CConstaterende datLeidschendam-Voorburg
Koppel je AI →
Document · PDF

2573-93 Bijlage 07 regels Ruimtelijke kwaliteitsparagraaf.pdf

Raadsvergadering 22 februari 2022, gemeente Leidschendam-VoorburgBij agendapunt: Raadsvoorstel: Vaststellen bestemmingsplan Stedelijk.18.554 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Ruimtelijke kwaliteitsparagraaf Bestemmingsplan Landelijk Gebied

Gemeente Leidschendam-Voorburg november 2011

Inhoudsopgave

Reliëfkaart: van laag naar hoog is van lichtgroen naar rood.

2

Ruimtelijke kwaliteitparagraaf

1 Ruimtelijke kwaliteit  1.1 Inleiding 1.2 Waarom is ruimtelijke kwaliteit belangrijk? 1.3 Ruimtelijke kwaliteit en samenhang 1.4 Functie en opbouw van de ruimtelijke kwaliteitsparagraaf

4 4 5 7 7

2 Kwaliteiten nationaal en regionaal  2.1 Hiërarchie en kwaliteit van open ruimten 2.2 Kwaliteit van de horizon

8 8 11

3 Structuren binnen het gebied  3.1 Lintdorpen en lintwegen 3.2 Dijken 3.3 Waterstructuren 3.4 Weidegronden 3.5 Landpaden/ kerkepaden 3.6 Markante punten, wegen en zichtlijnen

12 13 18 19 21 21 23

4 Catalogus Bouwstenen 4.1 Molens en gemalen 4.2 Niet agrarische bebouwing 4.3 Boerenerven 4.4 Bruggen en dammen 4.5 Afscheidingen, zoals hekwerken en palen met draad. 4.6 Ophogingen, taluds en beschoeiing 4.7 Algemeen 4.8 Hagen 4.9 Hakhoutbosjes/ Geriefhoutbosjes 4.10 Houtsingels 4.11 Bomenrijen 4.12 Knotbomen 4.13 Boomgaarden 4.14 Leibomen 4.15 Solitaire bomen 4.16 Boerentuin

24 25 25 29 34 35 35 37 39 39 39 39 39 39 41 41 41

5 Bouwstenen per deelgebied 5.1 Recreatiegebieden Leidschendammerhout en Vlietland 5.2 Meeslouwerpolder en deel Gecombineerde Starrevaart- en Damhouderpolder  5.3 Drooggemaakte Grote Polder 5.4 Groote Westeindsche Polder en Zwet- en Groote Blankaartpolder 5.5 Zoetermeersche Meerpolder 5.6 Drooggemaakte Geer- en Kleine Blankaardpolder

42 44 47 48 49 51 53

6 Zonering van activiteiten 6.1 Ontwikkeling in gebruik van het landelijk gebied 6.2 Verbreding van agrarische bedrijven 6.3 Vervolgfuncties 6.4 Activiteiten op woonboerderijen 6.5 Toetsingkaders 6.6 Zonering van de activiteiten 6.7 Ruimtelijke randvoorwaarden

54 55 55 55 55 56 57 57

3

1

Ruimtelijke kwaliteit 1.1 Inleiding Het landelijk gebied van de gemeente LeidschendamVoorburg is een open en zeer waardevol polderlandschap, grotendeels gelegen ten oosten van de Rijksweg A4. Deze uitloper van het Groene Hart kent belangrijke en zelfs enkele unieke landschappelijke, natuur- en cultuurhistorische waarden, zoals de structuur van dijken en watergangen, het verkavelingpatroon, de linten, de boerderijen, de watermolens en allerlei kleine landschapselementen, zoals de unieke Meidoornhagen langs de dijkwegen, bosschages, dammen en de vele bruggen over de Stompwijkse vaart. Bijzondere kwaliteitsfactor is dat de horizonten voor een deel nog authentiek zijn waardoor het een opvallende groene enclave is midden in de Randstad. In deze paragraaf wordt een visie gegeven over de specifieke kwaliteiten van het gebied en over het instrumentarium waarmee deze kwaliteiten gewaarborgd kunnen worden.

Landschappelijke doorsnede oost - west, met kenmerkende landschappen en hoogteverschillen, in schematische weergave.

4

Ruimtelijke kwaliteitparagraaf

1.2 Waarom is ruimtelijke kwaliteit belangrijk? De gemeente heeft in haar Structuurvisie LeidschendamVoorburg 2020 een duidelijke visie verwoord over het landelijk gebied. Dit blijkt onder andere uit de volgende citaten (resp. pagina’s 6, 11 en 16): “De aantrekkingskracht van de gemeente ligt met name in het groen dat in en om de stad aanwezig is.” ‘’Momenteel dreigt het gebied door allerlei ontwikkelingen te verrommelen’’. ‘’Om het landelijk gebied in stand te kunnen houden, moet er een meerwaarde aan gegeven worden. Dit kan door nieuw recreatief gebruik en een verbeterde bereikbaarheid. Zo kunnen meer mensen dit cultuurlandschap ontdekken en waarderen. Het rustieke agrarische landschap blijft hiermee gehandhaafd en bewaard”. En: ‘’Het ontwikkelen van een regionaal park op basis van landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten, dat goed toegankelijk is vanuit de stedelijke omgeving’’.

Behoud en versterken van huidige waarden De gemeente legt daarmee de nadruk op het behoud van het landelijk gebied met de daarin voorkomende landschappelijke, natuur- en cultuurhistorische waarden. Het behoud van deze kwaliteiten is daarnaast door de hogere overheid neergelegd in een groot aantal rapporten en beleidsnota’s. Het is een Belvedèregebied, schakel in de Nationale Ecologische Hoofdstructuur en de A4 is 1 van de 9 Nationale snelwegpanorama’s. Het streekplan voorziet in behoud van zowel landschappelijke, cultuurals natuurhistorische waarden (onder andere provinciaal recreatief cultuurhistorisch topgebied en weidevogelgebied), en het krijgt op gemeentelijk niveau aandacht in de Integrale gebiedsvisie voor Stompwijk, de Welstandsnota, het Landschapbeleidsplan, en de praktijkgids “Maak uw erf goed”. Kader voor sturen van dynamiek De nabijheid van grote steden wordt steeds meer voelbaar in het gebied, zowel door veranderingen in de skyline van de randen, maar ook door functieveranderingen en ruimtelijke veranderingen in het gebied zelf. Voorbeelden zijn de toename van niet agrarische bedrijvigheid, woonboerderijen en recreatieve ontwikkelingen. De gemeente acht het van groot belang dat de ruimtelijke (cultuurhistorische) kwaliteiten bij deze ontwikkelingen zoveel mogelijk benut worden en daarmee behouden blijven.

Ook bieden de huidige kwaliteiten een leidraad voor de ontwikkeling van nieuwe functies. Daarmee ontstaat een goede basis voor de realisatie van bijvoorbeeld verbrede landbouw, meer recreatie en natuurontwikkeling. Het landelijke gebied zou bijvoorbeeld vooral voor langzaam verkeer goed toegankelijk moeten zijn, waardoor de recreatieve automobiliteit meer beperkt kan blijven tot de randen. Het ontwikkelen van recreatieve knooppunten is een onderdeel van deze strategie.

Het bepalende raamwerk daarbij is: ‘’In het veenweidegebied blijft de agrarische sector met haar graasdieren de drager van het weidelandschap. Het accent verschuift hierbij wel in de richting van de productie van recreatie, zorg, natuur en landschap. Naar verwachting zal het grondgebruik in de veehouderij extensiever worden en het aantal bedrijven zal afnemen. De bedrijfscomplexen die hierdoor vrijkomen, krijgen een gebiedsondersteunende invulling. Dit kan in de vorm van kleinschalige bedrijvigheid zijn, maar ook een woonfunctie is mogelijk. De meer intensieve vormen worden gekoppeld aan een goede bestaande ontsluiting voor autoverkeer.’’ In de Integrale Gebiedsvisie Stompwijk is dit verder uitgewerkt met o.a. kansen voor recreatieve knopen en inzetten op het behouden en versterken van het streekeigen karakter ondermeer door het zogenaamde ‘’Stompwijkse bouwen’’.

5

Historische kaart buitengebied Leidschendam-Voorburg, omstreeks 1850

6

Ruimtelijke kwaliteitparagraaf

1.4

Functie en opbouw van de ruimtelijke kwaliteitsparagraaf Bij de ontwikkeling en bescherming van de ruimtelijke kwaliteiten heeft het bestemmingsplan een bijzondere rol. Het bestemmingsplan is één van de instrumenten voor het behoud en de ontwikkeling van ruimtelijke kwaliteiten, in samenhang met andere instrumenten zoals de Welstandsnota, de Kapverordening en het nog op te stellen Landschaps Ontwikkelingsplan.

