CConstaterende datLeidschendam-Voorburg
Koppel je AI →
Document · PDF

2984-05 Bijlage 02 toelichting, Nationale Omgevingsvisie

Raadsvergadering 17 januari 2023, gemeente Leidschendam-VoorburgBij agendapunt: Raadsvoorstel :Vaststellen herstelbesluit bestemmingsplan Stedelijk38.214 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 5

Bijlage: 2

Nationale Omgevingsvisie Duurzaam perspectief voor onze leefomgeving

Inhoudsopgave

Samenvatting 4 1. 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6 1.7

Over de Nationale Omgevingsvisie   9 De urgentie is hoog; perspectief voor Nederland   9 Nieuwe visie, nieuwe aanpak   10 Anders kijken, anders kiezen   11 Reikwijdte en positionering   12 Samenwerking en uitvoering   13 Totstandkoming 14 Opbouw van de NOVI   16

2. 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6

Toekomstperspectief   19 Een klimaatbestendige delta   22 Duurzaam, concurrerend en circulair   24 Kwaliteit van leven in stedelijke en landelijke regio’s   27 Nabijheid en betrouwbare verbindingen   30 Veilig en gezond, herkenbaar en natuurlijk   33 Het vizier op 2050   37

3. 3.1 3.2 3.3 3.4

Nationale belangen en opgaven in de fysieke leefomgeving   45 Betekenis nationale belangen   45 Nationale belangen en opgaven   46 Nationale Hoofdstuctuur Leefomgeving   65 Van opgaven naar prioriteiten   68

4. 4.1 4.2

Richting geven op prioriteiten   71 Omgevingsinclusief beleid: afwegingsprincipes   71 Van prioriteiten naar beleidskeuzes   76 4.2.1 Prioriteit 1 Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie   76 4.2.2 Prioriteit 2 Duurzaam economisch groeipotentieel   90 4.2.3 Prioriteit 3 Sterke en gezonde steden en regio’s   108 4.2.4 Prioriteit 4 Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied   135

5. 5.1 5.2

Samenwerking en uitvoering   159 Hoe werken we samen   159 Hoe gaan we de NOVI uitwerken en uitvoeren   162

Samenvatting Voor u ligt de Nationale Omgevingsvisie, de NOVI, waarin het Rijk een langetermijnvisie geeft op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. In Nederland staan we voor een aantal urgente maatschappelijke opgaven, die zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal spelen. Grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. We hebben een lange traditie van ons aanpassen. Deze opgaven benutten we om vooruit te komen en tegelijkertijd het mooie van Nederland te behouden voor de generaties na ons. Met de NOVI bieden we een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken, om samen ons land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Omgevingskwaliteit is het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. Met inachtneming van maatschappelijke waarden en inhoudelijke normen voor bijvoorbeeld gezondheid, veiligheid en milieu. In dat samenspel van normen, waarden en collectieve ambities, stuurt de NOVI op samenwerking tussen alle betrokken partijen. De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk.

Met steeds een zorgvuldige afweging van belangen werken we aan onze prioriteiten: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie, een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel, sterke en gezonde steden en regio’s en een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Het duurzaam vernieuwen van Nederland is een proces van de lange adem. Tegelijkertijd doet de actualiteit een beroep op ons vermogen snel in te spelen op ontwikkelingen in de samenleving. De COVID-19-pandemie, bijvoorbeeld, laat ons zien hoe kwetsbaar we zijn. Op dit moment werkt het kabinet aan een economisch herstelbeleid. Het is van belang dat dit herstelbeleid ook onze doelen op het terrein van leefomgevingsbeleid voor de langere termijn dient. Het oplossen van problemen op de korte termijn komt zo in lijn met de strategische visie zoals in de NOVI verwoord. Dat geeft mogelijkheden zogenoemde ‘synergiekansen’ te benutten. Bijvoorbeeld door te kiezen voor herstelmaatregelen die niet alleen bijdragen aan gezondheid, maar ook aan de verduurzaming en kwaliteit van de leefomgeving. Voor de vier bovengenoemde NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn, die in de praktijk voortdurend op elkaar inspelen: 1. Zo kennen we in Nederland nu al langere periodes van droogte.

Dit maakt het urgent dat we het watergebruik beter gaan afstemmen op het beschikbare water en dat we water langer vasthouden. Dit is een voorbeeld van de noodzakelijke keuzes die nu al nodig zijn en die een grote impact op de fysieke leefomgeving hebben. Functies die gebruik maken van de fysieke leefomgeving moeten meer worden afgestemd op de eigenschappen van het bodem-watersysteem. Deze keuzes dragen bij aan een klimaatbestendige inrichting in 2050, waarmee we Nederland voorbereiden op klimaat­ verandering en zeespiegelstijging. Neem ook de energietransitie: die vraagt nu al keuzes waarbij we rekening houden met effecten op de lange termijn. Op zee zoeken we ruimte voor windmolens. Het onlangs gesloten akkoord voor de Noordzee toont dat hierbij ook veel andere belangen spelen. Op land schiet de hoofdinfrastructuur voor transport en opslag van duurzame energie in gebieden soms nu al tekort. Naar 2050 toe neemt het aandeel duurzame energie alleen maar toe. Dan zijn veel meer aanpassingen aan de infrastructuur voor energie nodig. Ook de opgave voor ruimte voor de bronnen van duurzame energie zelf is groot. In de NOVI geven we daarom richtingen mee die bij inpassing van energieinfrastructuur aandacht vragen voor de kwaliteit van de leefomgeving.

4 | Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

2. In het kielzog van de COVID-19-pandemie werken we hard om de gevolgen voor onze economie zoveel als mogelijk te beperken. Dat vraagt op de korte termijn om ongekende overheidsingrepen en investeringen. De kunst is om interventies en investeringen ook ten goede te laten komen aan onze ambitie voor de lange termijn: het duurzaam en circulair maken van onze economie en energie­voorziening en het versterken van de kwaliteit van onze leefomgeving. Bij de locaties van kantoren, bedrijventerreinen, grootschalige logistieke functies en datacentra houden we naast de vraag van bedrijven en economische vitaliteit, de aansluiting op het verkeers en vervoersnetwerk, het elektriciteitsnetwerk rekening met de aantrekkelijkheid en kwaliteit van stad en land. We zetten daarbij in op actieve clustering van (grootschalige) logistieke functies op logistieke knooppunten langs (inter)nationale corridors. 3. Met de NOVI bouwen we aan sterke, aantrekkelijke en gezonde steden. We werken aan de verdere ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland. Daar willen we naartoe groeien en een goed bereikbaar netwerk van steden en regio’s realiseren. De grote actuele woningbehoefte vraagt tege­lijkertijd om oplossingen op korte termijn. Het kabinet heeft voor de korte termijn daarom een pakket aan maatregelen voorgesteld om de woningbouw een nieuwe, stevige impuls te geven.

De locaties bevinden zich in het Stedelijk Netwerk Nederland. De ontwikkeling vindt plaats in lijn met de ambities van de integrale verstedelijkingsstrategie, zo veel mogelijk in bestaand stedelijk gebied, klimaatbestendig en natuurinclusief. Grote open ruimten tussen de steden houden hun groene karakter. Het aanbod en de kwaliteit van het groen in de stad worden versterkt en de aansluiting op het groene gebied buiten de stad wordt verbeterd. De COVID-19 crisis onderstreept extra het grote belang van een goede inrichting van de openbare ruimte. 4. De stikstofproblematiek raakt zowel het landelijk gebied als diverse economische sectoren zwaar. De waarde van onze natuur, het landschap én de toekomst van de landbouw staan onder druk. Daarbij is verbetering van de biodiversiteit niet alleen een ecologische, maar nadrukkelijk ook een economische uitdaging, die op de korte termijn om een doortastende aanpak vraagt. Houdbare oplossingen vragen echter tijd. Voor de lange termijn werken we daarom aan geleidelijke en zorg­ vuldige herindeling van het landelijk gebied, onder meer gericht op kringlooplandbouw in goed evenwicht met natuur en landschap. Dit draagt bij aan een landelijk gebied waar het prettig wonen, werken en recreëren is en waarin ruimte is en blijft voor economisch vitale landbouw als belangrijke drager van het platteland.

