CConstaterende datLeidschendam-Voorburg
Koppel je AI →
Document · PDF

2664 Woon-werkakkoord Delft, Den Haag, Leidschendam Voorburg, Rijswijk en provincie Zuid-Holland-'Durf te kiezen'.docx

Commissie Samenleving 7 februari 2022, gemeente Leidschendam-VoorburgBij agendapunt: Raadsbrief: Woon-werkakkoord 2022.3.587 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Woon-werkakkoord gemeenten Delft, Den Haag, Leidschendam-Voorburg, Rijswijk en provincie Zuid-Holland - ‘Durf te kiezen’

Bestuurlijk Woon-werkakkoord Gemeenten Delft, Den Haag, Leidschendam-Voorburg, Rijswijk, en provincie Zuid-Holland

Partijen De provincie Zuid-Holland, rechtsgeldig vertegenwoordigd door de gedeputeerden mevrouw A.L. Koning, en mevrouw W.H. de Zoete, hiertoe gemachtigd door de commissaris van de Koning handelende ter uitvoering van het besluit van Gedeputeerde Staten hierna te noemen: “de provincie”; Gemeente Den Haag, rechtsgeldig vertegenwoordigd door wethouder de heer A. Mulder en mevrouw S. Bruines: gemeente Delft, rechtsgeldig vertegenwoordigd door wethouder de heer B. Vollebregt en mevrouw K. Schrederhof; gemeente Rijswijk, rechtsgeldig vertegenwoordigd door wethouder de heer A. van de Laar en mevrouw J.N. Besteman; gemeente Leidschendam-Voorburg, rechtsgeldig vertegenwoordigd door wethouder mevrouw A. van Eekelen en de heer F.J. Kist gemachtigd door de burgemeester op grond van artikel 171 van de Gemeentewet, hierna te noemen “gemeenten”, Hierna samen te noemen “partijen”,

Overwegende dat: •

Deze overeenkomst aansluit op het woon-werkakkoord light dat door partijen op 30 maart 2021 is ondertekend.

•

Partijen hierin onder andere afgesproken hebben te komen tot een definitief woon-werkakkoord waarin de in artikel 8 omschreven elementen terugkomen die in het woon-werkakkoord light zijn vermeld. Voorliggend akkoord bevat concrete afspraken, maar nog niet alle in artikel 8 genoemde elementen. Daarom zijn in dit akkoord concrete procesafspraken opgenomen over hoe ook deze elementen verder worden uitgevoerd.

•

Dit nieuwe woon-werkakkoord gericht is op het gezamenlijk invulling geven aan ruimte voor wonen en werken. Het woord ‘definitief’ komt te vervallen omdat partijen langdurig wensen samen te werken en meer resultaatgerichte afspraken nog volgen.

•

Partijen van mening zijn dat vanuit de concurrentiekracht van de Zuidelijke Randstad een sterke agglomeratie met aantrekkelijke en toekomstbestendige woon- en werkmilieus van groot belang is.

•

Delft, Den Haag, Rijswijk, Provincie Zuid-Holland en het Rijk reeds afspraken hebben gemaakt in het Verstedelijkingsakkoord Zuidelijke Randstad om de woningbehoefte tot 2040 vooral in bestaand stedelijk gebied nabij hoogwaardig openbaar vervoer te accommoderen waarbij partijen zich er gezamenlijk voor inzetten om een fors deel van de woningbouwopgave door middel van binnenstedelijke verdichting nabij de Oude Lijn Leiden – Dordrecht en op een aantal specifieke locaties te realiseren en daartoe randvoorwaarden op orde te brengen.

•

In het kader van de Woningbouwimpuls het Rijk middelen beschikbaar heeft gesteld voor de woningbouw. Daarnaast heeft het Rijk recent extra middelen beschikbaar gesteld (10x € 100 mln)

1

1, met prioriteit voor de 14 grootschalige NOVI-woningbouwgebieden (€ 500 miljoen). Onderdeel

van deze 14 gebieden zijn de Oude Lijn Leiden-Dordrecht (waar ook Schieoevers Noord onder valt) en Den Haag CID-Binckhorst. De middelen kunnen onder andere worden ingezet voor uitkopen en verplaatsen van bedrijven. •

Het Klimaatakkoord inzet op energietransitie en circulaire economie als de pijlers op basis waarvan de huidige en toekomstige opgave voor bedrijfsruimte voor afval en beton zou moeten worden gerealiseerd. Een (boven)regionale circulaire hub met voldoende overslaglocaties in het stedelijk gebied kan daar mogelijk een bijdrage aan leveren.

