CConstaterende datLeidschendam-Voorburg
Koppel je AI →
Document · PDF

2573-77 Bijlage 74 toelichting, Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart.pdf

Raadsvergadering 22 februari 2022, gemeente Leidschendam-VoorburgBij agendapunt: Raadsvoorstel: Vaststellen bestemmingsplan Stedelijk.31.816 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Schiltmans, D.E.A., 2005. Plangebied Frekeweg, gemeente Leidschendam-Voorburg: archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek. RAAP-notitie 1304. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Amsterdam. Schiltmans, D.E.A., 2005. Plangebied Johannahuis Schouwweg 72, gemeente Wassenaar: archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek. RAAP-notitie 1452. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Amsterdam.

71

RAAP-RAPPORT 2636 (herziene eindversie) Gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart

Schiltmans, D.E.A., 2005. Plangebied Park Sijtwende, gemeente Leidschendam-Voorburg: archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek. RAAP-notitie 1219. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Amsterdam. Schute, I.A., 2005. Adviesdocument archeologisch onderzoek locatie Vuurseweg 119, Voorschoten. RAAP-adviesdocument 63. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Amsterdam. Smit, B.I., 2006. Plangebied Zonnewijzer (locatie vijver), gemeente Leidschendam-Voorburg: archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (proefsleuf). RAAP-rapport 1295. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Amsterdam. Smit, B.I., 2006. Plangebied Zonnewijzer, gemeente Leidschendam-Voorburg: archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (proefsleuven). RAAP-rapport 1314. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Amsterdam. Smole, L. & P. Ploegaert, 2005. Inventariserend Veldonderzoek waarderende fase en opgraving op het HEMA-terrein te voorschoten. ADC Rapport 427, ADC ArcheoProjecten, Amersfoort. Soonius, C.M., 2001. Natuurontwikkelingsgebied ‘ Lentevreugd’ gemeente Wassenaar; een SAI (gehele plangebied) en AAI-1 (fase 1). RAAP-briefrapport 2001-3084/RT. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Weesp. Staak, S. van der & M. Wijsman, 2004. Verkennend archeologisch onderzoek Verolmeterterrein te Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar. ArcheoMedia Rapport A04-180-Z.

Archeomedia, Capelle aan den IJssel. Staak-Stijnman, S. van der & M.W.A. de Koning, 2005. Verkennend archeologisch onderzoek Kerkstraat 32-34 te Wassenaar. ArcheoMedia rapport A05-151-I, ArcheoMedia, Capelle aan den IJssel. Staak-Stijnman, S. van der & L.C. Nijdam, 2005. Verkennend archeologisch onderzoek van Ruysdaellaan 2 te Leidschendam: bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek met boringen. ArcheoMedia rapport A05-213-I. ArcheoMedia, Capelle aan den IJssel. Stevens, F., 2003. Plangebied Sophiekehuis, gemeente Wassenaar; een inventariserend archeologisch onderzoek. RAAP-notitie 346. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Amsterdam. Stevens, F., 2003. Plangebied Sportveld III Kerkehout, gemeente Wassenaar: een inventariserend archeologisch onderzoek. RAAP-notitie 336. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Amsterdam. Stevens, F., 2005. Plangebied Den Deijl-Oost, gemeente Wassenaar; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek. RAAP-notitie 1129. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Amsterdam. Stevens, F., 2005. Plangebied Kerkehout, gemeente Wassenaar: archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek. RAAP-notitie 1169. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Amsterdam. Stiekema, M., 2007. Wassenaar Raaphorstlaan 19b, een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek in de vorm van boringen. ADC rapport 821.

ADC ArcheoProjecten, Amersfoort. Suijlekom, J. van & B. Debunne, 2004. Voorschoten, Leidseweg-woonwagencentrum, Archeologisch vooronderzoek. BILAN rapport 2004/16. Bilan, Tilburg. Teekens, P.C., 2009. Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van boringen voor het plangebied Sluisplein 1 te Leidschendam (ZH). Archeologische Rapporten Oranjewoud 2009/34. Oranjewoud, Heerenveen.

