CConstaterende datLeidschendam-Voorburg
Koppel je AI →
Document · PDF

2573-93 Bijlage 07 regels Ruimtelijke kwaliteitsparagraaf.pdf

Raadsvergadering 22 februari 2022, gemeente Leidschendam-VoorburgBij agendapunt: Raadsvoorstel: Vaststellen bestemmingsplan Stedelijk.18.554 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

9 alinea's met “gecombineerde”: 15 272 314 320 341 345 347 348 351

Bouwwerken als onderdeel van een bebouwingscluster dienen zich te voegen naar het groepsbeeld van het cluster.

Detaillering en materiaalkeuze • De detaillering dient uitgesproken zorgvuldig zijn, de materiaalkeuze hoogwaardig en van duurzame kwaliteit. Kleur en textuur ondersteunen het fijnkorrelige karakter; • De kleurkeuze voor grote vlakken dient neutraal zijn; • Gevelmaterialen: veelal natuurlijke materialen, baksteen in bruin/roodtinten, ook kunststoffen en metalen in groen, grijs en bruintinten. Toe te passen materialen hebben bij voorkeur reliëf; • Kozijnen: hout geschilderd in wit, grijs, rood/bruin en groentinten; • Dakafdekking: hoofdzakelijk gebakken keramische pannen in rood en grijstinten en bitumen. Vanuit de ruimtelijke beleving van het gebied ligt hoge prioriteit bij het behouden of verbeteren van de kwaliteit van de bestaande erven en toevoeging van nieuwe elementen. Bij toevoeging van nieuwe elementen zoals paardenbakken en nieuwbouw is hoge kwaliteit die bijdraagt aan de ruimtelijke karakteristiek van het gebied uitgangspunt.

Hiervoor gelden de volgende richtlijnen: • Nieuwbouw en grotere verbouwingen vinden plaats onder Welstand; • Streekeigen uitstraling van erven door indeling, zoals eerder is aangegeven; • Parkeren dient op eigen terrein te gebeuren, bij voorkeur uit het zicht van de weg; • Onderhoud van bebouwingen en beplantingen op streekeigen wijzen (zie gemeentelijke brochure Maak je Erfgoed); • Intact laten van hoogteverschillen, inclusief het microreliëf; • Gebiedseigen beplantingen toepassen om ruimtelijke structuur van een erf vast te leggen/ te accentueren; • Nieuwe solitaire bomen planten, en waar mogelijk ook als opvolgers van bestaande oude bomen.

Nok-, goothoogte en dakhelling • Een lage gootlijn en relatief grote kapvlakken zijn karakteristiek; • Gebouwen bestaan uit 1 laag met kap, maximaal 1,5 laag met kap; • De toepassing van kappen, in heldere, krachtige vormen; • Geen dakkapellen, bij uitzondering in oppervlakte minder dan 20% van het dakvlak; • Kappen in de lengterichting (langste richting) van de bebouwing; • Primair steile kappen (hellingshoek tussen de 45 en 60 graden); • Bij boerenerven is het de kap van het voorhuis steiler en hoger dan die van de overige gebouwen; • Voor woningen geldt een maximale oppervlakte van 150 m2 en een maximale inhoudsmaat van 650 m3 (inhoud is inclusief bijgebouwen).

Meer informatie betreffende beplanting is terug te vinden in de paragraven 4.7 tot 4.16.

33

4.4

Bruggen en dammen

Kwaliteiten en beleving Zoals vermeld is een deel van de boerderijen en erven gebouwd aan de overzijde van de boezemwateren langs de dijkwegen. De erven zijn voornamelijk ontsloten via bruggen. De agrarische kavels zijn hoofdzakelijk via dammen toegankelijk. Daarmee zijn de dammen en bruggen een markant onderdeel van het landschap. De individuele bruggen kunnen kwaliteit hebben; dit geldt bijvoorbeeld voor de karakteristieke draai- en klapbruggen in Stompwijk. Zij vormen markant onderdeel van het profiel van dijkwegen. De dammen in de verschillende polders verbinden in hoofdzaak de kavels met elkaar. Als veescheiding worden dammen vrijwel altijd van een hekwerk voorzien.

Karakteristieke klapbrug

Bedreigingen De historische klap- en draaibruggen worden bedreigd door gebrek aan onderhoud. Ook is in een aantal gevallen een hogere belastbaarheid noodzakelijk, waardoor bruggen vervangen worden. De kans is dat ze vervangen worden door vlonderachtige elementen of door dammen met duikers. Wensbeeld Het is gewenst dat de bestaande karakteristieke bruggen behouden blijven en goed worden onderhouden. De aanleg van dammen moet worden beperkt. In het gebied zijn ook voorbeelden te vinden van eenvoudige bruggen mét ruimtelijke kwaliteit die een goed alternatief kunnen vormen (zie afbeelding “Bruggen en dammen 1 en 4”).

Karakteristieke bruggen

Karakteristieke dam in poldersloot

Houten hekwerk

34

Ruimtelijke kwaliteitparagraaf

4.5

Afscheidingen, zoals hekwerken en palen met draad.

4.6

Ophogingen, taluds en beschoeiing

Kwaliteit en beleving In het verleden had het profiel van het maaiveld langs sloten en watergangen door inklinking een sterk badkuip effect. Het loopt eerst wat op waarna het vervolgens geleidelijk naar het water afloopt. Tegenwoordig hebben de kavels door ophoging meestal een meer bol profiel. Beschoeiingen werden uitsluitend in extreme gevallen toegepast zoals bij bruggen, gemalen, boenstoepen e.d.

Kwaliteiten en beleving De dominante traditionele erfafscheiding en veekering zijn sloten. Alleen waar geen natte kering mogelijk was werden afscheidingen toegepast. Oorspronkelijk met beplanting zoals Meidoornhagen en houten hekken. Vanaf de 19e eeuw komen steeds meer eenvoudige metalen hekken voor. Als kavelscheiding, erfafscheiding, maar ook als toegangshekken. Vanaf eind 19e eeuw zijn ook draadafscheidingen geïntroduceerd. Smeedijzeren toegangshekken kwamen alleen bij landgoederen voor.

Het maaiveld van weilanden heeft traditioneel veel variatie in hoogteligging met microreliëf door verschillen in de bodem. Hierdoor ontstaat verschillen in vegetatie die belangrijk zijn voor weidevogels en het landschapsbeeld. Bij de moderne agrarische bedrijfsvoering wordt opgehoogd voor het verbeteren van de drooglegging, de afwatering zodat het gebruik geïntensiveerd kan worden. Het is belangrijk dat de agrarische bedrijven voldoende economische basis behouden om een toekomst te hebben. Ophogingen kunnen daaraan bijdragen. Met name de melkveehouderij is een belangrijke drager van het behoud van de kwaliteit van het gebied.

Bedreigingen Niet streekeigen hekken rukken op met name in relatie tot burgerbebouwing. Hierdoor verrommelt het landschapsbeeld. Ook afscheidingen van palen met draad/ linten i.p.v. sloten verstoren het streekeigen landschapsbeeld. Wensbeeld Stimuleren van streekeigen vormen en materialen. Bij erfafscheidingen kan ook gekozen worden voor gebiedseigen hagen (zie ook paragraaf 4.8). Gezien het weidebeheer met betrekking tot paarden zijn sloten niet voldoende. In de weilanden zijn opvallende afscheidingen zoals hekken en hagen het landschapsbeeld verstoren. Hier dient gekozen te worden voor palen met draad of palen met linten.

Bedreigingen Ophogingen nemen sterk toe door aanbod van extreem goedkope grond. Dit lokt ingrepen uit die anders achterwege waren gebleven. Sterke ophogingen, verwijderen van greppels en te steile taluds verstoren het streekeigen landschapsbeeld. Wensbeeld Taluds van weilanden behouden een geleidelijk talud om het authentieke karakter van het landschap niet aan te tasten. Beschoeiingen worden om dezelfde reden beperkt tot het strikt noodzakelijke. Bij ophogingen wordt uitsluitend uitgegaan van wat noodzakelijk is voor de agrarische bedrijfsvoering. Hierbij moet een balans gevonden worden met het verlies aan natuurwaarden en landschapskwaliteit. Voorkeur heeft om uitsluitend huiskavels op te hogen en meer marginale percelen te vrijwaren, omdat deze laatste economisch minder interessant zijn en tegelijkertijd vaak een hogere natuurwaarde hebben door het minder intensieve gebruik en een lagere verstoringfactor. Bovendien zullen niet te grote oppervlakten tegelijk aangepakt moeten worden om de flora en vooral bedreigde weidevogels te behouden. Compensatie is verder nodig onder andere door het inzaaien van slootkanten met een meer natuurlijk zaaimengsel en het behouden en of herstellen van greppels of andere voor het gebied belangrijke structuren zoals kreekresten. De herstel periode na ophoging is ca 5 jaar.

