2953 010 Klaverblad 7- 9 vastgesteld bestemmingsplan Regels
Tekst van het document
Uitzonderingen
Het in lid 5.5.1 vervatte verbod is niet van toepassing op de volgende werken en werkzaamheden: 1. het normale beheer en/of onderhoud van graslanden; 2. reeds in uitvoering zijnde (legale) werken en werkzaamheden bij de tervisielegging van het ontwerp van dit plan of werken en werkzaamheden waarvoor reeds een aanlegvergunning is verleend; 3. betrekking hebben op het aanbrengen van verhardingen ten behoeve van in- en/of uitritten, tot een oppervlakte van ten hoogste 10 m²; 4. de aanleg en/of normaal onderhoud van natuurvriendelijke oevers. 5.5.3
Toelaatbaarheid omgevingsvergunning
De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 5.5.1 wordt slechts verleend, indien en voor zover de werken en/of werkzaamheden, waarop de vergunning betrekking heeft: 1. de werken en werkzaamheden, waarop de vergunning betrekking heeft, noodzakelijk zijn voor een doelmatig gebruik van de gronden overeenkomstig hun bestemming; 2. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de ruimtelijke kwaliteiten van het terrein; 3. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de waterhuishoudkundige situatie met betrekking tot de waterkwaliteit en -kwantiteit; 4. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de historisch-ruimtelijke, cultuurhistorische- en/of archeologische waarden van het terrein. 5.5.4
Advies omtrent omgevingsvergunning
Alvorens omtrent een aanvraag omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden te beslissen, winnen burgemeester en wethouders, indien nodig, advies in bij de met betrekking tot het betreffende terrein meest aangewezen instantie.
30
Regels (vastgesteld)
bestemmingsplan Klaverblad 7- 9
Artikel 6
Waarde - Archeologie 3
6.1
Bestemmingsomschrijving
6.1.1
Algemeen
De voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende en te verwachten archeologische waarden. 6.1.2
Dubbelbestemming
Voor zover deze gronden tevens zijn aangewezen voor de daar voorkomende dubbelbestemming(en), zijn deze bestemmingen ten opzichte van elkaar nevengeschikt. 6.2
Bouwregels
Ter plaatse van de in deze bestemming bedoelde gronden mag zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning niet worden gebouwd, tenzij het bouwplan betrekking heeft op een of meer van de volgende bouwwerken: 1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; 2. een bouwwerk met een oppervlakte kleiner dan 100 m² 3. een bouwwerk waarbij de bodemingreep niet dieper reikt dan 30 cm beneden maaiveld; 4. een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst. 6.3
Omgevingsvergunning voor het afwijken van de bouwregels
Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bepaalde in 6.2 dienen de volgende zaken in acht te worden genomen: 1. De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als de activiteit geen afbreuk doet aan het behoud en de bescherming van archeologische waarde in de desbetreffende gronden. 2. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning kan een archeologisch rapport worden gevraagd waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate wordt vastgesteld; 3. Aan de omgevingsvergunning kunnen een of meer van de voorwaarden worden verbonden zoals vermeld in lid 6.4.4. 6.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
6.4.1
Algemeen
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning ter plaatse van de in deze bestemming bedoelde gronden, het waterpeil te verhogen of te verlagen en één of meer van de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren die de bodem roeren of beïnvloeden op een diepte van meer dan 30 cm beneden maaiveld over een oppervlakte van meer dan 100 m² (hieronder wordt verstaan: afgraven, ophogen, verwijderen of afbreken van oude fundering(spalen), woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, alsmede het verruimen, verdiepen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen of verwijderen van drainages): 1. het uitvoeren van grondbewerkingen waartoe worden gerekend afgraven, ophogen, verwijderen of afbreken van oude fundering(spalen), woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, alsmede het verruimen, verdiepen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen of verwijderen van drainages; Regels (vastgesteld)
31