72

RAAP-RAPPORT 2636 (herziene eindversie) Gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart

Thanos, C.S.I., 2001. Woningbouwlocatie Kerkstraat 74: Sectie H. Nr. 734, gemeente Wassenaar; een Aanvullende Archeologische Inventarisatie (AAI). RAAP-briefrapport 2001-3700/RT. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Amsterdam. Tol, A.J., 2000. Reconstructie N44, gemeente Wassenaar: archeologisch toezicht. RAAP-overige rapportages. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Amsterdam. Tol, A.J., 2001. Plangebied Touwbaan, gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar; een Aanvullende Archeologische Inventarisatie (AAI-1). RAAP-briefrapport 2001-2925/ RT. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Amsterdam. Veldman, H.A.P., 2006. Wassenaar, Kloosterland/Kerkstraat, een bureauonderzoek. ADC rapport 528. ADC ArcheoProjecten, Amersfoort. Verschoor, G.C.W. & T. Nales, jaartal onbekend. Archeologisch Bureauonderzoek & Inventariserend Veldonderzoek (IVO), door middel van boringen, Rijksstraatweg 52, Wassenaar, Gemeente Wassenaar, CIS-code: 34936. B&G Rapport (nr. onbekend). Becker en Van de Graafrapport, Noordwijk. Wal, F.J. van der, 2008. Plangebied Konijnenlaan 53 te Wassenaar, gemeente Wassenaar: een archeologische begeleiding. RAAP-rapport 1626. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Weesp. Warning, S., 2010. Plangebied Landgoed Eemwijk, gemeente Leidschendam-Voorburg; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek. RAAP-notitie 3552.

RAAP Archeologisch Adviesbureau, Weesp. Warning, S., 2010. Plangebied Leidseweg 202b, gemeente Voorschoten; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek. RAAP-notitie 3429. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Weesp. Warning, S., 2011. Plangebied Grieglaan 8 in Voorschoten, gemeente Voorschoten; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek (verkennende fase). RAAP-notitie 3802. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Weesp. Warning, S., 2011. Plangebied Landscheidingsstraat/Schoorlaan, Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en karterend booronderzoek. RAAP-notitie 3730. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Weesp. Warning, S., 2011. Plangebied Sluisplein 3 in Leidschendam, gemeente leidschendam-Voorburg; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek (verkennende fase). RAAP-notitie 4055. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Weesp. Warning, S. & R.A.C. Kroes, 2010. Ambachtstraat/Nieuwstraat, gemeente Leidschendam-Voorburg; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek. RAAP-notitie 3365. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Weesp. Warning, S. & S. Molenaar, 2006. Plangebied Bremhorstlaan, gemeente Wassenaar; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek. RAAP-notitie 1617.

RAAP Archeologisch Adviesbureau, Amsterdam. Wilbers, A., 2006. Inventariserend veldonderzoek, karterende fase Schoolstraat in Voorschoten, gemeente Voorschoten CIS-Code 15927. B&G Rapport (nr. onbekend). Becker en Van de Graaf, Noordwijk. Wilbers, A., 2006. Inventariserend veldonderzoek verkennende fase, Laan van Pluymenstein, Wassenaar. CIS-code: 16129. B&G Rapport (nr. onbekend). Becker en Van de Graaf, Katwijk.

73

RAAP-RAPPORT 2636 (herziene eindversie) Gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart

Wilbers, A., 2006. Inventariserend veldonderzoek verkennende fase, zes locaties, Wassenaar. CIScode: 16119-16123, 16128. B&G Rapport (nr. onbekend). Becker en Van de Graaf, Katwijk. Wilbers, A.W.E., T. Nales & H.W.D. van den Engel, 2009. Inventariserend Veldonderzoek (IVO), d.m.v. boringen, Project drainage Nieuw-Wassenaar, Wassenaar. CIS-code: 33338. B&G Rapport (nr. onbekend). Becker en Van de Graaf, Noordwijk. Wilbers, A. & Y. Perdaen, 2005. Inventariserend Veldonderzoek verkennende fase, Kerkehout, Wassenaar. B&G Rapport (nr. onbekend). Becker en Van de Graaf, Katwijk. Wilgen, L.R. van, 2001. Archeologische Begeleiding Riooltracé Bestemmingsplan Maaldrift II, Wassenaar. SOB-rapport 51. SOB Research, Heinenoord. Wilgen, L.R. van, 2002. Aanvullende Archeologische Inventarisatie Bestemmingsplan Akerboom, Wassenaar. SOB-rapport 87. SOB Research, Heinenoord. Zee, R.M. van der & D.R. Stiller, 2005. ‘ Molenlaan 16’, gemeente Voorschoten. Een inventariserend veldonderzoek. STAR 83. Jacobs en Burnier, Amsterdam. Zwet, E.J.M. van der, 2004. Plangebied Trijehûs - Baggerdepot, gemeente Boarnsterhim: een inventariserend archeologisch onderzoek. RAAP-notitie 624. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Amsterdam.