Palen met linten

35

bouwstenen beplanting

houtsingel

bomenrij

knotbomen

solitair

haag

leiboom

36

Ruimtelijke kwaliteitparagraaf

Beplanting 4.7

Bedreigingen • Door het verdwijnen van de diversiteit in plantvormen verandert het streekeigen en karakteristieke beeld van erven en landschap • Bij nieuwbouw en herinrichting van erven wordt vaak niet streekeigen aangeplant waardoor het karakteristieke landschapsbeeld stukje bij beetje veranderd • De historische beplantingen hebben veelal hun functie verloren waardoor het oorspronkelijke en meestal periodieke onderhoud is vervallen. Veel soorten zijn hiervan afhankelijk om afsterven te voorkomen zoals de hagen, knotbomen, fruitbomen en hakhout. • Ook worden door het wegvallen van de functie worden veekeringen –sloten en/of hekken- die de beplanting moeten beschermen tegen vee verwaarloosd zodat ze worden aangevreten of vertrapt en vervolgens afsterven. Vooral paarden en pony zijn dodelijk. • Beplanting die afsterft, wordt niet meer vervangen of als dit wel gebeurd dan is de vervangende beplanting vaak niet streekeigen qua soort en plantpatronen. • Kennis van het juiste onderhoud is niet bij elke eigenaar en beheerder in voldoende mate aanwezig. Omdat ruim 90% van alle landschappelijke beplanting op particulier terrein gaat het om zeer veel eigenaren waardoor het verbeteren hiervan gecompliceerd is

Algemeen

Kwaliteiten en beleving De grote mate van openheid van het gebied is karakteristiek en in sterke mate bepalend voor de cultuurhistorische betekenis. Opgaande beplanting staat vrijwel uitsluitend op huiskavels of in de directe nabijheid daarvan. Slechts enkele hakhoutbosjes, knotbomen en solitairbomen staan in de open ruimte. Uniek voor het gebied en van de hoogste waarde zijn de meidoornhagen langs de dijkwegen op plaatsen waar geen natte veekering ligt. Elders in Nederland komt dit in veenweide gebieden niet -meer- voor. De boerenerven met hun opgaande beplanting in de lintbebouwing zijn landschappelijk zeer bepalend omdat ze als doorgaande groene lijnen de randen van de open ruimtes bepalen. Voor flora en fauna is de beplanting van levensbelang ook door de grote variatie in aanplant en beheer. Het huidige beeld met zeer weinig beplanting buiten de huiskavels wordt door oude kaarten in grote lijnen bevestigd. Wel was er per saldo wat meer beplanting dan tegenwoordig. De oudste betrouwbare kaart (Cruqius 1714) laat een vrijwel open landschap zien. Net zoals de overzichtskaart van het kadaster uit 1812. Wel komen er enkele forse bossen voor in de gecombineerde Starrevaart en Damhouderpolder van 1 tot 4 kavels breed. Ook opvallend is dat er langs de kavelgrenzen (knot?) bomenrijen voorkwamen, vooral in het gebied richting Nootdorp (Nieuwe Driemanspolder).

Deze rijen sluiten op een enkele uitzondering na, aan op de huiskavels en strekten ca. 100 a 200 m de open ruimte in.

Wensbeeld • zodanig toepassen van de cultuurhistorische streekeigen beplantingspatronen dat het streekeigen en karakteristieke beeld van erven en landschap wordt behouden en waar mogelijk versterkt (zie tabel bomen en plantverbanden) • toepassen van streekeigen soorten waar mogelijk van regionaal genetische oorsprong (zie tabel soorten) • Meer uitgebreide informatie over streekeigen inrichting is opgenomen in de gemeentelijke handleiding Maak je Erfgoed.

De beplantingen hadden vroeger meestal een gebruiksfunctie zoals beschutting of voor productie (bouwen, vlechten, brandhout, veekering en fruit) en waren een integraal onderdeel van de exploitatie van het gebied wat de cultuurhistorische betekenis versterkt. Sierbeplanting werd tot in de 19e eeuw maar beperkt toegepast en vaak in relatie met een rijker erf of een buitenplaats. Daarna is de sierfunctie steeds belangrijker geworden tot de overheersende rol van tegenwoordig.

37

Meidoornhaag

Hakhoutbosje

Houtsingel

Bomenrij

Knotbomen

Boomgaard

38

Ruimtelijke kwaliteitparagraaf

4.11 Bomenrijen Bomenrijen worden geplant in een enkele of dubbele rij langs wegen, maar ook als toegang tot een erf. In het veenweidegebied rond Stompwijk is het voorkomen beperkt tot enkele boerderijen en de provinciale weg door de Zoetermeerse Meerpolder die midden 20e eeuw is beplant. Het meest gebruikt zijn Gewone es en Zwarte els. Daarnaast zijn Ruwe berk, Zomereik, Paardenkastanje, Linde, Esdoorn, en Populier in het gebied terug te vinden.

4.8 Hagen Uniek voor het gebied en van de hoogste waarde zijn de meidoornhagen langs de dijkwegen. Elders in Nederland komt dit in veenweide gebieden niet –meer- voor. Vroeger dienden deze hagen als veekering langs de wegen op plaatsen waar geen sloot mogelijk was, vooral op de dijken. Tegenwoordig zijn de hagen gecombineerd met schapengaas. Restanten staan nog langs de dijkwegen Oostvlietweg, Stompwijkseweg, Wilsveen en de Meer en Geerweg. Waarschijnlijk stonden ze ook langs de Bovenmeerweg en de Kniplaan.

4.12 Knotbomen Knotbomen werden aangeplant voor de houtproductie op locaties waar ook vee kon komen. Door de hoge knot kon het vee de jonge scheuten niet aanvreten. Meestal staan ze langs erfgrenzen en soms in een wegberm of in een weitje bij een huiskavel zodat er –jong- vee kon grazen. De uitgroei van de knotten werd, afhankelijk van de maat hout die nodig was, tussen de één en vijf jaar gesnoeid. Het landschappelijke beeld was dus zeer wisselend. In Leidschendam bevinden de knotbomen zich nu vooral op en vlakbij boerenerven. Waarschijnlijk stonden er richting Nootdorp ook veel rijen langs de sloten vanaf de huiskavels en strekten ca. 100 a 200 m de open ruimte in.

Meer algemeen zijn Meidoornhagen als erfafscheiding, voor de sierwaarde en/of windkering. Vooral rond de (moes)tuin werden ze aangeplant. Andere soorten die traditioneel op een erf gebruikt worden zijn Beuk, Veldesdoorn, Sleedoorn en Zwarte Els. Sinds de 20e eeuw is voor een haag rond een boerentuin ook Gewone Liguster een uitstekende soort. 4.9 Hakhoutbosjes/ Geriefhoutbosjes De hakhoutbosjes zijn schaars en zijn grotendeels gering van oppervlak (< 200 m2). Alleen in de Zoetermeerse Meerpolder komen enkele grotere bossen voor. De bossen bestaan uit een menging van soorten als Els, Es en Wilg met de daarbij horende struik- en kruidenvegetatie.

De volgende knotbomen worden in het landelijk gebied gebruikt: Schietwilg, Zwarte els en soms Populier. Op en rond de erven worden een enkele keer ook andere soorten gebruikt zoals Gewone es, Hollandse linde, Zomereik en Haagbeuk.

4.10 Houtsingels Een houtsingel is een bomenrij met ondergroei van struiken en kruiden van oudsher langs een sloot of rondom een erf. Ze worden meestal als hakhout beheerd en zijn dan meerstammig. Ze kunnen ook uit meerdere rijen bestaan en bereiken op die manier soms een breedte van meer dan 10 m. De functies waren en zijn meestal gecombineerd; erfscheiding, windkering en vroeger als geriefhout (stelen voor gereedschap en simpele bouwkundige objecten). Deze laatste functie is grotendeels vervallen.

4.13 Boomgaarden Op de boerenerven en landgoederen staan van oudsher kleine boomgaarden met hoogstamfruitbomen. Het zijn markante elementen en daarom Het in stand houden is, met name door het verlies aan deskundigen voor het snoeien een moeilijke zaak. Voor het landschappelijk beeld is zorg en nieuwe aanplant wenselijk. Knotbomen

39

Overzicht inheems plantmateriaal (Bron “Maak uw erf goed”, 2001).