bestemmingsplan Klaverblad 7- 9 2. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen in de bodem; 3. het aanleggen van bos waarbij dieper in de grond wordt geroerd dan de aangegeven 30 cm beneden maaiveld; 4. het rooien van bos of boomgaard en/of verwijderen van stobben waarbij dieper in de grond wordt geroerd dan de aangegeven 30 cm beneden maaiveld; 5. het aanleggen of verwijderen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; 6. het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen. 6.4.2
Uitzonderingen
Het in lid 6.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing, indien de werkzaamheden: 1. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij het bepaalde in artikel 6.3 sub a. en b. in acht is genomen; 2. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd door een certificaathouder archeologie voor deze werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 5.1 van de Erfgoedwet; 3. worden uitgevoerd in bestaande weg- en/of leidingcunetten; 4. worden uitgevoerd in het kader van regulier onderhoud en beheer; 5. bestaan uit het frezen van stobben. 6.4.3
Beoordeling aanvraag omgevingsvergunning
Bij de beoordeling van een aanvraag omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.4.1 dienen de volgende zaken in acht te worden genomen: 1. de omgevingsvergunning wordt alleen verleend als de activiteit geen afbreuk doet aan het behoud en de bescherming van archeologische waarde in de desbetreffende gronden; 2. bij de aanvraag om een omgevingsvergunning kan een archeologisch rapport worden gevraagd waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate wordt vastgesteld; 3. aan de omgevingsvergunning kunnen één of meer voorwaarden worden verbonden zoals vermeld in artikel 6.4.4. 6.4.4
Voorwaarden omgevingsvergunning
Aan de omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 6.3 en/of 6.4 kunnen één of meer van de volgende voorwaarden worden verbonden: 1. het doen van archeologisch bureauonderzoek; 2. het doen van inventariserend archeologisch veldonderzoek (IVO) zoals boringen, proefsleuven en non-destructief onderzoek (zoals grondradar- en weerstandsonderzoek) conform een door burgemeester en wethouders goedgekeurd Plan van Aanpak en/of Programma van Eisen; 3. het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden kunnen worden behouden (behoud in situ); 4. het monitoren van de archeologische waarden; 5. het opgraven van de archeologische waarden (ex situ te behouden) door een gecertificeerde instelling conform een door burgemeester en wethouders goedgekeurd Programma van Eisen (PvE); 6. het archeologisch laten begeleiden van de activiteit(en) die tot bodemverstoring leidt, door een gecertificeerde instelling conform een door burgemeester en wethouders goedgekeurd Programma van Eisen (PvE).
32
Regels (vastgesteld)
bestemmingsplan Klaverblad 7- 9
Artikel 7
Waarde - Archeologie 4
Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bepaalde in artikel 8.2.2 onder c., indien de bij de betrokken bestemming behorende bouwregels in acht worden genomen en het belang van de waterkering door de bouwactiviteiten niet wordt geschaad. Alvorens toepassing te geven aan deze afwijking dient schriftelijk advies te worden gevraagd aan de beheerder van de waterkering. 7.1
Bestemmingsomschrijving
7.1.1
Algemeen
De voor 'Waarde - Archeologie 4' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende en te verwachten archeologische waarden. 7.1.2
Dubbelbestemming
Voor zover deze gronden tevens zijn aangewezen voor de daar voorkomende dubbelbestemming(en), zijn deze bestemmingen ten opzichte van elkaar nevengeschikt. 7.2
Bouwregels
Ter plaatse van de in deze bestemming bedoelde gronden mag zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning niet worden gebouwd, tenzij het bouwplan betrekking heeft op een of meer van de volgende bouwwerken: 1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; 2. een bouwwerk met een oppervlakte kleiner dan 2000 m²; 3. een bouwwerk waarbij de bodemingreep niet dieper reikt dan 100 cm beneden maaiveld; 4. een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst. 7.3
Omgevingsvergunning voor het afwijken van de bouwregels
Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bepaalde in artikel 7.2 dienen de volgende zaken in acht te worden genomen: 1. de omgevingsvergunning wordt alleen verleend als de activiteit geen afbreuk doet aan het behoud en de bescherming van archeologische waarde in de desbetreffende gronden; 2. bij de aanvraag om een omgevingsvergunning kan een archeologisch rapport worden gevraagd waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate wordt vastgesteld; 3. aan de omgevingsvergunning kunnen een of meer van de voorwaarden worden verbonden zoals vermeld in lid 7.4.4.