1.3 Ruimtelijke kwaliteit en samenhang De ruimtelijke kwaliteiten van het landelijk gebied van Leidschendam-Voorburg worden beschreven op nationaal en regionaal schaalniveau (hiërarchie in open ruimten en kwaliteit van de horizon), lokaal structuurniveau (linten, dijken en waterlopen) en per bouwsteen (onder andere erven, dammen en beplantingen). Deze aspecten zijn elk op zich relevant. Maar de kwaliteiten van het landelijk gebied kunnen pas echt goed begrepen worden vanuit een inzicht in de samenhang tussen deze aspecten. Deze samenhang is divers en richt zich op meerdere schaalniveaus. Op het hoogste niveau speelt de samenhang van open ruimten en de kwaliteit en zichtbaarheid van de horizon met de omringende stadsranden. Daarbinnen zijn de opvallende structuren van de linten, de dijken en watergangen. Deze structuren worden weer gekenmerkt door een verscheidenheid aan bebouwde en onbebouwde elementen (groen, blauw en reliëf), waarvan sommige een markante en beeldbepalende uitstraling hebben (bijvoorbeeld de vele bruggen van de Stompwijkse vaart, de unieke Meidoornhagen, de Laurentiuskerk met het kerkbos, de molendriegang of de begraafplaats Wilsveen).

De ruimtelijke kwaliteitparagraaf heeft daarbij ook een functionele betekenis. Activiteiten, die de kwaliteiten van het gebied ondersteunen worden toegestaan en daarmee bevorderd. Activiteiten die een achteruitgang van de kwaliteiten van het gebied bewerkstelligen, worden gesaneerd of verboden. In de hoofdstukken 2, 3 en 4 wordt ingegaan op de ruimtelijke kwaliteiten in het landelijk gebied. Per aspect is een omschrijving opgenomen met de beleving, bedreigingen en het wensbeeld. In hoofdstuk 5 volgt een beschrijving per deelgebied met de daarbij behorende bouwstenen. Ten slotte wordt uiteengezet welke (deeltijd)activiteiten binnen welke zone mogelijk zijn voor de hoofdfuncties agrarisch en wonen (hoofdstuk 6).

7

2

Kwaliteiten nationaal en regionaal 2.1

Hiërarchie en kwaliteit van open ruimten

Kwaliteiten en beleving Het landelijk gebied van Leidschendam-Voorburg heeft in de eerste plaats een bijzondere positie als kruispunt van nationaal en regionaal belangrijke landschappelijke gebieden: respectievelijk het Groene Hart en de Duivenvoordecorridor. Het is de laatste vrijwel intacte landschappelijke verbinding van het veenweidegebied met de Noordzee. Daarnaast is een essentieel hoofdkenmerk dat de horizon voor een deel niet dominant verstedelijkt is waardoor het een opvallende groene enclave is in de Randstad. Er is sprake van een duidelijke hiërarchie van open ruimten, zoals hierna in regionaal perspectief weergegeven: • Duivenvoordecorridor: kleinschalige groene open ruimten tussen bebouwingen, bosschages, landgoederen en kassen (maten globaal tussen de 100 meter en 500 meter); • Vlietzone: open agrarisch gebied aangevuld met open ruimten van plassen (globaal tussen de 800 meter en 2 kilometer); • Droogmakerijen en veenweidegebied: open agrarisch gebied (maten van enkele kilometers). Het noordoostelijke agrarisch gebied sluit direct aan op het Groene Hart, waar open gebieden voorkomen met maten van 10 kilometer en meer;

Typen horizon.

Hiërarchie open ruimten.

8

Ruimtelijke kwaliteitparagraaf

In deze gebieden zijn de verschillende fasen van het cultuurhistorische gebruik goed afleesbaar. Het grote vrijwel onbewoonde grote veengebied is rond de 11e eeuw ontgonnen. Hiervoor is het verkaveld, vanuit de ontginningsbasis. Dit waren oorspronkelijk vaarten waar later ook wegen langs kwamen. Vanaf de 15e eeuw tot midden 19e eeuw zijn grote oppervlakten uitgegraven voor de turfwinning, waardoor er grote plassen ontstonden. In het volgende stadium zijn deze drooggemalen en aldus omgevormd tot de huidige droogmakerijen. Dit had grote gevolgen voor de ruimtelijke structuren. Zo verdween het dominante dorp Wilsveen grotendeels.

De laatste tijd neemt het aantal paarden in het landelijk gebied sterk toe. Om het gebruik voor paarden beter mogelijk te maken vinden ophogingen en egaliseringen plaats. Hierdoor vermindert het microreliëf. Bovendien verandert het landschapsbeeld door het graasgedrag van paarden. De grasmat wordt strak en kort in tegenstelling tot het ruigere beeld bij koeien. Beide processen hebben negatieve effecten voor de weidevogels omdat - grotere concentraties - paarden wezenlijk anders werken als koeien. De grasmat is korter en biedt minder voedsel en dekking voor de kwetsbare nesten en jonge weidevogels vooral voor de rode lijst soorten die al sterk teruglopen. Deze schadelijke effecten worden nog verder versterkt omdat bij paarden nestbeschermers niet mogelijk zijn.

Voor de beleving van deze open ruimten is de textuur van de weiden van belang. Het betreft zowel de typologie van de verkavelingen (lange opstrekkende percelen door sloten gescheiden; de zogenaamde slagenverkaveling) en het microreliëf door de variatie in de hoogte van het maaiveld. Dit microreliëf heeft cultuurhistorische waarden, onder andere als weerslag van het ontginningsproces en deels als gevolg van aanwezige kreekruggen. Van oudsher zijn weinig bosschages aanwezig, waardoor grote openheid een basiskenmerk is. Wel zijn de oorspronkelijke rijenbeplanting grotendeels verdwenen die, vanuit de linten langs de opstrekkende kavelgrenzen, tot circa 100 meter de open ruimten in reikten.

Wensbeeld Het is gewenst dat de kenmerkende grote openheid aanwezig blijft samen met een “open horizon”. Naar het Groene Hart toe is dit een prioriteit. Naar LeidschendamVoorburg, Den Haag en Zoetermeer ontstaat een nieuwe stedelijke horizon. Deze is nauwelijks te doseren vanuit het landschappelijke gebied. Het contrast in horizonten, dat de laatste decennia is ontstaan, kan ook als een kwaliteit onderkend worden. De open maten zijn een fraai contrast met het stedelijke gebied en bovendien een voorwaarde voor beleving van de cultuurhistorische betekenis.

Bedreigingen De openheid van het landschap staat onder druk door verdichtingen als gevolg van de bouw van huizen, kassen en bedrijven. Ook worden de oppervlakten van huiskavels steeds groter. Bovendien wordt de openheid minder goed beleefbaar, doordat bebouwing van de omliggende steden steeds hoger worden. Ten slotte kan nieuwe beplanting de openheid aantasten.

Toch kan het gebied niet op slot, ook al gezien de ambities die in de ontwerp Structuurvisie van de gemeente zijn verwoord. Een aantal van de ontwikkelingen in het gebied, die voor een gezonde dynamiek noodzakelijk zijn, gaat gepaard met verdichtingen. Een voorbeeld hiervan zijn de benodigde voorzieningen ten behoeve van het houden van paarden. Het is gewenst om bij de situering rekening te houden met de hiërarchie van open ruimten en derhalve de grote waarden van de openheid van de Zoetermeerse Meerpolder en het oostelijke poldergebied te behouden. Daarnaast is behoud van het authentieke landschap en de weidevogel microreliëf gewenst. Daarom moet worden voorkomen dat te grote graslandarealen worden begraasd door paarden. Hiervoor zijn randvoorwaarden ten behoeve van weidegang opgenomen in het paardenbeleid.

Zicht op Leidschenveen.

9

Zicht op de A4 vanuit de Groote Westeindspolder

Open ruimte in de Zoetermeersche meerpolder

Open ruimten en horizon.

