CConstaterende datLeidschendam-Voorburg
Koppel je AI →
Document · PDF

2969 Bijlage 4h Soortgericht onderzoek kantoor Damsigt naar vleermuizen en vogels (20180129)

Raadsvergadering 30 mei 2023, gemeente Leidschendam-VoorburgBij agendapunt: Raadsvoorstel: Vaststellen bestemmingsplan "KPP Oosteinde 208 Voorburg".9.607 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

SOORTGERICHT ONDERZOEK NAAR VLEERMUIZEN EN VOGELS KANTOOR DAMSIGT KLEIN PLASPOELPOLDER

M I L I E U B E H E E R

TE LEIDSCHENDAM-VOORBURG

SOORTGERICHT ONDERZOEK NAAR VLEERMUIZEN EN VOGELS KANTOOR DAMSIGT KLEIN PLASPOELPOLDER TE LEIDSCHENDAM-VOORBURG

Colofon

Opdrachtgever:

Gemeente Leidschendam-Voorburg Postbus 1005 2260 BA Leidschendam

Adviesbureau:

VanderHelm Milieubeheer B.V. Nobelsingel 2 2652 XA Berkel en Rodenrijs 010 -249 24 60 info@vdhelm.nl www.vdhelm.nl

Projectfoto's:

Dhr. ing. A. Kolders (foto voorzijde jonge zilvermeeuw)

© VanderHelm Milieubeheer B.V.

Projectcode:

20180129

Status / versie

Definitief, versie 1

Datum

23 oktober 2018

Verantwoording

Auteur

Dhr. ing. A. Kolders

Kwaliteitscontrole

Mevr. M. Kortlever-Boer MSc.

Vrijgave

Dhr. Ing. A.A. Heijboer

INHOUDSOPGAVE 1. INLEIDING .......................................................................................................................................................... 3 1.1 AANLEIDING ............................................................................................................................................................ 3 1.2 DOELSTELLING ......................................................................................................................................................... 3 1.3 DESKUNDIGHEID ...................................................................................................................................................... 3 1.4 KWALITEITSBORGING................................................................................................................................................. 3 1.5 VERANTWOORDING .................................................................................................................................................. 3 2. PROJECTGEBIED................................................................................................................................................. 4 2.1 HUIDIGE SITUATIE .....................................................................................................................................................

4 2.2 TOEKOMSTIGE SITUATIE, WERKZAAMHEDEN EN PLANNING ................................................................................................ 5 2.3 RESULTATEN EERDER UITGEVOERD ECOLOGISCH ONDERZOEK ............................................................................................. 5 3. METHODE .......................................................................................................................................................... 6 3.1 VLEERMUIZEN.......................................................................................................................................................... 6 3.2 VOGELS MET EEN NESTPLAATS OF RUSTPLAATS ............................................................................................................. 10 3.3 OVERZICHT BEZOEKEN EN WEERGEGEVENS .................................................................................................................. 10 4. ONDERZOEKSRESULTATEN EN INTERPRETATIE .................................................................................................12 4.1 VLEERMUIZEN........................................................................................................................................................

12 4.2 VOGELS ................................................................................................................................................................ 15 5. TOETSING AAN WETGEVING.............................................................................................................................16 5.1 VLEERMUIZEN........................................................................................................................................................ 16 5.2 SLECHTVALK .......................................................................................................................................................... 16 5.3 ZWARTE ROODSTAART ............................................................................................................................................. 16 6. CONCLUSIES .....................................................................................................................................................17 6.1 CONCLUSIES .......................................................................................................................................................... 17 6.2 VERVOLGSTAPPEN ..................................................................................................................................................

18 REFERENTIELIJST ..................................................................................................................................................19

BIJLAGEN 1. REGIONALE SITUATIEKAART 2. W ETTELIJKE EN BESTUURLIJKE KADERS NATUURBESCHERMING 3. FOTO’S TER PLAATSE 4. W AARNEMINGEN VLEERMUIZEN TIJDENS VELDBEZOEKEN 5. SOORTINFORMATIE WAARGENOMEN SOORTEN

Soortgericht onderzoek naar vleermuizen en vogels kantoor Damsigt te Leidschendam-Voorburg Projectcode:20180129

1. INLEIDING VanderHelm Milieubeheer B.V. te Berkel en Rodenrijs heeft van de gemeente Leidschendam-Voorburg opdracht gekregen voor het uitvoeren van een soortgericht onderzoek naar vleermuizen en vogels ter plaatse van het kantoor Damsigt in het gebied Klein Plaspoelpolder te Voorburg. 1.1 AANLEIDING De aanleiding tot het uitvoeren van een soortgericht onderzoek naar vleermuizen, de slechtvalk (categorie 3) en de zwarte roodstaart (categorie 5), zijn de voorgenomen werkzaamheden binnen het projectgebied en de Wet natuurbescherming. De werkzaamheden in het projectgebied bestaan uit het amoveren van het kantoor Damsigt. Uit een eerder door VanderHelm Milieubeheer B.V. in het projectgebied uitgevoerde ecologische quickscan (VanderHelm Milieubeheer B.V. kenmerk 20171527, d.d. 19-01-2018) blijkt dat in onderhavig projectgebied mogelijk voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van vleermuizen en nesten van de slechtvalk en zwarte roodstaart aanwezig zijn. Door de werkzaamheden kunnen eventueel aanwezige nesten, voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van (beschermde) soorten worden beschadigd of vernield, wat een overtreding van de Wet natuurbescherming betreft. Om te bepalen of sprake is van overtreding van de Wet natuurbescherming wordt in eerste aanleg bepaald of nesten, voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van de voornoemde soorten in het projectgebied aanwezig zijn.

1.2 DOELSTELLING Doel van dit soortgericht onderzoek is het uitsluiten dan wel aantonen van de aanwezigheid van nesten, voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van vleermuizen, slechtvalk en de zwarte roodstaart. Vervolgens wordt bepaald welke vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk zijn. 1.3 DESKUNDIGHEID De ingezette ecologen voldoen aan ten minste één van de door het Ministerie, zie box 1, genoemde voorwaarden en zijn daarmee gekwalificeerd als deskundige. Box 1: Deskundigheid Het Ministerie verstaat onder een deskundige een persoon die voor de situatie en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soortspecifieke ecologie.

De ervaring en kennis dienen te zijn opgedaan doordat de deskundige: ▪ op HBO-, dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; en/of ▪ op MBO niveau een opleiding heeft afgerond met als zwaartepunt de Wet Natuurbescherming, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; en/of ▪ als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, zoals een bureau welke is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; en/of ▪ zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties (zoals de Zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN, EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk gebied); en/of ▪ zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenmonitoring en/of soortenbescherming.