Regels (vastgesteld)
33
bestemmingsplan Klaverblad 7- 9
7.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
7.4.1
Algemeen
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning, ter plaatse van de in deze bestemming bedoelde gronden, het waterpeil te verhogen of te verlagen en om één of meer van de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren op een diepte van meer dan 100 cm beneden maaiveld over een oppervlakte van meer dan 2000 m² (hieronder wordt verstaan: afgraven, ophogen, verwijderen of afbreken van oude fundering(spalen), woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, alsmede het verruimen, verdiepen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen of verwijderen van drainages): 1. het uitvoeren van grondbewerkingen waartoe worden gerekend afgraven, ophogen, verwijderen of afbreken van oude fundering(spalen), woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, alsmede het verruimen, verdiepen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen of verwijderen van drainages; 2. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen in de bodem; 3. het aanleggen van bos waarbij dieper in de grond wordt geroerd dan de aangegeven 100 cm beneden maaiveld; 4. het rooien van bos of boomgaard en/of verwijderen van stobben waarbij dieper in de grond wordt geroerd dan de aangegeven 100 cm beneden maaiveld; 5.
het aanleggen of verwijderen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; 6. het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen. 7.4.2
Uitzonderingen
Het in lid 7.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing, indien de werkzaamheden: 1. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij het bepaalde in artikel 7.3 sub a. en b. in acht is genomen; 2. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd door een certificaathouder archeologie voor deze werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 5.1 van de Erfgoedwet; 3. worden uitgevoerd in bestaande weg- en/of leidingcunetten; 4. worden uitgevoerd in het kader van regulier onderhoud en beheer; 5. bestaan uit het frezen van stobben. 7.4.3
Beoordeling aanvraag omgevingsvergunning
Bij de beoordeling van een aanvraag omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.4.1 dienen de volgende zaken in acht te worden genomen: 1. De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als de activiteit geen afbreuk doet aan het behoud en de bescherming van archeologische waarde in de desbetreffende gronden. 2. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning kan een archeologisch rapport worden gevraagd waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate wordt vastgesteld. 3. Aan de omgevingsvergunning kunnen één of meer voorwaarden worden verbonden zoals vermeld in artikel 7.4.4. 7.4.4
Voorwaarden omgevingsvergunning
Aan de omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 7.3 en/of 7.4 kunnen één of meer van de volgende voorwaarden worden verbonden: 1. het doen van archeologisch bureauonderzoek; 2. het doen van inventariserend archeologisch veldonderzoek (IVO) zoals boringen, proefsleuven en non-destructief onderzoek (zoals bijvoorbeeld grondradar- en weerstandsonderzoek) conform een door burgemeester en wethouders goedgekeurd Plan van Aanpak en/of Programma van Eisen; 3. het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden kunnen worden behouden
34
Regels (vastgesteld)
bestemmingsplan Klaverblad 7- 9 (behoud in situ); 4. het monitoren van de archeologische waarden; 5. het opgraven van de archeologische waarden (ex situ te behouden) door een gecertificeerde instelling conform een door burgemeester en wethouders goedgekeurd Programma van Eisen (PvE); 6. het archeologisch laten begeleiden van de activiteit(en) die tot bodemverstoring leidt, door een gecertificeerde instelling conform een door burgemeester en wethouders goedgekeurd Programma van Eisen (PvE).