10

Ruimtelijke kwaliteitparagraaf

2.2

Kwaliteit van de horizon

Kwaliteiten en beleving Het gebied bevindt zich te midden van grootstedelijke kernen, onder andere Den Haag, Leiden en Zoetermeer. Deze randen hebben een grote invloed op de ruimtelijke kwaliteit van de groene ruimte. Ze vormen een duidelijke begrenzing en geven aan de verschillende ruimten een eigen maat en identiteit. De horizon van het gehele plangebied is gevarieerd. Aan de west en zuidzijde bestaat de horizon uit stedelijk gebied (Leidschendam, Leidschenveen, Waterland, Zoetermeer en Den Haag) Aan de oostzijde is Zoeterwoude-Dorp gelegen en gaat het gebied over in het Groene Hart. Daarnaast bevinden zich bosschages en doorgaand open landschap aan de horizon. Op grotere afstand zijn hier en daar fragmenten van historische skylines waarneembaar, zoals die van Leiden en Delft. Bedreigingen De authentieke horizon wordt steeds beperkter van omvang door stedelijke bouwactiviteiten. De skyline van de steden is op zich een waardevol contrast maar dit mag niet te dominant worden. Hoogbouw tot in Den Haag is zichtbaar vanuit het gebied. Bosschages ten behoeve van recreatiegebieden verkleinen lokaal de doorzichten naar omringend en achterliggend landschap.

De molendriegang van Wilsveen.

Wensbeeld Nieuwe ontwikkelingen in de randen houden rekening met de belevingswaarde van de integrale landschappelijke kwaliteit. Dit betekent een zorgvuldige inpassing naar locatie en uitvoering met aandacht voor achtergronden en verbindingen tussen de open ruimten. Verdichtende ontwikkelingen in het westelijke poldergebied kunnen gesitueerd worden als coulisse voor de randen met dynamische stedelijke bouwintensiteiten.

De Drooggemaakte Grote Polder vanaf het Buytenpark Zoetermeer

11

3

Structuren binnen het gebied Voor de aantrekkingskracht van het gebied zelf is de situering en verschijningsvorm van de landschappelijke structuren cruciaal. Hierin is ook het “geraamte” van de cultuurhistorische identiteit vastgelegd. Dit blijkt onder andere uit de ambachtelijke en dus gevarieerde lijnvoering van wegen en watergangen. Deze ambachtelijke detaillering is medebepalend voor de authentieke sfeer van het gebied. We onderscheiden zes hoofdtypen van structuren: • De lintdorpen en lintwegen; • De dijken; • De watergangen; • De weidegronden; • De kerkepaden/ landpaden; • De markante punten, wegen en zichtlijnen.

Impressie landschappelijke elementen, functies en bebouwingstypologieën (schematische weergave)

Landschap

Langgerekte slagenverkaveling

Doorzichten

Zwak golvend maaiveld

Functies

Weidegrond

Natuur en recreatie

Veehouderij

Bebouwing

Boerderijen, kop van kavel

Lintbebouwing

12

Niet agrarische bebouwing

Ruimtelijke kwaliteitparagraaf

3.1

Lintdorpen en lintwegen

Uniek kenmerk van het gebied zijn de zeldzame geschoren meidoornhagen langs een aantal linten. Deze staan uitsluitend langs de dijkwegen aan de zijde waar geen watergang ligt en waar dus geen natte veekering mogelijk was.

Kwaliteiten en beleving De oude linten zijn de middeleeuwse ontginningsbases die werden aangelegd vanaf de 11e eeuw. Deze oude lijnen bepalen nog steeds de hoofdindeling van het landschap. Ze begonnen meestal als een brede vaart met een bebouwing in wisselende dichtheid. Oorspronkelijk was deze bebouwing veel dichter dan tegenwoordig. Later werden langs de vaarten wegen aangelegd. Bebouwing buiten deze linten komt in het gebied nauwelijks voor. De oude wegen zijn vrij smal (3 tot 4,5 m) en hebben soms knikken of scherpe hoeken (zogenaamde ´bajonetten´). Door de lage dichtheid van het wegennet zijn grote gebieden niet ontsloten en hebben hierdoor een grote mate van rust.

Het profiel en materiaalgebruik van de meeste lintwegen zijn in de loop van de tijd aangepast aan veranderd gebruik en vervoer. De oorspronkelijk onverharde wegen werden eerst halfverhard, kregen vervolgens een middenstrookje van klinkers tegen de erosie van paardehoeven en werden toen volledig verhard met gebakken klinkers. Dit laatste authentieke beeld is alleen nog intact in de kern van Stompwijk. Nog authentieker is het doodlopende Oosteinde dat als enige weg in de omtrek nog het originele profiel heeft met een halfverharding. Vanwege de afgelegen locatie noemen de omwonenden het hier de Hel. Ander opvallend authentiek relict is de zeer gave onverharde toegangsweg naar een verdwenen boerderij erf vanaf de ringdijk van de Zoetermeersche Meerpolder (Meer en Geerweg).

De traditionele bebouwing bestaat uit de boerderijclusters en wat kleinere woonhuizen oorspronkelijk bedoeld voor landarbeiders of boeren in ruste. De boerderijen hebben langgerekte agrarische opstallen met een oriëntatie loodrecht op de weg. Uitzondering hierop zijn erven die niet aan de weg liggen maar aan de overzijde van een vaart op de dijk waardoor een uitbreiding in de breedte op de dijk mogelijk was. De traditionele gebouwen bestaan uit 1 laag met een schuine kap.

Alle overige wegen hebben een moderne verharding met betonklinkers of asfalt. Behalve het Wilsveen en het recente Oosteinde zijn bijna alle wegen te smal geworden voor landbouwvoertuigen en/of inhaalmanoeuvres.

Karakteristiek voor de linten is verder dat tussen de verspreide bebouwing veel doorkijkjes zijn naar het weidse landschap. De linten zijn door de opgaande erfbeplantingen groene lijnen in het landschap en zorgen voor het opdelen van dit landschap in verschillende ruimtes. Vooral de laatste 50 jaar is aan de linten afwijkende bebouwing toegevoegd voor wonen en bedrijven zoals glastuinbouw of transport. Maar het traditionele beeld is nog in hoofdzaak dominant. Op een beperkt aantal plaatsen liggen nog kassen. Het beleid is gericht op het saneren van de verspreide glaslocaties zodat alleen het concentratiegebied bij de kern van Stompwijk overblijft.

Het lintdorp Stompwijk met karakteristieke bruggen

De trend van de laatste jaren is wel een groeiende behoefte om oude bebouwing te moderniseren door afbraak en herbouw. Het karakter van linten kan in dit geval alleen behouden blijven als uitgegaan wordt van het ‘Stompwijkse bouwen’ waarbij het traditionele en streekeigen karakter leidraad en inspiratiebron is. In het plangebied zijn de Stompwijkseweg, het Wilsveen en het Oosteinde de belangrijkste lintwegen. Vooral waar de weg op een dijk ligt zijn panoramische uitzichten mogelijk op het landschap. Tussen de wat dichtere bebouwing zijn veel karakteristieke doorkijkjes. Op een aantal plaatsen is een zicht mogelijk op de zij- en achterkanten van de erven, die vaak een rafelige uitstraling hebben.

13

Bedreigingen De kwaliteiten van de lintwegen staat onder druk door meer en zwaarder verkeer. Het wegprofiel wordt steeds breder met allerlei verkeersmaatregelen zoals drempels, belijningen en bebakening, waardoor de verkeerstechnische uitstraling toeneemt en de cultuurhistorische en landschappelijke betekenis wordt ondermijnd. Vooral op kruisingen groeit een woud van borden. Ook de uitstraling van de verharding speelt belangrijke rol. Verder wordt de beleving verminderd door de opzet en architectuur van nieuwe bebouwingen en bedrijven, die in een aantal gevallen een rommelige voorzijde hebben. Verharding en meer stedelijk georiënteerde erf inrichting contrasteren met de agrarische oorsprong van de gebouwde omgeving. Met een verdere verdichting wordt het steeds moeilijker het afwisselende beeld naar het open landelijke gebied te ervaren.

Een ‘woud’ aan borden aan het begin van de Stompwijkseweg

Wensbeeld De kwaliteit en beleving vanaf de lintwegen en door de inrichting van de weg zelf is een cruciale factor in de realisatie van het wensbeeld van de gemeente om het authentieke karakter in stand te houden en de bereikbaarheid voor langzaam verkeer te bevorderen. De unieke Meidoornhagen zijn hier een strategisch onderdeel van en worden opgeknapt en herplant waar deze verdwenen zijn. Dit wensbeeld dient te worden vertaald in een goed plan voor de verkeerscirculatie met bijbehorende low-profile verkeerstechnische uitwerking. Daardoor ontstaat een basis om de huidige ruimtelijke kwaliteiten te behouden en het cultuurhistorische karakter te versterken. Door toepassing van streekeigen wegprofielen, bouwvolumes en materialen kan de cultuurhistorische kwaliteit worden versterkt. Ook erfbeplanting draagt hier aan bij. Leibomen, solitairen en/of hagen aan de voorzijde van het erf en singels, bomenrijen of boomgaarden aan zij- en achterzijden complementeren het afwisselende dorpse en agrarische beeld.