1.4 KWALITEITSBORGING VanderHelm Milieubeheer B.V. is lid van het ‘Netwerk Groene Bureaus (NGB) - Brancheorganisatie voor kwaliteitsbevordering en belangenbehartiging’. De werkzaamheden die door VanderHelm Milieubeheer B.V. worden uitgevoerd, zijn gebaseerd op het door de NGB vastgestelde gedragscode (versie juni 2008, aangevuld in februari 2010). VanderHelm Milieubeheer B.V. is VCA** (versie 2008/05) gecertificeerd. Onderhavig project is uitgevoerd in overeenstemming met het kwaliteitssysteem van VanderHelm Milieubeheer B.V. 1.5 VERANTWOORDING VanderHelm Milieubeheer B.V. is een onafhankelijk adviesbureau en verklaart hierbij geen financiële of juridische belangen te hebben bij de uitkomst van het gevoerde onderzoek. Soortgericht onderzoek naar vleermuizen en vogels kantoor Damsigt te Leidschendam-Voorburg Projectcode:20180129

pagina 3

2. PROJECTGEBIED 2.1 HUIDIGE SITUATIE Het projectgebied is gelegen langs de Nieuwe havenstraat en de Oude trambaan in het gebied Kleine Plaspoelpolder te Voorburg. Het projectgebied is onderdeel van groter onderzocht gebied. Het volledige projectgebied bestaat uit 4 deelgebieden te weten: Total benzinestation, kantoor Damsigt, voormalige Gemeentewerf en het Avalex terrein. Het deelgebied wat in dit rapport wordt behandeld betreft het kantoor Damsigt. Het kantoor bestaat uit een groot kantoor complex met daaromheen bomen en struiken. Aan de zuidwestkant bevindt zich een aaneengesloten bomenrij bestaande uit zwarte elzen. Daarnaast bevindt zich aan de zuidkant van het kantoor een parkeerplaats wat nu vooral wordt gebruikt als opslag terrein. De omgeving van het projectgebied bestaat uit de bebouwde kom van gemeente Leidschendam-Voorburg en net ten noordwesten van het projectgebied bevindt zich het Sytwendepark. De begrenzing van het projectgebied wordt weergegeven in afbeelding 1 en voor de regionale ligging wordt verwezen naar bijlage 1. Voor een fotografische weergave van het projectgebied wordt verwezen naar bijlage 3. Tabel 1: Gegevens projectgebied Projectgebied: Straat: Plaats: Gemeente: Provincie:

Kantoor Damsigt Tussen de Nieuwe havenstraat, Oosteinde en Johan David Zocherstraat Leidschendam Leidschendam-Voorburg Zuid-Holland

Afbeelding 1: Begrenzing van het projectgebied aangegeven met een rode lijn (Bron: google maps)

Soortgericht onderzoek naar vleermuizen en vogels kantoor Damsigt te Leidschendam-Voorburg Projectcode:20180129

pagina 4

2.2 TOEKOMSTIGE SITUATIE, WERKZAAMHEDEN EN PLANNING In de toekomst wordt het gebouw Damsigt geamoveerd en hier zal in de komende jaren een woonwijk worden gerealiseerd. De planning van de werkzaamheden van de werkzaamheden is ten tijde van het soortgericht onderzoek nog onbekend. 2.3 RESULTATEN EERDER UITGEVOERD ECOLOGISCH ONDERZOEK Op basis van de eerder uitgevoerde ecologische quickscan (VanderHelm Milieubeheer B.V., kenmerk 20171527, d.d. 19 januari 2018) ter plaatse van het kantoor Damsigt in het gebied Klein Plaspoelpolder te Voorburg wordt geconcludeerd dat de volgende juridisch zwaarder beschermde soorten worden verwacht: Tabel 2: Verwachte beschermde elementen in het deelgebied Damsigt Soort(groep)

Verwacht (V) / Vervolgstappen en te nemen maatregelen om overtreding Wet natuurbescherming aangetroffen (A) : te voorkomen locatie

Vleermuizen

V: gebouw

Het uitvoeren van een soortgericht onderzoek om de aan-/afwezigheid van voortplantings- en rustplaatsen en vliegroutes van de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, watervleermuis, meervleermuis en laatvlieger aan te tonen. Dit onderzoek dient te worden uitgevoerd conform het vleermuisprotocol (2017) in de periode mei tot en met september. Vervolgens kan worden bepaald of het aanvragen van een ontheffing op de Wet natuurbescherming noodzakelijk is.

Slechtvalk

V: gebouw

Het uitvoeren van een soortgericht onderzoek om de aan-/afwezigheid van nest- en rustplaatsen van de slechtvalk aan te tonen. Dit onderzoek dient uitgevoerd te worden conform de territoriumkartering van Sovon in de periode begin februari tot en met eind juli. Vervolgens kan worden bepaald of het aanvragen van een ontheffing op de Wet natuurbescherming noodzakelijk is.

Zwarte roodstaart

V: gebouw en opslag terrein

Het uitvoeren van een soortgericht onderzoek om de aan-/afwezigheid van nest- en rustplaatsen van de zwarte roodstaart aan te tonen. Dit onderzoek dient uitgevoerd te worden conform de territoriumkartering van Sovon in de periode half april tot en met juli. Vervolgens kan worden bepaald of het aanvragen van een ontheffing op de Wet natuurbescherming noodzakelijk is.

Algemene broedvogels

De werkzaamheden in de winter buiten het broedseizoen uitvoeren. Indien de werkzaamheden in het voorjaar en/of de zomer moeten worden uitgevoerd dient het projectgebied en de V: gebouw, bomen directe omgeving (‘invloedsfeer van de werkzaamheden’) voorafgaand aan de en struiken werkzaamheden te worden gecontroleerd op broedvogels. Indien broedende vogels aanwezig zijn dient door een deskundig ecoloog te worden bepaald of de werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd zonder overtreding van de Wet natuurbescherming.

Vleermuizen

Vogels

Overige soorten Algemene soorten en vrijgestelde grondgebonden zoogdieren en amfibieën

V: bomen, struiken en watergang

-

voldoende zorg in acht nemen voor alle in het wild voorkomende flora en fauna. Aanwezige dieren de tijd gunnen om te kunnen vluchten. Indien men onverwachts strikt beschermde soorten aantreft een deskundig ecoloog raadplegen om af te stemmen hoe een overtreding van de Wet natuurbescherming kan worden voorkomen. Bij twijfel over de aanwezigheid van beschermde soorten de hulp van een deskundige in roepen. In de watergangen worden algemene vissoorten verwacht. Indien delen worden afgedamd en gedempt dienen deze delen te worden afgevist in het kader van de zorgplicht.

Soortgericht onderzoek naar vleermuizen en vogels kantoor Damsigt te Leidschendam-Voorburg Projectcode:20180129

pagina 5

3. METHODE Het onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen is gebaseerd op de ethische code van het Netwerk Groene Bureaus - Branchevereniging voor kwaliteitsbevordering en belangenbehartiging (juni 2008 en februari 2010) en uitgevoerd conform het vleermuisprotocol 2017. Het vleermuisprotocol 2013 is door een team vleermuisspecialisten uit het vleermuisvakberaad vanuit het Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging en RVO geactualiseerd, hiermee is beargumenteerd afgeweken van het formeel vastgestelde vleermuisprotocol 2013. De onderzoeken naar slechtvalk en de zwarte roodstaart zijn uitgevoerd conform de territoriumkartering van Sovon. 3.1 VLEERMUIZEN Algemeen De bezoeken zijn met behulp van een batdetector (Pettersson D240X), warmtecamera (Pulsar Helion XP28) en zaklampen uitgevoerd, zodat zowel zicht- en geluidswaarnemingen gedaan konden worden. Daarnaast is gebruik gemaakt van de opnamefunctie op de batdetector (met behulp van Edirol opname apparatuur) om waarnemingen terug te luisteren en te analyseren met behulp van het programma BatSound. In het zomer- en kraamseizoen zijn in verband met de grootte van het gehele projectgebied (alle 4 de deelgebieden zijn gelijker tijd onderzocht) met een team variërend van 4 tot 6 personen uitgevoerd.