Regels (vastgesteld)
35
bestemmingsplan Klaverblad 7- 9
Artikel 8
Waterstaat - Waterkering
8.1
Bestemmingsomschrijving
8.1.1
Algemeen
De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de waterkering, met de daarbij behorende bebouwing en voorzieningen. 8.1.2
Dubbelbestemming
Voor zover de in lid 8.1.1 genoemde gronden tevens zijn aangewezen voor de daar voorkomende dubbelbestemming(en), zijn deze bestemmingen ten opzichte van elkaar nevengeschikt. 8.2
Bouwregels
8.2.1
Algemeen
Op, dan wel in, deze gronden mogen ten behoeve van de waterkering dan wel de verkeersgeleiding te water, uitsluitend bouwwerken, geen gebouw zijnde, worden gebouwd, met dien verstande dat: 1. de bouwhoogte van deze bouwwerken niet meer mag bedragen dan 5m; 2. indien de betreffende gronden tevens zijn aangewezen voor (een) dubbelbestemming(en) genoemd in lid 8.1.2, burgemeester en wethouders voor de bouw van de bouwwerken als bedoeld in dit lid uitsluitend een omgevingsvergunning verlenen, indien tevens aan het bepaalde in de regels behorende bij die dubbelbestemming(en) is voldaan; 8.2.2
Samenvallende bestemming(en)
Voor zover de gronden genoemd in lid 8.1.1 samenvallen met (een) andere daar voorkomende bestemming(en), mag ten behoeve van die andere bestemming(en) -met inachtneming van de voor die bestemming(en) geldende regels - uitsluitend worden gebouwd, indien en voor zover: 1. de belangen van de waterkering de bebouwing gedogen; 2. burgemeester en wethouders vóór het verlenen van de voor de betreffende bebouwing benodigde omgevingsvergunning, hierover schriftelijk advies hebben ingewonnen bij de beheerder van de waterkering en deze een positief advies heeft uitgebracht. 8.3
Afwijken van de bouwregels
Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bepaalde in artikel 8.2.2 onder c., indien de bij de betrokken bestemming behorende bouwregels in acht worden genomen en het belang van de waterkering door de bouwactiviteiten niet wordt geschaad. Alvorens toepassing te geven aan deze afwijking dient schriftelijk advies te worden gevraagd aan de beheerder van de waterkering. 8.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
8.4.1
Algemeen
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning, op en/of in de gronden met de bestemming 'Waterstaat - Waterkering', de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: 1. 2. 3. 4. 36
het aanleggen en verharden van wegen en het aanbrengen van oppervlakteverhardingen; het verlagen van de bodem, het afgraven, ontgrondingen, ophogen en/of egaliseren van de gronden; het aanleggen en dempen van watergangen, sloten, weidegreppels en andere waterlopen; het aanbrengen van boven- en ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en Regels (vastgesteld)
bestemmingsplan Klaverblad 7- 9 de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur; 5. het vellen en rooien van bomen, hakhout en andere houtopstanden en het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging tot gevolg hebben of kunnen hebben, met uitzondering van het vellen, rooien of beschadigen van fruitbomen en het periodiek afzetten van hakhout; 6. diepploegen, d.w.z. het extra diep omploegen van de gronden waarbij de kruidlaag volledig wordt omgeploegd (0,4 m. of meer diep); 7. werken of werkzaamheden die wijziging van de waterhuishouding of waterstand beogen of tot gevolg hebben, zoals uitdiepen of draineren; 8. het bebossen of anderszins beplanten met houtopstanden, waaronder tevens begrepen het telen en kweken van bomen, heesters (inclusief fruitbomen en boomgaarden), alsmede het beplanten met c.q. de teelt van maïs; 9. het (chemisch) scheuren van grasland, anders dan voor graslandverbetering; 10. het onttrekken van grondwater, anders dan ten behoeve van de veedrenking; 11. het uitvoeren van heiwerken of het op een andere wijze indrijven van voorwerpen in de bodem. 8.4.2
Uitzonderingen
Het in lid 8.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op de volgende werken en werkzaamheden: 1. het normale beheer en/of onderhoud van graslanden; 2. reeds in uitvoering zijnde (legale) werken en werkzaamheden bij de tervisielegging van het ontwerp van dit plan of werken en werkzaamheden waarvoor reeds een aanlegvergunning is verleend; 3. betrekking hebben op het aanbrengen van verhardingen ten behoeve van in- en/of uitritten, tot een oppervlakte van ten hoogste 10 m²; 4. de aanleg en/of normaal onderhoud van natuurvriendelijke oevers. 8.4.3
Toelaatbaarheid omgevingsvergunning
De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 8.4.1 wordt slechts verleend, indien en voor zover de werken en/of werkzaamheden, waarop de vergunning betrekking heeft: 1. de werken en werkzaamheden, waarop de vergunning betrekking heeft, noodzakelijk zijn voor een doelmatig gebruik van de gronden overeenkomstig hun bestemming; 2. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de ruimtelijke kwaliteiten van het terrein; 3. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de waterhuishoudkundige situatie met betrekking tot de waterkwaliteit en -kwantiteit; 4. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de historisch-ruimtelijke, cultuurhistorische- en/of archeologische waarden van het terrein. 8.4.4
Advies omtrent omgevingsvergunning
Alvorens omtrent een aanvraag omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden te beslissen, winnen burgemeester en wethouders, indien nodig, advies in bij de met betrekking tot het betreffende terrein meest aangewezen instantie.