•

Er op dit moment in de regio bestaande bedrijven zijn met activiteiten in een hoge milieu categorie (HMC) die belangrijk zijn voor het functioneren van de regio binnen een bepaald stedelijk verzorgingsgebied (bijv. betonproductie en afvalverwerking).

•

Voor nieuw te vestigen of te verplaatsen grote en zwaar milieubelastende bedrijven met veel ruimtebehoefte weinig plek is in de Haagse regio.

•

Gelet op de schaarse ruimte, de vele opgaven in het gebied en de vele beleidsdoelen het motto van dit bestuursakkoord is: durf te kiezen. Uitgangspunt is om binnen de schaarse ruimte te optimaliseren om zo de agglomeratiekracht in Zuid-Holland zo goed mogelijk te versterken.

•

Ook in breder verband, mede op basis van de door GS vastgestelde provinciale behoefteraming bedrijventerreinen, een regionale bedrijventerreinenvisie door de Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH) wordt opgesteld, waar input vanuit de Haagse regio gewenst is.

•

Binnen de Haagse regio de gezamenlijke publieke partijen meer willen sturen op vestiging van bedrijven die voor de regio specifieke toegevoegde waarde hebben, waarbij substantiële werkgelegenheid, innovatie en duurzaamheid en belang voor de regio voorname uitgangspunten vormen.

•

Dit woon-werkakkoord geen alternatief betreft voor het opstellen van de regionale bedrijventerreinenvisies. Hiervoor is een aparte uitvraag richting de regio’s door de provincie gestuurd.

Komen Partijen als volgt overeen: Artikel 1 Doel 1.

Het woon-werkakkoord beoogt een balans te vinden tussen ruimte voor wonen en werken in de regio. Het woon-werkakkoord dient twee doelen: a.

Enerzijds is het gericht op de korte termijn om noodzakelijke versnelling van de woningbouwproductie te realiseren en knelpunten op te lossen. De woningbouwplannen passen bij de regionale afspraken en doelstellingen vanuit het Rijk.

b.

Anderzijds wensen partijen voldoende ruimte te borgen voor in deze regio passende bedrijvigheid (functioneel en ruimtelijk), voor zowel de korte als lange termijn. Partijen streven ernaar langdurig hieraan te blijven samenwerken en maken hierover concrete procesafspraken voor het vervolg.

1 https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2021/11/05/kamerbrief-over-invulling-

10x100mln-voor-additionele-woningbouw

2

Artikel 2 Versnelling woningbouwprogramma 1.

Het woon-werkakkoord heeft onder andere tot doel noodzakelijke versnelling van de woningbouwproductie al op korte termijn te realiseren (artikel 1a). In het woon-werkakkoord light zijn hiervoor de transformatielocaties a t/m e benoemd die in dit woon-werkakkoord zijn aangevuld met transformatielocatie f. Ook zijn in het light akkoord al een aantal beter benutten/uitbreidingslocaties genoemd (g t/m i), in dit woon-werkakkoord aangevuld met locatie j, die kunnen bijdragen aan het creëren van voldoende bedrijvigheid op langere termijn: Reeds bestemde transformatielocaties: a. Haagse Asfalt Centrale Binckhorst (HAC), Den Haag, b. Vliethaven, Leidschendam-Voorburg; Nog vast te stellen transformatielocaties: Voor deze locaties geldt dat de gemeenten op korte termijn van plan zijn de (bedrijfs)bestemming te wijzigen: c. Schieoevers Noord, Delft, d. Klein-Plaspoelpolder, Leidschendam-Voorburg, e. Kesslerpark e.o., Havengebied Plaspoelpolder, Rijswijk; f. Staal; Delft. Beter benutten en eventuele uitbreidingslocaties (zie verder art. 3 lange termijn): Hierbij gaat het om het huidige bedrijventerrein areaal beter te benutten, door o.a. bedrijven te verplaatsen en ruimte efficiënter te gebruiken en/ of hogere milieucategorieën te gebruiken. Ook is gekeken naar uitbreidinglocaties in de regio Haaglanden.

