 2019 en 2035 moet de woningvoorraad met circa 1,1 miljoen woningen worden vergroot22. De vergrijzing van de bevolking voegt een extra dimensie aan de bouwopgave toe. In sommige regio’s speelt dat de bevolkingsaantallen teruglopen. In deze regio’s is de opgave het behouden van een goede kwaliteit van de woningvoorraad, onder meer door sloop en renovatie van woningen van slechte kwaliteit. Daarnaast heeft de bouwkwaliteit van de woningvoorraad grote gevolgen voor de energiebehoefte en uitstoot van CO₂. Er is een grote opgave de gebouwde omgeving in 2050 CO₂-arm, klimaatbestendig en natuur­ inclusief te maken. De opgave van huisvesting voor asielzoekers kan sterk fluctueren.

Rijksrol De primaire verantwoordelijkheid voor de gebouwde omgeving, de woningvoorraad en de leefbaarheid ligt bij gemeenten en provincies. Het Rijk is systeemverantwoordelijk. Het is de rol van het Rijk om de kaders te stellen, te stimuleren, eventueel te sanctioneren, waar nodig middelen ter beschikking te stellen – bijvoorbeeld via de huurtoeslag, hypotheekrenteaftrek of de regeling woningbouwimpuls voor gemeenten23 – en met gemeenten en provincies samen te werken om (bovenlokale, inclusief grensoverschrijdende) knelpunten op te lossen en realisatie van de nationale belangen te waarborgen. Bovendien is het Rijk verantwoordelijk voor de investeringen in de hoofdinfrastructuur, die in veel gevallen gekoppeld zijn aan grootschalige gebiedsontwikkeling. Het Rijk is resultaatverantwoordelijk voor de huis­vesting van asielzoekers.

6. Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem Zonder een goed functionerend mobiliteitssysteem komen onze economie en onze samenleving letterlijk tot stilstand. Het economische en sociale belang is gediend bij een goede bereikbaarheid op alle schaalniveaus. Het in samenhang functioneren van het totale systeem van wegen, spoorwegen, vaar­wegen, infrastructuur voor lopen en fietsen, multimodale knooppunten en stations, havens en lucht­havens, ook op de lange termijn, is een nationaal belang. Het verkeer en het vervoer van personen en goederen moeten veilig en betaalbaar zijn, betrouwbare, acceptabele reistijden en reisalternatieven bieden en zo min mogelijk negatieve effecten op de omgeving veroorzaken. Het deel van de infrastructuurnetwerken dat van regio-overstijgend belang is voor de bereikbaarheid, wordt tot de hoofdinfrastructuur (hoofdwegennet, hoofdrailnet, hoofdvaarwegennet) gerekend. Bij veiligheid gaat het om verkeersveiligheid, sociale veiligheid, fysieke veiligheid en externe veiligheid. Het is van belang op de weg, het spoor, het water en in de lucht. In een robuust mobiliteitssysteem is de reistijd voorspelbaar en betrouwbaar. Daarbij hoort het naadloos schakelen tussen de verschillende modaliteiten. Daarnaast betekent robuust ook dat het mobiliteitssysteem toekomstbestendig is (inclusief klimaatbestendig).

De uitstoot van fijnstof en andere luchtvervuilende stoffen en geluidhinder van verkeer dienen minimaal te zijn (zie nationale belangen 2 en 4).

Opgave De bereikbaarheid voor personen en goederen komt steeds meer onder druk te staan. In, om en tussen de steden gebeurt dit omdat de vraag op bepaalde delen van de dag de capaciteit van de verschillende netwerken overstijgt. In sommige landelijke gebieden neemt door de afname van de bevolking ook 22 23

ABF, PRIMOS 2020. Delft 2020. Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, Nieuwe regeling Woningbouwimpuls voor gemeenten, 2020, https://www.rvo.nl/actueel/nieuws/nieuwe-regeling-woningbouwimpuls-voor-gemeenten

52 | Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

de vraag naar openbaar vervoer af en wordt de klassieke vorm – met vaste routes en een vaste dienst­ regeling – te duur om goed te exploiteren. De opgave bestaat uit: 1. Het slim en veilig inrichten van de (verkeers)ruimte. Iedereen, zowel reiziger als vervoerder moet veilig gebruik kunnen maken van de verschillende netwerken en vervoerswijzen. Dat vergt sociale veiligheid, verkeersveiligheid en veiligheid van de infrastructuur(kunstwerken) zelf; 2. Het voorkomen en oplossen van de (voorziene) knelpunten op weg, spoor en water. Mensen en goederen moeten binnen een maatschappelijk acceptabele tijd op hun bestemming kunnen komen, ook als er door incidenten verstoringen in het systeem optreden. Dit vergt onder andere: • het beter benutten, uitbreiden (zie ook nationaal belang 7) en goed verknopen van de verschillende (inter)nationale, regionale en lokale netwerken (waaronder onder andere ook voetgangers- en fietsnetwerken, inclusief hoogwaardige stallingen), en verbetering van overstap- en overslagpunten; • het bieden van ruimte voor de ontwikkeling van havens, transport, ontvangst, opslag en handling van goederen. 3. Het behalen van de doelstellingen voor de uitstoot van CO₂(-equivalenten), vastgelegd in het Klimaatakkoord (juni 2019)24. De inzet richt zich op elektrificatie en slim en efficiënt gebruik van het mobiliteitssysteem.

Waar dit niet mogelijk is, wordt ingezet op schone, geavanceerde brandstoffen. Ook is de ambitie om de uitstoot van fijnstof en andere luchtvervuilende stoffen door mobiliteit terug te dringen. Daarnaast is het de ambitie om geluidhinder van verkeer nog verder te verminderen; 4. Het vinden van een nieuwe balans tussen luchtverkeer enerzijds en geluidhinder, veiligheid, emissies en gezondheidsschade anderzijds.

Rijksrol Dit belang overstijgt territoriaal, bestuurlijk of anderszins het gemeentelijke, regionale en provinciale niveau, omdat het totale netwerk van wegen, spoor, vaarwegen, fietspaden en -stallingen, voetpaden en multimodale knooppunten en stations, havens en luchthavens in samenhang moet worden bezien. Het overkoepelende (economische en sociale) belang is gediend bij een goede bereikbaarheid op alle schaalniveaus (dus meer dan het netwerk van Rijksinfrastructuur) en vraagt om die reden om borging op nationaal niveau. Hiervoor is het Rijk (systeem)verantwoordelijk. Voor bepaalde onderdelen van het netwerk (bijvoorbeeld het onderliggend wegennet en het regionaal openbaar vervoer) of bepaalde thema’s (bijvoorbeeld verkeersveiligheid) kan de uitwerking nadrukkelijk wel op regionaal niveau plaatsvinden. Innovaties in mobiliteit stimuleert het Rijk door samenwerking met private, maatschappelijke, wetenschappelijke en publieke partners. Het Rijk bevordert daarbij het veiligheidsbewustzijn onder overheidsdiensten, bedrijven en burgers en stimuleert het gebruik van informatie- en communicatie­technologie. Het Rijk bevordert het gebruik van veilige vaartuigen en de overheden benutten de mogelijkheden van nautisch veilige infrastructuur. Het Rijk versterkt de samenwerking met decentrale overheden op het gebied van verkeersmanagement en ruimtelijke ordening op en langs het water.

Het Rijk streeft naar zo veel mogelijk scheiding van beroepsvaart en recreatievaart.

7. In stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit Een goed functionerend mobiliteitssysteem vereist het waarborgen en ontwikkelen van de hoofd­ infrastructuur voor het vervoer van personen en goederen via wegen, spoorwegen, luchtruim, zee en vaarwegen. Ononderbroken netwerken voor heel Nederland en in verbinding met het buitenland moeten worden gewaarborgd. Dit belang overstijgt territoriaal het gemeentelijke, regionale en provinciale niveau.