In het paarseizoen is in verband met de grootte van het gehele projectgegebied met een team variërend van 2 tot 4 personen uitgevoerd. De warmtecamera is ingezet om de baltsterritoria en verblijfplaatsen exacter te kunnen bepalen. Tevens is de warmtecamera ingezet om vleermuizen die op grotere hoogte baltsen of vliegen en die niet vanaf de grond waarneembaar zijn, toch te kunnen lokaliseren. De inventarisaties zijn uitgevoerd bij goede weersomstandigheden (droog, windkracht < 4 Bft en temperatuur hoger dan 7ºC). In tabel 3 wordt per deelgebied weergegeven welke beschermde elementen worden verwacht. De methode die is beschreven geldt voor alle deelgebieden. De resultaten is alleen van toepassing op het kantoor Damsigt inclusief bomenrij en parkeerplaats. Tabel 3: verwachte beschermde elementen per vleermuissoort Soort ZomerKraamPaarverblijfplaats verblijfplaats verblijfplaats Gewone dwergvleermuis Laatvlieger Ruige dwergvleermuis Meervleermuis Watervleermuis

Individuele winterverblijfplaats

Vliegroute

Foerageergebied

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Nee

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Nee

Ja

Nee

Ja

Ja

Ja

Nee

Ja Ja

Ja Ja

Nee Nee

Nee Nee

Ja Ja

Nee Nee

Ten behoeve van het vaststellen dan wel uitsluiten van zomer-, kraam-, paar-, winterverblijfplaatsen en vliegroute en foerageergebied van gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, watervleermuis en meervleermuis is de volgende werkwijze gehanteerd. Zomerverblijfplaatsen en kraamverblijfplaatsen In de periode van 15 mei tot en met 15 juli zijn drie veldbezoeken uitgevoerd ten behoeve van het vaststellen dan wel uitsluiten van zomerverblijf- en/of kraamverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, watervleermuis en meervleermuis. Hierbij zijn tussen het eerste en het laatste bezoek minimaal 30 dagen gelegen. Twee bezoeken zijn uitgevoerd in de avond om uitvliegende vleermuizen vast te stellen en om conform het protocol te werken voor de laatvlieger. Het andere bezoek is uitgevoerd in de ochtend om zwermende en/of invliegende vleermuizen rond het gebouw vast te stellen. Een uitvliegend, invliegend of zwermende vleermuis wijst op de aanwezigheid van een voortplantings- of rustplaats in het gebouw.

Soortgericht onderzoek naar vleermuizen en vogels kantoor Damsigt te Leidschendam-Voorburg Projectcode:20180129

pagina 6

De avondbezoeken op 4 juni 2018 en 5 juli 2018 zijn uitgevoerd met 6 personen verdeeld over alle deelgebieden, waarbij 4 personen het kantoor Damsigt en Total benzinestation hebben onderzocht (rekening houdend dat elk persoon 75% van zijn deel kon overzien). De overige 2 personen hebben de terreinen Avalex en de voormalige gemeentewerf onderzocht, waarbij elk persoon ook weer 75% kon overzien. Tijdens de avondbezoeken is gekozen om met 6 personen te inventariseren, zodat alle deelgebieden gelijktijdig konden worden onderzocht en alles voldoende kon worden overzien (zie afbeelding 2). De ochtendronde op 5 juni 2018 is uitgevoerd met 4 personen (zie afbeelding 3). Waarbij 2 personen het kantoor Damsigt en Total benzinestation hebben onderzocht en 2 personen de terreinen Avalex en de voormalige gemeentewerf. Vleermuizen zwermen een korte tijd voorafgaand aan het invliegen. Door het zwermen voorafgaand aan het invliegen en de hoeveelheid personen kon alles goed worden overzien. Omdat in het projectgebied de watervleermuis en de meervleermuis wordt verwacht is de onderzoekstijd in de avond verlengd met een kwartier en in de ochtend met een uur.

Afbeelding 2: Met een stip is aangegeven op welke locaties tijdens avondbezoeken voor zomer- en kraamverblijfplaatsen is gepost door een deskundig ecoloog en welke gevel deze heeft onderzocht.

Paarverblijfplaatsen Ten behoeve van het vaststellen van de aanwezigheid van paarverblijfplaatsen zijn vanaf 15 augustus tot 1 oktober twee bezoeken in de avond/nacht uitgevoerd. Hierbij is gelet op baltsende vleermuizen. Een paarverblijfplaats kan op twee manieren worden vastgesteld. Indien de baltsende vleermuis de paarverblijfplaats daadwerkelijk invliegt kan de locatie van de paarverblijfplaats worden vastgesteld. Indien deze niet kon worden vastgesteld is aangenomen dat de paarverblijfplaats zich in het baltsterritorium bevindt. Daarnaast is gebruik gemaakt van een warmtecamera om een eventuele baltsterritorium gerichter te kunnen bepalen. De avondbezoeken zijn uitgevoerd met 4 personen verdeeld over alle deelgebieden, waarbij 2 personen het kantoor Damsigt en Total benzinestation hebben onderzocht (rekening houdend dat elk persoon 75% van zijn deel kon overzien). De overige 2 personen hebben de terreinen Avalex en de voormalige gemeentewerf onderzocht, waarbij elk persoon ook weer 75% kon overzien. Tijdens de nachtbezoeken is gekozen om met 4 personen te inventariseren, zodat alle deelgebieden gelijktijdig konden worden onderzocht. Vleermuizen baltsen een groot gedeelte van de avond en door met 4 personen te inventariseren zijn geen baltsende vleermuizen gemist (zie afbeelding 3).

Omdat in het projectgebied de watervleermuis en de meervleermuis wordt verwacht is de onderzoekstijd in de ochtend verlengd met een uur.

Soortgericht onderzoek naar vleermuizen en vogels kantoor Damsigt te Leidschendam-Voorburg Projectcode:20180129

pagina 7

Afbeelding 3: Met een ster is aangegeven op welke locaties tijdens het ochtend bezoek ten behoeve van zomer- en kraamverblijfplaatsen en de bezoeken voor paarverblijfplaatsen is gepost door een deskundig ecoloog.

Winterverblijfplaatsen (Individuele) winterverblijfplaatsen Vooralsnog is geen betrouwbare methode beschikbaar om individuele winterverblijfplaatsen vast te stellen in spouwmuren of onder een dak omdat doorgaans niet de hele spouw kan worden overzien met een boomcamera of spiegel. Van zomerverblijfplaatsen, kraamverblijven en paarverblijfplaatsen mag zekerheidshalve aangenomen worden dat deze ook als winterverblijfplaats gebruikt kunnen worden, zolang de temperatuur niet te laag wordt (vorst) (Bij12, 2017). In onderhavig onderzoek is hier dan ook geen specifiek onderzoek naar verricht en wordt uitgegaan van een mogelijke aanwezigheid van individuele winterverblijfplaatsen indien zomer-, kraam- en of paarverblijfplaatsen zijn aangetroffen in het projectgebied. Bij strenge vorst is het aannemelijk dat gewone dwergvleermuizen verblijven in een massawinterverblijfplaatsen (zie tekst hieronder). Massawinterverblijfplaats gewone dwergvleermuizen Bij massa-winterverblijven wordt over het algemeen al ’s zomers gezwermd. De mannetjes gaan al gedurende de kraamperiode op zoek naar een geschikt verblijf. Bij zo’n verblijf zullen meerdere mannetjes gaan zwermen, wat vermoedelijk een functie heeft bij het aanwijzen van de verblijfplaats.