Latijnse Naam Acer campestre Aesculus hippocastanum Alnus glutinosa Betula pendula Betula pubescens Carpinus betulus Cornus sanguinea Corylus avellana Crataegus monogyna Euonymus europaeus Fagus sylvatica Fraxinus excelsior Juglans regia Ligustrum vulgare Populus canadensis Prunus padus Prunus spinosa Quercus robur Rhamnus frangula Rosa canina Salix alba Salix aurita Salix cineria Salix fragilis Salix purpurea Salix viminalis Sambucus nigra Sorbus aucuparia Tilia cordata Tilia x vulgaris Ulmus x hollandica Viburnum opulus

Nederlandse Naam Spaanse Aak Paardekastanje Zwarte els Ruwe berk Zachte berk Haagbeuk Rode kornoelje Hazelnoot Eenstijlige meidoorn Kardinaalmuts Beuk Gewone es Walnoot Gewone liguster Canadese populier Inheemse vogelkers Sleedoorn Zomereik Vuilboom Hondsroos Schietwilg Geoorde wilg Grauwe wilg Kraakwilg Bittere wilg Katwilg Gewone vlier Lijsterbes Kleinbladige linde Hollandse linde Hollandse iep Gelderse roos 40

Ook wel Veldesdoorn

Hazelaar

Sporkenhout

Winterlinde

Ruimtelijke kwaliteitparagraaf

4.14 Leibomen De meest voorkomende leiboom werd geplant als bescherming tegen de zon (zomer) en wind (winter) voor de gevels van boerderijen. Tegenwoordig zijn ze bij uitstek bedoeld als representatief element. Meestal zijn het lindebomen en een enkele keer een Paardenkastanje. Vrijwel verdwenen en daardoor zeldzaam zijn leibomen geleidt tegen een stellage, muur of schutting. Vaak gaat het om fruitbomen zoals peren en perziken. Er kunnen verschillende vormen onderscheiden worden: berceaus, palmetten of enkele en dubbele snoeren. 4.15 Solitaire bomen Boerderijen en burgerwoningen hadden vaak één of enkele vrijstaande grote bomen van de 1e grootte. De bomen markeren het erf of de locatie in het landschap. Op het erf van nieuwbouwwoningen wordt dit vaak achterwege gelaten. Onderhoud, bezonning, maar ook kennis(achterstand) zijn de meest voorkomende argumenten voor de keuze van een boomvrij erf of tuin.

Leibomen

4.16 Boerentuin Oospronkelijke boerentuinen werden niet ontworpen maar ontwikkelden zich naar de wensen van de Boerin. Oorspronkelijk was de functie vooral nut voor de productie van voedsel zoals groenten en fruit. Later werden daar door een toenemende welvaart steeds meer siersoorten aan toegevoegd. Vanaf de 17e eeuw ontwikkelt zich de tuinkunst in Nederland vanuit de buitenplaatsen. Dit krijgt geleidelijk steeds meer invloed op de sierwaarde van boerenerven maar blijft toch vooralsnog beperkt tot de rijke boeren. Pas vanaf eind 19e eeuw krijgen sierbeplantingen een bredere toepassing. In een traditionele boerentuin werden dus zowel nuttige als sierplanten gekweekt. : groenten, bloemen, aardappelen, kruiden en fruit behoren allemaal tot de ingrediënten van de boerentuin. Daarbij moest de moestuin voorzienend zijn voor het hele jaar. Door moderne ontwikkelingen vanaf 1950 wordt de nutsfunctie langzaam verdrongen door de sierfunctie. Eind vorige eeuw is de nutsfunctie dan grotendeels verdwenen.

Solitair

Boerentuin

Hiernaast is een overzicht opgenomen met gebiedseigen inheemse beplanting. Deze beplantingsoorten komen van oorsprong voor in het landelijk gebied van Leidschendam-Voorburg. Door gebruik van deze gebiedseigen beplanting kan de ruimtelijke structuur vast worden gelegd en/of geaccentueerd worden.

41

5

Bouwstenen per deelgebied Het landelijk gebied van Leidschendam-Voorburg heeft verschillende kenmerken en bouwstenen. Ook op korte afstand binnen het gebied zijn duidelijke verschillen waarneembaar. Om deze redenen wordt in dit hoofdstuk een beschrijving gegeven van de zes te onderkennen deelgebieden binnen dit bestemmingsplan. Op basis van specifieke kenmerken is de indeling voor deze deelgebieden tot stand gekomen. In het voorgaande hoofdstuk zijn reeds de bouwstenen besproken, in dit hoofdstuk wordt een beknopt overzicht gegeven van de voor het deelgebied specifieke kenmerken en bouwstenen. Dit concentreert zich op de kenmerkende ruimtelijke patronen en maar beperkt op de bouwstenen omdat de meeste hiervan overal in het gebied voorkomen.

Maaiveldverandering door ontginning van het veen en daarna van turf

42

Ruimtelijke kwaliteitparagraaf

De bouwstenen worden alleen genoemd als deze bijzondere kenmerken hebben. Hieronder de bouwstenen die overal in het gebied voorkomen: • Molens en gemalen; • Niet agrarische bebouwing (lintbebouwing); • Boerenerven; • Bruggen en dammen; • Hekwerken, palen en draad; • (Meidoorn)hagen; • Hakhoutbosjes; • Houtsingels; • Bomenrijen; • Knotbomen; • Boomgaarden; • Solitaire bomen; • Leibomen en leifruit; • Boerentuinen.

Voor de omschrijving van de bouwstenen wordt verwezen naar hoofdstuk 4, met daarin de kwaliteiten en beleving, bedreigingen en het wensbeeld per bouwsteen. De deelgebieden zijn: 1. Vogelplas Starrevaart en De Vlietland; 2. Gecombineerde Starrevaart- en Damhouderpolder en Meeslouwerpolder; 3. Drooggemaakte Grote Polder; 4. Groote Westeindsche Polder en Zwet- en Groote Blankaart-polder; 5. Zoetermeersche Meerpolder; 6. Drooggemaakte Geer- en Kleine Blankaardpolder. Buiten het plangebied van dit bestemmingsplan liggen nog de deelgebieden Duivenvoordecorridor (a) en Nieuwe Driemanspolder (b).

Deelgebieden

43

5.1

Recreatiegebieden Leidschendammerhout en Vlietland

baar. Het profiel kenmerkt zich hier door een markante hoogtesprong met de Vliet hoog boven het landschap omdat het veen ten oosten langs de Vliet diep is uitgegraven. Hierdoor ontstond een plas die begin 19e eeuw weer is drooggemaakt.

Dit deelgebied omvat de Leidschendammerhout met o.a. Vogelplas Starrevaart en het recreatieve plassengebied Vlietland. Ruimtelijk wordt het aan de westzijde begrensd door de hooggelegen Vliet met de Oostvlietweg en aan de zuidoostkant de laaggelegen Rijksweg A4. Vanuit de A4 is het gebied onderdeel van het Nationaal snelwegpanorama Wijk en Wouden, 1 van de 9 in ons land. Qua waterbeheer valt het deel ten zuiden van de Kniplaan onder de gecombineerde Starrevaart en Damhouderpolder. Ten noorden van de Kniplaan zijn de oorspronkelijke polders verdwenen en is het gebied onderdeel van de hoofdboezem.

Er zijn maar enkele 19e eeuwse boerderijen die vanwege hun grote erven onderaan de dijk liggen, terwijl de kleinschalige burgerwoningen hoog op de dijk aan het jaagpad grenzen. Verder beeldbepalend zijn de unieke Meidoornhagen langs de weg die hier zeer gaaf zijn en soms gecombineerd zijn met opgaande bomen. Bij de Kniplaan ligt een buurtschapachtige verdichting met kleinschalige burgerwoningen. Hier is een recente ophaalbrug die het oorspronkelijke voetveer vervangt.

De Vliet, waarvan een deel mogelijk Romeins is, is vanaf de middeleeuwen een ontginningslint. De locatie is tegenwoordig uniek als het laatste deel tussen Delft en Leiden waar het oorspronkelijke landschapsbeeld nog beleefbaar is. Op alle andere plekken is de Vliet inmiddels ingekapseld in stedelijke structuren. Het meest gave en daardoor landschappelijk het meest waardevolle deel, is de Leidschendammerhout tussen Leidschendam en de Kniplaan. Hier is ter hoogte van de Duivenvoordecorridor het oorspronkelijke landschap zelfs aan beide zijden beleef-

Het tweede deel tussen de Kniplaan en Leiden heeft geen markante hoogtesprong omdat het rond de zandwinplassen is opgehoogd met de afgegraven onbruikbare bovengrond. Het karakter is hierdoor sterk getransformeerd met alleen het jaagpad en wat oorspronkelijke bebouwing als restant. Hier ligt wat burgerbebouwing en een voormalige boerderij (het Pannenhuis) die in afwijking van de andere boerderijen van voor de 19e eeuw dateert.