Hiervoor zijn in het light-akkoord de locaties g, h, i opgenomen die in dit akkoord zijn aangevuld met locatie j: g. Schieoevers-Zuid, Delft (beter benutten), h. Westvlietweg/Vlietzone, Den Haag (beter benutten en zoekgebied uitbreiding), i. Plaspoelpolder-middengebied, Rijswijk, (beter benutten), j. RWS-Kavel (beter benutten). In ieder geval deze maar niet uitsluitend deze locaties worden nader onderzocht. Van de locaties onder a. tot en met j. is in bijlage 1 een geografische kaart opgenomen.

2.

De woningbouwplannen die passen bij de nog vast te stellen transformatielocaties staan hieronder beschreven. De woningbouwaantallen die hieronder opgenomen zijn corresponderen met het huidige regionale woningbouwprogramma. Nieuwe woningbehoefteramingen en regionale afspraken kunnen leiden tot gesprek over aanpassing van deze aantallen. Ad c Locatie Schieoevers Noord te Delft. Op de locatie zijn circa 4.500 nieuwe woningen in de periode 2020-2030 gepland, waarvan ca 25% sociaal en ca 20% middenhuur. Daarbij is minimaal 38.000 m², oplopend tot 48.000m² bedrijfsruimte m² gepland op deze locatie. Ook komt er een bedieningscentrale in het gebied (De Slimme Centrale). Ad d Locatie Klein-Plaspoelpolder te Leidschendam-Voorburg zijn er ca 630 nieuwe woningen in de periode 2020-2025 gepland. Waarvan 106 sociaal en 69 middelduur. Ad e Locaties Kesslerpark e.o. en Havengebied in Plaspoelpolder te Rijswijk. Voor het Havengebied zijn circa 2.250 woningen gepland, waarvan 1.000 middenhuur of betaalbare koop. Voor het Kesslerpark e.o. gaat het om 1.500 geplande woningen (de verwachting is dat dit aantal toeneemt tot 2.100) waarvan eveneens 1.000 voor middenhuur. Voor bedrijvigheid zal in het Havengebied per saldo geen bedrijvigheid verloren gaan.

Kesslerpark ontwikkelt tot een gemengd woon-werk campusgebied voor bedrijven en (onderwijs)instellingen met ook wonen en verblijfsgebied voor young professionals en

3

talenten. De functie werken blijft daarbij een substantieel onderdeel uitmaken van het gebied (met minimaal 1.000 kennisintensieve banen). Ad f Locatie de Staal te Delft. Op de locatie zijn circa 345 nieuwe woningen in de periode 2022- 2025 gepland, waarvan circa 12% middenhuur. Daarnaast komt er ca. 6.500 m² aan commerciële ruimtes. 3.

Door transformatie van een werkbestemming naar een gemengde- dan wel een woonbestemming verdwijnt er ruimte voor een specifiek type bedrijvigheid. Hiervoor dient volgens de vigerende provinciale ruimtelijke beleidskaders planologisch te worden gecompenseerd. Versnelling is mogelijk door uit te gaan van compensatie op basis van feitelijk gebruik (peildatum 1-1-2021). Voor de locaties a tot en met e zijn hierover in het woon-werkakkoord light reeds afspraken gemaakt. PZH maakt, vooruitlopend op nieuw omgevingsbeleid, met deze wijze van compenseren in dit akkoord maatwerk in de vorm van feitelijke compensatie ook mogelijk voor locatie f.

4.