Kortom, we pakken opgaven aan en blijven strategisch werken aan de opgaven voor de langere termijn. Met al onze ambities vragen we veel van onze leefomgeving. Een scala van belangen en claims moet een plek vinden op de ruim 41.000 vierkante kilometer oppervlakte van Nederland. Niet alles kan en niet alles kan overal. Dat kan soms knellen. De vraag is hoe we kansen verzilveren en eventuele bedreigingen het hoofd willen bieden: wat is nodig om onze ambities te verwezenlijken? Het Rijk moet en wil in dit proces het voortouw nemen. Schaarste betekent dat we moeten kiezen. Vanuit de NOVI geeft het Rijk kaders en richting voor zowel nationale als decentrale keuzes. Let wel: het Rijk eigent zich geen centraliserende rol toe. Integendeel, de verantwoordelijkheid ligt bij alle partijen gezamenlijk. Vanuit het Rijk streven we naar regie op het samenspel en regie bij het bewaken van onze nationale belangen. Dilemma’s gaan we niet uit de weg. We creëren kansen, juist door samen met ambitie aan de slag te gaan. Kansen om de kwaliteit van onze leefomgeving te verbeteren. En zo ook kansen om sociale samenhang en economisch herstel te bevorderen en kansen om schone, veilige en duurzame technieken – die bijdragen aan de beoogde transitie naar een duurzame en circulaire samenleving – stevig te verankeren in onze manier van leven en werken.

Nationale Omgevingsvisie | 5

We benoemen wel duidelijk de nationale belangen, maken nationale keuzes, geven richting aan decentrale afwegingen én we werken gebiedsgericht. Met de NOVI willen we in concrete gebieden tot keuzes komen. We willen doen wat goed is voor heel Nederland en wat tegelijkertijd recht doet aan de eigenheid van de regio’s. Want heel Nederland doet ertoe. Bovenstaande vergt een goed samenspel tussen Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten, maar ook tussen overheden en bedrijven, maatschappelijke instellingen en burgers. Vanuit al deze partijen is daarom al intensief meegedacht bij de totstandkoming van de NOVI. Bij de uitvoering van de NOVI, bijvoorbeeld in de Omgevingsagenda’s en de Regionale Investeringsagenda’s, zetten we de samen­ werking voort. Centraal bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als van de ondergrond. We spreken hier over ‘omgevingsinclusief’ beleid. De NOVI onderscheidt daarbij drie afwegingsprincipes: 1) Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies, 2) Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal, en 3) Afwentelen wordt voorkomen. Het Rijk zal bij de uitvoering van de NOVI zichtbaar maken hoe de omgevingsinclusieve benadering vorm krijgt en de afwegingsprincipes benut worden.

Regie betekent ook dat we richting meegeven aan afwegingen door andere overheden, met zogenaamde voorkeursvolgorden. Concreet voorbeeld: onze voorkeur gaat uit naar de plaatsing van zonnepanelen op daken en gevels van gebouwen, maar lukt dat niet, dan komen onbenutte stukken grond binnen de bebouwde omgeving in aanmerking. Wanneer ook dat geen optie is, richten we onze blik op het landelijke gebied. Met de NOVI geeft de Rijksoverheid zo richting aan een toekomstbestendige ontwikkeling van onze leefomgeving zonder een blauwdruk op te leggen. Met alle partners gezamenlijk zullen we steeds weer moeten kijken hoe we het beste kunnen inspelen op actuele ontwikkelingen: de NOVI is een cyclisch en adaptief proces. Vandaar de monitoring die is gekoppeld aan dit visiedocument. De NOVI gaat vergezeld van een Uitvoeringsagenda, waarin staat aangegeven hoe het Rijk invulling geeft aan zijn rol bij de uitvoering van de NOVI. In de Uitvoeringsagenda vindt u onder andere een overzicht van instrumenten en (gebiedsgerichte) programma’s op de verschillende beleidsterreinen. De Uitvoeringsagenda zal, indien nodig, jaarlijks worden geactualiseerd. Transport, industrie, woningbouw, mobiliteit, detailhandel en agrarische bedrijvigheid: klimaatadaptatie, de energietransitie, de transitie naar een circulaire economie en de stikstofproblematiek raken ons allemaal en overal in Nederland.

Ondergronds en bovengronds, land en zee, stad en landelijk gebied zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. De nieuwe werkwijze van de NOVI is in feite een oproep tot cultuurverandering; om te komen tot een samenhangende en inspirerende kijk op onze leefomgeving. Onderweg naar 2050 gaat Nederland functioneren als een netwerk van onderling goed met elkaar verbonden steden en regio’s, gedragen door een snel, duurzaam en comfortabel mobiliteits- en transportsysteem. Tegelijkertijd zullen in steden en dorpen wonen, werken, natuur, landschap en voorzieningen gaandeweg veel meer met elkaar verweven raken. We wonen dichter bij ons werk en kunnen meer thuis werken, er is meer groen in onze directe woonomgeving en we lopen en fietsen meer. Vraagstukken rondom digitalisering en mobiliteit/ bereikbaarheid zijn hiermee nauw verbonden. Waar we ook in Nederland wonen, onze belangen zijn nauw met elkaar verbonden en overstijgen vaak het lokale domein. Tegelijkertijd bepaalt de kwaliteit van onze dagelijkse leefomgeving onze kijk op de grote vraagstukken van onze tijd.

6 | Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Met de NOVI presenteert het Rijk een integrale, op samenwerking gerichte aanpak. Een gebiedsgericht afwegingskader en sturende visie in één, waarbinnen we gezamenlijk optimaal kunnen werken aan het behoud van een gezond, leefbaar en economische sterk Nederland.

Nationale Omgevingsvisie | 7

1. Over de Nationale Omgevingsvisie Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven, zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie, die ook nog eens nauw met elkaar verweven zijn. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee we keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter kunnen maken. Het Rijk neemt het voortouw in deze gezamenlijke opgave, door het geven van richting op grote opgaven en regie op goed samenspel, zowel publiek als publiek/privaat. Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) komen we tot een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving.

1.1

De urgentie is hoog; perspectief voor Nederland

De grote ontwikkelingen en opgaven die voor ons liggen, vragen om een nieuw perspectief voor Nederland. Zij leggen druk op de leefomgeving en de beschikbare ruimte en vragen om nieuwe afwegingen van verschillende belangen met oog voor de lange termijn.

Duurzaam & gezond Uitdagingen liggen er niet alleen op de lange termijn, maar ook al in de komende jaren. We vragen veel van onze leefomgeving. We willen duurzaam met onze planeet omgaan. We willen een schone, gezonde, herkenbare en veilige omgeving en tegelijkertijd een bloeiende economie. De COVID-pandemie en de gevolgen daarvan tonen de behoefte hieraan des te meer aan. We hebben ruimte nodig om te wonen, werken, produceren, (ver)bouwen en ons te verplaatsen. We willen leren, spelen, recreëren, ontspannen, bewegen en sporten. We willen de bereikbaarheid en de kwaliteit van de leefomgeving verbeteren. We willen zorgen voor veiligheid tegen overstromingen, bescherming tegen gevaren van risicovolle productie en activiteiten. We willen ruimte bieden aan natuur, landschap en water en werken aan gezonde woon-, werk- en leefomstandigheden. Hoe stemmen we al die wensen op elkaar af? Hoe kunnen we de kwaliteit van onze leefomgeving verder versterken? Hoe maken we ruimtelijke keuzes die ons niet alleen voor nu helpen maar ook houdbaar zijn op de langere termijn? Hoe zorgen we dat we een Nederland houden, waarin we ook in 2050 graag willen wonen en werken? Belangrijke vragen die ons allemaal raken.