Vlietland in vogelvlucht

44

Ruimtelijke kwaliteitparagraaf

Richting Leiden ligt aan de overzijde de bebouwing van Voorschoten waarvan het recente deel dominant direct aan de Vliet grenst met een sterk stedelijk karakter door o.a. appartementen met een parkeergarage. De oudere bebouwing van Voorschoten houdt meer afstand en heeft een groene rand die aansluit op de kwaliteit van de Vliet.

De begrenzing van Vlietland is vanuit de snelweg waarneembaar als een groene en sterk variërende bosstrook met daarachter een onbeplante open zone ( het water). Door deze variërende begrenzing ( in afstand, grootte, dichtheid, plantsoort en doorzicht) is het duidelijk dat het gebied van Vlietland behoort tot een recreatief cultuur- en natuurlandschap en onderdeel is van het landelijk gebied.

Vlietland en de Leidschendammerhout zijn een uitvloeisel van de aanleg van de A4 midden 20e eeuw en het recreatieve beleid van de hogere overheid. Door de versnipperende werking ontstond een soort tussengebied dat vanaf ca. 1960 is ontwikkeld als een recreatieve zone voor de stedeling met een uitgebreid netwerk van voeten wandelpaden. Hierin zien we een sterke compartimentering in 5 hoofdgebieden.

Een bedreiging voor Vlietland en de randzone is het versterken van de begrenzing tussen de A4 met het achterliggend open veenweidegebied en het recreatiegebied. Hierdoor zal het gebied niet meer als een een geheel waarneembaar zijn. Tussen de Kniplaan en Leidschendam ligt de Leidschendammerhout, een natuur- en recreatiegebied gecombineerd met delen van het oorspronkelijke landschap. Bij de Kniplaan ligt hoofdgebied 2, de Starrevaartplas met vogelkijkhut, een natuurplas omsloten door lage dijken waar veel zeldzame vogelsoorten voorkomen.

De grootste transformatie is bij hoofdgebied 1, Vlietland, waar door zandwinning 2 geschakelde recreatieve plassen ontstonden, omsloten door opgaande beplantingen. Daarbinnen is de interne inrichting typisch voor de jaren 60 en 70 van de 20e eeuw met een modernistische en wat eenvormige inrichting met weinig variatie in biotopen. Vanaf Leiden zien we een zonering van intensief naar extensief met eerst zwemstranden, een camping en jachthavens richting een meer natuurlijk deel grenzend aan de Kniplaan. Deze grens valt op als hoge dijk met wandelpad parallel aan de Kniplaan.

Dan volgt hoofdgebied 3, een dicht bebost recreatief tussengebied met nieuwe bossen en paden. Dit nieuwe bos ligt deels op een locatie met een zeer slappe en vochtige kleibodem waar oorspronkelijk tot eind 19e eeuw een vrijwel even groot hakhoutbos lag. Hierop aansluitend hoofdgebied 4, een open agrarisch weidegebied met enkele boerderij erven en een manege en ten slotte het 5e hoofdgebied; een recreatief open graslandschap met een mix van weiland, een korte afstand golfbaan (Pitch en putt), wat volkstuinen tegen het bedrijventerrein aan de Star.

Het oorspronkelijke maaiveld ligt aan de kant van Leiden ongeveer gelijk met het maaiveld rondom de recreatieplassen. Hierdoor gaan beide zijdes van de A4 een ruimtelijke relatie met elkaar aan waarbij het landschap van de polders tot over de A4 doorloopt. Vanaf Vlietland is het open polderlandschap van de overzijde van de A4 waarneembaar. Verder richting Leidschendam “duikt’ het oorspronkelijke maaiveld en komen de plassen van Vlietland achter een dijk te liggen. Hier is de relatie tussen Vlietland en de de polders van Stomwpijk moeilijk waarneembaar.

Langs de A4 ligt over de hele lengte van de Leidschendammerhout een natuurstrook met enkele bosjes en kleine vogelplassen en middendoor in de lengte een grote watertransportleiding in een opvallend dijkje met bovenop een voetpad. Gebiedskenmerken: • Strategische schakel in de laatste doorgaande groene verbinding Groene Hart met de kust; • Laatste wijde uitzichten langs de Vliet als laatste locatie waar de Vliet nog beleefbaar aan het oorspronkelijke landschap grenst (traject Leidschendam - Kniplaan) waarbij ter hoogte van de Duivenvoordecorridor het oorspronkelijke landschap zelfs aan beide zijden waarneembaar is; • Cultuurhistorisch zichtlijn kasteel Duivenvoorde over de Vogelplas Starrevaart richting Stompwijk; • Panoramische vergezichten vanaf de hier hooggelegen Vliet richting veenweidegebied over de A4 met zichtlijnen naar de 3 molens, Stompwijk en Zoetermeer en in de andere richting naar het dichte strandwallenlandschap aan de overkant van de Vliet;

De relatie met het resterende open veenweidegebied aan de overzijde van de A4 is een belangrijke landschappelijke factor. Binnen de randzone is er een relatie met het achtergelegen open veenweidegebied. Deze relatie bestaat uit de verschillende doorzichten met de onbeplante zone voor en achter de A4. De snelweg vormt een van de belangrijkste ruimtelijke, landschappelijke en ecologische barrière in het landelijk gebied. De snelweg is op enige afstand gelegen van het opgaand groen van Vlietland waardoor de snelweg voor het grootste deel onderdeel uitmaakt van het open veenweidegebied. De snelweg manifesteert zich binnen het landelijk gebied door de portalen, lichtmasten en verkeersgeleiderails. Vooral deze laatste hebben een belangrijke negatieve rol wanneer het gaat om de visuele barrièrewerking van de snelweg. 45

• • • • • •

•

• •

Panoramische vergezichten vanaf de randzone van de meren van Vlietland over het veenweidegebied richting Stomwpijk; De Rijksweg A4 als onderdeel van het veenweidegebied en randzone van Vlietland; Opgaand groen van Vlietland; Variërende begrenzing van dit opgaand groen ( variërende afstanden opgaand groen tot snelweg); De transparantie van opgaand groen (met name zichtlijnen bij de sloten); Het gebied van de Pitch en puttbaan e.o. met beleving van het oorspronkelijke landschap langs de Vliet doordat het qua karakter aansluit op het oorspronkelijke agrarische weidelandschap met als belangrijkste kenmerken een open graslandschap met de originele kavel- en slotenstructuur, zonder beplanting en met een vlak maaivel en het uitzicht richting de 3 molens; Binnenin het gebied door compartimentering een grote diversiteit in ruimtebeleving met 5 hoofdgebieden. Vanaf Leidschendam resp. recreatief graslandschap (met Pitch en puttbaan) -agrarisch weidegebied - recreatief bosgebied - omdijkte Vogelplas Starrevaart - recreatieplassen Vlietland omsloten door transparante beplanting; Het jaagpad met karakteristieke doorgaande Meidoornhagen op de dijk langs de Vliet met doorkijkjes bij de toegangen tot de weilanden; Door het hele gebied van Leidschendam tot de Kniplaan loopt in de lengte een opvallende lage dijk met bovenop een voetpad en daarin een grote watertransportleiding.

Bouwstenen: • Vrij veel kleinschalige niet-agrarische bebouwing dicht aan de weg (oorspronkelijk veel minder), met een cluster bij de T-splitsing met de Kniplaan; • Maar enkele boerenerven meestal onderaan de dijk; • Alleen enkele grote hakhoutbossen (al in voorzien: geen nieuwe toevoegen); • Geen beplanting langs kavelgrenzen en langs wegen in de open ruimte; • Doorgaande Meidoornhagen langs de Oostvlietweg met daarin plaatselijk een rij bomen of knotbomen en doorkijkjes bij de toegangen tot weilanden; • Authentieke palen die de onderhoudsvakken markeren (gietijzeren kilometerpalen en om de 100 m een basaltpaal); • Karakteristieke hoge bruggen in het jaagpad met speciale leuning om de jaaglijn te leiden; • Opgaande transparante beplanting gecombineerd met ligweiden rondom Vlietland; • De ruimtelijke relatie tussen Vlietland en het achterliggend veenweidegebied. Voor een toelichting betreffende deze bouwstenen wordt verwezen naar Hoofdstuk 4.