Opgave De nationale en internationale bereikbaarheid is een aandachtspunt. De vraag is of Nederland zijn sterke positie kan behouden als gevolg van een combinatie van een toename van de bebouwing rondom infra­24

Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, Klimaatakkoord, Den Haag 2019.

Nationale Omgevingsvisie | 53

structuurnetwerken en de luchthavens en een grote groei van de mobiliteitsvraag op de hoofd­netwerken en de internationale verbindingen. Ook is de veroudering van de infrastructuur en de daaruit voortvloeiende grote vervangings- en renovatie-opgave een grote uitdaging. De opgave is het onder­houden, verjongen, vernieuwen, verduurzamen en klimaatbestendig maken van de bestaande infrastructuurnetwerken en het realiseren van de aanleg en uitbreiding van infrastructuur daar waar knelpunten niet met andere maatregelen kunnen worden voorkomen. De instandhouding en ontwikkeling van de hoofdinfrastructuur is van belang om de kwaliteit, betrouwbaarheid en beschikbaarheid van de netwerken te kunnen blijven garanderen.

Rijksrol Het Rijk is resultaatverantwoordelijk voor de aanleg, het beheer en de instandhouding van de hoofd­ infrastructuur. Het Rijk bewaakt de samenhang en het functioneren van de netwerken vanuit internationaal, nationaal en regionaal perspectief. Vanuit de rol als vaarwegbeheerder van rijkswateren kan het Rijk aanwijzingen geven aan lokale en regionale autoriteiten.

8. Waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving Ongeveer 2 miljoen mensen in Nederland hebben een matige of ernstige beperking. Een groot deel van deze groep behoort tot de senioren. Omdat iedereen mee moet kunnen doen aan de samenleving is een goede toegankelijkheid van de leefomgeving, waaronder woningen, gebouwen, openbaar vervoer en openbare ruimten, van nationaal belang. Een toegankelijke omgeving nodigt ook uit om meer activi­teiten buitenshuis te doen, maakt het makkelijker om mensen te ontmoeten en bijvoorbeeld zelf boodschappen te kunnen doen.

Opgave In de praktijk zijn er tal van belemmeringen bij het gebruik van openbare ruimten, gebouwen en het openbaar vervoer door senioren en minder validen. De opgave is het verbeteren van de toegankelijkheid van gebouwen, het openbaar vervoer en de openbare ruimte (ook voor nood- en hulpdiensten) en het zorgen voor de beschikbaarheid van voldoende geschikte woningen en woonvormen voor mensen met een beperking.

Rijksrol De rol van het Rijk is om te zorgen voor het nakomen van de verplichtingen die voortkomen uit het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een beperking. Het Rijk heeft dit verdrag op 14 juli 2016 geratificeerd. De uitvoering van het VN-verdrag is opgenomen in het regeerakkoord 2017-2021 ‘Vertrouwen in de toekomst’.

9. Zorg dragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten Veiligheid is een basisvoorwaarde voor een welvarend Nederland. Onze krijgsmacht is er om Nederland te beschermen. Nederland is een knooppunt van mensen, goederen en data. Voor de nationale veiligheid is de weerbaarheid van de samenleving van belang en moeten de vitale infrastructuur en de digitale veiligheid van ons land beschermd zijn. Defensie levert onmisbare bijdragen aan de veiligheid van onze vliegvelden, havens en andere vitale infrastructuur. Deze bijdragen komen voort uit de drie hoofdtaken van Defensie op basis van de Grondwet: • bescherming van het eigen en bondgenootschappelijk grondgebied; • bescherming en bevordering van de internationale rechtsorde en stabiliteit; • ondersteuning van civiele autoriteiten bij rechtshandhaving, rampenbestrijding en humanitaire hulp, zowel nationaal als internationaal.

Opgave Om zijn operationele taken te kunnen uitvoeren, heeft Defensie voldoende gebruiksruimte nodig om te oefenen en op te leiden. De krijgsmacht wordt uitgebreid en gemoderniseerd. Deze ontwikkeling leidt potentieel tot een grotere aanspraak op de omgeving. De voorziene groei van defensieactiviteiten moet worden opgevangen. Het verkeers- en vervoerssysteem moet zo worden ingericht en ontworpen dat

54 | Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

de kans op schade door moedwillige verstoring en misbruik van vitale infrastructuur en transportketens in alle modaliteiten beperkt is en de voorbereiding op resterende risico’s voldoende is.

Rijksrol Het Rijk is (volgens art. 2.19 van de Omgevingswet) verantwoordelijk voor het behoeden van de werking en de staat van de infrastructuur en andere voorzieningen, voor nationale veiligheid en defensie tegen nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die infrastructuur of andere voorzieningen (resultaat­ verantwoordelijkheid). Het Rijk toetst de kwetsbaarheid van de belangrijkste knooppunten. Het Rijk en decentrale overheden hebben oog voor moedwillige verstoring en bevorderen zo veel mogelijk dat beheerders van infrastructuur ten behoeve van de continuïteit van de dienstverlening de gevolgen van moedwillige verstoring verkennen en waar relevant actie ondernemen.

10. Beperken van klimaatverandering In het akkoord van Parijs is afgesproken de mondiale klimaatverandering te beperken tot ruim onder de 2 graden temperatuurstijging ten opzichte van pre-industrieel niveau en te streven naar 1,5 graad, om de risico’s en gevolgen van klimaatverandering significant te beperken. Ook is afgesproken om zo snel mogelijk een mondiale piek in de emissies te bereiken en daarna afname van emissies. Het doel is in de tweede helft van de eeuw een balans tussen antropogene emissies en vastlegging van broeikasgassen te realiseren. Nederland heeft zich hieraan gecommitteerd. Het is van nationaal belang om de inter­nationaal afgesproken doelen te halen en de in de Klimaatwet vastgelegde bijdragen aan het tegengaan van klimaatverandering te leveren.

Opgave De doelstelling is vertaald in de opgave de uitstoot van broeikasgassen ten opzichte van 1990 te reduceren met tenminste 49 procent in 2030 en met 95 procent in 2050.

Rijksrol De rol van het Rijk is de voorwaarden te scheppen waardoor maatschappelijke actoren de emissie van broeikasgassen beperken en de vastlegging van CO₂ vergroten. Dit geldt tevens voor de activiteiten en bezittingen van het Rijk zelf.

11. Realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO₂-arm is, en de daarvoor benodigde hoofdinfrastructuur Vitale functies in de maatschappij zijn afhankelijk van een betrouwbare toelevering en uitwisseling van energie. Voor iedereen moet deze energie betaalbaar zijn. Energie moet veilig worden opgewekt, gewonnen, getransporteerd, opgeslagen en gebruikt. Om de afgesproken doelen uit het Klimaatakkoord van Parijs14 te halen en 95 procent minder uitstoot van broeikasgassen te realiseren in 2050 (ten opzichte van 1990), is een transitie naar een CO₂-arme energievoorziening noodzakelijk. Daarnaast is de energietransitie ook in geopolitiek opzicht van belang en draagt, afhankelijk van de alternatieve energiebron, bij aan een gezondere leefomgeving. We moeten energie besparen en onze energie­ voorziening verduur­zamen, zodat we de uitstoot van broeikasgassen kunnen terugbrengen. Het landelijke en Europese transportnetwerk van elektriciteit zal zich verder ontwikkelen om de energietransitie te kunnen faciliteren. Hoogspanningsverbindingen van 110 kV en hoger behoren tot het landelijk hoogspanningsnet. Tegelijk vormt conventionele energie de komende decennia nog steeds een belangrijk onderdeel van ons energiesysteem.

Ook de ruimtelijke ordening van de ondergrond is daarbij belangrijk voor conventionele (winning, opslag en transport van olie- en aardgas) en nieuwe energiedragers (bodemenergie zoals geothermie (waaronder warmtekoudeopslag) en transport en opslag van CO₂ en waterstof). De hoofd­infrastructuur voor opwekking, winning, conversie, opslag en transport van energie is onderdeel van dit nationale belang.