Sterke traditie Onze kennis, ervaring en ambitie geven ons het vertrouwen en de energie om de nieuwe uitdagingen met verve op te pakken. Met het inrichten van de leefomgeving heeft Nederland een sterke traditie. We zijn van oudsher gewend ons aan te passen aan de omstandigheden, vaak met technische ingrepen. Steeds meer komen we erachter dat hier grenzen aan zijn en dat het met het oog op de toekomst zinvol is om ‘mee te bewegen’ met de natuurlijke processen. Met de NOVI zetten we deze traditie voort, met gebruik van nieuwe inzichten en bouwen we door aan een mooi, duurzaam en sterk Nederland, dat klaar is voor de toekomst. Met volle aandacht voor gezondheid, milieu, duurzaamheid, economische kracht en kwaliteit van leven en leefomgeving. We zijn realistisch: met deze visie geeft het Rijk de hoofdlijnen van de gewenste kwaliteit van de leefomgeving, de voorgenomen ontwikkeling en het te voeren beleid. Waar we nu verstandig richting kunnen bepalen, doet het Rijk dat. Veel keuzes vragen om nadere afwegingen in regio’s, soms op een

Nationale Omgevingsvisie | 9

later moment. Waar nodig zal het Rijk de regie voeren en de richting bepalen. De NOVI is dan ook geen statische beleidsnota, maar eerder een plan van aanpak voor de komende jaren, dat we gedurende het proces steeds kunnen aanpassen, aanvullen en versterken.

1.2 Nieuwe visie, nieuwe aanpak Geïntegreerd De NOVI staat voor een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. De opgaven zijn groot, veelzijdig en veelal met elkaar verweven. Sectorale doelen zijn in veel situaties niet meer haalbaar met een sectorale aanpak. Dit vraagt om het vinden van oplossingen, waarbij ruimte voor economische ontwikkeling, mobiliteit, reductie van stikstofemissies, wonen en herstel van biodiversiteit zoveel mogelijk hand in hand gaan, én waarbij ook onder ogen moet worden gezien dat niet alles kan in ons land, zonder dat dit beperkingen voor iets of iemand oplevert. Dit maakt een nieuwe, meer geïntegreerde werkwijze noodzakelijk. Daarbij spelen een aantal uitgangspunten een belangrijke rol. We benutten heel Nederland, bezien de boven- en ondergrond in samenhang en hanteren de dubbeldoelstelling van ontwikkelen én beschermen. De aanpak van de NOVI gaat uit van de nationale belangen die in de leefomgeving aan de orde zijn, en de opgaven die daaruit zijn afgeleid. Zo adviseert het Adviescollege Stikstofproblematiek1 bij het vinden van oplossingen uit te gaan van de grote transities om te zorgen voor een meer integrale afweging. Waar op deze opgaven een geïntegreerde aanpak noodzakelijk is, geeft de NOVI richting. Op andere onderwerpen wordt naar sectoraal beleid verwezen.

Dit onderscheid is niet altijd makkelijk te maken en kan door de tijd heen bovendien wijzigen. Daarom is de NOVI continu aanpasbaar.

Regie De oplopende druk op de fysieke leefomgeving vraagt om scherpe en fundamentele keuzes. Ook vraagt zij om meer regie vanuit het Rijk om richting te geven aan de toekomstige fysieke leefomgeving van Nederland. Zo kunnen we in ons land in de toekomst een gezonde en veilige leefomgeving én ruimte voor verdere groei van onze welvaart realiseren. In een blijvend goede balans tussen economie en natuurlijke waarden. Meer regie vanuit het Rijk betekent niet het centraliseren van taken en verantwoordelijkheden; wel het geven van richting op grote opgaven en regie op goed samenspel, zowel publiek als publiek/privaat. Kortom: Het Rijk neemt het voortouw in deze gezamenlijke opgave. Het betekent ook kiezen voor samenwerking tussen overheden, anders gezegd: het werken als één overheid (vanuit het stelsel van de Omgevingswet).

Samenwerking Samenwerking bij het maken van de keuzes is dus cruciaal. Nederland is als open economie sterk ingebed in Noordwest-Europa en de rest van de wereld. Als het om grensoverschrijdende opgaven gaat, werken we samen met onze internationale partners, zowel met onze directe buren als met andere landen in Europa en over de wereld. Binnen de landsgrenzen werkt de Rijksoverheid samen met medeoverheden, maatschappelijke organisaties en burgers. Het proces van de NOVI brengt samenhang in de aanpak op (inter)nationaal, provinciaal en gemeentelijk niveau.

Gebiedsgericht In toenemende mate komen opgaven in de regio samen en worden daar concrete keuzes gevraagd. Opgaven kunnen beter worden vervuld naarmate de gezamenlijke overheden (Rijk, provincie, waterschappen, gemeenten) meer gebiedsgericht werken en daarin meer als één overheid opereren, en samen optrekken met bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en de inwoners van dit land. We verbreden daarom de bestaande Gebiedsagenda’s tot Omgevingsagenda’s en leggen daarin de gebiedsgerichte opgaven landsdekkend vast over de volle breedte van de NOVI. Zo komen we tot een breed gedragen aanpak, die de gemeentelijke en provinciale omgevingsvisies aan de NOVI koppelt.

1

Adviescollege Stikstofproblematiek, Niet alles kan. Amersfoort, 2019.

10 | Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

In een aantal gebieden met grote opgaven en complexe problematiek bieden de (institutionele) kaders onvoldoende ruimte voor goede oplossingen. Daarom zijn acht voorlopige NOVI-gebieden benoemd (zie hoofdstuk 5). In goede afstemming met lopende trajecten kijken Rijk en regio gezamenlijk naar mogelijke oplossingen voor deze gebieden, die de huidige kaders ter discussie durven te stellen.

1.3 Anders kijken, anders kiezen Kenmerken en identiteit De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat botsende belangen veelal niet los van elkaar kunnen worden opgelost. De onderlinge afhankelijkheden zijn daarvoor te groot. Het streven is combinaties te maken en belangen waar mogelijk te koppelen (win-win). Dit kan niet altijd en overal, er zijn soms ook scherpe keuzes nodig. Hierbij kijken we niet zozeer naar de functies, en hoe we die stuk voor stuk in het land ‘kwijt’ moeten, maar naar de specifieke kenmerken, identiteit en ontstaans­ geschiedenis van gebieden. Wat zijn de economische pijlers van een gebied en wat is de huidige leef­ omgevingskwaliteit (waaronder natuur, cultureel erfgoed, milieu, landschappelijke schoonheid)? Hoe staat het met bodem, water en lucht? Wat is de huidige inrichting? Waar wordt gewoond, gerecreëerd en gewerkt, hoe verplaatsen mensen zich? Hoe zijn bewoners georganiseerd en welke maatschappelijke initiatieven leven er? Het gaat bij het zoeken naar oplossingen en het maken van keuzes om de eigen kracht en uitgangspunten van gebieden te versterken. Veel nationale belangen en opgaven grijpen in of maken gebruik van de eigenschappen van het bodemwatersysteem en het daarin aanwezige natuurlijke kapitaal in de vorm van draagkracht, grondwater, bouwgrondstoffen en mijnbouwdelfstoffen.

Het efficiënt, veilig en duurzaam gebruik van het bodemwatersysteem is noodzakelijk om alle nationale belangen in voldoende mate te kunnen bedienen en werkt in die nationale belangen ook door. Meer dan voorheen worden functies dáár neergelegd waar ze passen bij de natuurlijke eigenschappen en karakteristieken van het bodem-watersysteem. Anders kijken, anders kiezen

Afwegen Bij afweging van belangen kijken we naar maatschappelijke waarden, waaronder kosten en baten. De uitdaging is de leefomgeving zo in te richten, dat functies elkaar waar mogelijk versterken, zich kunnen ontwikkelen en elkaar zo min mogelijk in de weg zitten en voldoende tot hun recht komen. Zo kunnen we met elkaar een goede leefomgevingskwaliteit realiseren, zonder onnodige en onverantwoorde afwenteling naar andere gebieden of toekomstige generaties. Voor overheden geldt dat kosten en investeringen ingepast zullen moeten worden binnen de budgetten, die daar op het moment van besluitvorming voor zijn.