Zicht op de gecombineerde Starrevaart- en Damhouderpolder.

46

Ruimtelijke kwaliteitparagraaf

5.2

Meeslouwerpolder en deel Gecombineerde Starrevaart- en Damhouderpolder

burger met jachthaventje en camping en de Zustersdijk; een laag dijkje tussen deze molen en de Dr. Van Noortstraat dat ooit de grens vormde tussen de Meeslouwerpolder en de voormalige Kleine Westeindsche Veen en Droogmakerij. Naast de molen ligt onder de A4 een ecotunnel. De oostzijde van de Meeslouwerpolder grenst via de Nieuwe Vaart aan de Groote Westeindsche polder met een opvallende hoogtesprong van ruim 3,5 m omdat deze polder niet uitgeveend is. Langs deze dijk zijn op de kop van de Westeinderweg recent enkele grotere erven met dominante bebouwing ontstaan (loonwerker en melkveehouderij).

Dit deelgebied omvat de Meeslouwerpolder en een deel van de Gecombineerde Starrevaart- en Damhouderpolder. Vanuit de A4 is het gebied onderdeel van het Nationaal snelwegpanorama Wijk en Wouden, 1 van de 9 in ons land. Qua waterbeheer valt het samen met recreatiegebied Leidschendammerhout. Aan de zuidzijde vormt het hooggelegen dijklint van de Stompwijkseweg een opvallende grens met de vele groene erven en in het oosten ligt de hoge dijk van de Nieuwe Vaart. Beide polders zijn onderdeel van het grote veenweidegebied van het Groene Hart dat doorloopt tot de hoge zandgronden bij Utrecht. Het zijn gave diepgelegen droogmakerijen uit de 19e eeuw met een vrij strakke slagenverkaveling loodrecht op de Stompwijkse weg. Loodrecht hierop de middentochten, tegenwoordig parallel gelegen aan de A4, die het meest opvalt in de Meeslouwerpolder waar de brede Meerburgerwetering begint. Deze is nog steeds een vaarverbinding naar de oude Rijn. Een extra middentocht ligt in het deel van Meeslouwerpolder waar de kavels langer worden. Hier stond aan de Nieuwe Vaart de windwatermolen van de voormalige Kleine Westeindsche Veen- en Droogmakerij.

Gebiedskenmerken: • In de dwarsrichting laatste schakel tussen het uitgestrekte veenweidegebied van het Groene Hart en het strandwallenlandschap van de Duivenvoordecorridor beleefbaar via open delen in de Leidschendammerhout; • Lange zichtlijn in de lengterichting van de Gecombineerde Starrevaart- en Damhouderpolder; • Diepgelegen droogmakerijen uit de 19e eeuw met vrij strakke slagenverkaveling; • Verrommeling ter hoogte van de 3 molens beperkt het zicht vanaf de Vliet en vooral de A4; • Zicht op lint Stompwijk vanaf A4 door kassengebied wat beperkt; • Ecotunnel onder de A4 naast de Meerburg (tegenwoordig Meerenburger).

Van grote betekenis is dat via het deelgebied de landschappelijke eenheid tussen het Groene Hart en kust nog goed beleefbaar is. Via de open delen van de Leidschendammerhout is hier contact tussen het uitgestrekte veenweidegebied van het Groene Hart en het strandwallenlandschap van de Duivenvoordecorridor. Belangrijk cultuurhistorisch element is de zichtlijn van Kasteel Duivenvoorde over de Vogelplas in het plangebied.

Bouwstenen: • Hoogtesprong langs de Nieuwe Vaart; • Afgeknotte molen Meerenburger; • Dijken; hoge Kniplaan en lage Zusterdijk; • Beplanting alleen als onderdeel van de bebouwingslinten; • Brede Meerburgerwetering en extra middentocht nabij Westeinderweg.

Binnen het deelgebied zelf overheerst de open ruimte van de Gecombineerde Starrevaart- en Damhouderpolder met een zicht in de lengterichting van ruim 3,5 km. Ter hoogte van de 3 molens is plaatselijk een sterk verrommelt en verdicht gebied waardoor de molendriegang vanaf de A4 minder zichtbaar is. Hier ligt ook in het lint het voormalige stoom- en later dieselgemaal van deze polder ‘de Antagonist’. Sinds eind 20e eeuw maalt deze polder rechtstreeks uit op de Vliet. De smalle hoge dijk van de Kniplaan en Knipvaart vormt de scheiding met de Meeslouwerpolder. Beplanting sinds eind 19e eeuw alleen in de bebouwingslinten nadat enkele zeer grote hakhoutbossen waren ontgonnen.

Voor een toelichting betreffende deze bouwstenen wordt verwezen naar Hoofdstuk 4.

In de Meeslouwerpolder is er een tweedeling met eerst het gesloten Stompwijkse kassengebied uit midden 20e eeuw en daarna een vrij gaaf open weidegebied met daarin loodrecht op de kavelrichting het laat 19e eeuwse bebouwingslint van de Westeinderweg. Vanaf de A4 wordt het zicht op het lint van Stompwijk met de kerk door de kassen wat belemmerd. Opvallend zijn verder langs de A4 de afgeknotte voormalige windmolen de Meeren47

5.3

Drooggemaakte Grote Polder

De verkaveling is vrij strak waarbij opvalt dat richting Stompwijk de kavelbreedte iets regelmatiger is. In de uitloper aan de zuidzijde ligt een blok waarvan de kavelrichting loodrecht staat op het dominante patroon omdat dit zich richt op de knik in het lint van Wilsveen. De grens van het blok volgt grofweg het door de vervening verdwenen lint van Wilsveen dat oorspronkelijk recht doorliep naar de Zoetermeersche Meer.

Aan de noordzijde wordt het gebied begrensd door de dijk met de Stompwijkseweg en Vaart, in het zuiden respectievelijk door het Wilsveen, het dijkje met de Scheisloot op de grens met Zoetermeer en ten slotte de ringdijk van de Zoetermeersche Meerpolder. De oostzijde eindigt bij de kern Stompwijk en in het westen is de grens de dijk van de markante molendriegang van Wilsveen. Het gebied hierachter lijkt erbij te horen maar is onderdeel van de Nieuwe Driemanspolder.

Vanuit de diverse linten lopen bij enkele actieve boerenerven lange moderne bedrijfswegen de open ruimte in. Tussen de Meer- en de Geerweg loopt de enige openbare ontsluiting in de grote open ruimte; een recent fietspad. Over de dijk langs de 3 molens liep het kerkepad naar de verdwenen kerk van Wilsveen. De beplanting beperkt zich tegenwoordig tot de erven in de linten maar had vroeger wat beplanting langs de opstrekkende kavels en veel beplanting onderlangs de dijken langs de kwelsloot. Een vreemde eend in de bijt is een blokkavel met rondom wat beplanting, tegen de ringdijk van de Zoetermeersche Meerpolder, een restant van een oliewinningterrein van de Nederlandse Aardolie Maatschappij. Opvallend is ook de extra brede dam in de Groote Tocht in het laatste kavel tegen de kern van Stompwijk aangelegd voor de drafbaan van de Stompwijkse paardendagen.

Zeer gave droogmakerij met markante molendriegang en de grootste aaneengesloten open ruimte van de regio. Opvallend is het zicht op de heuvels met skischans van het recreatiegebied Buijtenpark. Verder vallen de hooggelegen linten op met hun opgaande beplanting met als markant punt de kerk van Stompwijk met het kerkebos. Aan de westzijde bevindt zich een belangrijk knooppunt in de regionale waterafvoer met als grote blikvanger de molendriegang van de Nieuwe Driemanspolder met daarnaast het markante brede water van de boezem voor de waterafvoer van Zoetermeer, voorheen ook een belangrijke vaarweg. Daarom ligt op de kop van deze boezem met de Stompwijkse vaart een schutsluis (nu verborgen onder de grond) met daarnaast een voormalige herberg en botenverhuur. De opvallend schuin lopend kavel in de hoek met de Stompwijkse weg was vroeger ook onderdeel van de boezem. Door het zeer grote aaneengesloten gebied zijn er meerdere tochten in de lengterichting en in het breedste deel ook nog 2 dwarstochten. Het eigen gemaal ligt ter hoogte van de Kniplaan en vervangt hier vanaf eind 19e eeuw de gesloopte molendriegang.