Opgave Een CO₂-arm energiesysteem vergt meer ruimte dan een fossiel systeem en vraagt ingrijpende aan­ passingen in onder meer het warmte- en elektriciteitssysteem, zowel boven- als ondergronds. Dit zet de robuustheid van het energienetwerk onder druk. Het koppelen van vraag en aanbod is hierbij een

Nationale Omgevingsvisie | 55

aandachtspunt. De opgave is dan ook het waarborgen van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, het vervangen van fossiele energiebronnen door duurzame bronnen (inclusief besparing), de aanpassing van de netwerken voor warmte, gas en elektriciteit en het inpassen en zoveel mogelijk beperken van de ruimtebehoefte voor opwekking, conversie, opslag en transport van energie. Hierbij zal oog moeten zijn voor (digitale) beveiliging tegen ongewenste invloeden van buitenaf.

Rijksrol De rol van het Rijk is tweeledig. Ten eerste gaat het om de voorwaarden te scheppen waaronder winning, opwekking, transport, conversie, opslag en gebruik van energie, alsmede het afvangen en opslaan van CO₂, betrouwbaar, betaalbaar en veilig kunnen plaatsvinden. Ten tweede om het tot stand brengen van de energietransitie zeker te stellen. Dit geldt zowel op land als op zee, en heeft betrekking op de bovengrond en op de ondergrond. Het Rijk werkt hierbij nauw samen met de decentrale overheden, maatschappelijke organisaties en andere betrokkenen. Dit komt onder meer tot uitdrukking in het nationale Klimaatakkoord23. De rol van het Rijk uit zich onder meer in het vastleggen van doelstellingen voor de reductie van broeikasgassen en het stellen van voorwaarden en aanwijzen van gebieden voor energie-activiteiten, na afweging met andere belangen.

12. Waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen Het netwerk van buisleidingen voor het vervoer van (gevaarlijke) stoffen, waaronder ook de gasinfrastructuur, is van economisch en maatschappelijk belang voor Nederland op Europese schaal.

Opgave Als gevolg van ontwikkelingen in, en verduurzaming van, de economie en de maatschappij zullen er veranderingen optreden in de door buisleidingen vervoerde stoffen. De opgave is voldoende ruimte te reserveren voor het in stand houden en ontwikkelen van een robuust, efficiënt, betrouwbaar en veilig hoofdnetwerk van buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen. Waarbij de opgave tevens is dat dit netwerk zo is ingericht dat het slechts tot verwaarloosbare risico’s voor mens en milieu leidt.

Rijksrol Het netwerk van buisleidingen voor het vervoer van (gevaarlijke) stoffen is van economisch belang voor Nederland op Europese schaal. Het Rijk wil de aanleg van deze buisleidingen op land en zee ruimtelijk mogelijk maken, belemmeringen voorkomen en zorgen voor een goede aansluiting op het internationale netwerk. Gezien de (inter)nationale schaal en het belang van een ononderbroken netwerk, is dit een taak van het Rijk.

13. Realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie Om onze economie toekomstbestendig te houden en te verduurzamen, is het van nationaal belang dat de transitie naar een circulaire economie plaatsvindt. Een circulaire economie is gericht op het langer in de productieketen houden van grondstoffen, waaronder bouwgrondstoffen. Duurzame winning van (bouw)grondstoffen is onderdeel van dit nationaal belang. Het doel is optimaal gebruik en hergebruik van grondstoffen, met de hoogste waarde voor de economie en de minste schade voor het milieu. Naast het tegengaan van bedreigingen biedt een circulaire economie ook mogelijkheden voor economische vernieuwing. Zo zijn er kansen voor bedrijven: nieuwe (internationale) markten, meer samenwerking in productketens en minder grondstoffengebruik en dus kostenbesparing.

56 | Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Opgave Bevolkingsgroei, welvaarts- en technologische ontwikkeling leiden tot een groeiende vraag naar voorraden en diensten die de natuur ons kan leveren. Die voorraden raken steeds verder uitgeput. Denk bijvoorbeeld aan de afnemende beschikbaarheid van fossiele brandstoffen, mineralen en andere grondstoffen. Ook de winning van bouwgrondstoffen als zand, grind en klei loopt in een aantal gevallen tegen grenzen aan. De opgave is onze economie te transformeren naar een economisch systeem dat gebaseerd is op het minimaliseren van abiotisch grondstofgebruik, zoals mergel, zilverzand, aardolie of antimoon. We zetten in op hergebruik van producten, onderdelen van producten en (hoogwaardige) grondstoffen, en het vervangen van abiotische grondstoffen door hernieuwbare grondstoffen. We verduurzamen de nog noodzakelijke winning van (bouw)grondstoffen. Een voorwaarde voor een circulaire economie is dus een ecologisch stabiel systeem met voldoende biodiversiteit.

Rijksrol De rol van het Rijk is kaders te stellen, zodat een gelijk speelveld ontstaat voor bedrijven om dit waar te maken, en experimenteerruimte voor technologische innovaties. Tevens is de rol van het Rijk de voorwaarden te scheppen waaronder de winning van delfstoffen, betrouwbaar, betaalbaar, ecologisch haalbaar en veilig kan plaatsvinden. Het gaat om die delfstoffen, die passen binnen de circulaire economie. Het Rijk is resultaatverantwoordelijk voor de ruimtelijke inrichting van de Noordzee.

14. Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit) Dit nationaal belang kent de volgende elementen: Waterveiligheid Het is van nationaal belang om de waterveiligheid te waarborgen. De veiligheid komt tot stand door inzet op de drie lagen van meerlaagsveiligheid: inzet op het voorkomen van een overstroming door sterke dijken, dammen en duinen (preventie) én het beperken van de gevolgen van een overstroming via waterrobuuste ruimtelijke inrichting en crisisbeheersing (evacuatie, rampenplannen). Bij het realiseren van waterveiligheid staat preventie voorop, door primaire keringen, waaronder duinen en stormvloed­ keringen, te onderhouden en te versterken, rivierverruimende maatregelen te nemen en zandsuppleties in het kustfundament uit te voeren. Het is van nationaal belang dat er voldoende ruimte is voor zand­ winning voor de kust- en waterveiligheid (inclusief de toekomstige versterking van waterkeringen. Het is tevens van nationaal belang dat er in de omgeving van waterkeringen voldoende ruimte is om toekomstige versterkingen van waterkeringen mogelijk te maken. Het beleid is erop gericht dat in 2050 voor iedereen achter een primaire kering de kans op overlijden door een overstroming gelijk aan of kleiner is dan 1:100.000 per jaar.

Extra bescherming wordt geboden op plaatsen waar kans is op grote groepen slachtoffers en/of grote economische schade en/of ernstige schade door uitval van vitale en kwetsbare infrastructuur van nationaal belang.

Opgave In Nederland kunnen een snellere zeespiegelstijging, hogere rivierafvoeren, intensivering van neerslagpieken en grotere kans op extreme warme en droge periodes extra risico’s opleveren voor de waterveiligheid, mede met het oog op mogelijke ontwikkelingen na 2050. De bodemdaling in Nederland vergroot dit risico. De opgave bestaat uit: • Het onderhouden, versterken en het reserveren van voldoende ruimte voor primaire keringen, duinen, het kustfundament en stormvloedkeringen om overstromingen te voorkomen. Het streven is dat in 2050 alle primaire keringen aan de nieuwe normen voldoen; • Het reserveren van voldoende ruimte voor zandwinning voor het behoud van het kustfundament en waterveiligheid; • Het behouden en reserveren van voldoende ruimte voor de rivier en rivierverruimende maatregelen; • Het beperken van de gevolgen van overstromingen via een slimme ruimtelijke inrichting en goede rampenbeheersing.