Nationale Omgevingsvisie | 11

1.4 Reikwijdte en positionering Instrument van Omgevingswet De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. De NOVI komt als structuurvisie uit onder de bestaande Wet ruimtelijke ordening (WRO). Het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4, 2001) en de Rijksnatuurvisie 2014 gaan op in en worden vervangen door de NOVI en het bijbehorende Nationaal Milieubeleidskader. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vervalt geheel, behalve paragraaf 4.9 Caribisch Nederland en Caribische Exclusieve Economische Zone. De NOVI geldt verder als wijziging van enkele onderdelen van het Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP) op grond van de Waterwet. Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als een omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. De Omgevingswet geeft aan de NOVI mee dat deze ‘met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht is op het in onderlinge samenhang: (a) bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit2 en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften’.3

Fysieke leefomgeving De NOVI is de eerste integrale nationale beleidsvisie conform de Omgevingswet en hanteert dan ook dezelfde brede opvatting van het begrip fysieke leefomgeving: de natuurlijke omgeving met grote wateren en natuurlandschappen, agrarische cultuurlandschappen, de gebouwde omgeving met steden, dorpen, bedrijventerreinen, netwerken en infrastructuur voor het verkeer van personen, goederen, data, stoffen en energie, en het cultureel erfgoed. De ontwikkeling van de leefomgeving moet zo veel als mogelijk in balans zijn met bescherming van waarden als gezondheid, veiligheid, landschap, natuur, cultureel erfgoed, leefomgevingskwaliteit en milieukwaliteit. De fysieke leefomgeving is verweven met de sociale leefomgeving. Naast de ruimtelijk-functionele indeling van de leefomgeving gaat het ook om de activiteiten die een effect hebben op de leefomgeving in brede zin, waaronder het milieu, water, bodem, lucht en het natuurlijk kapitaal. Boven- en ondergrond zijn daarbij onlosmakelijk met elkaar verbonden. De opgaven vragen om een aanpak op korte, middellange en lange termijn. Voor de ontwikkelingen en aanpak proberen we vooruit te kijken naar 2050. Daarbij maken we gebruik van de (sectorale) doelen die al eerder door het kabinet voor het jaar 2050 zijn neergezet.4 Waarbij duidelijk is dat veel doelen op de lange termijn al in de komende jaren vragen om handelen.

Echter, we willen voorkomen dat met het stellen van tussentijdse doelen de langetermijnambities verwateren. Alles wat we doen op de korte en middellange termijn, moet ook bijdragen aan de realisatie van de doelen voor 2050.

Nationaal en internationaal De NOVI is gericht op de nationale schaal, waarbij het conform de Omgevingswet gaat om Europees Nederland inclusief de territoriale wateren, exclusief het Caribisch deel van ons Koninkrijk. Inhoudelijk beperkt de visie zich niet tot Nederland. We vertalen in de NOVI en daaraan gerelateerde programma’s, de relevante internationale regels en afspraken. Veel vraagstukken vragen een grensoverschrijdende aanpak. Afspraken over vliegen en varen maken we bijvoorbeeld al langer in EU-verband en wereldwijd aan internationale tafels (ICAO5, IMO6). Ook over riviermanagement maken we al langer afspraken met België, Frankrijk, Zwitserland, Duitsland en Luxemburg voor bijvoorbeeld het gehele stroomgebied van de Rijn of de Maas. Op diverse andere terreinen vraagt direct grensoverschrijdende samenwerking om inzet. Woning- en arbeidsmarkten laten zich niet beperken door administratieve grenzen. De samenhang met Vlaanderen

2 3 4 5 6

In de NOVI gebruiken we het bredere begrip leefomgevingskwaliteit. Omgevingswet, Den Haag 2016. Zie TK 34682, nr. 1; TK 34682 nr. 3; TK 34682, nr. 6. International Civil Aviation Organization (ICAO). International Maritime Organization (IMO).

12 | Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

is op deze terreinen steeds groter. De toenemende woon-werkstromen tussen Nederland en Vlaanderen, maar ook het samengaan van de havens van Vlissingen en Terneuzen met die van Gent, laten dit zien. Ook met de Duitse deelstaten Nedersaksen en Noordrijn-Westfalen nemen de relaties toe. Het uitbouwen daarvan is essentieel voor de grensoverschrijdende mogelijkheden van onze inwoners en het functioneren van ons land.

1.5 Samenwerking en uitvoering De NOVI-aanpak is gebaseerd op brede maatschappelijke betrokkenheid en inzet van overheden, burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen. Partners in de samenleving dragen actief bij aan het verbeteren van de leefomgeving en het verduurzamen van de manier waarop we wonen, werken en recreëren. Dit vraagt een Rijksoverheid die samenwerkt en faciliteert waar wenselijk en nodig, en regisseert en richting geeft waar het moet.

Verantwoordelijkheid Het beleid in de leefomgeving is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de betrokken overheden. De NOVI geeft aan waar het Rijk zich op nationale schaal aan bindt, waar het regie voert richting medeoverheden of waar het juist aan de medeoverheden is om keuzes te maken. Provincies en (samenwerkende) gemeenten zullen in hun omgevingsvisies uiting geven aan hun eigen verantwoordelijkheid en keuzes in de fysieke leefomgeving. Medeoverheden, burgers en bedrijven, zijn niet direct juridisch aan de visie in de NOVI gebonden, maar wel aan de daaruit volgende regels en normen. Het is belangrijk dat de omgevingsvisies van Rijk, provincies en gemeenten waar nodig op elkaar aansluiten. Het draagt bij aan de onderbouwing van keuzes die de overheid maakt, als de bestuurslagen oog hebben voor elkaars wensen en doelen.

Goed bestuur De sturingsfilosofie van de Omgevingswet is gebaseerd op vertrouwen, waarbij gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de fysieke leefomgeving van groot belang is voor het opstellen van een omgevingsvisie. Goed bestuur betekent dat medeoverheden rekening houden met de NOVI en dat het Rijk bij het opstellen van de NOVI rekening houdt met het beleid van medeoverheden. In de uitvoering moet ook duidelijk worden welke verantwoordelijkheid bedrijven, burgers en maatschappelijke partijen willen en kunnen hebben voor de kwaliteit van de leefomgeving. Om de samenwerking met de medeoverheden te bekrachtigen, wordt op basis van de vastgestelde NOVI toegewerkt naar Samenwerkingsafspraken.

Omgevingsrecht De NOVI is één van de instrumenten van het nieuwe stelsel voor omgevingsrecht. De visie vormt één geheel met andere instrumenten, zoals de algemene regels, de programma’s en de omgevingsvergunning. Deze instrumenten kunnen niet los gezien worden van andere (sectorale) beleidsinstrumenten om de gestelde doelen richting 2050 te realiseren. Keuzes die in de NOVI worden gemaakt, zullen vervolgens worden doorvertaald in investeringsbeslissingen, programma’s en waar nodig in regelgeving. Deze NOVI is de eerste visie vanuit het gedachtegoed van de toekomstige Omgevingswet. De visie is daarmee nadrukkelijk breder dan eerdere beleidsplannen en (structuur)visies, die veelal primair een facet (bijvoorbeeld ruimte, bodem of milieu) of een sector (bijvoorbeeld landbouw of mobiliteit) bestreken.