Tegen het einde van de kraamperiode beginnen de vrouwtjes deel te nemen aan het zwermen, en nadat de jongen zijn uitgevlogen nemen ook zij deel aan het zomerzwermen (Sendor, 2002). Het eerste bezoek ten behoeve van het vaststellen van de aanwezigheid van massawinterverblijfplaatsen is uitgevoerd op 3 augustus 2018. Het tweede bezoek is tegelijk met het bezoek ten behoeve van het vaststellen van de aanwezigheid van paarverblijfplaatsen op 5 september 2018 uitgevoerd tussen 00:00 en 02:00 uur. Ten tijde van deze bezoeken in augustus is, door 2 personen, rond middernacht bekeken of zwermende dwergvleermuizen aanwezig zijn.

Soortgericht onderzoek naar vleermuizen en vogels kantoor Damsigt te Leidschendam-Voorburg Projectcode:20180129

pagina 8

Vliegroutes Ten behoeve van het vaststellen van vliegroutes zijn twee veldbezoeken bij goede weersomstandigheden uitgevoerd. Deze bezoeken zijn 3 uur voor zonsopgang gestart. Het eerste bezoek is uitgevoerd in de kraamperiode, tussen 15 mei en 15 juli. Het tweede bezoek is buiten deze periode uitgevoerd, minimaal 8 weken na het eerste bezoek. Tijdens deze veldbezoeken is bepaald of en welke vleermuissoorten gebruik maken van de watergangen, bomen en struiken als vliegroute. De bezoeken op 5 juni 2018 en 15 augustus 2018 zijn allebei in de ochtend uitgevoerd, omdat in het vleermuisprotocol wordt aangegeven dat voor de watervleermuis en meervleermuis dit onderzoek in de ochtend dient plaats te vinden. Daarnaast is de onderzoekstijd 3 uur, omdat in het vleermuisprotocol wordt aangegeven dat voor de watervleermuis en meervleermuis gestart moet worden 60 minuten voor zonsopgang. Voor de overige soorten geldt dat 2 uur voor zonsopkomst geïnventariseerd moet worden.

De ochtendbezoeken op 5 juni 2018 en 15 augustus 2018 zijn uitgevoerd met 4 personen, waarbij 1 persoon de straat Johan David Zocherstraat heeft onderzocht (hier staat een aaneengesloten bomenrij), 1 persoon de Nieuwe havenstraat (groenstrook tussen Total en gemeentewerf), 1 persoon de bomenrij aan de noordoostkant van de gemeentewerf en 1 persoon de bomenrij aan de noordoostkant en de zuidkant van het terrein Avalex (zie afbeelding 4). Door het onderzoek op deze manier is uitgevoerd zijn alle aaneengesloten bomenrijen, struikgroepen die geschikt zijn als vliegroute onderzocht op langsvliegende vleermuizen.

Afbeelding 4: De rode lijnen betreffen de aaneengesloten bomenrijen die geschikt zijn als vliegroute voor vleermuizen. Met een ster is aangegeven op welke locaties is gepost door een deskundig ecoloog. De paarse ster is de Johan David Zocherstraat, de blauwe ster is de Nieuwe havenstraat, de groene ster is de noordoostkant van de gemeentewerf en de gele ster is de bomenrij aan de noordoostkant en de zuidkant van het terrein Avalex.

Soortgericht onderzoek naar vleermuizen en vogels kantoor Damsigt te Leidschendam-Voorburg Projectcode:20180129

pagina 9

3.2 VOGELS MET EEN NESTPLAATS OF RUSTPLAATS In het projectgebied worden nesten en rustplaatsen van de slechtvalk (categorie 3) en de zwarte roodstaart (categorie 5) verwacht. Slechtvalk Om uit te sluiten of aan te tonen dat de slechtvalk een nest of rustplaats heeft in het projectgebied zijn conform de territoriumkartering van Sovon drie bezoeken tussen 1 februari tot en met 30 juni uitgevoerd. De bezoeken kunnen de gehele dag worden uitgevoerd tijdens goede inventarisatieomstandigheden. Ten tijde van het bezoek is gelet op één of meer van de volgende waarnemingen, wat duidt op een aanwezige nestlocatie:  exemplaren van de slechtvalk in de omgeving van het projectgebied;  balts, paring of ander gedrag waar uit geconcludeerd kan worden dat nesten aanwezig moeten zijn;  prooioverdracht rondom het projectgebied;  voedseltransporten naar het projectgebied. Zwarte roodstaart Om uit te sluiten of aan te tonen dat de zwarte roodstaart een nest of rustplaats heeft in het projectgebied zijn conform de territoriumkartering van Sovon drie bezoeken tussen 20 april tot en met 10 juli uitgevoerd. Het laatste bezoek op 5 juli 2018 is voorafgaand aan het vleermuisbezoek uitgevoerd.

Tijdens deze bezoeken is gelet op één of meer van de volgende waarnemingen, wat duidt op een aanwezige nestlocatie:  een zingend mannetje of;  een paartje bij een potentiële nestplaats of;  balts, paring of ander gedrag waar uit geconcludeerd kan worden dat er nesten aanwezig moeten zijn. 3.3 OVERZICHT BEZOEKEN EN WEERGEGEVENS In tabel 4 is een overzicht opgenomen van de in totaal negen uitgevoerde veldbezoeken. In tabel 5 zijn de weersomstandigheden op de dag van uitvoering weergegeven. Tabel 4: Uitgevoerd veldbezoek Datum Activiteit 28-03-2018

Dagbezoek

09-05-2018

Dagbezoek

04-06-2018

Avondbezoek

05-06-2018

Ochtendbezoek

18-06-2018

05-07-2018

03-08-2018 15-08-2018

09-09-2018

Soortgroep Vogels -slechtvalk Vogels -slechtvalk -zwarte roodstaart Vleermuizen -zomer- en kraamverblijfplaats

Vleermuizen -zomer- en kraamverblijfplaats en vliegroute Vogels Dagbezoek -slechtvalk -zwarte roodstaart Vleermuizen -zomer- en Avondbezoek kraamverblijfplaats Vogels -zwarte roodstaart Vleermuizen Nachtbezoek -massawinterverblijf Vleermuizen Ochtendbezoek -paarverblijfplaats -vliegroute Vleermuizen Nachtbezoek -paarverblijfplaats -massawinterverblijf

Tijdstip (begin - einde)

Uitvoerende(n)

10:00 – 12:00

Dhr. ing. A. Kolders

11:00 – 14:00

Dhr. ing. A. Kolders

21:56 – 23:56

02:21 – 05:21

11:00 – 14:00

22:04 – 00:19

Dhr. ing. A.W.M. Loeve, Dhr. J. van Bussel, Dhr. J. Groot, Dhr. H. de Graaff, Dhr. S. Elzenman MSc en Mevr. ir. E. van Dongen Dhr. ing. A.W.M. Loeve, Dhr. J. van Bussel, Dhr. N. Alderliesten en Dhr. H. de Graaff

Dhr. ing. A. Kolders Dhr. ing. A.W.M. Loeve, Dhr. J. van Bussel, Dhr. J. Groot, Dhr. ing. A. Kolders, Dhr. N. Alderliesten en Dhr. J. Keijzer.

20:00 – 22:00 00:00 – 02:00 03:23 – 06:23 00:00 – 02:00

Dhr. N. Alderliesten en Dhr. J. Keijzer. Dhr. ing. A.W.M. Loeve, Dhr. J. van Bussel, Dhr. ing. A. Kolders en Dhr. N. Alderliesten Dhr. J. van Bussel, Dhr. J. Groot, Dhr. N. Alderliesten en Dhr. ing. A. Kolders

Soortgericht onderzoek naar vleermuizen en vogels kantoor Damsigt te Leidschendam-Voorburg Projectcode:20180129

pagina 10

Tabel 5: Weersomstandigheden* Temperatuur (°C) Datum Min. Max.