Nationale Omgevingsvisie | 57

Rijksrol Het Rijk is systeemverantwoordelijk voor waterveiligheid, kader- en normstellend voor het voor­komen van overstromingen en voor crisisbeheersing. Met de waterschappen werkt het Rijk in het Hoogwaterbeschermingsprogramma25 aan de versterking van primaire keringen. Klimaatbestendigheid en waterrobuustheid De beperking van CO₂-uitstoot zal niet alle klimaatverandering voorkomen. Door klimaatverandering neemt de kans op wateroverlast, hitte, droogte en overstromingen toe. Dat levert risico’s op voor onze economie, gezondheid en veiligheid die ontstaan door zeespiegelstijging en toenemende neerslag­ intensiteit en periodes van droogte als gevolg van klimaatverandering. Ook levert het risico’s op voor een veerkrachtige biodiversiteit. Het proces van bodemdaling heeft bovendien ook nog invloed op (de kosten voor) het peilbeheer en het cultureel erfgoed in de bodem. Het is van nationaal belang dat Nederland zich aanpast aan deze veranderingen, ook met het oog op de periode na 2050. Hoewel het tempo met onzekerheid omgeven is, zetten klimaatverandering en zeespiegelstijging ook na 2050 door. Als we niets doen dan is het gevolg een grotere kans op overstromingen, wateroverlast, hittestress en droogte. Een klimaatbestendig Nederland is ingericht op deze gevolgen van klimaatverandering, inclusief zeespiegelstijging en bodemdaling.

In veel gevallen zal klimaatadaptatie invloed hebben op het ruimtegebruik van andere functies en opgaven.

Opgave De opgave is onze leefomgeving aan te passen aan de gevolgen van klimaatverandering en te zorgen dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust is ingericht, mede met het oog op verwachte ontwikkelingen na 2050. Onderdeel is de opvang van extreme regenval en hitte in verstedelijkt gebied.

Rijksrol Het Rijk heeft de resultaatverantwoordelijkheid voor het klimaatbestendig maken van de eigen gebouwen en infrastructuur, zoals de rijkswegen en voor de nationale vitale en kwetsbare functies. In het Deltaplan ruimtelijke adaptatie26 en met (het uitvoeringsprogramma van) de Nationale Klimaatadaptatie Strategie27 en het Bestuursakkoord Klimaatadaptatie28 hebben Rijk en medeoverheden afspraken gemaakt over de wijze waarop de doelstellingen worden gerealiseerd. Veelal zijn medeoverheden en private partijen degenen die maatregelen in de praktijk brengen. Het Rijk stimuleert dat met financiële middelen en kennisontwikkeling.

15. Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater Het is van nationaal belang dat voldoende zoetwater van goede kwaliteit (in de vorm van opper­vlakte- en grondwater) beschikbaar is voor maatschappelijke en economische functies (drinkwater, landbouw en verwerking en industriële processen, scheepvaart, natuur, en dergelijke), ook op lange termijn. Cruciale gebruiksfuncties worden in perioden van watertekort beschermd volgens de wettelijk vastgelegde verdringingsreeks. In perioden van overschot is het van groot belang om – zonder daarbij overlast te veroorzaken – water zo lang mogelijk vast te houden en grondwatervoorraden aan te vullen. Naast voldoende (grond)water is het van nationaal belang dat we in Nederland een goede waterkwaliteit (oppervlakte- en grondwater) behouden en realiseren. Een goede waterkwaliteit is nodig om het water te kunnen inzetten voor verschillende gebruiksfuncties, inclusief de ontwikkeling van natuur en

Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP), zie www.hoogwaterbeschermingsprogramma.nl Deltacommissaris, Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie 2018, Den Haag 2017, zie https://ruimtelijkeadaptatie.nl/overheden/deltaplan-ra/ 27 Ministerie van Infrastructuur en Milieu, Nationale Klimaatadaptatie Strategie (NAS) 2016, Den Haag 2016, zie https://ruimtelijkeadaptatie.nl/overheden/nas/ 28 Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, Vereniging van Nederlandse Gemeenten, Unie van Waterschappen & Interprovinciaal Overleg, Bestuursakkoord Klimaatadaptatie, Den Haag 2018. 25

26

58 | Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

biodiversiteit. Europese richtlijnen (zoals de KRW29, KRM30 en Natura 2000) dragen hier in belangrijke mate aan bij. Drinkwater is een eerste levensbehoefte en een duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening is dan ook van nationaal belang. Behalve de beschikbaarheid van voldoende zoetwater en de kwaliteit van de drinkwaterbronnen moet ook de kwaliteit en leveringszekerheid van het drinkwater zelf worden gewaarborgd.

Opgave De natuurlijke beschikbaarheid van voldoende water neemt op de lange termijn af, waardoor meer zoetwatertekorten kunnen ontstaan. De droge zomers van 2018 en 2019 en het droge voorjaar van 2020 laten zien wat dit kan betekenen. Tevens neemt de watervraag vanuit gebruikers zoals de landbouw en de natuur op veel plaatsen toe. Naar verwachting zal zich tot 2050 ook een sterke groei van de drink­ watervraag voordoen. Het overkoepelende doel is dat Nederland in 2050 weerbaar is tegen zoetwater­ tekorten. De opgave bestaat uit bevorderen van de waterbeschikbaarheid. Dat gebeurt door het in stand houden en bevorderen van een gezond en evenwichtig (grond-)watersysteem, door cruciale gebruiksfuncties te beschermen en het beschikbare water effectief en zuinig te gebruiken. Daarnaast gaat het om bescherming van de huidige drinkwaterbronnen en het aanwijzen van aanvullende strategische voorraden en nationale grondwaterreserves om ook op de lange termijn aan de vraag naar drinkwater te voldoen. De opgave is dat in 2027 voldoende maatregelen zijn genomen om de doelen van de Kaderrichtlijn Water (KRW) te behalen. De doelen uit de KRW voor de chemische waterkwaliteit en voor biologische parameters, zoals waterplanten en vissen, zullen in 2027 waarschijnlijk nog niet overal worden gehaald.

De maatregelen die komende jaren in het kader van de Programmatische Aanpak Grote Wateren worden uitgewerkt en uitgevoerd, zijn gericht op het verbeteren van de (ecologische) water­ kwaliteit en natuur in en om de grote wateren. Daarmee wordt bijgedragen aan het alsnog behalen van de doelen op iets langere termijn. Ontwatering en droogtegevoeligheid van slappe bodems leidt tot verdere bodemdaling en waterkwaliteitsproblemen. Om die reden is ook voor dit nationaal belang verminderen van de bodemdaling een opgave.

Rijksrol Het Rijk is systeemverantwoordelijk voor de drinkwater- en zoetwatervoorziening en de waterkwaliteit. Alle bestuurslagen hebben daarbinnen de verantwoordelijkheid voor het realiseren van hun eigen taken. Het Rijk stimuleert met financiële middelen en kennisontwikkeling. Daarnaast heeft het Rijk de resultaatverantwoordelijkheid voor het eigen hoofdwatersysteem, dat door Rijkswaterstaat wordt beheerd.

16. Waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat Een concurrerende, duurzame en circulaire economie in heel Nederland is de basis van de welvaart van Nederland, nu en in de toekomst. Nederland behoort tot de mondiale top van de meest dynamische en concurrerende kenniseconomieën in de wereld en wil koploper zijn in de ontwikkeling, toepassing en export van slimme en duurzame producten, technologieën en diensten. Hiermee kan Nederland zijn plek in de top vijf van meest concurrerende economieën ter wereld versterken en gidsland worden voor een duurzame en circulaire economie. Door de ontwikkeling van nieuwe (sleutel)technologieën en digitalisering in productieprocessen krijgt de industrie in Nederland een nieuwe impuls. Dit vereist een uitstekend (inter)nationaal ruimtelijk-economisch netwerk en vestigingsklimaat met ruimte voor ondernemen, innovatie, experimenten en kennisontwikkeling. De instandhouding van de grootschalige onderzoeks­ infrastructuur is niet alleen van groot belang voor innovatie en vestigingsklimaat, maar ook voor de internationale positie van Nederland in de wetenschap.