‘Stedelijke’ uitstraling van landelijke wegen

Karakteristieke bebouwing langs de Stompwijkseweg

Het lint Wilsveen met rechts ligusterhagen

14

Ruimtelijke kwaliteitparagraaf

Specifieke kenmerken verschillende linten Stompwijkseweg De Stompwijkseweg doorsnijdt het gebied in de lengterichting. Tegenwoordig het meest dominante lint in het gebied met een lengte van 7 km tussen Leidschendam en Zoeterwoude. Het laatste deel het tegenwoordige Oosteinde dat later in deze paragraaf behandeld wordt. Markante punten in de weg zijn: • De kilometerslange structuur met de vele - ophaal bruggen en de steile kade aan de wegzijde; • De entree onder het viaduct van de A4 (opeens zicht op openheid, daarna beslotenheid van buurtschap met rommelig voorkomen); • Het zicht op de molendriegang; • De authentieke gebakken klinkers in de kern van Stompwijk; • De nog vrij grote lengtes met de authentieke Meidoornhagen; • De knik in de weg (bajonet); • De entree van Stompwijk met aangrenzende kassenlocatie.

Oosteinde/Jan Koenenweg/Middenweg Het Oosteinde vormt een belangrijke ontsluiting in de richting van Zoeterwoude. De omgeving is veel natter omdat hier geen turfwinning is geweest. Vanaf Stompwijk tot aan de gemeente grens bevindt zich lintbebouwing. Opvallend is het afwijkende asymmetrische profiel; ontstaan toen in de jaren 50 van de vorige eeuw een nieuwe provinciale weg werd aangelegd parallel aan het oorspronkelijke weggetje op de dijk. De oude weg is nu fietspad. Een asymmetrisch profiel is ook in de bebouwing te zien met aan de noordkant enkele historische boerderijen aan de overzijde van de vaart. Deze hebben een voor de omgeving opvallend zware erfbeplanting met hakhoutbosjes op eilandjes. Aan de oostzijde ligt een vrij gesloten cluster van recente bebouwing met enkele complexen kassen en bedrijven. Daardoor is het zicht voor de automobilist op de laaggelegen weg sterk beperkt tot aan de gemeentegrens waar de bebouwing eindigt en het landschap zich weer opent. Richting Zoetermeer is het Oosteinde via een nieuwe doorsteek, de Jan Koenenweg, verbonden met de oorspronkelijke Middenweg in de Zoetermeerse meerpolder. Opvallend is hier de hoge ligging via het viaduct over de Jan Koenensloot met een zware Populierenbeplanting waarna de weg via een nieuwe hoogtesprong afdaalt in de Zoetermeerse meerpolder.

De lijnbeplanting van de Middenweg met Populieren werkt als een referentiepunt waardoor de karakteristieke ronding van de Zoetermeerse Meerpolder zichtbaar wordt die door zijn grootschaligheid moeilijk te ervaren is. Markante punten zijn: • Het asymmetrische profiel met het fietspad hoog op het oude dijkweggetje en parallel de recente laaggelegen provinciale weg; • Het natte veenlandschap met enkele zwaar beplante authentieke boerenerven; • Hoogtesprong bij de ringdijk van de Zoetermeersche Meerpolder; • De lijnbeplanting van de Middenweg met Populieren die de karakteristieke ronding van de Zoetermeersche Meerpolder zichtbaar maakt.

Het Wilsveen Het Wilsveen, ooit het dominerende lintdorp, is door de verveningen sterk gekrompen en heeft daardoor in verhouding nu een wat minder structurerende betekenis. Het ligt in een hoek van het gebied en begrenst de Nieuwe Driemanspolder zijn. Markante punten zijn: • Het beginpunt bij de hoogtesprong in de Veenweg die hoog op de Landscheiding ligt en het eindpunt in het open landschap met een lichte knik bij de gemeentegrens met Zoetermeer waarna de historische bebouwing weer begint; • Zicht op de molendriegang; • De hoogteverspringing in de weg bij de molenboezem; • De knikken in de weg richting Zoetermeer (bajonet); • De passage nabij de Kostverlorenweg over de oude molentocht van de verdwenen molendriegang; • Ligusterhagen bij de hoogte sprong. Middenweg, entreé Zoetermeersche Meerpolder

15

Boven Meerweg/Meer en Geerweg De Boven Meerweg/Meer en Geerweg ligt op de markante ringdijk van de Zoetermeersche Meerpolder. De oudste droogmakerij van Zuid-Holland; 1614. Door de beperkte bebouwing en de uitgestrekte openruimtes zijn er weidse panorama’s. De voornamelijk agrarische bebouwing ligt beneden aan de dijk. De doorsnijding door de provinciale weg doorbreekt tegenwoordig de doorgaande weg. Markante punten zijn: • Maximale ervaring van de karakteristieke ronding van het voormalige natuurlijke veenmeer; • Weidse panorama’s op de wijde omtrek met oa zicht op de markante kerk met kerktuin van Stompwijk; • De gevarieerde en kronkelende oevers van de oude ringvaart; • Zicht op gaaf oud weggetje met eenzijdige singelbeplanting naar verdwenen boerderij en enkele zeldzame grote hakhoutbossen.

Bovenmeerweg richting Meer en Geerweg met rechts de ringvaart

Ondermeerweg Het opvallende lint in de zeer gave Droogemaakte Geeren Kleine Blankaertpolder onderscheidt zich door de afwijkende oriëntatie van de bebouwing die grotendeels boven op de dijk ligt. De woningen zijn niet op de rondlopende Ondermeerweg georiënteerd, maar naar buiten op de ringvaart. Oorzaak is zeker bij de zuidelijke bebouwing dat deze dateert van voor de vervening en de droogmaking eind 19e eeuw. De bebouwing is nog altijd schaars en ligt vrijwel geheel langs de boezemkaden zodat de centrale open ruimte nog een aaneengesloten geheel is. Pas in de loop van de 20e eeuw zijn de boerenerven uitgebreid naar de overzijde van de weg, waaronder ook een klein kassencomplex en enkele woningen met als gevolg een plaatselijk wat verrommeld beeld. Markante punten zijn: • Het weidse uitzicht als je, vanaf de ringdijk, de polder binnen komt; • Afwijkende oriëntatie van de oorspronkelijke bebouwing met de gevel naar de ringvaart; • Een markant voormalig stoomgemaal op de ringdijk.

Ondermeerweg, oversteken van erven

Laantje van Kampen

Oostvlietweg

16

Ruimtelijke kwaliteitparagraaf

Laantje van Kampen Deze doodlopende zeer smalle weg -ca. 3m- ligt parallel aan de brede Nieuwe Vaart die Stompwijk verbindt met de Vliet en eindigt bij de middentocht van de Westeinderpolder. De bebouwing ligt in een vrij smalle zone; een structuur die in hoofdlijn overeenkomt met veel oude bebouwingslinten in het gebied. Weg en de bebouwing zijn echter een recente ontwikkeling uit het midden van de 20e eeuw, ontstaan achter een oudere huiskavel aan de dr. van Noortstraat langs de Stompwijkse vaart. Daarom maakt de weg vanaf de Stompwijkse vaart eerst een slinger om het oude erf heen. Over de hele lengte tussen de vaart en de weg liggen hoofdzakelijk recreatiewoningen. Vanaf halverwege tot aan het eind liggen aan de andere zijde enkele voormalige (agrarische) bedrijven die op het eind in een vrij dichte cluster liggen. Markante punten zijn: • De bebouwing met beplanting heeft een vrij gesloten karakter, waardoor er weinig zicht is op de vaart en weilanden; • Opvallend en daardoor karakteristiek zijn de Ligusteren elzenhagen langs diverse percelen die de smalle weg inkaderen vanaf de Dr. van Noortstraat; • De polderlandschappen aan weerszijden van het lint zijn nog vrij gaaf bewaard gebleven. • Hoge ligging langs een hoogtesprong in het landschap.