Voor de nog vast te stellen transformatielocaties c, d, e en f dient iedere betrokken gemeente in lijn met het woon-werkakkoord op basis van feitelijk gebruik2 een plan op te stellen dat dient als concrete invulling van de compensatieplicht. Na overeenstemming met de provincie over deze compensatieplannen, zal aan deze compensatieplicht zijn voldaan en vindt de daadwerkelijk nog uit te voeren compensatie (waar gemeenten zich toe verplichten) plaats op basis van feitelijk gebruik. i. Voor de nog vast te stellen transformatielocaties c, d en f is reeds overeenstemming met de provincie over de compensatieplannen3, is de compensatieplicht aangetoond en vindt de daadwerkelijk nog uit te voeren compensatie plaats op basis van feitelijk gebruik. In de bestemmingsplannen voor de nog vast te stellen transformatielocaties c, d, en f kan worden verwezen naar dit artikel 2 lid 4 sub i uit het woon-werkakkoord. ii. Voor de nog vast te stellen transformatielocaties e dient het compensatieplan te worden toegevoegd aan de bestemmingsplannen en kan worden verwezen naar de afspraken in dit artikel 2 leden 3 en 4.

5.

Voor de overige provinciale belangen blijft de gemeente onverminderd gehouden aan de regels in de dan vigerende provinciale Omgevingsverordening.

Artikel 3 Richting een toekomstbestendige oplossing in de Haagse regio 1. Partijen gaan gezamenlijk op zoek naar een toekomstbestendige oplossing om voldoende ruimtelijk en functioneel passende bedrijvigheid in deze regio te realiseren. Dit onder meer vanwege ontwikkelingen op bestaande bedrijventerreinen, de wens tot een circulaire hub en de provinciale behoefteraming. 2.

De fysieke ruimte is schaars in de Haagse Regio. Daarom hanteren Partijen de strategie ‘Durf te kiezen’ bij het zoeken naar een toekomstbestendige oplossing. Dit speelt op verschillende niveaus: a. Tussen beleidsterreinen: Partijen onderkennen dat de ruimte in de Haagse regio schaars is en dat een integrale afweging van belangen tussen beleidsdoelen met gelijktijdige ruimteclaims gewenst is. Met als doel optimaal in te zetten op versterking van de agglomeratiekracht van Zuid-Holland en de Haagse regio in het bijzonder. b. Binnen de MRDH: Op het schaalniveau van de MRDH wensen Partijen te bezien welk type bedrijvigheid waar het beste past, afgestemd op regionale opgaven, ruimtelijke

2 Definitie compensatie feitelijk gebruik conform herziening 2021 van het provinciaal omgevingsbeleid: betreft compensatie op basis van

de manier waarop het kavel op dat moment gebruikt wordt. Daarbij wordt met name gekeken naar milieucategorie, watergebondenheid en m² BVO. Dit kan dus afwijken van de planologische mogelijkheden. 3 Het compensatieplan m.b.t. Klein-Plaspoelpolder is goedgekeurd en vastgelegd in “Compensatieplan Klein Plaspoelpolder LeidschendamVoorburg dd 15 dec 2021”. Het compensatieplan m.b.t. Schieoevers-Noord (Slimme Centrale, Schiehallen/Kabeldistrict, Nieuwe Haven, De Strip en Noordkavel) is goedgekeurd en vastgelegd in “Transformatie Schieoevers Noord, Stationsgebied, De Slimme Centrale en de Staal” Delft dd 14 dec 2021”.

4

context en passend bij de regionale uitwerking van de provinciale behoefteraming. Mogelijk leidt dit tot differentiatie in ruimtelijk-economische profielen tussen regio’s. c. Binnen de Haagse regio: Partijen focussen in hun vestigingsbeleid vooral op die bedrijven die toegevoegde waarde bieden in termen van werkgelegenheid, innovatie, duurzaamheid en belang voor de regio. 3.

Partijen zetten in op de volgende drie pijlers: a. Beter benutten van bestaande bedrijventerreinen (door o.a. bedrijven te verplaatsen, ruimte efficiënter te gebruiken en hogere milieucategorieën toe te staan). Het betreft voornamelijk categorie 3.1, 3.2 en 4 bedrijvigheid. b. Groei HMC faciliteren door uitbreidingslocaties aan te wijzen4. c. Voor HMC 4 en watergebonden bedrijvigheid (kan zowel op bestaand bedrijventerrein als uitbreidingslocatie) vooral inzetten op stadsgerelateerde vraag / bedrijvigheid.

4.