Strategisch verbinden We markeren met deze eerste integrale NOVI het begin van een groeitraject. Het verschijnen van de NOVI betekent niet het einde van andere nota’s en visies die de fysieke leefomgeving betreffen. Waar deze beleidskaders naast een sectorale, ook om een integrale benadering vragen, zullen deze worden gekoppeld aan het doorgaande NOVI-proces. Vanwege de omvang en breedte van de fysieke leefomgeving kunnen niet alle onderwerpen volledig worden uitgediept. Bestaande nota’s en beleidsterreinen worden in de NOVI op strategisch niveau verbonden. Op dat niveau geeft het Rijk richting, maar in veel gevallen is nog gebiedsgerichte en/of programmatische uitwerking nodig. De NOVI biedt daarvoor het kader.

Nationale Omgevingsvisie | 13

Zo benoemt het kabinet in het aan de NOVI gerelateerde Nationaal Milieubeleidskader7 een aantal bouwstenen die nodig zijn om de ambities op het gebied van milieu nader vorm te geven en uit te werken. De NOVI blijft daarbij in ontwikkeling en kan worden aangepast als de omstandigheden daarom vragen.

Uitvoeringsagenda Samen met de NOVI wordt een Uitvoeringsagenda uitgebracht. Daarin wordt inzichtelijk gemaakt hoe we uitwerking geven aan de NOVI, welke inzet Rijk en regio nu al plegen en welke (gezamenlijke) acties de NOVI daaraan toevoegt.

1.6 Totstandkoming Maatschappelijke betrokkenheid We hebben in de opstartfase van de NOVI vele werkplaatsen georganiseerd om ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving, ervaringen en ambities op te halen. In de fasen daarna hebben we verdiepings­ sessies met experts en gebiedsdialogen in het land gehouden. Om het burgerperspectief boven tafel te krijgen, hebben we onder meer een publieksonderzoek uitgevoerd, waarbij naast een online enquête, ook op verschillende plekken in Nederland focusgroepen zijn georganiseerd. Ook hebben we de opvattingen van kinderen en jongeren gepeild.8,9 In de realisatiefase om tot de ontwerp-NOVI te komen, hebben we met bestuurlijke en maatschappelijke partijen diverse ‘botsproeven’ georganiseerd, om te bezien waar de ingeslagen richting en nationale belangen kunnen conflicteren en welke oplossingen hiervoor mogelijk zijn. Na de publicatie van de ontwerp-NOVI vond op verschillende manieren maatschappelijk debat plaats. Uit de ingediende zienswijzen op het ontwerp bleek grote maatschappelijke betrokkenheid. In elke provincie werd samen met de medeoverheden een informatiebijeenkomst georganiseerd over de ontwerp-NOVI. Ook volgde een debatreeks over de NOVI en de wijze waarop we daar verder uitvoering aan geven.

Publicaties In februari 2017 is de Startnota10 Opgaven voor de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) verschenen. Daarin is de reikwijdte aangegeven en zijn vanuit verschillende sectorale opgaven vervolgens strategische opgaven voor de leefomgeving geformuleerd. In april 2018 is de Tweede Kamer geïnformeerd11 over de wijze waarop en de richting waarin de NOVI werd opgesteld en zijn de strategische opgaven op basis van urgentie en het regeerakkoord verscherpt tot vier prioriteiten. In oktober 2018 is het kabinetsperspectief Nationale Omgevingsvisie aan de Tweede Kamer gestuurd12. Dit perspectief gaf een opening voor het maatschappelijk debat door politieke richting van het kabinet te geven op drie urgente onderwerpen die volop in discussie zijn. In juli 2019 is de ontwerp-NOVI13 naar de Tweede Kamer gestuurd op basis waarvan de terinzagelegging begon. In april 2020 is de brief ‘Regie en keuzes in het nationaal omgevingsbeleid (NOVI)’14 aan de Tweede Kamer verstuurd. Daarin staan belangrijke wijzigingen voor de definitieve NOVI ten opzichte van het ontwerp, met name op het terrein van stedelijke ontwikkeling, het landelijk gebied en waterbeheer.

Ministerie van Infrastructuur en Milieu, ‘Een schone taak’. Bouwstenen voor een gezond, veilig en schoon leefmilieu, Den Haag, te verschijnen. 8 Motivaction International BV, Burgerperspectieven voor de NOVI & Burgerdialogen, input voor de NOVI, augustus 2018 respectievelijk. januari 2019. 9 Het Groene Brein, Combineren, Concentreren & Concurreren – Een jongerenperspectief op de Nationale Omgevingsvisie, juni 2018. 10 TK 34 682, nr. 1. 11 TK 34 682, nr. 3. 12 TK 34 682, nr. 6. 13 TK 34 682, nr. 48. 14 TK 34 682, nr. 27. 7

14 | Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Open proces Vanaf het begin van de ontwikkeling van de NOVI is gewerkt in een open proces. Op rijksniveau werken de betrokken ministeries intensief samen. Interbestuurlijk gebeurt dat met gemeenten, provincies en waterschappen. Tevens zijn adviesraden, kennisinstellingen, het bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties en burgers op verschillende manieren betrokken. Ook de resultaten van de ex ante evaluatie van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) zijn betrokken bij het opstellen van de NOVI. Net als het ontwerp is ook de definitieve NOVI in een open proces ontwikkeld en zijn de keuzes uit het ontwerp in samenspraak verder aangescherpt. Gegeven inbreng is zo goed mogelijk verwerkt. Ook de uitwerking van de NOVI zal in samenwerking met vele partijen plaatsvinden. Het blijft een open proces, ook in de verdere (regionale) uitwerking, waarvan participatie een wezenlijk onderdeel uitmaakt.

PlanMER Bij de ontwerp-NOVI verscheen een PlanMER. Dit rapport beschrijft kansen en risico’s voor de fysieke leefomgeving van de in de NOVI gemaakte beleidskeuzes. Het rapport gaat in op milieueffecten en brengt ook andere omgevingseffecten in beeld. Tijdens het opstellen van de ontwerp-NOVI zijn tussentijdse resultaten van het PlanMERproces benut als inbreng voor de visie. Het beeld van het PlanMER was dat er meer kansen dan risico’s voor de leefomgeving waren. Omdat het PlanMER voor milieukwaliteit, gezondheid, biodiversiteit en welzijn wel meer risico’s dan kansen constateerde, werden in de beleidskeuzes met oog op deze onderwerpen in de ontwerp-NOVI aanscherpingen doorgevoerd. Het PlanMER geeft aan dat in de fysieke leefomgeving verschillende opgaven bij elkaar komen, op elkaar in werken en wedijveren om de (milieu)ruimte. Dat komt ook doordat de NOVI een visie is op hoofdlijnen met strategische nationale beleidskeuzes voor vier prioriteiten waarvoor een samenhangende, geïntegreerde aanpak op nationale schaal nodig is, over de sectoren heen. Het PlanMER geeft zich er rekenschap van dat er naast de NOVI voor sommige meer specifieke nationale belangen keuzes zijn en worden vastgelegd in verschillende structuurvisies, nota’s, andere beleidsstukken en bestuurlijke afspraken. Het PlanMER bracht kansen en risico’s van de beleidskeuzes in de ontwerp-NOVI in beeld.

Geconstateerd werd dat een aantal risico’s om aanvullende maatregelen vragen. Daarvoor kan gedacht worden aan nationale beleidskeuzes, -visies en uitvoeringsmaatregelen voor specifieke beleidsterreinen (zoals milieu, mobiliteit, luchtvaart, natuur, gezondheid) en aan nadere (gebiedsgerichte of sectorale) uitwerkingen. Dit is ook het geval voor specifieke (milieu)onderwerpen die geen plek in de NOVI hebben gekregen en voor een aantal onderwerpen waarop een trendmatige achteruitgang geldt die niet of niet voldoende wordt gekeerd door de beleidskeuzes in de NOVI zelf. De Commissie m.e.r. werd om advies gevraagd over de in het PlanMER weergegeven milieueffecten. De commissie adviseerde om aanvullende informatie aan te leveren op de Staat van de Leefomgeving15 en botsproeven uit te voeren voor keuzes over klimaatadaptatie, energietransitie, economische groei, verstedelijking en het landelijk gebied. Naar aanleiding van dit advies zijn voor de botsproeven werksessies gehouden. Aan deze werksessies namen behalve de departementen die betrokken zijn bij de door de Commissie genoemde onderwerpen ook het PBL en het RIVM-deel. De door de Commissie gevraagde aanvullende informatie over de Staat van de Leefomgeving en de conclusies uit deze botsproeven werden opnieuw voor advies voorgelegd aan de Commissie.