Overheersende windrichting –kracht (Bft)

Bewolking

Neerslag (mm)

Geheel bewolkt Half bewolkt Zwaar bewolkt

11,5** 0,0 0,0

28-03-2018 09-05-2018 04-06-2018

3,3 10,4 14,2

7,6 21,0 22,0

05-06-2018

12,1

18,9

N3

Half bewolkt

0,0

18-06-2018

14,9

19,2

ZW 4

Zwaar bewolkt

0,2

05-07-2018

11,9

22,8

NNW 2

Half bewolkt

0,0

03-08-2018

14,2

31,0

N2

Onbewolkt

0,0

15-08-2018

17,1

21,8

ZW 3

Vrijwel geheel bewolkt

< 0,05

Geheel bewolkt

< 0,05

W2 WNW 2 N2

09-09-2018 15,1 23,2 ZZW 3 * Weersomstandigheden dichtstbijzijnde weerstation (Rotterdam). ** Ten tijde van het veldbezoek was het droog.

Soortgericht onderzoek naar vleermuizen en vogels kantoor Damsigt te Leidschendam-Voorburg Projectcode:20180129

pagina 11

4. ONDERZOEKSRESULTATEN EN INTERPRETATIE In dit hoofdstuk worden de belangrijkste resultaten nader toegelicht en wordt aangegeven waar nesten, voortplantingsplaatsen, rustplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden in het projectgebied aanwezig zijn. Een overzicht van deze verblijfplaatsen is weergegeven op afbeelding 3. Voor de achterliggende waarnemingen per bezoek wordt verwezen naar bijlage 4. 4.1 VLEERMUIZEN Er zijn binnen het projectgebied geen zomer-, kraam-, winter- en paarverblijfplaatsen aanwezig. In de appartementencomplexen ten westen van het projectgebied zijn in totaal 13 paarverblijfplaatsen van de ruige dwergvleermuis aanwezig, 2 baltsterritoria van de gewone dwergvleermuis en een winterverblijfplaats van ongeveer 5 dieren. In afbeelding 5 is de beschermde elementen kaart weergegeven.

Afbeelding 5: Beschermde elementen kaart kantoor Damsigt binnen de rode lijnen

4.1.1. ZOMER- EN KRAAMVERBLIJFPLAATSEN Tijdens de veldbezoeken op 4 en 5 juni 2018 en 5 juli 2018 ten behoeve van het vaststellen of uitsluiten van zomer- en of kraamverblijven zijn geen zwermende, invliegende of uitvliegende vleermuizen waargenomen ter plaatse van het kantoor Damsigt. Derhalve wordt geconcludeerd dat geen zomer- en/of kraamverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis en watervleermuis aanwezig zijn. Er zijn diverse langsvliegende en foeragerende gewone dwergvleermuizen waargenomen binnen de projectgrenzen van het kantoor Damsigt. De foeragerende en langsvliegende vleermuizen maakte geen baltsgeluiden of sociale roepjes en er is ook geen zwermgedrag waargenomen. Op basis hiervan kan worden uitgesloten dat de langsvliegende en foeragerende gewone dwergvleermuizen binding hebben met het kantoor Damsigt. Soortgericht onderzoek naar vleermuizen en vogels kantoor Damsigt te Leidschendam-Voorburg Projectcode:20180129

pagina 12

4.1.2. PAARVERBLIJFPLAATSEN Binnen het projectgebied Tijdens de veldbezoeken op 15 augustus 2018 en 9 september 2018 ten behoeve van het vaststellen of uitsluiten van paarverblijfplaatsen zijn geen baltsende waargenomen ter plaatse van het kantoor Damsigt. Derhalve wordt geconcludeerd dat geen paarverblijfplaatsen de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger aanwezig zijn. Er zijn enkele foeragerende gewone dwergvleermuizen waargenomen binnen de projectgrenzen van het kantoor Damsigt. De foeragerende vleermuizen maakte geen baltsgeluiden of sociale roepjes en er is ook geen zwermgedrag waargenomen. Op basis hiervan kan worden uitgesloten dat de langsvliegende, foeragerende en sociaal roepende gewone dwergvleermuizen, binding hebben met het kantoor Damsigt. Buiten het projectgebied Tijdens het onderzoek naar paarverblijfplaatsen zijn in de appartementencomplexen langs de Johan David Zocherstraat (zie afbeelding 6) diverse paarverblijfplaatsen van de ruige dwergvleermuis en de gewone dwergvleermuis aangetroffen. Daarnaast is eveneens een winterverblijfplaats vastgesteld. In totaal zijn in deze appartementencomplexen 13 paarverblijfplaatsen van de ruige dwergvleermuis aanwezig, 2 baltsterritoria van de gewone dwergvleermuis en een winterverblijfplaats van ongeveer 5 gewone dwergvleermuizen.

De gewone dwergvleermuizen en ruige dwergvleermuizen die de appartementencomplexen, buiten het projectgebied gebruiken als paarverblijfplaats, gebruiken de complexen mogelijk ook als winterverblijfplaats.

Afbeelding 6: Eén van de appartementencomplexen langs de Johan David Zocherstraat

Soortgericht onderzoek naar vleermuizen en vogels kantoor Damsigt te Leidschendam-Voorburg Projectcode:20180129

pagina 13

4.1.3. WINTERVERBLIJFPLAATSEN (Individuele) winterverblijfplaatsen Individuele winterverblijfplaatsen kunnen worden uitgesloten in het kantoor Damsigt, omdat er geen zomer, kraam- en paarverblijfplaatsen zijn aangetroffen. Massa winterverblijfplaats De aanwezigheid van massa-winterverblijven is uitgesloten. Tijdens de veldbezoeken rond middernacht in augustus en september ten behoeve van het vaststellen of uitsluiten van massa-winterverblijfplaatsen zijn namelijk geen zwermende vleermuizen waargenomen. 4.1.4. VLIEGROUTES Voor het vliegroute onderzoek op 5 juni 2018 en 15 augustus 2018 is de bomenrij langs de Johan David Zocherstraat (zie afbeelding 4, de paarse ster) onderzocht. Het gaat hier om de aaneengesloten bomenrij langs de Johan David Zocherstraat (zie afbeelding 7). Tijdens de veldbezoeken zijn geen vleermuizen aangetroffen die de bomenrij volgde.

Afbeelding 7: Bomenrij langs de Burgemeester Winkellaan

Soortgericht onderzoek naar vleermuizen en vogels kantoor Damsigt te Leidschendam-Voorburg Projectcode:20180129

pagina 14

4.2 VOGELS 4.2.1. SLECHTVALK Tijdens de veldbezoeken voor het slechtvalkonderzoek op 28 maart 2018, 9 mei 2018 en 18 juni 2018 zijn geen slechtvalken op het kantoor of in de omgeving van het projectgebied waargenomen. Tevens zijn geen sporen of nestbouw/nestmateriaal van de slechtvalk aangetroffen. Derhalve wordt geconcludeerd dat geen nest- en rustplaatsen van de slechtvalk in het projectgebied aanwezig zijn. 4.2.2. ZWARTE ROODSTAART Tijdens de veldbezoeken voor het zwarte roodstaarten onderzoek op 28 maart 2018, 9 mei 2018 en 5 juli 2018 zijn geen zwarte roodstaarten op het kantoor of op de parkeerplaats waargenomen. Derhalve wordt geconcludeerd dat geen nest- en rustplaatsen van de zwarte roodstaart in het projectgebied aanwezig zijn. 4.2.3. OVERIGE WAARNEMINGEN Tijdens het laatste slechtvalk bezoek is tevens het dak gecontroleerd op een mogelijke nest- en rustplaats. Deze is niet aangetroffen. Wel is een nestplaats van een zilvermeeuw met 2 jongen (zie afbeelding 8), aangetroffen op het dak van Damsigt. Een plat dak met stenen is uitermate geschikt voor dakbroeders als zilvermeeuw, kleine mantelmeeuw en scholekster. Hier dient tijdens de werkzaamheden rekening mee gehouden te worden. In hoofdstuk 6.2 wordt onder het kopje zorgplicht omschreven hoe hier rekening mee gehouden dient te worden.