Zicht op de Drooggemaakte Grote Polder met op de achtergrond de Zoetermeer

48

Ruimtelijke kwaliteitparagraaf

5.4

Gebiedskenmerken: • Grootste aaneengesloten open ruimte in de regio; • Zeer lange zichtlijnen tot 4 km; • Regionaal waterknooppunt bij de 3 Molens waar meerdere afvoer- en voormalige vaarwegen samenkomen; • Vrij strakke slagenverkaveling met in de breedte wat regelmatiger kavels richting kern Stompwijk; • Veel tochten en dwarstochten met extra brede dam in de Groote Tocht voor de Stompwijkse paardendagen; • Aardolielocatie van de NAM bij de ringdijk van de Zoetermeersche Meerpolder met enige beplanting; • Kerkepad over de dijk van de molendriegang.

Groote Westeindsche Polder en Zwet- en Groote Blankaartpolder

De Rijksweg A4 vormt de noordgrens van dit deelgebied, in het zuiden wordt deze gevormd door de Ommedijksche Watering. Aan westzijde is de Nieuwe Vaart gelegen en in het oosten wordt het gebied begrensd door de rand van het dorp Zoeterwoude. De gemeentegrens loopt midden door het gebied. Zonder meer het meest gave slagenlandschap in het plangebied. Omdat het veen niet uitgegraven is voor turfwinning omdat de turf hier door afzettingen van de Oude Rijn van te slechte kwaliteit was. Daardoor is het oorspronkelijke middeleeuwse maaiveld en slotenpatroon nog intact. Daarnaast is vooral de Groote Westeindsche polder uitzonderlijk gaaf gebleven met een rijkdom aan kleine cultuurhistorische details in de inrichting. Ten eerste vanwege de geïsoleerde ligging alleen ontsloten door een doodlopende weg en ten tweede door het zeer natte maaiveld dat alleen extensief beheer toelaat. Het niet uitgeveende maaiveld ligt vrij hoog (ca. -1,5m NAP) waardoor langs de Nieuwe Vaart een sterke hoogtesprong is naar de diep gelegen aangrenzende droogmakerij (ca. -4,5 NAP).

Bouwstenen: • Zeer grote open aaneengesloten ruimte; • Molendriegang en 1 gemaal eind 19e eeuw; • Aardoliewinningslocatie Nederlandse Aardolie Maatschappij; • Dijkje Scheisloot op grens met Zoetermeer. Voor een toelichting betreffende deze bouwstenen wordt verwezen naar Hoofdstuk 4.

De bebouwing beperkt zich tot enkele korte linten zodat de open ruimten nog grotendeels aaneengesloten zijn. Het omvat een langgerekt gebied van ca. 2500x650m. De waterstand is hoog omdat bij teveel drooglegging het maaiveld teveel in zou klinken. Hierdoor is al een badkuipeffect ontstaan omdat de boezemvaarten nog op de oude hoogte liggen (resp. Meerburgerwetering en ringvaart Drooggemaakte Kleine Geer en Blankaartpolder). Groote Westeindsche polder vanaf het Westeinde (verlengde Westeindseweg)

49

Het lijkt het alsof er een dijk is aangelegd terwijl het om het oorspronkelijke maaiveld gaat. In deze “dijken’’ is een zeer bijzonder patroon ontstaan op de plaatsen waar de kavelsloten vroeger rechtstreeks op de vaart aansloten maar vanwege het inklinken gedempt moesten worden. Dit patroon kenmerkt zich door vele golvende inhammen waarin kleine natuurgebiedjes zijn ontstaan met oevervegetatie met ook in het talud een sterke golving. Dit patroon is in de ringvaart van de Drooggemaakte Geeren Kleine Blankaardpolder het duidelijkst en getuigd van de effecten van de sterke inklinking. Bovendien is dit microreliëf ook verrijkend voor flora en fauna.

Gebiedskenmerken: • De polder is voor Leidschendam-Voorburg bijzonder omdat deze nooit is uitgeveend. Het middeleeuwse slagenlandschap is hier nog behouden met een rijkdom aan kleine variaties in kavelgrenzen en het slotenpatroon. De overige polders in het plangebied zijn allemaal jongere uitgeveende droogmakerijen die vanaf 1614 tot eind 19e eeuw zijn drooggelegd; diep gelegen en met een kleibodem. Het slagenlandschap is hier regelmatiger; • Sloten langs opstrekkende kavels zijn vaak breder en grilliger dan in de latere droogmakerijen die meer planmatig in vrij korte tijd zijn heringericht; • Grote langgerekte open ruimten aan weerszijden van het Oosteinde; • Lintbebouwing langs wegen (deels historische bebouwing); • Veel microreliëf met greppels en kreekresten; • De waterstand is hoog omdat bij teveel drooglegging het maaiveld teveel in zou klinken waardoor de waarde voor weidevogels zeer hoog is; • De doodlopende weg midden in de Groote Westeindsche polder (Westeinde) heeft het authentieke profiel behouden wat in de regio bijna nergens meer voorkomt. Deze is zeer smal (ca. 3 m) en het laatste deel is nog onverhard; • De dammen aan het Westeinde met beplanting op de hoofden en meerdere kleine (pest)bosjes.

Bij de waterstructuren valt ook een klein petgat op met legakker; restanten van een beginnende turfwinning die in de regio zeldzaam zijn. De kavelsloten zijn meestal breder dan in de droogmakerijen. Er zijn geen tochten dwars op de kavelrichting maar alleen her en der dwarssloten of restanten daarvan, waarvan een aantal schuin liggen. Verder veel meer greppels dan elders in het gebied zowel in de lengte van de kavels als opvallend dwars daarop om de lengte greppels af te wateren. Het maaiveld heeft hierdoor veel microreliëf wat nog wordt versterkt door een aantal opvallende kreekresten. De beplanting heeft als bijzondere elementen 6 kleine vierkante bosjes in het midden van een kavel; wellicht oude pestbosjes waar besmet vee is begraven. Ook kenmerkend is dat op veel damhoofden wilgen staan. Bij de oorspronkelijke erven komen wat meer hakhoutbosjes voor dan elders in het plangebied.

Bouwstenen: • Erven vaak met hakhoutbosjes; • Vierkante (pest)bosjes midden in kavels; • Bomen op damhoofden; • Petgat als restant van beginnende turfwinning.

Het Oosteinde, de hoofdontsluitingsweg met vaart, loopt dwars door het deelgebied als grens tussen beide polders. Weg en vaart heetten oorspronkelijk Stompwijkse weg resp. vaart en zijn de voortzetting hiervan tot aan Zoeterwoude. Langs deze weg ligt vanuit Stompwijk tot aan de gemeentegrens een vrij dicht bebouwingslint. De oneven zijde in de Groote Westeindsche polder heeft goed herkenbare historisch bebouwing met hoofdzakelijk vrij gave monumentale boerderijen en groene erven waarvan veel nog met het oorspronkelijke agrarische gebruik, namelijk melkveehouderij. Aan de even zijde in de Zwet- en Groote Blankaartpolder zijn de oude erven doorontwikkeld met overheersende grote bedrijfspercelen, grote bedrijfsgebouwen en 2 kassencomplexen die diep in de open ruimte doorsteken. De ruimtelijke impact hiervan is des te groter omdat door de smalle langgerekte vorm van de polder deze erven ca. de helft van de kaveldiepte beslaan. Hierdoor zijn vooral vanuit Stompwijk nauwelijks diepe zichtlijnen mogelijk zodat vanuit de linten de openheid vanuit veel standpunten niet wordt ervaren. De omgeving van beide polders heeft ook veel van het oorspronkelijk karakter behouden. Waar dit niet het geval is, heeft dit doorgaans visueel een beperkte invloed.

Voor een toelichting betreffende deze bouwstenen wordt verwezen naar Hoofdstuk 4.

50

Ruimtelijke kwaliteitparagraaf

5.5

Zoetermeersche Meerpolder

eeuw bij het kortsluiten met het Oosteinde gemoderniseerd en op dezelfde hoogte doorgetrokken over de Jan Koenensloot. Op de taluds zijn Populieren geplant, wat nu een zeer markant element is.

De Zoetermeersche Meerpolder wordt begrensd door de Ommedijk met Ringsloot. De gemeentegrens met Zoetermeer loopt midden door het gebied. Deze polder heeft een bijzondere geschiedenis vanwege de oorsprong als veenmeer. Dit verraad zich door de karakteristieke eivorm, die we meer richting Noord-Holland waar veel meer veenmeren lagen vinden. Al in 1614 is deze polder drooggemaakt, toen in de omgeving de turfafgravingen nog in volle gang waren. Het is daardoor de oudste droogmakerij van Zuid-Holland. De regelmatige verkaveling is door de grotere ouderdom wat grilliger dan de jongere droogmakerijen, te zien aan de meer afgeronde koppen van kavels en breedtevariatie in de tochten. Bijzonder is de karakteristieke 90 graden verdraaiing aan de beide uiteinden om in de ronding te passen.