Partijen geven de voorkeur aan beter benutten van bestaande bedrijventerreinen boven uitbreidingslocaties. Dit vanwege de wens zo efficiënt mogelijk om te gaan met de schaarste aan ruimte. Tegelijkertijd is het beter benutten van locaties complex en zijn uitbreidingslocaties waarschijnlijk nodig om het ruimtelijke vraagstuk op te lossen.

5.

Bij het vormgeven van de toekomstbestendige oplossing spelen een aantal bestuurlijke uitdagingen waar Partijen voorstellen voor aandragen in het vervolgproces. a. Beter benutten: bij deze locaties speelt de complexiteit dat veel van de gronden niet in handen zijn van de overheid. Het weren of uitfaseren van oneigenlijk gebruik (bijvoorbeeld detailhandel op HMC/watergebonden terreinen) gaat niet vanzelf. Nieuw instrumentarium en striktere toepassing van bestaand instrumentarium is gewenst om meer grip te krijgen op ruimtegebruik. Bijvoorbeeld schuifruimte creëren (situationeel actief grondbeleid), explicieter gebieden aanwijzen met een hoge milieu categorie, spelregels voor plaatsing/verplaatsing. Ook leidt het realiseren van betaalbare bedrijfsruimte op deze locaties mogelijk tot onrendabele toppen (zie artikel 4, lid 6). De geleidelijke verkleuring naar en benutting van meer en zwaardere milieucategorieën vraagt om aanvullend beleid, tijd en geld. b. Uitbreidingslocaties: bij uitbreidingslocaties speelt de complexiteit dat er vaak meerdere ruimteclaims zijn die integraal tegen elkaar afgewogen moeten worden (zie artikel 3.2 ‘durf te kiezen’). Ook kan door het uitbreiden van locaties juist de druk op het beter benutten van bestaande locaties afnemen. c.

HMC 4 en/of watergebonden bedrijvigheid; Bij HMC4 en watergebonden bedrijvigheid speelt de afweging hoe te zorgen voor voldoende flexibiliteit om toekomstige (onzekere) vraag te bedienen zonder onnodig ruimte te reserveren om andere ontwikkelingen op slot te zetten.

Artikel 4 Procesafspraken voor toekomstbestendige oplossing lange termijn De komende periode gebruiken partijen om een stap verder te komen in de uitwerking van een toekomstbestendige strategie. Daarbij gelden de volgende procesafspraken: Algemene principes 1.

Partijen spreken met elkaar af dat ze, bij voorkeur samen met de andere gemeentes uit de Haagse Regio en de MRDH, volgens de lijn ‘durf te kiezen’ een beleidslijn uitwerken met daarin keuzes over a) hoe het gewenste economisch profiel van de Haagse regio eruit ziet en welk type bedrijvigheid daar bij hoort; b) op welke locaties daarvoor ruimte geboden zal worden.

4 Met hoge milieu categorie wordt bedoeld milieucategorie vanaf categorie 3.1. Het betreft voornamelijk categorie 3.1, 3.2 en 4

bedrijvigheid.

5

Bij deze keuzes houden Partijen rekening met bestaande ruimtelijke context, ambities, ontwikkelingen in markt en maatschappij, vigerend beleid en de provinciale behoefteraming. 2.

Partijen maken daarbij zowel gebruik van de mogelijkheden van het beter benutten van bestaande bedrijventerreinen (verdichten, sloop/nieuwbouw) als het aanwijzen van uitbreidingslocaties. Partijen hebben reeds een aantal beter benutten locaties en uitbreidingslocaties geïdentificeerd, zie artikel 2 van dit akkoord (locaties g, h, i en j). Het gaat in ieder geval maar niet uitsluitend om deze locaties. In de uitvoeringsagenda worden potentiële aanvullende locaties onderzocht. Partijen zullen voor deze locaties in onderling overleg afstemming zoeken over het toekomstig gebruik van deze locaties.

3.

Partijen stemmen het proces nauw af met de MRDH, die bezig is een regionale bedrijventerreinenvisie op te stellen.

Beter benutten 4.

Gemeenten werken voor de beter benutten locaties concreet uit welke bijdrage (indicatie van aantal extra m² BVO en extra werkgelegenheid) zij verwachten te kunnen leveren aan ruimte voor extra bedrijvigheid in de hoge milieucategorie. Mogelijk uitgewerkt in verschillende scenario’s.