De Meeslouwerpolder aan de overzijde van de Nieuwe Vaart ligt, heel opvallend, ruim 3 m dieper omdat deze is uitgeveend en vervolgens weer drooggemaakt. De locatie ligt daardoor als het ware op een podium langs de Meeslouwerpolder waarbij het dijktalud van de Nieuwe Vaart een steile rand vormt. Vanuit de locatie is zicht op de bebouwingslinten van Stompwijk, het Oosteinde en het Westeinde • Westeinderweg Vrij recent aangelegd doodlopend lint langs een brede tocht loodrecht op de Nieuwe vaart. Ontstaan na de droogmaking van de diepgelegen Westeinderpolder (nu Meeslouwerpolder) eind 19e eeuw. Bebouwing komt alleen aan de noordzijde voor en bestaat uit enkele (voormalige) boerderijen. Vooral langs de Nieuwe Vaart zijn 2e helft vorige eeuw enkele erven sterk uitgebreid. Hierdoor is het oorspronkelijke karakter wat verrommeld, maar het is nog wel herkenbaar. Zeker daar waar de oorspronkelijke oude panden nog op de kop van de kavel liggen. De toerit, ook Westeinderweg genaamd, vanaf de dr. van Noortstraat heeft geen bebouwing. Markante punten zijn: • De opvallende ligging in de open ruimte tussen het lint van de dr. van Noortstraat en de A4; • Het zicht op markante hoge dijk van de Nieuwe Vaart; • Het einde van de Westeinderweg komt uit op de zustersdijk, één van de meest markante dijken nabij de kern Stompwijk.

Kniplaan Lange tijd de belangrijkste verbinding van Stompwijk richting hoge gronden via het veer bij de Knip. De enige dijk in de wijde omtrek die nog het oorspronkelijke hoge, smalle en steile profiel heeft (deel tussen A4 en Stompwijkse weg). Markante punten zijn: • Het panoramisch uitzicht over de omtrek vanaf het viaduct over de A4; • Het authentieke hoge en smalle dijkprofiel met zeer steile taluds; • Eindpunt aan de vliet met aan de overzijde het oude veerhuis. Meeslouwerweg Dit lint loopt langs een oude wetering dat vanaf de Kniplaan doorliep tot de Merenburger molen. Het werd doorsneden door de aanleg van de A4. De molen is nu afgeknot en heeft een klein jachthaventje met botenverhuur en stacaravans met een kleine camping. Behalve de molen komt er alleen recente bebouwing vanaf ca. 1900 voor met enkele burgerwoningen en een voormalige boerderij. Deze woningen liggen geïsoleerd aan de inmiddels doodlopende weg. Markante punten zijn: • De A4 die de weg heeft doorsneden; • De oudste woning aan de Kniplaan waar de oude weg met een knikje omheen ligt. Oostvlietweg De Oostvlietweg ligt op de grens van 2 landschappen zeer markant langs de Vliet. De hooggelegen strandwallen gaan hier over in het veenweide gebied van het Groene hart dat zich uitstrekt tot Utrecht. De weg is hierdoor het podium voor een weids panorama.

Aangelegd als jaagpad bij de opwaardering van de Vliet in de gouden eeuw door de stad Leiden. Markante punten zijn: • De ligging op de drempel van het hoge strandwallenlandschap en het uitgestrekte veenweide gebied; • De laatste locatie langs de Vliet tussen Leiden en Delft waar nog het oorspronkelijke landschapsbeeld ervaren kan worden; • Het kronkelende tracé langs de Vliet met telkens wisselende zichtlijnen over het water; • De weidse panorama’s richting Stompwijk, Zoetermeer en de molendriegang; • De zichtlijnen richting de Duivenvoordecorridor met kasteel Duivenvoorde en de Knipmolen; • De nog zeer gave grote lengtes met de authentieke Meidoornhagen plaatselijk gecombineerd met markante opgaande bomen; • De boerderijen diepgelegen in de droogmakerij en de kleinschaliger woningen op de dijk; • De kruising met de Kniplaan met over de Vliet het oude veerhuis.

17

3.2

Dijken

Kwaliteiten en beleving Het gebied kent een groot aantal grote en kleinere polders, die allen door dijken zijn omgeven. Een aantal lintwegen en dorpen liggen hoog en daarmee markant op een dijk, waardoor ze in samenhang met de dijken het belangrijkste casco van het landelijk gebied vormen. Bovendien zijn ze de basis van waaruit de ontginningen hebben plaatsgevonden en zijn ze door hun ligging en onderlinge afstanden een zichtbare weerslag van deze occupatiegeschiedenis. Alle dijken zijn restanten van de oude bodem van voor de grootschalige turfwinning en bestaan dus uit veen. De oorspronkelijke profielen hebben vrij steile taluds met veel variatie in reliëf. Door noodzakelijke dijkverbetering zijn deze variaties grotendeels verdwenen.

Ringdijk Zoetermeersche Meerpolder met de lager gelegen Drooggemaakte Grote Polder.

De Zoetermeersche Meerpolder is zoals de naam al zegt een vreemde eend in de bijt. Anders dan de andere droogmakerijen is de oorsprong een reusachtig natuurlijk meer. Extra bijzonder is dat het de eerste droogmakerij was in Zuid-Holland (1614), waar de nieuwe inpolderingtechnieken het eerst werden toegepast. De dijk rondom deze polder heeft een ovale vorm, die karakteristiek is voor de oervorm van de Hollandse droogmakerij en is goed waarneembaar vanaf de dijkweg. De ovale vorm is vanuit de omgeving en vanuit de polder zelf moeilijk te ervaren, vanwege de grote maat van de polder. Bedreigingen De identiteit van de dijken wordt door een aantal ontwikkelingen bedreigd: • Toename van nieuwe bebouwing en verbouwingen die door omvang en materiaalgebruik het oorspronkelijke karakter verandert; • Dijkverzwaringen, waarin het authentieke steile, reliëfrijke en bochtige profiel plaats maakt voor strakke flauwe taluds en flauwe bochten.

Steile kade van de Stompwijkseweg langs de Stompwijksche Vaart.

Karakteristiek glooiend dijklichaam met dwarshagen langs de Stompwijkseweg.

Wensbeeld Het is gewenst dat de meest waardevolle dijken beschermd worden in hun uitstraling en cultuurhistorische profiel. De meest gave locaties zijn: • Drooggemaakte Geer- en Kleine Blankaardpolder; • Zoetermeersche Meerpolder • Deel Kniplaan tussen A4 en Stompwijkse weg.

18

Ruimtelijke kwaliteitparagraaf

3.3

Waterstructuren

Bedreigingen In toenemende mate worden de grenzen en de belijning van de waterlopen rechtgetrokken. Het (nodeloos) plaatsen van harde technische beschoeiingen is ook een oprukkende bedreiging van de landschappelijke, ecologische en cultuurhistorische kwaliteit. Ook is sprake van nivellering van de slootkanten, door verwijdering van microreliëf. Het moet worden gevreesd dat deze tendens zich zal doorzetten. Ook de plaatsing van dammen kan het huidige visueel ruimtelijk beeld aantasten.

Kwaliteiten en beleving De waterstructuren in het gebied hebben een grote invloed op de ruimtelijke en cultuurhistorische kwaliteit. Bij veel waterlopen is er een duidelijke relatie tussen vorm, ontstaansperiode en functie, waardoor ze een landschappelijke en cultuurhistorische waarde vertegenwoordigen. De oudste watergangen zijn ontstaan als ontginningsbasis en zijn meestal onderdeel van de boezem; het hoofdafwateringsysteem. Binnen de ontginningsblokken werden volgens een kenmerkend patroon sloten gegraven; de zogenaamde slagenverkaveling. Hierbij zijn smalle langgerekte slagen ontgonnen: kavels van ca. 50 m breed en ca. 1000 m diep die worden omgeven door sloten met onbeschoeide oevers. Vaak liggen in de dwarsrichting nog een of meerdere doorgaande wat bredere watergangen (de zogenaamde tochten). Naarmate de kavels langer waren zijn er meer tochten.

Wensbeeld Het is gewenst dat een aantal belangrijke waterlopen hun oorspronkelijke beeld terug krijgen. Dit dient gerealiseerd te worden als onderdeel van een groter, samenhangende reconstructie van weg, verkeersstructuur, ontsluiting etc. Plaatsing van extra dammen, zeker vanwege zichtbaarheid op grotere afstand van de weg, moet zoveel mogelijk voorkomen worden.

Belangrijk is verder dat de waterlopen groene natuurlijke oevers hebben en dat alleen bij hoge uitzondering beschoeiingen voorkomen bij bijzondere technische eisen zoals bij een gemaal of een bruggenhoofd. Beeldbepalend is ook dat de lijnen op hoofdlijn weliswaar recht zijn maar op detail veel variatie hebben door lichte golvingen, kleine knikken en verspringingen, afgeschuinde bochten etc. Daarnaast zijn sloten en vaarten met de daarbij horende oevers en bermen belangrijk voor flora en fauna. Doordat de sloten een aaneengesloten fijnmazig netwerk vormen, zijn ze tevens van belang voor de ecologische infrastructuur.