Regels (vastgesteld)
37
bestemmingsplan Klaverblad 7- 9
38
Regels (vastgesteld)
bestemmingsplan Klaverblad 7- 9
Hoofdstuk 3 Artikel 9
Algemene regels
Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan, waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Regels (vastgesteld)
39
bestemmingsplan Klaverblad 7- 9
Artikel 10
10.1
Algemene bouwregels
Bebouwingsafstanden tot perceelsgrenzen
1. De afstand van gebouwen, geen kassen zijnde, tot perceelsgrenzen dient ten minste 3 m te bedragen, voor zover in de regels behorende bij de bestemming van de gronden waarop het betreffende gebouw wordt gerealiseerd anders is bepaald. 2. De afstand van kassen tot perceelsgrenzen dient ten minste 1 m te bedragen, voor zover in de regels behorende bij de bestemming van de gronden waarop de kassen worden gebouwd anders is bepaald. 10.2
Afwijken bebouwingsafstanden tot perceelsgrenzen
Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 10.1, voor het bouwen van bouwwerken op een andere afstand dan in dat lid is aangegeven, waarbij: 1. hoofdgebouwen op een geringere afstand van dan wel op de perceelsgrens kunnen worden gesitueerd; 2. bijgebouwen op een geringere afstand van dan wel op de perceelsgrens kunnen worden gesitueerd, met dien verstande dat de voorgevel van de bijgebouwen dienen te worden opgericht op ten minste 3 m achter de voorgevel van de woning; 3. kassen op een geringere afstand van, dan wel op de perceelsgrens kunnen worden gesitueerd. 10.2.1 Toelaatbaarheid afwijking Burgemeester en wethouders maken uitsluitend gebruik van de in lid 10.2 genoemde afwijkingsmogelijkheid, indien en voor zover: 1. de nadere situering van de gebouwen uit landschappelijk, planologisch, stedenbouwkundig en verkeerskundig oogpunt gewenst dan wel aanvaardbaar wordt geacht of; 2. de nadere situering uit een oogpunt van hetzij doelmatige bedrijfsvoering of de inrichting van terreinen noodzakelijk of gewenst wordt geacht; 3. de bebouwing ruimtelijk dan wel landschappelijk wordt ingepast, met inachtneming van de in de Ruimtelijke kwaliteitsparagraaf beschreven ruimtelijke kwaliteit en karakteristiek van erven en het gebied, ten aanzien waarvan burgemeester en wethouders advies kunnen inwinnen bij een landschapsdeskundige.
40
Regels (vastgesteld)
bestemmingsplan Klaverblad 7- 9
Artikel 11
11.1
Algemene gebruiksregels
Strijdig gebruik
Tot een strijdig gebruik van gronden en/of bouwwerken, wordt in ieder geval gerekend: 1. het gebruiken of laten gebruiken van gronden en/of bouwwerken voor andere doeleinden dan voor de doeleinden behorende bij de bestemming; 2. het gebruiken of laten gebruiken van gronden en/of bouwwerken op een wijze die leidt tot een aantasting van de belangen die samenhangen met de doeleinden behorende bij de bestemming; 3. het gebruiken of laten gebruiken van gronden en/of bouwwerken voor de opslag en stalling van machines, goederen, materieel of andere zaken, anders dan overeenkomstig de bestemming dan wel een omgevingsvergunning; 4. het gebruiken of laten gebruiken van gronden als opslag-, stort- of bergplaats van grond en andere al of niet afgedankte stoffen, voorwerpen en producten; 5. het gebruiken of laten gebruiken van gronden en/of bouwwerken voor de opslag van vuurwerk; 6. het splitsen van een (bedrijfs)woning in meerdere woningen, wooneenheden of appartementen of het realiseren van een woonfunctie in bedrijfs- of bijgebouwen of het gebruiken van bedrijfsgebouwen of bijgebouwen voor woondoeleinden, anders dan overeenkomstig een omgevingsvergunning; 7. het gebruiken of laten gebruiken van gronden, bouwwerken en/of voorzieningen bestemd voor recreatief nachtverblijf, waaronder stacaravans, voor permanente bewoning; 8.