Onderdeel van een excellent vestigingsklimaat is een op de vraag aansluitend aanbod van ruimte, inclusief aspecten in de fysieke leefomgeving zoals digitale connectiviteit en veiligheid, bedrijfslocaties, bereikbaarheid en kwaliteit van leefomgeving en natuur. Dit moet gecombineerd worden met een internationaal onderscheidende aantrekkelijke, veilige Rijksoverheid, Kaderrichtlijn Water (KRW), zie https://www.helpdeskwater.nl/onderwerpen/wetgeving-beleid/kaderrichtlijn-water/Rijksoverheid 30 Rijksoverheid, Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM), zie https://www.helpdeskwater.nl/onderwerpen/wetgeving-beleid/ kaderrichtlijn-water/ 29

Nationale Omgevingsvisie | 59

en gezonde leefomgeving. Nationale parken, cultuur en cultureel erfgoed kunnen hier een belangrijke bijdrage aan leveren.

Opgave In een globaliserende wereld is geen enkel land verzekerd van zijn concurrentiepositie. Nederland heeft een goede uitgangspositie. De opgave blijft te zorgen voor een excellent vestigingsklimaat met optimale (internationale) bereikbaarheid, een aantrekkelijke, groene, veilige en gezonde leefomgeving en een op de vraag afgestemd aanbod van ruimte voor bedrijvigheid, waarbij overschotten en tekorten voorkomen worden. Het omgevingsbeleid faciliteert daarbij een duurzame groei van 2 procent van het bruto binnenlands product (bbp) per jaar en handhaving in de top vijf van meest concurrerende economieën van de wereld. Nederland wil in verschillende vakgebieden (onder andere radio-astronomie) tot de wereldtop blijven behoren. De opgave in deze is om essentiële grootschalige wetenschappelijke infrastructuur, die voor haar functioneren afhankelijk is van een storingsvrije omgeving, te beschermen door een storingsvrije omgeving te waarborgen.

Rijksrol De rol van het Rijk in dit belang is om de randvoorwaarden in de leefomgeving te creëren die ervoor zorgen dat het ruimtelijk-economische vestigingsklimaat aantrekkelijk is en blijft. Daarbij hoort ook het stimuleren van clustervorming en samenwerking tussen bedrijven, kennisinstituten, fieldlabs, startups en onderwijsinstellingen, zoals wordt aangegeven in het topsectoren- en innovatiebeleid. Dit is een sterke stimulans voor de ontwikkeling en toepassing van nieuwe technologieën en de groei van nieuwe bedrijvigheid. Het Rijk streeft naar een kwalitatief hoogwaardig wetenschapssysteem met goed presterende instellingen en investeert in de nationale onderzoeksinfrastructuur. Daarnaast is zijn rol de randvoorwaarden in de leefomgeving voor de instandhouding van de onderzoeksinfrastructuur te waarborgen.

17. Realiseren en behouden van een kwalitatief hoogwaardige digitale connectiviteit Een goede digitale infrastructuur biedt mogelijkheden om te digitaliseren en te innoveren en zorgt zo voor een gunstig ondernemings- en vestigingsklimaat en een hoger welzijn. Het is van nationaal belang dat ook in de toekomst sprake blijft van voldoende beschikbare, betrouwbare en snelle netwerken. De betrouwbaarheid, efficiëntie, betaalbaarheid en veiligheid van deze netwerken voor heel Nederland (ook in het landelijk gebied) moeten worden gewaarborgd.

Opgave Hedendaagse netwerken zijn zonder investeringen niet afdoende om het internetverkeer van de nieuwe economie op te vangen. Nederland moet digitale koploper in Europa zijn. Daarbij is het de opgave dat onze digitale netwerken en ons digitale vestigingsklimaat tot de beste van Europa behoren.

Rijksrol De rol van het Rijk in dit belang is de randvoorwaarden te bieden die het realiseren van hoogwaardige digitale connectiviteit mogelijk maken en om de betrouwbaarheid, efficiëntie, betaalbaarheid en veiligheid van deze netwerken te garanderen. Hierbij dient oog te zijn voor de beveiliging van netwerken en datacenters (zowel digitaal als fysiek).

18. Ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agroproductie Het is van nationaal belang dat de land- en tuinbouw als grootste gebruiker van het landelijk gebied de omslag kan maken naar een kringlooplandbouw31 waarbij landbouw en biodiversiteit elkaar versterken. Zo kan de Nederlandse land- en tuinbouw op duurzame wijze kwalitatief hoogwaardige producten leveren, dat wil zeggen voedsel en andere agroproducten, waaronder grondstoffen zoals biomassa voor de circulaire economie. Dit in evenwicht met een toekomstbestendig verdienpotentieel voor de sector. Een draagkrachtige bodem en goed functionerend bodem-watersysteem is voor kringlooplandbouw van 31

Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Realisatieplan Visie LNV: Op weg met nieuw perspectief. Den Haag, 2019. https://www.rijksoverheid.nl/documenten/publicaties/2019/06/17/realisatieplan-visie-lnv-op-weg-met-nieuw-perspectief

60 | Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

groot belang, ook met het oog op verminderen van bodemdaling. Als beheerder en gebruiker van het landelijk gebied zal de land- en tuinbouwsector reëel bijdragen aan de kwaliteit van de leefomgeving, en ecosysteemdiensten leveren die in belangrijke mate bijdragen aan het realiseren van diverse nationale opgaven. Een gezond en goed functionerend bodem-watersysteem is daarbij uitgangspunt. Dit betekent dat de veehouderij op regionale schaal meer grondgebonden wordt, de land- en tuinbouw op zodanige wijze gaat werken dat de bodem- en waterkwaliteit (door nagenoeg geen emissies naar het milieu) in goede toestand zijn, en de biodiversiteit in het agrarisch areaal en in natuurgebieden nabij landbouwgronden wordt versterkt. In gebieden waar de druk vanuit de landbouw op de omgeving (natuur, landschap, volksgezondheid, drinkwatervoorziening) te hoog is, wordt deze druk door gerichte inzet verminderd. Voorbeelden zijn de saneringsregeling voor de varkenshouderij, de investeringen in brongerichte verduurzaming van stallen of de bestuursovereenkomst Grondwaterbeschermingsgebieden om uitspoeling van nitraat in specifieke grondwaterbeschermingsgebieden terug de dringen.

Opgave De opgave is het mogelijk maken en realiseren van de transitie naar kringlooplandbouw. Specifiek in het veenweidegebied spelen drie majeure problemen: a. Uitstoot CO₂-equivalenten, b. Toekomstperspectief voor landbouw, natuur en landschap c. Bodemdaling. Deze problemen in samenhang aanpakken (in samenloop met het Klimaatakkoord) is onderdeel van de opgave.

Rijksrol De rol van het Rijk in dit belang is de omslag naar een duurzame voedselproductie mogelijk te maken. Een regionale aanpak zal vaak uitgangspunt zijn voor de concrete invulling. De opgaven van het Rijk zijn dan ook niet los te zien van de inzet van medeoverheden en maatschappelijke actoren om de gemeenschappelijke opgaven in het landelijk gebied te realiseren.

19. Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang Het is van nationaal belang de kernkwaliteiten van stad en land te waarborgen. Dit uit zich in bescherming van waardevolle, open en kwetsbare landschappen en bebouwde gebieden, uitgaand van hun kern­ kwaliteiten. Bij (stedelijke) groei, verdichting, transformatie of krimp moet rekening worden gehouden met unieke landschappelijke structuren en objecten, cultuurlandschappen (of onderdelen daarvan), archeologische monumenten, gebouwde of aangelegde monumenten, beschermde stads- en dorps­ gezichten en (genomineerde) werelderfgoederen en wederopbouwgebieden van nationaal belang. Die kernkwaliteiten kunnen ook benut worden bij ruimtelijke opgaven en transformaties, bijvoorbeeld met de inzet van ruimtelijk ontwerp. Nationale parken kunnen een bijdrage leveren aan grote ruimtelijke opgaven mits de bescherming van de unieke waarden in deze gebieden is gewaarborgd. Dit draagt bij aan een aantrekkelijke leefomgeving met een goed vestigingsklimaat. Voor een hoogwaardige kenniseconomie als de onze, is de bereikbaarheid en aantrekkelijkheid van het omringende landschap van groot belang in de concurrentie met andere Europese metropolen zoals Londen en Parijs.32

Opgave De voor Nederland kenmerkende landschappen verliezen langzaamaan identiteit als gevolg van gestage erosie van kenmerkende landschapselementen. De druk op het landschap neemt onder meer toe door ‘verloodsing’ als gevolg van groei van de economie en het transport, leegstand van agrarische bebouwing, bodemdaling en schaalvergroting van de landbouw. De opgave is cultureel erfgoed en (inter)nationale unieke landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten te ontwikkelen, te behouden, te versterken en te benutten bij gebiedsontwikkeling en transformatie. Zo werken we aan een herkenbare leefomgeving met karakter.