Boezemwater, de Nieuwe Vaart.

Kenmerkende kavelsloten

19

Weidegronden in de Zoetermeersche Meerpolder.

Karakteristieke strokenverkaveling in de Drooggemaakte Grote Polder , het hoogteverschil richting de Ringdijk met daarachter de Zoetermeersche Meerpolder.

Visiekaart Integrale gebiedsvisie voor Stompwijk (2007).

20

Ruimtelijke kwaliteitparagraaf

3.4

Weidegronden

3.5

Kwaliteiten en beleving Dominant in het landelijk gebied van LeidschendamVoorburg zijn al honderden jaren de weidegronden. Kenmerkende structuur hiervan zijn de langgerekte smalle kavels, ook wel slagen genoemd. Onderscheid is te maken tussen oudere en jongere slagenverkaveling. De oude vaak wat onregelmatige verkavelingen zien we in de niet uitgeveende gebieden aan de kant van Zoeterwoude en langs de Vliet in de Duivenvoorde corridor. De jonge meer regelmatige verkavelingen liggen in de droogmakerijen.

Landpaden/ kerkepaden

Kwaliteiten en beleving In het gebied bevonden zich een beperkt aantal voetpaden, die vroegere bewoners gebruikten om op snelle wijze bij een belangrijke plek te komen zoals een kerk. Dit zijn de landpaden of kerkepaden. Deze paden vormen een unieke mogelijkheid om het gebied te beleven vanaf routes middenin de groene ruimte. Bovendien hebben ze een functionele en een cultuurhistorische waarde. Bedreigingen De paden zijn nu niet meer toegankelijk, omdat ze door het vervallen van de oude functie zijn afgesloten.

De weidegronden hebben een economische functie voor de agrariërs. Daarnaast zijn ze ook van belang voor de flora en fauna, vooral als broedgebied en foerageergebied voor weidevogels. Visueel ruimtelijk worden de graslanden verder gekenmerkt door het zwak golvende maaiveld als gevolg van verschillen in de ondergrond door veen- en kreekresten. De laatste zijn ook van aardkundige waarde.

Wensbeeld Het is gewenst dat de historische kerkepaden weer in ere worden hersteld. Onder andere dient het pad langs de Molendriegang naar het Wilsveen doorgetrokken te worden. Vanuit de ambities van de gemeente is het wenselijk dat meer paden worden aangelegd voor een grotere toegankelijkheid en beleving van het landelijke gebied. In de Integrale gebiedsvisie voor Stompwijk (2007) wordt aan deze wensen invulling gegeven. (zie afbeelding).

Bedreigingen Aantasting van het verkavelingpatroon kan een bedreiging vormen voor het authentieke karakter van de weidegronden, evenals nieuwe ophogingen en taluds. Verandering van de vegetatiestructuur, bijvoorbeeld ten behoeve van de begrazing door paarden, kan een bedreiging vormen voor de fauna in het gebied. Wensbeeld De functies landbouw en natuur dienen zoveel mogelijk verweven te worden. Het verkavelingpatroon dient behouden of versterkt te worden. Begrazing door koeien heeft de voorkeur om de variatie in de vegetatie en het microreliëf op de weidegronden in stand te houden. Zie hiervoor de spelregels voor het beheer van de graslanden in het paardenbeleid.

Landpad richting de ringvaart Drooggemaakte Geer- en Kleine Blankaartpolder

Fietsroute vanaf de Meer en Geerweg richting de Kniplaan.

21

De drie molens van Wilsveen.

Knipmolen bij de Vliet.

Markante punten en zichtlijnen.

22

Ruimtelijke kwaliteitparagraaf

3.6

Markante punten, wegen en zichtlijnen

Kwaliteiten en beleving Binnen het landelijke gebied zijn enkele markante zichtpunten, wegen en zichtlijnen, die samen een belangrijk onderdeel zijn van de identiteit en beleving van het gebied. Bovendien zijn ze een herkenningspunt voor inwoners en bezoekers. In het gebied zijn de volgende markante punten zijn waar te nemen: • De molendriegang van Wilsveen, gelegen aan de Molenvaart; • De molen langs de A4 in de Westeinderpolder; • De molen van de Knip; • De kerktoren van Stompwijk met kerktuin; • De kerktoren van Zuidbuurt; • De begraafplaats van Wilsveen, gelegen op een veenrestant van circa 3 meter; • De skischans bij Zoetermeer; • De grote windmolens langs de A4 bij Zoeterwoude.

Zicht op de kerktoren van Stompwijk

Daarnaast zijn een aantal wegen belangrijk in de beleving en identiteit van het gebied, zoals: • Het lint van de Oostvlietweg langs de Vliet; • De Middenweg door de open ruimte van de Zoetermeersche meerpolder; • Het lint van de Stompwijkseweg met de vele bruggen; • Het Wilsveen met knikken, de hoogtesprong en uitzicht op het laatste gave deel van de landscheidingsdijk; • De Meer en Geerweg en de Bovenmeerweg op de ringdijk van de Zoetermeersche meerpolder • Het Westeinde (hellepad) met het laatste authentieke onverharde wegprofiel; • De A4 met zijn snelwegpanorama. De markante punten moeten vanuit de omgeving goed waargenomen kunnen worden. Hiervoor zijn open zones rond deze herkenningspunten van belang. Deze zones waren tot nu toe een logisch onderdeel van de openheid van het gebied als geheel. Het bestemmingsplan biedt de mogelijkheid om open zones expliciet te gaan beschermen, om daarmee verdichting van die zichtzones door nieuwe functies te verhinderen.

Zicht op de kerktoren van Zuidbuurt

Begraafplaats van Wilsveen

Bedreigingen De zichtbaarheid van de markante punten wordt verminderd door verdichtingen langs wegen en dijken. Niet goed ingepaste opgaande structuren dichtbij markante punten doen ook sterk afbreuk aan de beleefbaarheid Wensbeeld Het is gewenst om het zicht op de markante punten te handhaven en indien mogelijk te herstellen. Zichtlijnen en wegen waaraan of waarlangs zich zichtlijnen bevinden dienen behouden te blijven. Bij nieuwbouw en verbouwingen dient dit in acht te worden genomen. 23

4

Catalogus Bouwstenen De ruimtelijke kwaliteit van het landelijk gebied is verder te vertalen in een aantal bouwstenen. Deze catalogus met bouwstenen vormen de basis voor de opbouw van het gebied. Bij ruimtelijke ontwikkelingen in het landelijk gebied van Leidschendam-Voorburg moeten deze bouwstenen gezien worden als leidraad en toetsingskader. Een onderscheiden wordt gemaakt in bouwkundige objecten en beplanting.

Molendriegang van Wilsveen

De Meerenburger, voormalig molen

Gemaal de ´Volharding´.

Gemaal de ‘Antogonist’

24

Ruimtelijke kwaliteitparagraaf

Bouwkundige objecten

4.2

4.1

Kwaliteiten en beleving In het gebied komt ook niet-agrarische bebouwing voor. Deze ligt gedeeltelijk in de agrarische ontginningslinten (ook bijvoorbeeld horeca) en meer geconcentreerd, zowel in historische situaties (oude buurtschappen) als in ‘moderne’ situaties (bij de doorgang onder de A4). Het gaat hierbij vaak om voormalige agrarische boerenerven met een nieuwe niet agrarische functie of kleine woningen die oorspronkelijk in gebruik waren bij mensen werkzaam in de agrarische sector. De eerste, boerenerven met een nieuwe niet agrarische functie worden besproken in het hoofdstuk over boerenerven. Hier gaan we verder in op de zogenaamde ‘burger’ woningen. In sommige gevallen zijn dit woningen die hebben behoord bij (achterliggende) boerenerven en daarvan zijn afgesplitst. Het gaat om eenvoudige en kleinschalige bebouwing waarbij vaak een omringend erf ontbreekt en de woningen direct aan de weg of vaart liggen. De meeste niet-agrarische bebouwing heeft op zich geen hoge architectonische kwaliteit maar is wel in belangrijke mate beeldondersteunend door de traditionele opzet, waarbij de woningen klein van maat zijn en individueel vormgegeven.