Ook het door de Commissie tussentijds geleverde advies over deze aanvullende infor­matie werd betrokken bij het opstellen van de definitieve NOVI. Dit heeft geleid tot aanscherping van een aantal beleidskeuzes en de regierol van het Rijk. De check van de effecten hiervan voor de leefomgeving leidt wederom tot meer kansen dan risico’s.

15

TK 34 682, nr. 27 Achtergronddocument bij PlanMER NOVI – De Staat van de fysieke leefomgeving.

Nationale Omgevingsvisie | 15

1.7 Opbouw van de NOVI De NOVI beschrijft (in hoofdstuk 2) een toekomstperspectief met de ambities: wat willen we bereiken? Vervolgens beschrijven we (in hoofdstuk 3) de nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. Waar de opgaven vragen om een geïntegreerde benadering, komen deze samen in vier prioriteiten. Op deze prioriteiten maken we in hoofdstuk 4 beleidskeuzes. De vier prioriteiten zijn:

Prioriteit 1 Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie

Prioriteit 2 Duurzaam economisch groeipotentieel

Prioriteit 3 Sterke en gezonde steden en regio’s

Prioriteit 4 Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied

De NOVI is erop gericht om voor deze vier prioriteiten de nationale beleidskeuzes (op strategisch niveau) zo scherp mogelijk te formuleren. Waar keuzes op nationaal niveau in de NOVI zelf niet of nog niet scherp gemaakt kunnen worden of waar dit niet verstandig is, wordt richting gegeven aan decentrale keuzes via voorkeursvolgordes of strategieën en/of aangegeven welk (regionaal) proces geëigend is om dat wel te doen. Om de beleidskeuzes weloverwogen te maken, hanteert de NOVI drie afwegingsprincipes, die helpen bij het afwegen en prioriteren van de verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen. De uitvoering van de NOVI (hoofdstuk 5) vraagt om nieuwe manieren van samenwerken met blijvende brede maatschappelijke betrokkenheid en inzet van overheden. Hierbij hanteren we vier uitgangspunten: 1. 2. 3. 4.

We werken als één overheid, samen met de samenleving; We stellen de opgave(n) centraal; We werken gebiedsgericht; We werken permanent en adaptief aan de opgaven.

Deze uitgangspunten zijn eveneens leidend in de Uitvoeringsagenda.

16 | Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Afwegen met de NOVI Figuur: Afwegen met de NOVI

prioriteiten

Druk bezet Nederland

nationale belangen en opgaven

ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie

3

MAATSCHAPPELI JK D EB A

NATIONALE STRATEGISCHE KEUZES

T

4

TOEKOMSTIGE ONTWIKKELINGEN

EK & ITI L PO

GEBIEDSGERICHT MAATWERK

afwegingsprincipes

duurzaam economisch groeipotentieel

combineren boven enkelvoudig

sterke en gezonde steden en regio’s

kenmerken & identiteit

toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied

afwentelen voorkomen

Nationale Omgevingsvisie | 17

2. Toekomstperspectief In 2050 is Nederland een land waarin het gezond, veilig en fijn wonen en leven is. Waar de inwoners de hoge leefomgevingskwaliteit voelen en waarderen. Waar iedereen de ruimte heeft zich te ontplooien. Een land met een gezonde, toekomstbestendige economie. Een economie die duurzaam en circulair is en floreert. Waar we schaarse grondstoffen in de grond laten zitten of hergebruiken en fossiele brandstoffen hebben vervangen door duurzame bronnen. Een land dat nauw verbonden is met zijn buurlanden en de rest van de wereld en een actieve speler is in de internationale gemeenschap. Een land waar vitale sectoren robuust zijn vormgegeven. Om deze ambities waar te maken heeft Nederland een aantal fundamentele keuzes moeten maken, want niet alles kan en niet alles kan overal. Effectief en consequent doorvoeren van deze keuzes heeft ons een veilig, duurzaam en economisch sterk land opgeleverd met een hoge kwaliteit van leven.

Dilemma’s Dit toekomstperspectief schetst bewust een ideaalbeeld voor 2050. Voor veel keuzes geldt echter dat we te maken hebben met dilemma’s: er zijn meerdere opties en voor meerdere is een goede onderbouwing te vinden. In de kaders staan voorbeelden van dilemma’s waarin we een weg moeten vinden. In de nota ‘De opgaven voor de Nationale Omgevingsvisie’ heeft het kabinet eerder een overzicht van dilemma’s gegeven.

Het Nederland van 2050 is als dichtbevolkte en hoogontwikkelde delta een brandpunt in de Europese ruimtelijk-economische structuur, mede door de uitstekende verbindingen, fysiek en virtueel, boven- en ondergronds, door de lucht, over land en water, met grote stedelijke regio’s en economische kerngebieden als de Vlaamse Ruit en het Ruhrgebied en met regio’s in andere delen van de wereld. Nederlandse steden en stedelijke regio’s profiteren hier in hoge mate van. Samen met ons uitstekende vestigings­klimaat en een hoge kwaliteit van leven bepaalt dit in belangrijke mate onze welvaart en ons welzijn. Het land bestaat uit een mozaïek van gebieden die onderling mogen verschillen. Elke stad, dorp of regio doet ertoe en heeft zijn eigen rol en betekenis in het geheel. Het land heeft meer metropolitane kenmerken en kwaliteiten dan nu, maar heeft ook in 2050 nog een open en polycentrische ruimtelijke structuur. Het kent tegelijk een rijkgeschakeerd patroon van meer landelijke gebieden met meest agrarische, natuurlijke en landschappelijke functies. Daar woont, werkt en leeft een substantieel deel van de bevolking. Steden en dorpen zijn aangenaam en vitaal, het platteland is productief en aantrekkelijk. Het grootste deel van de bevolking leeft, woont en werkt in stedelijke regio’s.

Stedelijk Nederland functioneert als een netwerk van onderling goed met elkaar verbonden steden en regio’s, gedragen door een snel, duurzaam en comfortabel mobiliteits- en transportsysteem. Stedelijk Netwerk Nederland – de Randstad, Amersfoort, Zwolle, Arnhem-Nijmegen, Brabantse stedenrij, met uitlopers naar Twente, Groningen en (Zuid-)Limburg – is het kloppend hart van land en economie. Een land met uitstekende bereikbaarheid, waar door allerhande innovaties iedereen zich soepel kan verplaatsen, met zo min mogelijk schadelijke uitstoot en overlast. Waar een duurzame en circulaire economie zich kan ontwikkelen, gekoppeld aan multimodale logistieke corridors. Waar locaties voor wonen en werken zorgvuldig zijn gekozen mede om lopen en fietsen te stimuleren, het openbaar vervoer (OV) aantrekkelijk te maken en natuur en landschap te sparen. Waar we voldoende ruimte hebben om te kunnen bewegen, ontmoeten, ontspannen en tot onszelf te komen. Verweven en verbonden met stedelijk Nederland wordt landelijk Nederland gedragen door een zorg­vuldig in balans gehouden water-bodemsysteem. Landelijk gebied bestaande uit veenweiden, grasland, akkers, moeras, water en bos, uit kleinere steden, dorpen en verspreide bebouwing. Waar kringloop­landbouw