Opvallend is ook de weg van Nederlandse Aardolie Maatschappij langs de Middeltocht beplant met zware Abelen, nu in gebruik als agrarische bedrijfsweg na het saneren van de Ja- knikker. De 4 wegen op de ringdijk vertrekken vanaf de Middelweg en lopen oorspronkelijk dood maar zijn nu deels doorgetrokken als recreatief fietspad. Vanuit enkele actieve boerenerven lopen moderne bedrijfswegen de open ruimte in. De schaarse bebouwing dateert van na de droogmaking, is nog grotendeels agrarisch van oorsprong en heeft veel van het karakter behouden. Pas in de 2e helft van de 20e eeuw zijn 3 woningen midden in de open ruimte gebouwd nabij de Middelweg. Deze vallen niet zo op in de grote openheid.

Opvallend is verder het gevarieerde en golvende patroon van de ringdijk en de oevers van de ringvaart. De interne afwatering loopt via 3 tochten naar een gemaal in de Noordoosthoek net over de gemeentegrens. De oorspronkelijke molendriegang voor deze polder is nu af geknot en valt weg in de open ruimte. De eivorm wordt vanuit de polder nauwelijks ervaren door de zeer grote open ruimte van bijna 4 kilometer in doorsnede.

De oorspronkelijke beplanting is schaars. In open ruimte groeien maar enkele kleine verspreide bosjes en er was heel plaatselijk wat beplanting langs de kavelgrenzen vanuit het lint. De meeste beplanting staat op de erven. Bijzonder en zeer waardevol relict is het intacte erf van een begin 20e eeuw verdwenen 18e eeuwse boerderij, met enkele forse hakhoutbosjes en een houtsingel langs de oude toerit de nog het oorspronkelijke wegprofiel heeft. Kenmerkend aan de Stompwijkse kant zijn de Meidoorhagen met knotbomen aan de droge kant van de Meer en Geerweg. Opvallend is de Populierenbeplanting langs de Middelweg met een haag tussen weg en fietspad.

Dit is wel zichtbaar op de wegen op de ringdijk en door de boombeplanting langs de rechte Middelweg die door het contrast de ronde vorm benadrukt. De Middelweg loopt precies door het midden, heeft nog een vrij bescheiden profiel dat daardoor landschappelijk goed past. De weg maakt bij binnenkomst over de ringdijk met vaart een karakteristieke hoogtesprong (oorspronkelijk lagen hier ophaalbruggen). De weg is midden 20e

Zicht op de Drooggemaakte Geer- en Kleine Blankaardpolder.

51

Gebiedskenmerken: • De karakteristiek met de eivorm van een drooggemaakt veenmeer: de Hollandse oerpolder uit de Gouden Eeuw; • Zeer grote open ruimte waardoor de ronde vorm vooral op de ringdijk wordt ervaren; • Zeer waardevol gevarieerd en golvend patroon van de ringdijk en de oevers van de ringvaart; • Bomenrijen met populieren langs Middelweg verduidelijken de karakteristieke ronde vorm van de polder; • Bescheiden profiel van de Middelweg past landschappelijk goed; • Opvallende Abelen langs de NAM weg paralel aan de Middeltocht; • Bebouwing heeft nog grotendeels het oorspronkelijke beeld met verspreide agrarische bebouwing onderlangs dijken; slechts enekel recente woningen in open ruimte; • Vrij strakke verkaveling met een verdraaing aan de uiteinden vanwege de ronding; • Meidoornhagen met knotbomen ter plaatse van bebouwing aan de Stompwijkse kant langs de Meer en Geerweg. Overige hagen verdwenen; • Bijzonder en zeer waardevol intact erf van een verdwenen 18e eeuwse boerderij, met enkele forse hakhoutbosjes en een houtsingel langs de oude toerit met het oorspronkelijke wegprofiel.

Bouwstenen: • Houtsingel oude toerit bij verdwenen 18e eeuwse boerderij; • In open ruimte maar enkele kleine verspreide bosjes; • Bomenrijen met populieren en haagje langs Middelweg; • Meidoornhagen met knotbomen op ringweg nabij bebouwing. Voor een toelichting betreffende deze bouwstenen wordt verwezen naar Hoofdstuk 4.

Zicht op de Zoetermeersche Meerpolder.

52

Ruimtelijke kwaliteitparagraaf

5.6

Drooggemaakte Geer- en Kleine Blankaardpolder

Gebiedskenmerken: • Vrij kleine ruimte van ca. 2 km omsloten door de dijken; • Zeer smalle ringweg beneden de dijken binnen sloten met steile smalle berm; • Bijzonder patroon in ringdijk en oever ringvaart door inklinking; • Oorspronkelijke boerderijen en enkele burgerwoningen bovenop de dijk naar buiten gericht op de ringvaart met achteringangen vanaf de ringweg; • Markant 19e eeuws gemaal op de noordelijke ringdijk; • Bijzondere hardstenen grenspaal Stompwijk- Zoeterwoude.

De Drooggemaakte Geer- en Kleine Blankaardpolder wordt begrensd door de omliggende dijken en vaarten. De gemeentegrens loopt midden door het gebied. Deze polder is een uitzonderlijk gave kleine droogmakerij van eind 19e eeuw, waar de opbouw van een Hollandse droogmakerij mede door het kleine formaat zeer herkenbaar is. De oorspronkelijke patronen van de inrichting zijn grotendeels intact. Onderaan de dijk ligt een ringweg die in de 19e eeuw nog niet gesloten was. Vanaf Stompwijk is er bij het binnenrijden vanaf de hoge dijk een fraai uitzicht. Halverwege in de lengte ligt een middentocht.

Bouwstenen: • Smalle ringweg met steile smalle berm; • Voormalig stoomgemaal 19e eeuw; • Beplanting beperkt tot de erven.

Zeer bijzonder is het golvende patroon in de noordelijke dijk van de ringvaart door oude aansluitingen op sloten die in de ringvaartoever door de moerasvegetatie kleine natuurgebiedjes vormen. De sloten werden in de 18e eeuw of eerder gedempt toen de niet uitgeveende aangrenzende Zwet- en Groote Blankaartpolder teveel was ingeklonken om nog rechtstreeks op de ringvaart te kunnen lozen.

Voor een toelichting betreffende deze bouwstenen wordt verwezen naar Hoofdstuk 4.

De bebouwing is nog schaars, staat grotendeels op de authentieke locaties op de ringdijk en zijn naar buiten gericht op de ringvaart. Bij enkele boerenerven is recent de overzijde van de ringweg betrokken, soms inclusief bebouwing, wat storend is voor het landschapsbeeld (bijvoorbeeld een klein kassencomplex). Aan de zuidzijde lag ook een kassencomplex dat inmiddels is afgebroken. Tegen de gemeentegrens zijn midden 20e eeuw ook 2 kleine woningen verschenen. Beplanting beperkt zich van oudsher tot de erven. Een recente toevoeging eind 20e eeuw is een klein bosje middenin de open ruimte. Er staat een bijzondere hardstenen grenspaal Stompwijk- Zoeterwoude op de noordelijke ringdijk. Die op de zuidelijke ringdijk met Zoetermeer is in de loop der jaren verdwenen.

53

6

Zonering van activiteiten

op (voormalige) agrarische bedrijfspercelen en woonboerderijen Het gebruik van het landelijk gebied van LeidschendamVoorburg is aan het veranderen. Steeds vaker is er de vraag om een deeltijdactiviteit toe te voegen aan een bestaande agrarische functie, vaak de melkveehouderij. Hierop is in het verleden door de gemeente bijvoorbeeld al geanticipeerd door het opstellen van het paardenbeleid dat verankerd is in dit bestemmingsplan. Deeltijdactiviteiten binnen het plangebied zijn alleen toegestaan bij de agrarische grondgebonden bedrijven, zoals (melk)veehouderijen. Ook bij de vrijgekomen agrarische bedrijven met een woonbestemming (woonboerderijen) zijn verschillende activiteiten toegestaan, om de vaak nog aanwezige voormalige bedrijfs­gebouwen een nieuwe functie te geven. In voorgaande hoofdstukken zijn we ingegaan op de kenmerkende structuren en bouwstenen van het landelijk gebied. Deze zijn per deelgebied gespecificeerd. In dit hoofdstuk gaan we in op het gebruik van het landelijk gebied, de verbreding van de landbouw, de toetsingkaders, zonering en ruimtelijke randvoorwaarden ten behoeve van de verschillende activiteiten in combinatie met de agrarische dan wel de woonfunctie. Recreatief medegebruik in het buitengebied

54

Ruimtelijke kwaliteitparagraaf

6.1

Ontwikkeling in gebruik van het landelijk gebied De laatste jaren is het gebruik van het landelijk gebied van de gemeente aan het veranderen. De boerenbedrijven worden kleinschaliger van aard door de concurrentie op de wereldmarkt, de noodzakelijke schaalvergroting of gebrek aan opvolging. Het genereren van extra inkomsten op het boerenbedrijf wordt noodzakelijk, vaak eerst met nevenactiviteiten (agrarisch verwante functies zoals kaasmakerij), maar steeds meer door (deeltijd)activiteiten gericht op de recreant aan de bedrijfsvoering toe te voegen.