5.

Partijen ontwikkelen en implementeren in afstemming met MRDH instrumentarium en spelregels om daadwerkelijk bepaalde gebieden te oormerken voor hoge milieucategorie bedrijvigheid inclusief regels voor toewijzing en weren van bedrijven.

6.

Partijen maken inzichtelijk welke financiële tekorten zijn gemoeid met het beter benutten van bestaande bedrijventerreinen. Bijvoorbeeld voorinvesteringen voor het creëren van schuifruimte (onder andere bekostiging uitplaatsing), onrendabele toppen op sloop/nieuwbouw, onrendabele toppen die ontstaan doordat de huurinkomsten van dit type bedrijvigheid veel lager zijn dan andere (werk)bestemmingen.

Uitbreidingslocaties 7.

Gemeenten onderzoeken voor uitbreidings-/zoeklocaties wat de mogelijkheden zijn voor hoge milieucategorie bedrijvigheid. Uiteraard in het bredere speelveld van andere beleidsdoelen en ruimteclaims en vanuit het bredere doel om de agglomeratiekracht in de Haagse regio te versterken.

HMC 4/ watergebonden 8.

Partijen verkennen de haalbaarheid van een (boven)regionale circulaire hub (HMC4 en watergebonden). Gemeenten en Provincie hebben daarvoor een onderzoek uitgezet naar een toekomstbestendige circulaire keten van hergebruik van bouw- en sloopafval (BSA waaronder beton) en naar de daarvoor in potentie geschikte locaties. Hoewel het onderzoek nog niet is afgerond kan al wel de voorzichtige conclusie getrokken worden dat er onder de huidige markt- of technische omstandigheden geen aanleiding is om gerichte circulaire hubs in te richten. De meest voor de hand liggende optie richting een circulair proces van hergebruik van bouw- en sloopafval, is uitbreiding van een bouwhub voor niet-bulk bouwstromen tot een circulaire bouwhub. Momenteel wordt een locatieonderzoek naar een circulaire bouwhub (bulk en niet-bulk) uitgevoerd. Dit onderzoek wordt in het vervolgtraject meegenomen.

9.

Partijen maken nadere afspraken en keuzes over waar hoge milieucategorie 4 en/of watergebonden bedrijvigheid in de Haagse regio nodig en mogelijk is, eventueel uitgewerkt in verschillende scenario’s en afgezet tegen andere beleidsdoelen en ruimteclaims.

6

De vier gemeenten nemen hierbij de regie, stemmen af met de MRDH5, brengen betrokken partijen bijeen en maken op basis van een inventarisatie inzichtelijk of, waar, hoe, in welke mate, wanneer de watergebonden bedrijvigheid kan worden gerealiseerd. In deze uitgebreide inventarisatie dienen minimaal onderstaande elementen voor de regio Haaglanden inzichtelijk gemaakt te worden: (1) Kansen voor intensiveren op watergebonden kavels, (2) Invullen van braakliggende watergebonden kavels, (3) Omzetten van niet-watergebonden kavels naar watergebonden kavels, (4) Planologisch weren van niet-watergebonden activiteiten op watergebonden kavels. 10. De gemeenten en de provincie laten, bij voorkeur in samenwerking met de MRDH, een financieringsstrategie opstellen voor de HMC 4/5 locaties en specifieke sectoren en bedrijfstakken gericht op de circulaire economie. Overstijgend 11. Bij de uitwerking van de financiële strategie wordt niet alleen gezocht naar bijdragen vanuit de regio (gemeenten, provincie), maar ook naar bijdragen van het Rijk. Partijen zetten zich nadrukkelijk in om ook bij het Rijk nut en noodzaak van een rijksbijdrage onder de aandacht te brengen. 12. De toekomstbestendige visie die Partijen op basis van bovenstaande punten uitwerken, a. stemmen Partijen tussentijds af met en integreren ze in de MRDH bedrijventerreinenvisie, b.

toetsen Partijen aan en werken ze nader uit in relatie tot de provinciale behoefteraming, c. beschouwen Partijen in het kader van breder provinciaal beleid.