Molens en gemalen

Kwaliteiten en beleving Zeer kenmerkend in het landelijk gebied van Leidschendam-Voorburg zijn de molens en gemalen. Naast de molendriegang van Wilsveen is er ook nog de Knipmolen langs de Vliet, welke tot ca 1900 veel dominanter in het landschap aanwezig was. Verder stonden op meerdere locaties molens en molendriegangen (o.a. bij de Kostverlorenweg, aan de Oostvlietweg, de afgeknotte Meerenburger en in de Zoetermeersche Meerpolder net over de gemeentegrens) die later zijn vervangen door stoomen later diesel/elektrische gemalen. De karakteristieke molens zijn belangrijk voor de landschappelijke identiteit en dienen tevens als herkenningspunt. Voor de historische gemalen zoals de Antagonist en het gemaal bij de Kniplaan geldt hetzelfde. Bedreigingen Verdichting van het landschap kan een bedreiging zijn voor de authentieke uitstraling van de molens en gemalen in het open landschap.

Niet agrarische bebouwing

Wensbeeld Het is zeer belangrijk dat de molens en gemalen hun zichtbaarheid in het open landschap behouden. Daarnaast hebben ze een recreatieve aantrekkingskracht. Daarom is het belangrijk dat recreatieve routes ernaartoe versterkt worden en dat recreatie ondersteunende deeltijdfuncties nabij deze objecten gestimuleerd worden. De inrichting van deze routes ondersteund de beeldkwaliteit. De locaties van verdwenen molens kunnen bij nieuwe ontwikkelingen betrokken worden door deze weer zichtbaar te maken.

Niet-agrarische woningen

Skischans bij Zoetermeer.

25

Kenmerken voor deze burgerwoningen worden hieronder opgesomd. Algemene kenmerken: • De bebouwing is kort op de weg of de vaart; gesitueerd op of in het talud. • Er is sprake van een enkelzijdige oriëntatie, op de weg of de vaart, niet (zoals bij erven) op het landschap. • De woningen hebben een kleine korrelgrootte en zijn individueel vormgegeven (in een uitzonderlijk geval komt een twee onder één kap voor, dit is echter niet karakteristiek) • De woningen zijn veel in de langsrichting georiënteerd maar haaks komt ook voor. Buurtschappen: • Buurtschappen bestaan uit een groep woningen aan de weg en aan de vaart, meestal nabij of rond een kruispunt van wegen, waterwegen of oude looproutes. • De woningen zijn relatief kort op elkaar gesitueerd, met ruime achtertuinen. Kenmerkend is dat de aaneenschakeling van bebouwde kavels het beeld bepaalt en dominant is over de beperkt aanwezige landschappelijke tussenruimtes. • De woningen zijn relatief klein en eenvoudig, 1laags met zadeldak.

Burgerwoning met stedelijk karkakter aan de Stompwijkseweg

Los gesitueerde dijkbebouwing: • Los gesitueerde woningen in het landelijke lint met vrij ruime voor, zij- en achtertuinen (meestal de diepte van het talud). Deze komen relatief weinig voor.

Opschaling van bedrijfsbebouwing

Karakteristieke burgerwoningen (zgn stompwijkse bouwen) aan de Stompwijkseweg

Moderne burgerwoning met stedelijke uitstraling

26

Ruimtelijke kwaliteitparagraaf

Wensbeeld Het behoud van het oorspronkelijk karakter van de burgerwoningen in maat (korrelgrootte) en detaillering is belangrijk voor de ruimtelijke (historische) kwaliteit van de linten en het landschap. In de Gebiedsvisie is dit aangeduid als het ‘Stompwijkse bouwen’. Verbouwingen en/of renovaties zullen onder Welstand plaatsvinden om deze kwaliteiten te behouden en waar mogelijk te verbeteren.

Bedreigingen Voormalige bedrijfswoningen die een burgerfunctie krijgen en de van oorsprong kleine burgerwoningen dreigen hun oorspronkelijk karakter te verliezen. Oorzaken zijn niet streekeigen stedelijke aanpassingen aan gebouwen en erfinrichting. Verder is de toekomst van veel beeldondersteunende niet agrarische bebouwing onzeker. Deze woonbebouwing is de laatste halve eeuw steeds meer in gebruik gekomen bij niet agrarische gebonden bewoners, waarmee de inrichting van het erf veranderd.

In het kader van de RvR (Ruimte voor Ruimte) regeling is maatwerk vereist; met de regeling kan onder voorwaarden voormalige agrarische bedrijfsbebouwing gesaneerd worden en hiervoor kan een deel van het bouwvolume worden teruggeplaatst in de vorm van burgerwoningen. Leidraad hierbij is dat het karakter van een boerenerf het streefbeeld is. De inhoudsmaat voor de woningen is in het bestemmingsplan geregeld met een maximum van 650 m² met een oppervlakte aan bijgebouwen van 50 m². Dit sluit aan op de karakteristieken van het ‘Stompwijkse bouwen’. Tevens kan deze terugplaatsing alleen gebeuren als een goede landschappelijke inpassing plaatsvindt en hierdoor een meerwaarde voor het landelijk gebied ontstaat.

De noodzakelijke modernisering is een andere factor. De trend daarbij is dat de woningen steeds meer een stedelijk karakter krijgen. Dit is vaak gekoppeld aan een logische behoefte tot volumevergroting. Of het resultaat beeldondersteunend is blijft ongewis. De kwaliteit van de architectuur heeft daarin een doorslaggevende rol. Ook bij de Ruimte voor Ruimte regeling (RvR) kan een niet goede landschappelijke inpassing van nieuwe bebouwing en een niet gebiedsgebonden architectuur een bedreiging vormen. Tot slot zijn er in het plangebied ook niet-agrarische bedrijven en verspreid liggende kassen aanwezig. Deze bedrijven hebben van oudsher een bestaansrecht opgebouwd. Deze dienen zich tot deze enkele locaties te beperken. Toevoeging van nieuwe bedrijven verspreid in ons landelijk gebied is niet gewenst. Zij hebben geen directe relatie met het landelijk gebied, zijn landschappelijk moeilijk inpasbaar en hebben ook vaak een verkeersaantrekkende werking.

Het is relevant om niet-agrarische bedrijven en de verspreid liggende kassen zoveel mogelijk uit het gebied te weren, en kansen voor verplaatsing naar bedrijventerreinen te benutten en te stimuleren. In dit bestemmingsplan zijn de bestaande niet-agrarische bedrijven en de verspreid liggende kassen benoemd en geconserveerd. Uitbreiding van deze bedrijven is niet meer mogelijk, gezien de ‘roofbouw’ op het landelijk gebied. Nieuwe vormen van niet agrarische bedrijven is niet toegestaan in ons landelijk gebied. Deze horen thuis op een bedrijventerrein of in het glastuinbouwcluster. Voor de vormgeving van de bebouwing, detaillering en materiaalkeuzes verwijzen wij naar het wensbeeld van het volgend hoofdstuk 4.3 Boerenerven.

Buurtschap Kniplaan

Voormalig café herberg aan de Stompwijkseweg

27

principe erfindeling

Boerenerven onderaan de dijk

28

Ruimtelijke kwaliteitparagraaf

4.3

Boerenerven

Verder valt op dat veel huizen een kleine maat hebben, ontstaan vanuit kleine agrarische bedrijven. De bebouwing heeft een karakteristiek lage gootlijn, samen met een relatief groot kapvlak met doorgaans geen dakkapel(-len). Meestal bestaat de bebouwing uit 1 laag met kap, maximaal uit anderhalve laag. De kappen hebben een scherpe hellingshoek, tussen de 45 en 60 graden. In het bestemmingsplan is ten minste 45 graden toegestaan.

Kwaliteiten en beleving De boerenerven met hun bebouwing liggen overwegend langs de lintwegen. De boerenerven zijn vanaf de wegen goed te zien (direct aan de straat gelegen, onderaan de dijk of aan de overzijde van een vaart). Karakteristiek is dat tussen de erven door, zicht is op het veenweidegebied. De boerenerven verschillen sterk van oppervlakte en samenhang door functieverschillen en locatie. De beplanting speelt hier een belangrijke ruimtelijke rol. Een aantal boerenerven kent fraaie solitaire of oude bomen, die als baken en herkenningspunt functioneren.

Algemene kenmerken boerenerven • Lange diepe smalle erven in de richting van het landschapspatroon, meestal 1 á 1,5 ‘slagen’ breed, maximaal 2; • De boerenerven zijn tweezijdig georiënteerd. Daarbij wordt het erf gepresenteerd naar de weg en/of vaart dmv een vooruitgeschoven woning. De overige bebouwing is vaak gericht naar het landschap waar ze functioneel mee zijn verbonden; • De functie van het boerenerf is vaker gerelateerd aan het landschap, zoals veehouderijen; • De erven zijn oorspronkelijk duidelijk los van elkaar gehouden, niet met elkaar verklit. De scheiding tussen de erven gebeurt door middel van be­planting of open ruimte als scheiding; • De erven liggen veelal geheel achter het dijktalud.