Rijksrol Op grond van het Europees Landschapsverdrag heeft het Rijk systeemverantwoordelijkheid voor landschap. Het geeft uitvoering aan dit nationaal belang samen met de provincies, die ook verantwoordelijk zijn. De rol van het Rijk in dit belang is de (wettelijke) randvoorwaarden te creëren om cultureel erfgoed en 32

Vereniging Deltametropool, Blind Spot, metropolitan landscape in the battle for talent, Amsterdam 2016.

Nationale Omgevingsvisie | 61

landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten voor de lange termijn in stand te houden. Het Rijk ondersteunt medeoverheden en maatschappelijke partijen en zal invulling geven aan dit belang bij zijn eigen activiteiten en bezit. Het Rijk is resultaatverantwoordelijk voor de grote wateren en cultureel erfgoed in de Noordzee. Het Rijk is medeverantwoordelijk voor het beschermen van waardevolle landschappen, zoals het Groene Hart, de Waddenzee, de Veluwe, werelderfgoedgebieden en de nationale parken. Dit vraagt van alle actoren, zowel overheden, maatschappelijke partijen als burgers, om de veranderingen in het landschap met zorg voor de kwaliteit van dat landschap vorm te geven en te monitoren. De zorg voor het behoud van cultureel erfgoed en van werelderfgoed is het werkterrein van alle over­ heden. Daarbij gelden de verplichtingen die voortvloeien uit het verdrag van Granada33, het verdrag van Valletta34, het Europees landschapsverdrag35 en het Werelderfgoedverdrag36. Het Rijk is verantwoordelijk voor een goed functionerend (wettelijk) systeem voor erfgoed en leefomgeving.

20. Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit Behoud en herstel van natuur en biodiversiteit in Nederland dragen in belangrijke mate bij aan de kwaliteit van de leefomgeving. Het is van nationaal belang dat inspanning wordt geleverd om de Europese (instandhoudings)doelstellingen te realiseren waartoe Nederland verplicht is. Daarbij stuurt Nederland waar mogelijk op natuurlijke processen om zo de instandhoudingsdoelen voor soorten en habitats beter te kunnen realiseren (zoals de Programmatische Aanpak Grote Wateren37). Naast instandhouding is biodiversiteitsherstel ook een rijksbrede opgave: biodiversiteitsverlies staat niet op zichzelf. In het recente rapport van het Intergouvernementele Platform voor Biodiversiteit en Ecosysteemdiensten (IPBES)38 van mei 2019 wordt benadrukt dat gezonde ecologische processen bijdragen aan andere opgaven, zoals klimaat, gezondheid en welzijn. Biodiversiteit kan alleen hersteld worden door ook op samenhangende beleidsterreinen actief in te zetten op herstel, zoals natuurinclusieve landbouw en groen in de stad. Samen met partners wordt gewerkt aan deze opgaven in coalities zoals het Programma Biodiversiteit, het gezamenlijke Programma Natuur van Rijk en provincies en in het Deltaplan Biodiversiteitsherstel.

Het Deltaplan Biodiversiteitsherstel is een brede, maatschappelijke coalitie met de ambitie om biodiversiteitsverlies in Nederland om te buigen naar biodiversiteitsherstel. Partners bij het Deltaplan zijn onder meer boeren, terreinbeheerders, particulieren, diverse onderzoeks­ instituten en overheden. Biodiversiteit is van belang vanwege de intrinsieke waarde van de natuur en vanwege de betekenis van de natuur voor de samenleving. Deze betekenis voor de samenleving uit zich op vele manieren, zoals door schoon water en schone lucht, levering van voedsel, biomassa, mogelijkheden voor recreatie, ontspanning en beweging, creëren van verkoeling tijdens warme perioden en woongenot. Gebruiksfuncties worden bij voorkeur daar uitgevoerd waar ze passen bij de karakteristieken en het functioneren van het natuurlijke bodemwatersysteem. Er zijn dan minder ondersteunende technische maatregelen nodig, bijvoorbeeld op het gebied van bemesting, gewasbescherming of ontwatering die nadelige milieueffecten kunnen veroorzaken. Dit komt de biodiversiteit ten goede. De urgentie op het gebied van natuur en biodiversiteit is groot. Ook in Nederland is de situatie verre van rooskleurig. Uit de meest recente rapportages aan de EU (VHR-evaluatie) en de VN (landenrapport CBD) blijkt dat Nederland de voor 2020 gestelde doelen niet gaat halen. De stikstofcrisis heeft de urgentie

In 1994 is Nederland toegetreden tot het Verdrag van Granada, waarin staat dat de bescherming van het architectonische erfgoed een essentieel doel is van de ruimtelijke ordening: niet alleen bij de planologische uitwerking, maar ook het vormgeven aan ontwikkelingen. 34 In 1992 werd in Valletta het Verdrag van Malta getekend, waarin de omgang met archeologisch erfgoed door de Europese Unie is geregeld. 35 De lidstaten van de Raad van Europa hebben in 2000 het Europees Landschapsverdrag ondertekend. 36 Het Werelderfgoedverdrag uit 1972 heeft als doel om erfgoed dat van unieke en universele waarde is voor de mensheid, beter te kunnen bewaren voor toekomstige generaties. 37 Ministerie van Economische Zaken, Natuurambitie Grote Wateren 2050 en verder, Den Haag 2014. 38 Intergovernmental science-policy Platform on Biodiversity and Ecosystem Services, Global assessment of biodiversity and ecosystem services, Bonn 2019. 33

62 | Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

voor versterking van natuur en biodiversiteit nog verder vergroot. Reductie van stikstofdepositie en versterking van natuurwaarden zijn nodig voor het realiseren van de Europese instandhoudingsdoelen. Het realiseren van de instandhoudingsdoelen is noodzakelijk om ruimte te geven aan nieuwe bouwen ontwikkelopgaven op Nederlands grondgebied. Het Rijk werkt aan een aanpak om de stikstofbelasting op Natura 2000-gebieden te verminderen. Dat is nodig om de doelen uit Europese Vogel- en Habitat­ richtlijnen binnen bereik te brengen. Dit gebeurt enerzijds door herstel en versterking van de natuur en biodiversiteit en anderzijds door het terugdringen van de stikstofuitstoot (bronmaatregelen).

Opgave De opgave is het herstellen en versterken van de biodiversiteit zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn (VHR). Dat betekent dat op termijn de condities zodanig zijn dat alle beschermde soorten en habitats in goede staat kunnen voortbestaan en tussentijds niet verslechteren. Het VHR-doelbereik met het bestaande beleid komt uit op ongeveer 65 procent in 2027. Er rest dus nog een flinke beleids­ opgave. In 2019 heeft het kabinet in een brief aan de Kamer39 aangegeven dat voor 2050 gestreefd wordt naar 100 procent VHR-doelbereik en een halvering van de ecologische voetafdruk. Onderdeel van de bestaande opgave is de realisatie van 80.000 ha extra natuurgebied tot en met 2027 (Natuurnetwerk Nederland), zoals afgesproken door het Rijk met de provincies in het kader van het Natuurpact40. De langjarige financiering voor versterking van natuur, die is toegekend in het kader van de Aanpak Stikstof41, maken het mogelijk om de ambities van het Natuurpact te verhogen en verder bij te dragen aan het bereiken van de internationale doelstellingen. In het Programma Natuur maken Rijk en provincies afspraken over de besteding van deze extra middelen voor de komende tien jaar met een doorkijk naar 2050.