het plaatsen en geplaatst houden van kampeermiddelen of enig ander onderkomen op een perceel, anders dan overeenkomstig de bestemming; 9. het uitoefenen van een bedrijf dan wel bedrijfsactiviteiten als bedoeld in de Staat van bedrijfsactiviteiten, anders dan overeenkomstig de bestemming of een omgevingsvergunning; 10. het uitoefenen van (een) horeca(bedrijf) en detailhandel, anders dan overeenkomstig een omgevingsvergunning of bedrijfsgebonden dan wel ondergeschikte detailhandel, uitsluitend voor zover de betreffende vorm van detailhandel volgens de specifieke gebruiksregels niet als strijdig gebruik wordt aangemerkt; 11. het plaatsen en geplaatst houden van vliegtuigen, vaartuigen, voertuigen, aanhangers, paardentrailers en daarmee vergelijkbare objecten op een perceel, in gebouwen of onder overkappingen, anders dan overeenkomstig de bestemming of een omgevingsvergunning; 12. het gebruiken of laten gebruiken van gronden en/of bouwwerken als of ten behoeve van een seksinrichting; 13. het gebruiken of laten gebruiken van gronden als stand- of ligplaats van onderkomens, woonschepen en woonarken. 11.2
Woningsplitsing en kamerverhuur
11.2.1 Algemeen 1. Het is verboden om een bestaande woning te gebruiken voor twee of meer zelfstandige woningen; 2. Het is verboden om een bestaande woning te gebruiken voor 3 of meer onzelfstandige woningen; 3. Uitgezonderd van het verbod genoemd in artikel 11.2.1 is het gebruik van een mantelzorgwoning waarbij splitsing van de oorspronkelijke woonruimte plaatsvindt in enerzijds een zogenaamde mantelzorgwoning, waarin de zorgvrager woont en anderzijds een andere zelfstandige woning, welke door de zorggever wordt bewoond. Indien de mantelzorg beëindigd wordt, mag de mantelzorgwoning niet langer als zelfstandige woning gebruikt worden. 11.2.2 Afwijkingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders kunnen door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 11.2.1 onder de volgende voorwaarden: 1. het omzetten van een woning voor kamerbewoning met drie of maximaal vier kamers; 2. de beoogde woonruimte na omzetting in onzelfstandige woonruimten beschikt over een gebruiksoppervlakte (GBO) van minimaal 24 m² per bewoner;
Regels (vastgesteld)
41
bestemmingsplan Klaverblad 7- 9 3. de te splitsen woonruimte bij woningsplitsing beschikt over een gebruiksoppervlakte (GBO) van minimaal 140 m²; 4. de beoogde zelfstandige woonruimte van splitsing beschikt over een gebruiksoppervlakte (GBO) van minimaal 55 m²; 5. de hoofdbewoner bij inwoning ten minste 50% van het totale gebruiksoppervlakte (GBO) van het gebouw bewoond; 6. de bestaande woonruimte bij inwoning beschikt over een gebruiksoppervlakte (GBO) van ten minste 55 m². 11.2.3 Advies Alvorens te beslissen omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 11.2.2, toetsen burgemeester en wethouders de aanvraag aan: 1. de algemene leefbaarheidstoets; 2. de Nota Parkeernormen Leidschendam-Voorburg.
42
Regels (vastgesteld)
bestemmingsplan Klaverblad 7- 9
Artikel 12
12.1
Algemene aanduidingsregels
Overige zone - paardenbeleid agrarische gebieden
De als 'overige zone - paardenbeleid agrarische gebieden' aangeduide gronden zijn mede bestemd voor deeltijd paardenpensions als ondergeschikte deeltijdactiviteit bij volwaardige grondgebonden agrarische bedrijven, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3. 12.2
Overige zone - paardenbeleid randgebieden
De als 'overige zone - paardenbeleid randgebieden' aangeduide gronden zijn mede bestemd voor: 1. deeltijd paardenpensions als ondergeschikte deeltijdactiviteit bij volwaardige grondgebonden agrarische bedrijven, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3 Agrarisch; 2. de vestiging van (nieuwe) paardenhouderijen, welke middels een omgevingsvergunning kunnen worden aangevraagd.