Soms ligt de woning in het talud; • Bebouwing is voornamelijk (minstens voor 85%) in de lengte van de kavelstructuur gesitueerd, bij dwarssituering gaat het om ondergeschikte bebouwingsmassa´s of bijzondere aanleidin­gen in het landschap; • De opstelling van de bebouwing is aan of rondom een centrale ontsluitingsplek; • Per erf is er één ontsluiting, veelal centraal in het erf opgelost in de vorm van een in de lengterichting van de slagenstructuur gelegen ruimte; • Doorkijkjes op het erf zelf tussen de bebouwing door naar het open landschap, vaak via verkeersruimte erf; • Er worden voornamelijk kappen toegepast, zoals grote zadeldaken, met een lage dakgoot en scherpe hellingshoek tussen de 45 en 60 graden.

In het landschap is een duidelijke relatie tussen de boerenerven en de hoogteverschillen. De meeste boerenerven zijn direct aan de weg gelegen om zoveel mogelijk van de hoogte van de dijk te profiteren. Een klein deel van de erven ligt onderaan aan de dijk, of aan de overzijde direct langs het boezemwater (vaart). Dominant is dat de bebouwing is gelegen in de langsrichting van het landschapspatroon of verkavelingrichting. De meeste boerenerven hebben de breedte van 1 slag (ca. 40 - 50 m) en zijn naar achter in de diepte uitgebouwd. Bij een extreem afwijkende richting van het lint ten opzichte van de verkavelingrichting, volgt de bebouwingsrichting de richting van het lint. Uitzondering is de bebouwing langs de Stompwijkse weg aan de overzijde van de vaart (noordzijde) die toch vaker dwars staat op de richting van het landschapspatroon. Hier is door de afwezigheid van een weg (Stompwijksevaart) een uitbreiding in de breedte mogelijk gemaakt, zodat geprofiteerd kon worden van de hoogte van de dijk. Sommige boerenerven zijn op een lage terp gelegen. Het voorhuis ligt dan altijd op het hoogste punt. Bij grotere ensembles van bebouwingen zijn de stallen soms lager gelegen, waardoor in de bebouwing een karakteristieke hoogtesprong is waar te nemen.

Langs een aantal linten zijn ook boerenerven geheel onderaan het dijktalud gelegen: langs de zuid - oostzijde van de Stompwijkseweg en langs het Oosteinde. De relatie met de weg en de vaart wordt via lange oprijlanen gelegd, begeleid door hagen en soms met bomen. In enkele gevallen staat de woning in het dijktalud.

29

principe erfindeling aan de Noordwestzijde van de Stompwijkseweg

Boerenerven aan overzijde Stompwijkse vaart

30

Ruimtelijke kwaliteitparagraaf

Bedreigingen De kwaliteit van bebouwingen en erven kan ook afnemen als bijvoorbeeld de primaire en/of oorspronkelijke functie vervalt. Noodzakelijk onderhoud blijft dan vaak achterwege. Verder kan de algemene ruimtelijke kwaliteit onder druk komen te staan als gevolg van het toevoegen van nieuwe functies in het gebied: nieuwe woningen, paardenbakken en niet agrarische bedrijvigheid. Ook het parkeren van auto’s (en aanhangwagens, caravans) in voortuinen van woningen, draagt bij aan een beeld dat meer bij stadsuitbreidingswijken hoort, dan bij erven in een agrarisch gebied. Veel erven hebben hierdoor geleidelijk een beperkte ruimtelijke kwaliteit gekregen door het verdwijnen van het streekeigen karakter in de indeling, het materiaalgebruik, straatmeubilair en de beplanting.

Specifiek opbouw boerenerven Noordwestzijde van de Stompwijkseweg: • Brede, ondiepe boerenerven ingekaderd door omgelegde kwelsloot, meestal 2, maximaal 3 slagen breed; • Soms verklitting van boerenerven tot clusters, waarbij tussen de clusters grote brede stukken open ruimtes zijn; • Bebouwing ligt vaak in het dijktalud met een vergelijkbare diepte erachter; • Bebouwing is vaker in de breedte van de kavel, dwars op de richting van het landschapspatroon gelegen; • Ontsluiting is veelal centraal in het erf opgelost in de vorm van een in de dwarsrichting van de slagenstructuur gelegen ruimte; • Meeste boerenerven met brug over de Stompwijkse Vaart afzonderlijk ontsloten; • Bij extreem afwijkende richting van de vaart is de bebouwing in richting daaraan geconformeerd, in andere gevallen is de bebouwing gelegen in de langs- of dwarsrichting van het landschapspatroon; • Erf heeft een minder eenduidige overgang naar de weilanden. Het boerenerf loopt vaak over in weiland; • Er is meer dan bij de diepe kavels sprake van een groene omlijsting van het boerenerf.

Het gebruik van materialen en beplantingssoorten die niet in het gebied thuishoren, zoals coniferen, niet inheemse beplanting en hekken met opvallende kleuren en vormen zijn de grootste bedreiging. Andere bedreigingen zijn het gebruik van hekwerken als erfafscheiding in plaats van beplanting, het voorkomen van doorkijkjes naar het achterland, het uitbreiden van boerenerven in de dwarsrichting, het toepassen van dakkapellen en verticale geleding van de gevels in plaats van horizontale. Wensbeeld De kwaliteit van de boerenerven, het ensemble van bebouwingen en beplantingen, is in hoge mate bepalend voor de kwaliteit van de beleving van het landelijke gebied. Dit geldt niet alleen voor de representatieve voorzijde van de boerenerven, maar ook voor de zijkanten. Vanwege de goede zichtbaarheid van deze zijkanten (en vaak ook achterzijden) van de boerenerven is ook de kwaliteit van de overige delen van het erf en de erfranden van belang. De vaak aanwezige doorzichten over het boerenerf dienen hierbij gekoesterd en verrommeling voorkomen te worden. Het dijkprofiel dient gerespecteerd worden en er mag niet aangeterpt worden. Bij boerenerven op afstand van de dijk dient een oprijlaantje en een open dijktalud aanwezig te zijn.

opbouw van erven tussen, aan of onderaan de dijk

31

principe opbouw erf: Voorzijde - ontsluiting haaks op weg - hoofdgebouw/woonhuis presenteert zich aan weg - representatieve tuin voor het huis - heg als erfafscheiding aan voorzijde erf - evt. laantje bij afstand erf – weg - geen dakkapellen Achterzijde - bebouwing (bijgebouwen) compact georganiseerd rond (centrale) verkeersruimte - gerichtheid op de kavel - gebouwen geen gebouwenzijnde Randen en overgangen naar het landschap - perceelsvorm gerelateerd aan landschapspatroon - houtsingel, haag en/of knotwilgen als randbeplanting, en soms hekwerken aan achterzijde erf en als toegangshek. - boomgaard - watergangen langs kavelgrens

Zo niet: boerderettes

Zo wel: opbouw als boerenerf

Referentie modern boerenerf (onyx architecten)

32

Ruimtelijke kwaliteitparagraaf

Opbouw van gebouwen en bouwmassa´s • Clustering: (gelede) hoofdbouwmassa en één of meer bijgebouwen in ruimtelijk samenhangende opstelling rond een informele ontsluitingsplek. Hierbij geldt het concentratiebeginsel: tussen de woning en de bijbehorende bijgebouwen dienen een functionele en visuele (ruimtelijke) relatie te bestaan. • Er mag geen sprake zijn van een boerderettewijkje. Dus bij toepassing van ruimte voor ruimte of nieuwbouw dient er onderscheid te zijn in de volumes, zoals bij een boerenerf. De volumeopbouw respecteert het veelal aanwezige onderscheid van voorhuis, achterhuis, nevenbebouwing e.d. Grote en kleine volumes binnen het karakter van het Stompwijkse bouwen. Dus géén typologien die niet passen binnen het landelijk karakter, zoals jaren dertig woningen, herenhuizen enz. • De verschillende bebouwingstypologie van woning, schuren en stallen dient ook onderscheiden te worden bij nieuwe woonbebouwing in de vorm van een erfcluster. De kleinste bouwmassa (meestal boerenwoning) op kop, grotere bouwmassa´s erachter. Achter de woning overige schuren en bijgebouwen. De woning steekt net meestal boven de schuur uit; • Nieuwe bebouwing mag zich duidelijk onderscheiden van naastliggende panden mits dat gepaard gaat met een overtuigende individuele kwaliteit. Ingetogenheid is daarbij nodig, de omgeving moet niet overstemd worden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leidschendam&id=3d301463-93a9-40f9-a336-99806acc6690