Alleen in het geval van een zorgboerderij of kinderopvang bij de boer als deeltijdfunctie kan het voorkomen dat deze activiteiten voor wat betreft de inkomsten en tijdsbesteding niet ondergeschikt zijn of blijven aan de agrarische functie. De zorgfunctie en kinderopvang kan in die gevallen voorzien in het hoofdinkomen van het agrarisch bedrijf, waarbij de agrarische functie ondergeschikt wordt. Dat is gelet op de aard van de functie aanvaardbaar, mits er een combinatie blijft met een agrarische bedrijfsvoering. In de regels van het bestemmingsplan is hiervoor een wijzigingsbevoegdheid opgenomen.

Deze recreant, vaak uit het omliggend stedelijk gebied, heeft er mede voor gezorgd dat het landelijk gebied aan verandering onderhevig is. Daar waar vroeger het landelijk gebied voornamelijk in gebruik was door de melkveehouderijen, heeft recreatie een steeds sterkere economische betekenis voor het landelijk gebied. De trend binnen de agrarische sector voor verbreding heeft een nauw verband met de behoefte van de stedeling om in het landelijk gebied te recreëren. Daarnaast biedt de nabijheid van de stad kansen voor de agrarische sector om direct producten af te zetten. De boer is op deze manier beheerder van het landschap met daarbij behorende diensten en producten gericht op de stedeling in de regio. De boer ontwikkelt zich tot een veelzijdige ondernemer, die naast de traditionele producten ook recreatie, landschap en natuur kan produceren.

In sommige gevallen komt het voor dat de activiteiten grootschalig worden, waarbij de agrarische functie zelfs verdwijnt. Bijvoorbeeld een boerderij waarbij het houden van paarden in pension is uitgegroeid tot een paardenhouderij. Er is dan geen sprake meer van een deeltijdactiviteit, maar van een nieuwe functie waarvoor een bestemmingswijziging noodzakelijk is. In dit geval is sprake van een vervolgfunctie. 6.3 Vervolgfuncties Sommige vervolgfuncties passen niet in de doelstellingen van het voorliggende bestemmingsplan. In de regels van het bestemmingsplan zijn wijzigingsbevoegdheden met bijbehorende randvoorwaarden opgenomen voor vervolgfuncties, bijvoorbeeld een paardenhouderij of landelijk bedrijf. Of een vervolgfunctie gerealiseerd kan worden is mede afhankelijk van de situering van het bedrijf in de zonering opgenomen in deze paragraaf. Het is ook mogelijk om de agrarische functie om te zetten naar een woonfunctie.

6.2 Verbreding van agrarische bedrijven Deeltijdactiviteiten dienen altijd ondergeschikt te zijn aan de agrarische hoofdfunctie en plaats te vinden op of aansluitend aan het boerenerf. Dit betekent dat het vaak om kleinschalige activiteiten gaat, zoals kleinschalig kamperen, een bed and breakfast, een theeschenkerij enzovoorts. De ondergeschiktheid van een deeltijdactiviteit wordt getoetst op drie facetten: • Inkomsten. De inkomsten uit de deeltijdactiviteit bedragen minder dan de helft van de totale inkomsten van het agrarisch bedrijf (vóór aftrek kosten); • Tijdbesteding. De agrariër besteedt minder dan de helft van zijn arbeidstijd aan de deeltijdactiviteit; • Oppervlakte gebruik. De activiteit vindt plaats op een beperkt deel van het agrarisch bedrijf (bouwvlak en/ of weides). Dit verschilt per activiteit. Zo zal een bed and breakfast minder ruimte in beslag nemen dan een paardenpension.

6.4 Activiteiten op woonboerderijen Naast de agrarische bedrijven zijn er in het gebied ook voormalige agrarische bedrijfspercelen in gebruik als burgerwoningen, de zogenaamde woonboerderijen. Deze woonerven bestaan vaak uit meerdere gebouwen, de voormalige boerenwoning en zijn stallen, welke na het stopzetten van het boerenbedrijf gedeeltelijk ‘leeg’ komen te staan. Vanuit cultuurhistorisch oogpunt is het echter gewenst deze ruimtelijke opzet te behouden. Het medegebruik van woonboerderijen voor verschillende functies, kan bijdragen aan de behoefte van de recreant, waarmee de gebouwen nieuw bestaansrecht krijgen. Voor de woonboerderijen geldt dat de activiteit ondergeschikt dient te zijn aan het ‘wonen’, de hoofdbestemming. De activiteit dient dan ook door de bewoners zelf geëxploiteerd te worden.

55

6.5 Toetsingkaders De (deeltijd) activiteiten en vervolgfuncties kunnen bijdragen aan het vitaal houden van het platteland enerzijds en behoud en ontwikkeling van het veenweidelandschap anderzijds. Een zogenaamde win-win situatie. Nieuwe activiteiten dienen hierbij gebiedsondersteunend te zijn en te voldoen aan de belangrijkste beleidslijnen voor het landelijk gebied. Deze zijn: • Het stimuleren van én ontwikkelingskansen bieden aan de agrarische grondgebonden bedrijven en mogelijkheden bieden voor regionale landbouw; • Het versterken van het karakter van het (veenweide) landschap met de daarbij horende natuur- en cultuurhistorische waarden; • Het stimuleren van recreatief medegebruik van het landschap; • Het verminderen van de hoeveelheid verkeer op de wegen in het landelijk gebied.

Samenvoegend geldt dat deeltijdactiviteiten, vervolgfuncties en activiteiten op woonboerderijen voor het landschap en/of de recreant iets moet toevoegen. Dit betekent dat deze activiteiten/functies te beoordelen zijn op twee aspecten; de landschappelijke winst (stimuleren hoeders van het landschap en recreatief medegebruik) en de daarmee samenhangende verkeersaantrekkende werking. Activiteiten inclusief vervolgfuncties zijn vervolgens in vier categorieën te verdelen, zijnde: A. een activiteit: geen landschappelijke winst, wel verkeersaantrekkende werking. Dit zijn activiteiten die géén toegevoegde waarde hebben op het veenweidelandschap. Deze zijn niet gebiedsondersteunend (dus niet aan agrarisch, recreatief, landschappelijk en/of natuur gerelateerd) en trekken nieuw autoverkeer het gebied in. Veel van dit soort activiteiten zijn terug te vinden in bijlage 1 Staat van bedrijfsactiviteiten onder categorie 1 (minimale verkeersaantrekkende werking). Alle overige bedrijfsactiviteiten zijn niet mogelijk als (deeltijd)activiteit.

Het stimuleren van de agrarische bedrijven komt naast het vitaal houden van het platteland ook voort uit de landschappelijke betekenis van deze ‘hoeders’ van ons landschap. Door het behoud hiervan versterkt het karakter van het landschap wat landschappelijke winst oplevert. Dit geldt ook voor de stimulering van het recreatief medegebruik. Het landelijk gebied is niet voor niets onderdeel van het regionaal park Duin, Horst en Weide. Door in te zetten op met name recreatie ondersteunende deelactiviteiten komen we hieraan tegemoet.

B. een activiteit: wel landschappelijke winst, wel verkeersaantrekkende werking. Bij activiteiten met een verkeersaantrekkende werking is het uitgangspunt dat deze een toegevoegde waarde dienen te hebben voor het landschap en/of de recreant. De (ongewenste) toename van het autoverkeer moet als het ware gecompenseerd worden. Dit kan enerzijds door een aan recreatie gerelateerde activiteit, maar ook door cultuurhistorische waardevolle bouwwerken te (her) gebruiken.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leidschendam&id=3d301463-93a9-40f9-a336-99806acc6690