Regels (vastgesteld)
43
bestemmingsplan Klaverblad 7- 9
Artikel 13
13.1
Algemene afwijkingsregels
Afwijken van bouwregels
Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in de regels elders in dit plan, ten behoeve van: 1. het bouwen van niet voor bewoning bestemde bouwwerken voor nutsvoorzieningen, zoals gasdrukregelstations, wachthuisjes, telefooncellen en transformatorhuisjes, uitgezonderd verkooppunten voor motorbrandstoffen, van welke bouwwerken de oppervlakte niet meer mag bedragen dan 20 m² en de goothoogte niet meer dan 3 m mag bedragen; 2. het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde, zoals duikers, keermuren, dammen en bruggen, mits deze om waterstaatkundige of verkeerstechnische redenen noodzakelijk zijn; 3. het plaatsen van kunstwerken (beeldende kunst) of straatmeubilair, indien dit uit het oogpunt van openbare inrichting gewenst is; 4. afwijkingen ten aanzien van de grens of richting van wegen, paden en/of ligging van bestemmingsen bebouwingsgrenzen en/of aanduidingen, indien dit noodzakelijk is ter aanpassing van het plan aan de bij uitmeting blijkende werkelijke toestand van het terrein, mits die afwijkingen ten opzichte van hetgeen is aangegeven niet meer bedraagt dan 5 m; 5.
afwijkingen van regels, gesteld ten aanzien van maten en percentages, mits die afwijkingen beperkt blijven tot ten hoogste 15% van de in het plan aangegeven maten en percentages, niet cumulatief worden gebruikt bij een eerder verleende vrijstelling of omgevingsvergunning en geen betrekking hebben op gronden die in dit plan aangewezen zijn of op grond van de regels in dit plan aangewezen worden met de bestemming 'Bedrijf', niet zijnde een landelijk bedrijf; 6. ten behoeve van het bouwen van zend- en/of antennemasten dan wel opstelpunten ten behoeve hiervan tot een bouwhoogte van maximaal 20 m, met dien verstande dat de hoogte van een zend- of antennemast op een gebouw niet meer mag bedragen dan 5 m. 13.2
Toelaatbaarheid afwijking
Burgemeester en wethouders maken uitsluitend gebruik van de in lid 13.1 genoemde afwijkingsmogelijkheid, indien en voor zover: 1. de afwijking geen onevenredige hinder of schade met zich meebrengt voor de omgeving; 2. de afwijking de belangen die met de in het plan opgenomen bestemmingen worden beschermd, niet in geding brengt; 3. door toepassing van deze afwijkingsmogelijkheid geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ruimtelijke kwaliteit en/of (cultuurhistorische)waarden van de betreffende gronden en/of de aanwezige bebouwing dan wel aan de waarden verbonden aan de bestemming van de gronden en/of bebouwing, die aan het bestemmingsvlak grenzen; 4. de afwijking ruimtelijk dan wel landschappelijk goed worden ingepast, met inachtneming van hetgeen in de Ruimtelijke kwaliteitsparagraaf is beschreven, ten aanzien waarvan burgemeester en wethouders advies kunnen inwinnen bij een landschapsdeskundige of een op het betreffende gebied meest aangewezen deskundige of instantie.