Afbeelding 8: 2 juveniele zilvermeeuwen op het dak van Damsigt

Soortgericht onderzoek naar vleermuizen en vogels kantoor Damsigt te Leidschendam-Voorburg Projectcode:20180129

pagina 15

5. TOETSING AAN WETGEVING In dit hoofdstuk is beschreven wat de wettelijke consequenties zijn die voortvloeien uit de aanwezigheid van beschermde nesten, voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van vleermuizen, zoals beschreven in hoofdstuk 4. Voor meer informatie over de juridische achtergronden wordt verwezen naar bijlage 2. De betreffende artikelen van de Wet natuurbescherming zijn opgenomen in box 2. 5.1 VLEERMUIZEN Vleermuizen zijn zoogdieren die beschermd zijn vanuit de Europese habitatrichtlijn en opgenomen in de Wet natuurbescherming. De voortplantings- en/of rustplaatsen of de onderdelen van voortplantings- en/of rustplaatsen (functioneel leefgebied) van vleermuizen zijn jaarrond beschermd. Dit betekent dat de verblijfplaats, vliegroute of foerageergebied ook beschermd is gedurende periode in het jaar dat de vleermuis er geen gebruik van maakt. Binnen het projectgebied zijn geen verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden van vleermuizen aanwezig. Sporadisch worden er langsvliegende en foeragerende vleermuizen aangetroffen. In de appartementencomplexen ten westen van kantoor Damsigt zijn diverse paarverblijfplaatsen en een winterverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis aangetroffen. Het verstoren van deze vleermuizen betreft een overtreding van artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming (zie box 2).

Door de werkzaamheden binnen het projectgebied mogen de vleermuizen buiten het projectgebied niet verstoord worden. Verstoring van de vleermuizen buiten het projectgebied kan worden voorkomen door: 1. De werkzaamheden overdag uitvoeren. Hierdoor wordt voorkomen dat vleermuizen verstoord worden door verlichting. 2. Tijdens de actieve periode van de vleermuizen (van 1 april tot 31 oktober) dient in de nacht geen (bouw) verlichting te worden gebruikt, die op de gevels van de appartemetencomplexen gericht staan en op de overige ruimte rondom het projectgebied. De verlichting dient alleen gericht te zijn op het werkterrein. Op deze manier wordt voorkomen dat baltsende, foeragerende en langsvliegende vleermuizen worden verstoord, wat een overtreding is van de Wet natuurbescherming. 3. Permanente verlichting mag eveneens niet worden gericht op de omgeving. Er mag niet meer verlichting aanwezig zijn dan in de huidige situatie. Box 2: verbodsbepalingen artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming      

Artikel 3.5 Lid 1: Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Lid 2: Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. Lid 3: Het is verboden om eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Lid 4: Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. Lid 5: Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage 1 bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

5.2 SLECHTVALK Uit het soortgericht onderzoek blijkt dat er in het projectgebied geen nest of rustplaatsen van slechtvalk aanwezig zijn. Met betrekking tot slechtvalk zijn in het kader van de Wet natuurbescherming dan ook geen vervolgstappen noodzakelijk. 5.3 ZWARTE ROODSTAART Uit het soortgericht onderzoek blijkt dat er in het projectgebied geen nest of rustplaatsen van zwarte roodstaart aanwezig zijn. Met betrekking tot zwarte roodstaart zijn in het kader van de Wet natuurbescherming dan ook geen vervolgstappen noodzakelijk.

Soortgericht onderzoek naar vleermuizen en vogels kantoor Damsigt te Leidschendam-Voorburg Projectcode:20180129

pagina 16

6. CONCLUSIES Ter plaatse van het kantoor Damsigt in het gebied Klein Plaspoelpolder te Voorburg is een soortgericht onderzoek naar vleermuizen en vogels uitgevoerd. Ter plaatse van het projectgebied is men voornemens in de toekomst het kantoor Damsigt te amoveren. Het doel van het onderzoek is het uitsluiten dan wel aantonen van nesten, voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van alle onderzochte soorten in het projectgebied. Vervolgens is bepaald of door de werkzaamheden sprake kan zijn van het overtreden van de Wet natuurbescherming en welke vervolgstappen mogelijk noodzakelijk zijn. 6.1 CONCLUSIES Op basis van het soortgericht onderzoek is geconcludeerd dat:

Soort(groep)

Conclusie

  Vleermuizen  Slechtvalk Zwarte roodstaart Overige waarnemingen

Er zijn geen voortplantings- en rustplaatsen van vleermuizen aanwezig in het projectgebied. Er zijn voor vleermuizen geen vervolgstappen nodig. Buiten het projectgebied zijn in de appartementencomplexen ten westen van het projectgebied, 13 paarverblijfplaatsen van de ruige dwergvleermuis, 2 baltsterritoria van de gewone dwergvleermuis en een winterverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis aanwezig. Verstoring van vleermuizen door het gebruik van verlichting buiten het projectgebied dient voorkomen te worden.

Er zijn geen nesten of rustplaatsen van de slechtvalk aanwezig in het projectgebied. Hiervoor zijn geen vervolgstappen nodig.

Er zijn geen nesten of rustplaatsen van de zwarte roodstaart aanwezig in het projectgebied. Hiervoor zijn geen vervolgstappen nodig.

Op het dak van Damsigt is een nestplaats van een zilvermeeuw aanwezig. De grote hoeveelheid bomen en struiken in het projectgebied en het platte dak zijn ideale broedlocaties voor algemene broedvogels.

Soortgericht onderzoek naar vleermuizen en vogels kantoor Damsigt te Leidschendam-Voorburg Projectcode:20180129

pagina 17

6.2 VERVOLGSTAPPEN Op basis van het soortgericht onderzoek wordt aanbevolen om:

Vervolgstappen

Uitvoering vervolgstappen

Periode

Zorgplicht

Betreffende maatregelen zijn van toepassing tijdens de uitvoering

Wanneer in het voorjaar of de zomer wordt gewerkt: voor de start van de werkzaamheden het projectgebied en de directe omgeving (‘invloedsfeer van de werkzaamheden’) te controleren op broedvogels. Indien broedende vogels aanwezig zijn, is het aan de deskundige om te bepalen of met de werkzaamheden kan worden aangevangen. Op het dak van Damsigt broedt een zilvermeeuw en is eveneens geschikt voor soorten als scholekster en kleine mantelmeeuw. Het dak (gebouw) mag alleen gesloopt worden na een broedvogelinspectie waaruit blijkt dat er geen vogels op het dak broeden of buiten de broedperiode. Rekening houden met het aanbrengen van verlichting, zodat de langsvliegende en foeragerende vleermuizen niet verstoord worden verlichting. In het kader van de zorgplicht eventueel aanwezige licht beschermde dieren en niet beschermde dieren te laten vluchten of te verplaatsen bij de werkzaamheden.