Naast het realiseren van meer natuurgebieden van een goede kwaliteit, is de opgave dat de natuurlijke hulpbronnen, ons natuurlijk kapitaal, op een duurzame manier worden benut en dat andere gebruikers niet langer afwentelen op de natuur, maar zelfs een bijdrage leveren aan natuur en biodiversiteit. Zo zal bij belangrijke ontwikkelingen als de veranderingen in de landbouw, de energietransitie en de uitbreiding van woongebieden en infrastructuur rekening worden gehouden met natuur (natuurinclusief ontwik­kelen). In Nederland Natuurpositief (oktober 2019) is de gezamenlijke ambitie van de provincies en het ministerie van LNV op het gebied van natuur vastgelegd. Natuur wordt niet alleen binnen natuurgebieden versterkt, maar overal. In steden, op het platteland en in de grote wateren, in samenwerking met de provincies. Biodiversiteitsherstel is een integraal onderdeel van de verduurzamingsagenda’s. Bij de uitwerking van de visie Landbouw, Natuur en Voedsel: Waardevol en Verbonden zal tevens een verband worden gelegd met het Deltaplan Biodiversiteitsherstel42. Om de doelen van de Kaderrichtlijn Water te behalen, moeten in 2027 voldoende maatregelen zijn genomen.

In het kader van de Programmatische Aanpak Grote Wateren wordt geïnvesteerd in meer ruimte voor natuurlijke processen, aanleg van ontbrekende habitats, het verbinden van natuurgebieden en een goede ecologische waterkwaliteit in deze grote wateren. Daarmee ontstaat een stabiel en samenhangend ecologisch netwerk van grote wateren met omstandigheden voor een gunstige staat van instandhouding voor te beschermen soorten en habitats.

Rijksrol In het Bestuursakkoord Natuur43 en het Natuurpact is het natuurbeleid op land gedecentraliseerd, zoals ook is vastgelegd in de Wet Natuurbescherming (2017 van kracht). Het Rijk blijft resultaat­ verantwoordelijk voor de invoering van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn en afspraken in internationaal verband, zoals de verdragen van Bern en Bonn, het verdrag inzake de biologische diversiteit en andere verdragen en verordeningen. Het Rijk biedt de wettelijke kaders met instrumenten TK 26407, nr. 130. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Natuurpact ontwikkeling en beheer van natuur in Nederland, Den Haag 2013. TK 33576, nr. 6. 41 TK 35334, nr. 82. 42 TK 26407, nr. 114. 43 TK 30825, nr 185. 39

40

Nationale Omgevingsvisie | 63

en normen voor natuurbescherming en voert regie als dat nodig is, zoals bij de afspraken in het Natuur­ pact en de aanpak stikstof. Met het wettelijk instrumentarium uit de huidige Wet natuurbescherming en straks de Omgevingswet wordt bereikt dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden binnen de Europese kaders van de VHR en een minimum beschermingsniveau gewaarborgd is. Het Rijk heeft een rol bij kennisontwikkeling, monitoring en evaluatie. Het Rijk is verantwoordelijk voor de aanwijzing van Natura 2000-gebieden en de vergunningverlening op grond van de Wet natuur­ bescherming (per 1 januari 2022 Omgevingswet) als het gaat om activiteiten van nationaal belang (zoals aanleg van hoofdwegen, hoofdspoorwegen, luchthavens, militaire terreinen). De provincies zijn bevoegd gezag voor de overige vergunningverlening op grond van de Wet Natuurbescherming (per 1 januari 2022 Omgevingswet). Het Rijk is resultaatverantwoordelijk voor het realiseren van de biodiversiteitsdoelstellingen van de Kaderrichtlijn Mariene Strategie-doelen (KRM) en voor het nemen van de daarvoor noodzakelijke maatregelen. Het Rijk en de provincies zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de uitvoering van het natuurbeleid voor de grote wateren.

Het Rijk is resultaatverantwoordelijk voor generiek beleid voor de realisatie van de Kaderrichtlijn Water-doelen voor grond- en oppervlaktewater in het algemeen en voor specifieke inrichtings- en beheermaatregelen in het hoofdwatersysteem. Omdat gemeenten de primaire verantwoordelijkheid hebben voor kwaliteit van de leefomgeving, waarvan natuur en landschap integraal onderdeel uitmaken, spelen zij een cruciale rol in bescherming van de natuurdoelen via hun omgevingsplannen en andere instrumenten.

21. Ontwikkelen van een duurzame visserij Het is van nationaal belang dat de visserij bij afnemend ruimtebeslag de omslag kan maken naar een verdere verduurzaming en het tegengaan van verspilling.

Opgave De opgave is een economisch en ecologisch duurzame toekomst voor de visserij te realiseren. Dat betekent het mogelijk maken en realiseren van de transitie naar een selectievere visserij met minder bodemberoering, minder uitstoot en minder afval. Dit in evenwicht met een toekomstbestendig verdienpotentieel voor de sector. Met name de zuidelijke Noordzee kent hoge visserijopbrengsten. De ruimtedruk neemt hier sterk toe, vooral als gevolg van de uitbreiding van windparken. Daarnaast hebben het pulsverbod en mogelijk ook de Brexit grote gevolgen voor de visserijsector. De opgave is dan ook om bij het realiseren van een duurzame toekomst voor de visserij ook deze ontwikkelingen te betrekken. Tevens speelt bij visserij de vraag of en hoe functies gecombineerd kunnen worden. Is het bijvoorbeeld mogelijk om windparken te combineren met vormen van (sport)visserij en aquacultuur (kweek van zeewier, schaal- en schelpdieren en algen) of passieve visserij? En waar zijn er mogelijkheden voor aquacultuur zodat er productie mogelijk is van exclusieve en/of streekproducten? Verduurzaming van de visserijsector zet niet alleen in op gezonde visbestanden en het beperken van bodemberoering en broeikasuitstoot, maar ook op zaken als het beperken van het verlies van materiaal in de vorm van bijvoorbeeld netten of lood.

Rijksrol De rol van het Rijk in dit belang is de omslag naar een duurzame en toekomstbestendige visserij mogelijk te maken en de daarvoor benodigde voorwaarden te scheppen. Daarbij is het belangrijk dat het Rijk alert is op het bevorderen van het zo goed mogelijk combineren van de visserij met andere maatschappelijke opgaven.

64 | Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

3.3 Nationale Hoofdstuctuur Leefomgeving Toelichting bij de kaarten Nationale Hoofdstructuur Leefomgeving op land en zee De kaarten van de Nationale Hoofdstructuur Leefomgeving laten zien wat de op nationaal niveau structurerende elementen zijn waarvoor het Rijk verantwoording draagt (systeem- of resultaat­ verantwoordelijk), Met andere woorden op welke elementen de keuzes in de NOVI zich richten. Op de kaarten van de Nationale Hoofdstructuur Leefomgeving staan selecties uit alle ruimtelijke elementen van de nationale belangen. Alleen die elementen zijn opgenomen die op nationale schaal ruimtelijk structurerend zijn. De kaart beschrijft de situatie nu, de keuzes uit hoofdstuk 4 zijn nog niet opgenomen. In de Toelichting is per nationaal belang in beeld gebracht, waarvoor het Rijk verantwoordelijk is, wat de opgave en wat de huidige situatie is.