44
Regels (vastgesteld)
bestemmingsplan Klaverblad 7- 9
Artikel 14
14.1
Algemene wijzigingsregels
Bouw-/bestemmingsvlakken
Burgemeester en wethouders zijn op grond van het bepaalde in artikel 3.6 van de Wro bevoegd het plan te wijzigen, in die zin dat de situering en/of begrenzing van op de verbeelding aangegeven bouwvlakken en/of bestemmingsvlakken wordt gewijzigd. 14.1.1 Voorwaarden wijziging Voor de toepassing van de in lid 14.1 genoemde wijzigingsbevoegdheid, gelden de volgende voorwaarden: 1. de oppervlakte van een bouwvlak en/of bestemmingsvlak mag met niet meer dan 5% worden vergroot of verkleind; 2. de wijziging mag geen strijdigheid met het bepaalde in of krachtens de Wet geluidhinder met zich meebrengen; 3. de wijziging mag geen onevenredige afbreuk doen aan de belangen van aangrenzende gronden dan wel functies; 4. het belang van een goede ruimtelijke ontwikkeling van het in het plan begrepen gebied mag door de wijziging niet in gevaar komen. 14.2
Nutsvoorzieningen
Burgemeester en wethouders zijn op grond van het bepaalde in artikel 3.6 van de Wro bevoegd het plan te wijzigen, in die zin dat de bestemming van gronden in dit plan wordt gewijzigd in de bestemming ‘Bedrijf – Nutsvoorziening’, ten behoeve van het bouwen van nieuwe nutsvoorzieningen, zoals transformatorhuisjes, gemaalgebouwen en andere nutsgebouwen, voor zover deze noodzakelijk zijn. 14.2.1 Voorwaarden wijziging Voor de toepassing van de in lid 14.2 genoemde wijzigingsbevoegdheid, gelden de volgende voorwaarden: 1. de inhoud van een nutsgebouw mag niet meer bedragen dan 150 m³; 2. de goothoogte van een nutsgebouw mag niet meer bedragen dan 3 m en de bouwhoogte niet meer dan 3,5 m; 3. de wijziging mag geen onevenredige afbreuk doen aan de belangen van aangrenzende gronden dan wel functies; 4. de voorzieningen dienen landschappelijk goed te worden ingepast, met inachtneming van hetgeen in de Ruimtelijke kwaliteitsparagraaf is beschreven, ten aanzien waarvan burgemeester en wethouders advies kunnen inwinnen bij een landschapsdeskundige.
Regels (vastgesteld)
45
bestemmingsplan Klaverblad 7- 9
Artikel 15
15.1
Overige regels
Nadere eisen
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, aanvullend op het bepaalde in de regels elders in dit plan, nadere eisen te stellen ten aanzien de hierna genoemde aspecten, indien na afweging van de in het geding zijnde belangen, waaronder begrepen landschappelijke, cultuurhistorische of stedenbouwkundige belangen, het stellen van deze eisen ten aanzien van bebouwing dan wel werken/werkzaamheden redelijk gewenst of noodzakelijk is: 1. eisen ten aanzien van het aantal en de situering van ontsluitingswegen (in- en uitritten), met inbegrip van bruggen en dammen, waarbij: a. vooraf door burgemeester en wethouders advies is ingewonnen bij de wegbeheerder en/of een verkeersdeskundige; b. onder andere geëist kan worden dat bij een bedrijfsperceel niet meer dan tweeontsluitingswegen worden gerealiseerd; 2. eisen ten aanzien van de situering van niet als bouwwerk aan te merken voorzieningen ten behoeve van (agrarische) bedrijven, in verband met een zorgvuldige landschappelijke inpassing, het een en ander met inachtneming van hetgeen in de Ruimtelijke kwaliteitsparagraaf is beschreven.
46
Regels (vastgesteld)
bestemmingsplan Klaverblad 7- 9
Hoofdstuk 4 Artikel 16
16.1
Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht
Algemeen
Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een bouwvergunning, en afwijkt van dit plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van een omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk teniet is gegaan. 16.2
Afwijken
Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 16.1 voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in dat lid met maximaal 10%. 16.3
Uitzondering
Het bepaalde in lid 16.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
Regels (vastgesteld)
47
bestemmingsplan Klaverblad 7- 9
Artikel 17
17.1
Overgangsrecht
Algemeen
Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. 17.2
Verandering gebruik
Het is verboden het met dit plan strijdige gebruik, bedoeld in lid 17.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. 17.3
Onderbreking gebruik
Indien het gebruik, bedoeld in lid 17.1, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. 17.4
Uitzondering
Het bepaalde in lid 17.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
48
Regels (vastgesteld)
bestemmingsplan Klaverblad 7- 9
Artikel 18
Hardheidsclausule
Voor zover toepassing van het overgangsrecht voor bouwwerken of gebruik leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard jegens een of meer natuurlijke personen, kunnen burgemeester en wethouders ten behoeve van die persoon of personen bij een omgevingsvergunning afwijken van dat overgangsrecht.
Regels (vastgesteld)
49
bestemmingsplan Klaverblad 7- 9
Artikel 19
Slotregel
Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan ‘Klaverblad 7 – 9, Leidschendam’
50
Regels (vastgesteld)