Nationale Omgevingsvisie | 19

en natuur floreren en schoon water(voorraden) duurzaam benut en beheerd worden. Waar oude, unieke landschappen zijn bewaard en nieuwe gecreëerd zijn. Waar in kleinere steden, dorpen en verspreid over het land mensen wonen, werken en leven. De Noordzee wordt in 2050 intensief gebruikt en de natuurwaarde is hersteld. Schepen varen nog altijd af en aan naar de Noordzeehavens. De visserij is van karakter veranderd, maar de grootste veranderingen zitten in de afname van de olie- en gasinstallaties en de grote toename van het aantal windparken en bijbehorende energie-infrastructuur, opslag en conversiefaciliteiten: zij bepalen het beeld boven water. Hoewel intensiever gebruikt dan ooit, is het Noordzee-ecosysteem hersteld en het vrije uitzicht vanaf de kust en het cultureel erfgoed onder water (onder andere uit ons rijke zeevaartverleden) behouden gebleven. Het benutten van synergie-effecten door multifunctioneel en innovatief gebruik van de ruimte, zoals het combineren van windparken met aquacultuur, natuurversterking door aanleg van oesterbanken, energie uit zon en getijdenstromen en opslag van energie en CO₂ in lege gasvelden, heeft hier sterk aan bijgedragen. Nederland is een gezond, schoon klimaatbestendig land, met veel ruimte voor groen en water. Het is een veilig land, zo goed mogelijk beschermd tegen overstromingen en andere maatschappij-­ ontwrichtende gevaren.

Waar ruimte voor de rivieren, natuur, landschap en scheepvaart samengaan. Waar op zee en op land een goede balans is tussen gebouwde omgeving en open landschap, tussen natuur en cultuur, tussen land en water. Een land in Europa dat openstaat voor verandering en waar de kracht van zijn traditie, cultuur en identiteit wordt weerspiegeld in de inrichting van de leefomgeving, rekening houdend met zijn internationale context. Een land waar ontwikkeling samengaat met verbetering van zijn leefomgeving.

Wat willen we? Dit toekomstperspectief is een ideaalbeeld. Niemand kan voorspellen hoe Nederland er in 2050 daadwerkelijk uitziet. We weten dat het Nederland van 2050 zal verschillen van het Nederland van nu, net zoals het Nederland van 1990 verschilde van het Nederland van nu. Hoewel veel uit 1990 nu nog herkenbaar is, zo mogen we ook verwachten en willen dat ons land in 2050 ook nog herkenbaar is en voelt als ons thuisland. We weten dat sommige maatschappelijke en technologische ontwikkelingen van grote invloed zullen zijn op onze leefomgeving. Sommige kunnen we beïnvloeden, andere komen onstuitbaar op ons af. Maar hoe en in welke mate? Belangrijker voor nu is de vraag in wat voor land we zouden willen leven. Het antwoord daarop bepaalt hoe we om willen gaan met veranderingen die ontegenzeggelijk op ons afkomen. Welke ambities hebben we en welke waarden streven we na? Wat willen we behouden en wat willen we dat er verandert? Als we dat helder hebben, kunnen we beter sturen en de juiste beslissingen nemen voor de toekomst.

Rijk, regio, één overheid? Keuzes maken is één ding, maar wie maakt de keuzes, wie is verantwoordelijk voor welke keuzes en hoe voeren we die door? Versterken we de sturingskracht van gemeenten en provincies, kiezen we voor meer regie door het Rijk, kiezen we voor een gedifferentieerde aanpak per opgave?

Het hier geschetste beeld van 2050 geeft daarbij richting, het is geen eindpunt. Ook in 2050 zal Nederland niet af zijn. Gedurende de komende dertig jaar en daarna zullen nieuwe en andere opgaven zich voordoen, wensen en inzichten zullen veranderen en nieuwe keuzes zullen nodig zijn. Het is zaak de vinger aan de pols te blijven houden van ontwikkelingen, behoeften en mogelijkheden en daar adequaat op te anticiperen of te reageren, zodat ons toekomstperspectief en omgevingsbeleid steeds actueel en relevant blijven. Daartoe beschikt Nederland over een hoogontwikkeld cyclisch en adaptief stelsel van omgevingskennis, -beleid en -regels dat aansluit bij maatschappelijke ontwikkelingen en behoeften.

20 | Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Toekomstperspectief Niet iedereen heeft hetzelfde ideaal. De één voelt zich thuis in een dynamische metropool, de ander wil liever een zo landelijk mogelijke leefomgeving. Naarmate de leefomgeving meer differentiatie biedt kan die beter voorzien in uiteenlopende behoeften, dit vraagt om sturen op verschillen tussen gebieden. Daarvoor moeten we met elkaar afgestemde keuzes maken en ons land heel bewust inrichten. De wensen en ambities die we daarbij hebben, proberen we in dit toekomstperspectief bijeen te brengen.

Nationale Omgevingsvisie | 21

2.1 Een klimaatbestendige delta

22 | Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Klimaatverandering Om in ons laaggelegen land te kunnen blijven wonen, leven en ondernemen hebben we er in 2050 voor gezorgd dat Nederland beschermd is tegen de negatieve gevolgen van klimaatverandering. Door over te gaan op een CO₂-arme en circulaire economie draagt Nederland in een internationale coalitie bij aan het voorkomen van verdere klimaatverandering. Extreme weersomstandigheden komen desondanks nog steeds voor: hogere temperaturen, een hogere zeespiegel, nattere winters, hevige piekbuien en droge zomers. Daaraan hebben we ons aangepast. We hebben onze gebouwde omgeving in 2050 klimaat­bestendig en waterrobuust ingericht. Bijvoorbeeld door voldoende aanwezigheid van plekken met water en groen om hittestress tegen te gaan en wateroverlast te voorkomen. Ook onze vitale infrastructuur, zowel onder- als bovengronds, is bestendig tegen extreme weersomstandigheden.

Focus op sectorale doelen of op integrale aanpak Juist bij onderwerpen die met veiligheid en gezondheid te maken hebben en zeker als er sprake is van crisis of urgentie staat het behalen van deze doelen en direct handelen snel voorop. Veel bedreigingen en kansen als gevolg van klimaatverandering manifesteren zich echter pas na verloop van jaren en vallen geheel of gedeeltelijk samen met andere inrichtings- en beheerskwesties.

Waterveiligheid Nederland is een delta, die voor een vijfde deel uit water en zee bestaat. Met waterveiligheid en waterhuishouding hebben we eeuwenlange ervaring. Waterveiligheid, basisvoorwaarde voor het leven in ons land, is in 2050 gegarandeerd, ook in het laaggelegen westen van ons land. We hebben ruimte gereserveerd in de Noordzee voor zandwinning en ruimte ingericht voor robuuste waterkeringen, in de vorm van sterke dijken en een verbreedde kuststrook. Ook hebben rivieren en beken, waar nodig en vaak gecombineerd met natuur- en landschapsontwikkeling, meer ruimte gekregen.

Zoetwater en drinkwatervoorziening Tegelijk hebben we voldoende zoetwater beschikbaar van goede kwaliteit. We hebben maatregelen genomen tegen verzilting, daling van het grondwaterpeil en verontreiniging (bijvoorbeeld door mest­stoffen, microplastics of medicijnresten). We zijn zuinig met water en zorgen ervoor dat we water beter vast kunnen houden en bergen. Zo zorgen we voor voldoende water van een goede kwaliteit en hoeven drinkwaterbedrijven minder maatregelen te nemen voor het leveren van schoon water. Waar we vroeger afvalwater loosden, winnen we nu steeds meer grondstoffen en warmte terug uit dat water. In 2050 zetten rioolwaterzuiveringsinstallaties maximaal in op hergebruik van afvalwater voor het winnen van grondstoffen.