Nationale Omgevingsvisie | 65

Nationale Hoofdstructuur Leefomgeving (land) Hoofdstructuur voor transport van personen, goederen en energie

Economische clusters

Hoofdspoorwegennet

Grote haven- en/of industriegebieden

Hoofdwegennet

Greenports

Hoofdvaarwegennet (binnenvaart) Nationaal hoogspanningsnetwerk Netwerk van buisleidingen Luchthaven Grote haven- en/of industriegebieden Grote aanlandingspunten van windenergie van zee

Stedelijke hoofdstructuur Steden met nationale of regionale aantrekkingskracht en hun naastgelegen kernen

Landschappelijke hoofdstructuur Natuurnetwerk Nederland, Nationale Parken en Natura 2000-gebieden Werelderfgoed: Cultuur- en natuurlandschap

66 | Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

  Brainport

Water Primaire waterkering Zee, meren en grote rivieren (vaak onderdeel van landschappelijke hoofdstructuur)

Achtergrond Overige bebouwing Bebouwing, netwerken, natuur en water in het buitenland

Nationale Hoofdstructuur Leefomgeving (zee) Ruimte voor duurzame elektriciteit ¹ Bestaand windpark

Hoogspanningskabels en buisleidingen op zee

Beschermde natuurgebieden

 Bestaande kabel van windparken naar aanlandings­punten

KRM-gebied

Aangewezen windenergiegebied routekaart 2023

Internationale hoogspanningsverbinding

Natura 2000-gebied

Aangewezen windenergiegebied routekaart 2030

Toekomstige internationale hoogspanningsverbinding

Overig aangewezen windenergiegebied

Netwerk van buisleidingen

Mogelijk aan te wijzen beschermd natuurgebied op basis van Noordzeeakkoord

Aangewezen windenergiegebied in het buitenland (goedgekeurd/gepland/onder constructie) ²

Winning van oppervlaktedelfstoffen Vergund zandwingebied Zoekgebied voor zandwinning tot en met 2027 Reserveringsgebied voor zandwinning lange termijn

Defensie Militair oefengebied 3

Scheepvaart (Inter)nationale scheepvaarroutes Noordzee

Helicopterroutes (Inter)nationale helicopterroutes Noordzee

1 Zoals benoemd in de Routekaart Windenergie op Zee zal de zuidzijde van het gebied ‘IJmuiden Ver’ niet benut worden vanwege de (eventuele) aanwijzing van het deels overlappende gebied ‘Bruine Bank’ als Natura 2000-gebied. Ook zal er bij de verkaveling van de gebieden ‘IJmuiden Ver’ en ‘Hollandse Kust (west)’ rekening gehouden worden met het inpassen van een scheepvaartcorridor voor grotere schepen. Gebied ‘North Hinder’ zal niet worden benut om de bereikbaarheid van de Rotterdamse haven niet nadelig te beïnvloeden. ² De gegevens van windenergiegebieden/windparken op zee zijn afkomstig van Dienst Continentaal Plat België, Bundesamt für Seeschifffahrt und Hydrographie (Duitsland) en aangevuld met gegevens van EMODnet en 4coffshore. ³ De onveilige zone bij Petten wordt binnenkort, conform Rijksstructuurvisie Windenergie op Zee – Aanvulling Hollandse Kust (2016), nog gedraaid.

Nationale Omgevingsvisie | 67

3.4 Van opgaven naar prioriteiten Om scherp aan te kunnen geven welke opgaven er zijn voor de leefomgeving van Nederland, is het verstandig deze apart van elkaar te benoemen. Daarom zijn deze in de voorgaande paragrafen los van elkaar beschreven. We moeten ons daarbij realiseren dat de verschillende opgaven elkaar in veel gevallen raken, zeker als deze in specifieke gebieden neerslaan. Opgaven kunnen veelal niet apart van elkaar worden aangepakt. Als een samenhangende, integrale aanpak nodig is, over de sectoren heen, vraagt dit een andere inzet. Daar wordt het belang van de ‘NOVI-aanpak’ zichtbaar. Zo moeten we bijvoorbeeld meer woningen bouwen en tegelijkertijd de bereikbaarheid en leefbaarheid in steden verbeteren. We willen de landbouwsector sterk houden en tegelijkertijd de milieudruk verminderen, de biodiversiteit herstellen en het landelijk gebied geschikt maken voor een CO₂-neutrale energievoorziening.

Vier prioriteiten De samenhang tussen opgaven manifesteert zich rond vier prioriteiten. Dat zijn complexe, omvangrijke en dringende opgaven die voortkomen uit of samenhangen met grote transities. Politieke en maatschappelijke keuzes zijn vooral daar nodig, om op deze prioriteiten voortgang te boeken op een manier die draagvlak heeft en bijdraagt aan de kwaliteit van de leefomgeving.

1. Ruimte maken voor klimaatadaptatie en energietransitie De klimaatverandering, de energietransitie en de afspraken uit het Klimaatakkoord22 hebben een grote invloed op de fysieke leefomgeving en vragen om afwegingen en vergaande keuzes in de inrichting van onze fysieke leefomgeving (zowel boven- als ondergronds). De maatregelen om de negatieve gevolgen van de klimaatverandering op te kunnen vangen en de energietransitie te realiseren, moeten worden ingepast, terwijl er ook grote druk op de ruimte is vanuit andere opgaven en belangen. Daarom is het belangrijk dat de mogelijkheden voor energiebesparing worden benut.

2. Duurzaam economisch groeipotentieel Vanuit onze sterke internationale concurrentiepositie moeten we werk maken van een nieuw (duurzaam en circulair) sociaaleconomisch verdienmodel en blijven zorgen voor een excellent vestigingsklimaat met een aantrekkelijke, veilige en gezonde leefomgeving en voldoende fysieke ruimte voor bedrijvigheid. Ontwikkelingen voor een duurzaam en concurrerend vestigingsklimaat vragen om een aanpak in samenhang met opgaven als woningbouw, bereikbaarheid, landschap, energietransitie, milieu, gezondheid, welvaart en welzijn.

68 | Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

3. Sterke en gezonde steden en regio’s Het voorzien in een aantrekkelijke omgeving om in te wonen, werken en ontspannen vraagt om keuzes vanuit een brede afweging: samenhang met bereikbaarheid, gezondheid en veiligheid, klimaatadaptatie, versterking en instandhouding van culturele waarden en verduurzaming van de gebouwde omgeving. Zeker omdat het niet alleen gaat om de beschikbaarheid van voldoende woningen van hoge kwaliteit, maar vooral ook omdat we een aantrekkelijke woonomgeving willen realiseren. Gestreefd wordt naar steden en regio’s als gezonde habitat, waarin zoveel als nodig en mogelijk functies worden gecombineerd.

4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Natuurlijke systemen en landschap staan in bepaalde regio’s onder druk. Tegelijkertijd zijn er veel opgaven in het landelijk gebied zoals transitie van de landbouw, de energietransitie, klimaatadaptatie, natuurherstel, bodemdaling en verdergaande verstedelijking. Een toekomstbestendige ontwikkeling vraagt een verantwoorde herinrichting van het landelijk gebied en een verbetering van de milieukwaliteit. De NOVI is erop gericht om voor deze vier prioriteiten de nationale beleidskeuzes (op strategisch niveau) zo scherp mogelijk te formuleren. Dit met het oog op de lange termijn én de urgenties op de kortere termijn. Waarbij we belangen zorgvuldig afwegen, met behulp van drie afwegingsprincipes (zie 4.1). Waar keuzes op nationaal niveau in de NOVI zelf niet of nog niet scherp gemaakt kunnen worden of waar dit niet verstandig is, wordt richting gegeven aan decentrale keuzes via voorkeursvolgordes of strategieën en/of aangegeven welk (regionaal) proces geëigend is om dat in het verlengde van de NOVI later te doen. Binnen deze vier prioriteiten zal aandacht zijn voor de onderlinge verwevenheden en spanningen daartussen en voor thema’s en opgaven die daar dwars doorheen lopen, zoals leefomgevingskwaliteit, gezondheid, cultureel erfgoed, water, bodem en (nationale) veiligheid.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leidschendam&id=783635bf-5c62-4d5d-a9fc-82971587bcc3