Soortgericht onderzoek naar vleermuizen en vogels kantoor Damsigt te Leidschendam-Voorburg Projectcode:20180129

pagina 18

REFERENTIELIJST Barataud, M, 2015. Acoustic Ecology of European Bats Species identification, study of their habitats and foraging behavior ISBN Biotope: 978-2-36662-144-0 BIJ12 (juli 2017, versie 1.0). Kennisdocument gewone dwergvleermuis. BIJ12 (juli 2017, versie 1.0). Kennisdocument ruige dwergvleermuis. BIJ12 (juli 2017, versie 1.0). Kennisdocument laatvlieger. BIJ12 (juli 2017, versie 1.0). Kennisdocument rosse vleermuis. BIJ12 (juli 2017, versie 1.0). Kennisdocument watervleermuis. Dietz, C., O von Helversen, D. Nill., 2009. Vleermuizen: Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. Tirion Natuur. Korsten, E., Bureau Waardenburg B.V., 2012, Vleermuiskasten; Overzicht van toepassing, gebruik en succesfactoren Kosten, E., Jansen, E. 2015 Symposium Vleermuizen in de Stad. Presentatie over vorst-zwermen en waarnemingen van dwergvleermuizen in winterslaap. Lange, R., P. Twisk, A. van Winden en A. van Diepenbeek, VZZ, 2 e druk 2003. Zoogdieren van WestEuropa. uitgeverij KNNV, Middleton, N, Froud, A, French, K 2014. Sociall Calls of the Bats of Britain and Ireland. Exeter: Pelagic Publishing. ISBN: 9 781970 801678 Netwerk Groene Bureaus: uitgebracht-27-maart-2013

www.netwerkgroenebureaus.nl/nieuws/113-vleermuisprotocol-2013-

Netwerk Groene Bureaus: vleermuisprotocol 2017. http://www.netwerkgroenebureaus.nl/werken-aankwaliteit/vleermuisprotocol

Russ, J. , 2012. Britisch Bat Calls: A Guide To Species Identification. Pelagic Publishing ISBN-13: 9781907807251 Sendor, T, 2002. Population ecology of the pipistrelle bat (Pipistrellus pipistrellus Schreber, 1774): the significance of the year-round use of hibernacula for life histories. Simon, M.,Hüttenbügel, S., Smit-Viergutz, J., 2004. Ecology and Conservation of Bats in Villages en Towns. ISBN 3-7843-3619-1 Skiba, R. 2009. Europäische Fledermäuse Kennzeichen, Echoortung und Detektoranwendung. ISBN: 3 89432 907 6 VanderHelm Milieubeheer B.V., 2017. Ecologische quickscan Klein Plaspoelpolder te Voorburg. Kenmerk 20171527.

Soortgericht onderzoek naar vleermuizen en vogels kantoor Damsigt te Leidschendam-Voorburg Projectcode:20180129

pagina 19

BIJLAGE 1

REGIONALE SITUATIEKAART PROJECTGEBIED

= Projectgebied

Soortgericht onderzoek naar vleermuizen en vogels kantoor Damsigt te Leidschendam-Voorburg Projectcode:20180129

Bijlage

BIJLAGE 2

WETTELIJKE EN BESTUURLIJKE KADERS NATUURBESCHERMING

In Nederland wordt de bescherming van natuur geregeld met behulp van de Wet natuurbescherming. Onder de Wet natuurbescherming valt de bescherming van enerzijds in het wild levende dieren (fauna) en planten (flora) en anderzijds de gebiedsbescherming en de bescherming van houtopstanden. In dit hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven van de vigerende wet- en regelgeving inzake de Wet natuurbescherming. Wet natuurbescherming (01-01-2017) De Wet natuurbescherming is een samenkomst van drie voormalige natuurwetten: De Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. Onder de Wet natuurbescherming valt nu de soortenbescherming en de gebiedsbescherming. SOORTENBESCHERMING (FLORA EN FAUNA) De Wet natuurbescherming beschermd kwetsbare en zeldzame flora en fauna. De wet geldt daar waar beschermde soorten voorkomen. De beschermde soorten zijn onderverdeeld in Europees- en nationaal beschermde dier- en plantensoorten. Afhankelijk van de beschermde status van een soort dient bij de aantasting van exemplaren of nesten, voortplantings- of rustplaatsen van deze soort, een ontheffing op de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. Belangrijk voor de toekenning hiervan is de status, maar ook of de duurzame instandhouding van de populatie wel of niet in het geding is. Indien geen verbodsbepalingen worden overtreden kan mogelijk worden volstaan met een mitigatieplan.

Europees beschermde dier- en plantensoorten Deze soorten betreffen in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern, bijlage I bij het Verdrag van Bonn en vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern, bijlage I bij het Verdrag van Bonn Voor deze soorten dienen in het geval van ruimtelijke ontwikkeling mitigerende maatregelen opgesteld te worden die ervoor zorgen dat de functionaliteit van de nesten, voortplantings- of rustplaatsen gegarandeerd wordt. Tevens kunnen werkzaamheden, onder voorwaarden, worden uitgevoerd volgens een goedgekeurde gedragscode. Wanneer dit niet mogelijk is kan, indien de volgende belangen aan de orde zijn: bescherming van flora en fauna, dwingende redenen van groot openbaar belang of volksgezondheid of openbare veiligheid, een ontheffing aangevraagd worden. Vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn Voor vogels dienen in het geval van ruimtelijke ontwikkeling mitigerende maatregelen opgesteld te worden die ervoor zorgen dat de functionaliteit van de nesten en rustplaatsen gegarandeerd wordt. Tevens kunnen werkzaamheden, onder voorwaarden, worden uitgevoerd volgens een goedgekeurde gedragscode.

Wanneer dit niet mogelijk is kan, indien de volgende belangen aan de orde zijn: bescherming van flora en fauna, veiligheid van het luchtverkeer of volksgezondheid of openbare veiligheid, een ontheffing aangevraagd worden. Nationaal beschermde dier- en plantensoorten Deze soorten betreffen in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij de Wet natuurbescherming.

Soortgericht onderzoek naar vleermuizen en vogels kantoor Damsigt te Leidschendam-Voorburg Projectcode:20180129

Bijlage

Vrijstelling Middels een vrijstellingsregeling kan in het kader van ruimtelijke inrichting en ontwikkeling vrijstelling verleend worden voor nationaal beschermde dier- en plantensoorten. Derhalve hoeft voor deze soorten geen ontheffing te worden aangevraagd. Voor deze soorten blijft wel de algemene zorgplicht van kracht. Per provincie wordt een vrijstellingslijst opgesteld. Elke provincie kan ervoor kiezen om verschillende soorten vrij te stellen. Per project zal gekeken moeten worden welke dier- en plantensoorten in de betreffende provincie zijn vrijgesteld. Voor soorten die niet zijn vrijgesteld dient gewerkt te worden volgens een goedgekeurde gedragscode, of dient bij de aantasting van exemplaren nesten, voortplantings- of rustplaatsen van deze soort bij activiteiten die de verbodsbepalingen overtreden, een ontheffing op de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. VERBODEN HANDELINGEN Naast de zorgplicht zijn een aantal verboden handelingen opgenomen. Deze worden hieronder weergegeven. Artikel 3.1 Vogelrichtlijn 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3.

Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Artikel 3.5 Habitatrichtlijn 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Artikel 3.10 Nationaal beschermde dier- en plantensoorten 1.

Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. 2. Artikel 3.8, met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: a. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b. ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen;

Soortgericht onderzoek naar vleermuizen en vogels kantoor Damsigt te Leidschendam-Voorburg Projectcode:20180129

Bijlage

c.

ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; d. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; e. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; f. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; g. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of h. in het algemeen belang. 3. De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden. Gedragscode Voor zowel Europees als nationaal beschermde soorten geldt dat werkzaamheden uitgevoerd kunnen worden volgens een door Onze Minister goedgekeurde gedragscode. De betreffende gedragscode moet voor de werkzaamheden en soort(groep) geschreven en beschikbaar zijn.

Dit geldt indien de werkzaamheden plaatsvinden in het kader van: - een bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of –bermen, of in het kader van natuurbeheer; - een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of de bosbouw; - een bestendig gebruik, of - een ruimtelijke inrichting of ontwikkeling. Werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd onder een gedragscode, mits de functionaliteit van de nesten, voortplantings- of rustplaatsen van de soorten behouden blijft. Positieve afwijzing Als er maatregelen genomen worden om de functionaliteit van de nesten, voortplantings- of rustplaatsen van zowel Europees als nationaal beschermde soorten garanderen, is een ontheffing van de Flora- en faunawet niet noodzakelijk. Om er echter zeker van te zijn of de opgestelde mitigerende maatregelen voldoende zijn, kan op basis van deze maatregelen een ontheffing bij de betreffende provincie worden aangevraagd. Indien de provincie akkoord gaat met de mitigerende maatregelen en de functionaliteit van de nesten, voortplantings- of rustplaatsen van de soorten hiermee behouden blijft, wordt de ontheffingsaanvraag positief afgewezen en mogen de werkzaamheden zonder ontheffing worden uitgevoerd. ZORGPLICHT De zorgplicht valt onder zowel de soortenbescherming (dier- en plantensoorten) als gebiedsbescherming.

Onderstaand worden de maatregelen met betrekking tot zorgvuldig handelen weergegeven, zoals opgenomen artikel 1.11 en artikel 3.31, lid 3, van de Wet natuurbescherming. Artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming 1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura-2000 gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura-2000 gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde. Soortgericht onderzoek naar vleermuizen en vogels kantoor Damsigt te Leidschendam-Voorburg Projectcode:20180129

Bijlage

Artikel 3.31, lid 3, van de Wet natuurbescherming 3. Van zorgvuldig handelen is in elk geval sprake, indien is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. er worden slechts handelingen verricht waarvan geen wezenlijke invloed uitgaat op de soorten, bedoeld in het tweede lid, en b. ingeval handelingen worden verricht die invloed hebben op dieren wordt voorafgaand en tijdens de handelingen in redelijkheid alles verricht of gelaten om te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken dat: i. dieren als bedoeld in artikel 3.1, 3.5, eerste lid, of 3.10, eerste lid, worden gedood; ii. nesten van vogels worden vernield, beschadigd of weggenomen, rustplaatsen van vogels worden vernield of beschadigd, dan wel voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de in artikel 3.5, eerste lid, of artikel 3.10, eerste lid, bedoelde dieren worden beschadigd of vernield, en iii. eieren van dieren als bedoeld in artikel 3.1, 3.5, eerste lid, of 3.10, eerste lid, worden vernield, of c. ingeval handelingen worden verricht die invloed hebben op planten van soorten als bedoeld in artikel 3.5, vijfde lid, of 3.10, eerste lid, wordt voorafgaand aan en tijdens de handelingen in redelijkheid alles verricht of gelaten om te voorkomen dat deze planten worden geplukt, afgesneden, ontworteld of vernield.

GEBIEDSBESCHERMING Onder de gebiedsbescherming vallen de Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland, Beschermde Natuurmonumenten, gebieden ter uitvoering van verdragen en andere internationale verplichtingen (zoals wetlands) en houtopstanden. NATURA2000 Natura 2000-gebieden zijn gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn. Voor elk Natura 2000-gebied wordt door de betreffende provincie een beheerplan opgesteld, waarin de nodige instandhoudingsmaatregelen zijn opgenomen. Artikel 2.7, lid 2, van de Wet natuurbescherming stelt over Natura 2000-gebieden het volgende: ‘Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen.’ De toetsing betreft het vaststellen of het projectgebied in of in de omgeving van een beschermd natuurgebied gelegen is en of er sprake is van een negatief effect op de beschermde natuurwaarden. Als dit niet het geval is dan is verder onderzoek niet nodig.

Indien er wel sprake is van een effect op beschermde natuurwaarden is een aanvullende toetsing noodzakelijk, waarbij wordt vastgesteld in hoeverre er sprake is van een negatief effect. NATUURNETWERK NEDERLAND Het beschermingsregime voor gebieden die vallen onder het NNN vloeit voort uit het Natuurbeleidsplan uit 1991 en de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening. Het is in de Nota Ruimte op nationaal niveau en vervolgens door de provincies op provinciaal niveau nader uitgewerkt. Bescherming van deze gebieden is op planologische basis en er wordt van uitgegaan van het "Nee, tenzij‟-regime en compensatiebeginsel. Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op behoud en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden. Daarom geldt in het NNN het "nee, tenzij‟- regime. Indien een voorgenomen ingreep de "nee, tenzij‟-afweging met positief gevolg doorloopt kan de ingreep plaatsvinden, mits de eventuele nadelige gevolgen worden gemitigeerd en resterende schade wordt gecompenseerd. Indien een voorgenomen ingreep niet voldoet aan de voorwaarden uit het "nee, tenzij‟-regime dan kan de ingreep niet plaatsvinden.

Soortgericht onderzoek naar vleermuizen en vogels kantoor Damsigt te Leidschendam-Voorburg Projectcode:20180129

Bijlage

Houtopstanden Onder de Wet natuurbescherming (houtopstanden) vallen: - alleen bossen die buiten de ‘bebouwde kom Boswet’ liggen; - alle beplantingen van bomen die groter zijn dan 10 are; - bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan 20 bomen bestaat. De gemeente stelt de grenzen van de ‘bebouwde kom Boswet’ bij besluit vast. Deze grenzen kunnen afwijken van de ‘bebouwde kom Verkeerswet’. Het besluit wordt door de provincie goedgekeurd. Wanneer voor het uitvoeren van werkzaamheden houtopstanden zoals hierboven beschreven gekapt moeten worden geldt een meldings- en herplantplicht. De kapmelding is geen kapvergunning. In sommige gemeenten is een kapvergunning vereist, die door de gemeente wordt afgegeven. Voordat gekapt wordt, is het raadzaam bij de gemeente na te vragen of een vergunning vereist is. Als dat zo is, moet die apart worden aangevraagd. Gemeenten leggen in de bomenverordening vast welke bomen zonder vergunning mogen worden gekapt en voor welke bomen een meldings- of vergunningsplicht geldt. Binnen drie jaar nadat een bos is gekapt, moet het worden herplant. Deze termijn van drie jaar geldt ook als het bos door een calamiteit (brand, storm, ziekten of plagen) verloren gaat. Na drie jaar moet er een geslaagde herbebossing zijn uitgevoerd. Een herbeplanting die niet goed is aangeslagen moet, binnen 3 jaar na kap, worden ingeboet.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leidschendam&id=f20f130f-8c1c-4995-b073-bcfad76ccddf