Nationale Omgevingsvisie | 23

2.2 Duurzaam, concurrerend en circulair

24 | Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Vestigingsklimaat en kwaliteit van leven Nederland heeft in 2050 een uitstekend vestigingsklimaat en een hoge kwaliteit van leven en is nauw verbonden met de rest van de wereld. Dat open karakter bepaalt in belangrijke mate onze welvaart en ons welzijn. Aan onze grensoverschrijdende relaties en bereikbaarheid hechten we dan ook groot belang. Nederland heeft een kwalitatief hoogwaardig onderwijs- en wetenschapssysteem met goed presterende instellingen en innovatiecentra en ruimte voor talentvolle onderzoekers en kenniswerkers uit binnen- en buitenland. Ons land is goed aangesloten op markten en ontwikkelingen buiten onze landsgrenzen en internationale samenwerkingsverbanden. Tegelijk zijn we niet naïef en zijn data en kennis in Nederland vanzelfsprekend veilig. Nederland is in 2050 nog steeds één van de vijf meest concurrerende economieën van de wereld.

Toekomstbestendig Een belangrijk uitgangspunt is dat onze economie toekomstbestendig is. Duurzaamheid en groei gaan hand in hand. Dat betekent dat we afscheid hebben genomen van de vervuilende manieren van produceren en consumeren, waarbij we onze leefomgeving schade berokkenen. Daarom werkt Nederland samen met andere landen aan een duurzame en circulaire economie. Een economie met een sterk verdien­potentieel, met een bestendige groei. Zodat wij onze welvaart behouden en tegelijkertijd bijdragen aan een stabiel klimaat, met zo min mogelijk schadelijke uitstoot en afhankelijkheid van eindige fossiele grondstoffen. Dit is in lijn met de Parijse klimaatdoelstelling om in 2050 vrijwel geheel klimaatneutraal te zijn. Ook de doelstelling om in 2050 een economie te hebben die 100 procent circulair is, is dan gehaald. Dit betekent dat we geen afval meer hebben en grondstoffen steeds opnieuw gebruiken, zonder de problemen te verplaatsen naar andere gebieden of af te wentelen op toekomstige generaties.

Aansluiten bij de investeringscycli van het bedrijfsleven of reguleren? Bij de meeste industriële sectoren zal verduurzaming uit innovatie moeten komen, maar Nederland heeft gelet op de opgave geen tijd om op innovatie alleen te vertrouwen. Maatregelen kunnen de toepassing van innovatieve technieken versnellen. Enerzijds worden inventiviteit en innovatie daardoor gestimuleerd, kan Nederland daar een concurrentievoordeel behalen en wordt de wereld er schoner van. Anderzijds kunnen eenzijdig opgelegde maatregelen tot kostenverhoging, verslechtering van de concurrentiepositie en via verplaatsing van de productie naar andere landen zelfs tot milieuverslechtering leiden.

Klimaatneutraal De ambitie is dat we gezamenlijk deze omslag naar 100 procent circulair in 2050 hebben gerealiseerd en dat we een zo goed mogelijke inpassing van duurzame energie in onze leefomgeving hebben. Op een wijze waarbij de bewoners en gebruikers volledig zijn meegenomen in de aanpak en profiteren van de economische voordelen hiervan. We maken een robuust, betrouwbaar en veilig hoofdnetwerk van buisleidingen mogelijk om de transitie naar een circulaire economie en CO₂-arme energievoorziening te realiseren. Daarbij passen nieuwe, duurzame infrastructuren, productie-eenheden en opslaglocaties, zoals laadstations en –pleinen, stations en opwekkingseenheden voor waterstof (bijvoorbeeld bij aanlandpunten van elektriciteit van zee), netwerken voor restwarmte en ondergrondse CO₂-opslag. Ook toepassing van duurzame warmte via geothermie of aquathermie is in 2050 mainstream geworden. Er zijn meer windenergieparken op zee en land, veel meer zonnedaken, nieuwe hoogspanningsleidingen en plaatsen voor opslag (zo mogelijk ondergronds). Lokale energievoorzieningen zijn gerealiseerd met betrokkenheid van bewoners in de directe omgeving. Huizen en gebouwen zijn energieneutraal of zelfs energieopwekkend. In 2050 zijn we erin geslaagd al deze ontwikkelingen zorgvuldig in te passen of nieuwe landschappen te creëren, met zo min mogelijk hinder of overlast voor mensen en het eco­systeem.

Bijvoorbeeld doordat bedrijvigheid en het opwekken van duurzame energie dicht bij elkaar zijn gepland.

Nationale Omgevingsvisie | 25

Circulaire economie De circulaire economie zal merkbare invloed op onze omgeving hebben. Uitgangspunt is dat gebruikte grondstoffen en materialen in gebouwen, wegen, en objecten zoals viaducten en bruggen hun waarde behouden, zodat na de gebruiksfase geen afvalstromen overblijven. Dit vraagt een andere manier van ontwerpen: veilige materialen, producten en processen die in de gehele levenscyclus geen schadelijke emissies of andere risico’s meer veroorzaken en dus verwaarloosbare gezondheidsrisico’s met zich meebrengen (safe-by-design). Het vraagt ook nieuwe logistieke concepten, waarvoor Nederland als distributieland voor Noordwest-Europa, een uitstekende basis biedt. Het is een noodzakelijke voorwaarde voor het realiseren van een circulaire economie en een veilige leefomgeving. Een circulaire economie is niet mogelijk zonder een ecologisch stabiel systeem met voldoende biodiversiteit. De natuur voorziet ons van grondstoffen en materialen en biedt andere ecosysteemdiensten als luchtzuivering en waterberging.

Spanning tussen transitie naar een circulaire economie en borgen van de omgevingskwaliteit Een circulaire economie betekent forse veranderingen in producten, productieprocessen en -ketens en in de omgang met afval en voorraden. De consequenties van deze transitie op transport­stromen, ruimtegebruik, milieu en veiligheid zijn nog onzeker. Een lager energiegebruik, minder CO₂-uitstoot en minder gebruik van fossiele grondstoffen lijken gunstig, maar verkeerd hergebruik kan allerlei risico’s voor veiligheid en gezondheid opleveren. Tegelijk heeft het behandelen als afval en als gevolg daarvan storten of verbranden, ook negatieve effecten op de leefomgeving.

Functies combineren De nieuwe, duurzame economie zal de komende decennia nog naast de huidige lineaire, fossiele economie bestaan. Dit maakt de ruimteclaim in die overgangsperiode potentieel groter. De kunst is om verschillende functies hierbij te combineren, zonder de risico’s en milieunadelen te vergroten. Dit kan bijvoorbeeld doordat de vijf bestaande clusters met energie-intensieve industrie (Rotterdamse haven/ Rijnmond, Amsterdamse haven/IJmond/Noordzeekanaalgebied, Eemshaven/Delfzijl, Vlissingen/ Terneuzen, en Chemelot/Zuid-Limburg) er een rol bij krijgen. Zij hebben een belangrijke positie in het produceren van de duurzame bronnen, die ook de gebouwde omgeving van energie voorzien. Woon- en werkgebieden zijn hier op het vlak van energie meer met elkaar verweven.

Maatschappelijke winst Het resultaat is een economie die veel maatschappelijke winst oplevert in termen van banen, innovatie, nieuwe bedrijvigheid en exportmogelijkheden en met gezondheidswinst voor inwoners van Nederland en daarbuiten. Met aantrekkelijke steden en uitstekende woon- en werklocaties. In combinatie met een uitstekende bereikbaarheid door de lucht, over water en land, trekt ons land daarmee internationale bedrijven en instellingen aan en creëren we een voedingsbodem voor innovatie, startups en nieuwe ontwikkelingen. We hebben in 2050 nog steeds voldoende ontwikkelingsruimte voor onze belangrijke havens en luchthavens (waaronder de mainports), de kennisintensieve maakindustrie (Brainport), kennisclusters, internet-exchanges (digiports) en toplocaties voor de tuinbouw (greenports), al zullen deze tegen die tijd van gedaante zijn veranderd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leidschendam&id=783635bf-5c62-4d5d-a9fc-82971587bcc3