Artikel 5 Uitvoering, monitoring en evaluatie 1.

Partijen maken voor alle hierboven genoemde afspraken een uitvoeringsagenda (wie, wat, wanneer) waarin staat verwoord wat er nodig is om tot concrete uitvoeringsafspraken te komen inclusief financieringsstrategie en principes waarlangs partijen een (financiële en/of ruimtelijke) bijdrage dienen te leveren.

2.

Partijen stellen een kernteam en een aantal werkgroepen samen om de in artikel 5.3 genoemde mijlpalen te realiseren, waarbij per werkgroep een trekker en een aantal teamleden wordt aangesteld. Monitoring van de mijlpalen en planning vindt plaats in het kernteam, met mogelijkheid tot bestuurlijke escalatie.

3.

Partijen voorzien een aantal belangrijke mijlpalen in de komende uitvoeringsfase en streven er naar daarbij de volgende planning te hanteren: a. Vaststellen te onderzoeken locaties: Q1-Q2 2022 b. Vaststellen bestaande HMC4 bedrijvigheid en productiecapaciteit: Q1 2022 c. Nadere uitwerking profiel Haagse regio: Q2-Q3 2022 d. Uitvoeringsstrategie beter benutten: Q1-Q4 2022 e. Uitvoeringsstrategie uitbreidingslocaties: Q1-Q4 2022 f. Uitvoeringsstrategie hubs/HMC4/watergebonden: Q1-Q4 2022 g. Afstemming met het Rijk over de financiële opgave: doorlopend

5 Door MRDH is voor watergebonden cat. 4/5 bestemde terreinen onderzocht in welke mate sprake is van feitelijk gebruik van

deze planologische ruimte. Daaruit volgt dat regiobreed op grote schaal sprake is van planologische onderbenutting op bedrijventerreinen (geen HMC-activiteiten op HMC-locaties en geen watergebonden bedrijvigheid aan kades). Dit onderzoek wordt samen met de provinciale behoefteraming door de MRDH uitgewerkt in een regionale bedrijventerreinenvisie. Voorliggend woon-werkakkoord is hier een bouwsteen voor.

7

h.

4.

Integrale uitvoeringsstrategie Haagse regio inclusief ruimtelijke en financiële strategie: Q1 2022 -Q2 2023.

Tussenproducten uit artikel 5 lid 3 zullen waar nodig en gewenst bestuurlijk worden afgestemd. Dit geldt in ieder geval voor het vaststellen van de te onderzoeken locaties. Daarnaast zullen Gemeenten en provincie jaarlijks de voortgang ten aanzien van de ambities en doelstellingen monitoren en evalueren. Dit is regelmatig onderwerp van gesprek tussen gemeenten en provincie en wordt zo nodig gerapporteerd aan de colleges van B&W en GS. Dit geschiedt in ieder geval bij de start van elke nieuwe collegeperiode.

Artikel 6 Slotbepalingen 1.

De afspraken in dit akkoord treden in werking met ingang van de dag na ondertekening door alle partijen, en eindigt indien partijen de mijlpalen (artikel 5 lid 3) behaald hebben, doch uiterlijk 10 jaar na ondertekening.

2.

Partijen komen overeen dat afspraken in dit akkoord niet in rechte zullen worden afgedwongen. Indien er geschillen zijn over uitvoering van deze afspraken treden partijen in overleg. De afspraken uit dit akkoord zijn bestuurlijk bindend voor zowel de zittende als de opvolgende bestuurders en lopen tot het moment dat de werking van dit akkoord is beëindigd.

8

Ondertekening Namens de provincie

Namens de gemeente Den Haag

……………. A.L. Koning

…........... A. Mulder

………………. W.H. De Zoete

………… S. Bruines

Namens de gemeente Delft

Namens de gemeente Rijswijk

…........... B. Vollebregt

….............. A. van de Laar

………… K. Schrederhof

…………… J.N. Besteman

Namens de gemeente Leidschendam-Voorburg

…............. A. Van Eekelen

…............ F.J. Kist

9

Bijlage 1 Locaties (geografische kaart) a t/m j

10

11

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leidschendam&id=cc352fb3-ee5d-4e40-ab72-0d8960f24235