Van de volgende rapportages bleek geen bibliografische informatie vindbaar te zijn Archeologische Rapporten Oranjewoud 2010/55 Archeologische Rapporten Oranjewoud 2011/75 ArcheoMedia rapport A10-010-R IDDS-archeologie rapport 1350 Synthegra Archeologie Rapport 110029

74

RAAP-RAPPORT 2636 (herziene eindversie) Gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart

Gebruikte afkortingen AHN

Actueel Hoogtebestand Nederland

AMK

Archeologische MonumentenKaart

ARCHIS

ARCHeologisch Informatie Systeem

CHS

Cultuurhistorische HoofdStructuur

CMA

Centraal Monumenten Archief

DINO

Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond

GHG

Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand

GLG

Gemiddeld Laagste Grondwaterstand

IKAW

Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden

IVO(-P)

Inventariserend VeldOnderzoek (Proefsleuven)

KICH

KennisInfrastructuur CultuurHistorie

KLIC

Kabels en Leidingen Informatie Centrum

KNA

Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie

-Mv

beneden maaiveld

NAP

Normaal Amsterdams Peil

NITG

Nederlands Instituut voor Toegepaste Geowetenschappen

OAT

Oorspronkelijke Aanwijzende Tafel

PvE

Programma van Eisen

SIKB

Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer

TNO

Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek

Verklarende woordenlijst afzetting Neerslag of bezinking van materiaal. archeologie Wetenschap die zich ten doel stelt om door middel van studie van de materiële nalatenschap inzicht te verwerven in alle facetten van menselijke samenlevingen in het verleden. archeologisch bodemarchief Het geheel van overblijfselen dat informatie kan verschaffen over menselijk handelen in het verleden (de materiële nalatenschap), bewaard in en in bepaalde gevallen (bijvoorbeeld een grafheuvel) op de bodem. archeologische monumenten Aard, omvang en kwaliteit van deze vindplaatsen rechtvaardigen blijvend behoud uit wetenschappelijke en/of cultuurhistorische overwegingen. Al naar gelang de betekenis die aan deze aspecten wordt toegekend, verdienen deze vindplaatsen te worden geplaatst op het beschermings-programma van Rijk, provincie of gemeente. Uit dien hoofde dient daarom te worden

75

RAAP-RAPPORT 2636 (herziene eindversie) Gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart

gestreefd naar een ongestoord behoud van de daarin aanwezige archeologische sporen. Werkzaamheden gericht op het behoud zijn uiteraard toegestaan. archeologische verwachtingskaart Een kaart waarop in vlakken staat aangegeven waar archeologische vindplaatsen kunnen worden verwacht. De kaart is het resultaat van een systematische analyse van relevante gegevens. De analyse is in voorkomende gevallen statistisch onderbouwd en wordt uitgevoerd met een GIS. bodemarchief Het geheel van overblijfselen dat informatie kan verschaffen over menselijk handelen in het verleden (de materiële nalatenschap), bewaard in en in bepaalde gevallen op de bodem (bijv. grafheuvel). BP Before Present, gebruikt voor ouderdomsbepalingen op grond van het meten van de hoeveelheid radio-actieve koolstof in organisch materiaal (de C14- of 14C-methode) worden gewoonlijk opgegeven in jaren voor heden (=1950); jaarringen-onderzoek heeft vastgesteld dat deze dateringen af kunnen wijken van de werkelijke ouderdom. cultuurlaag Een pakket met afvalresten dat is ontstaan door (meestal) langdurige bewoning van een bepaalde lokatie. differentiële klink Het in ongelijke mate inklinken van zand, klei en veen. geomorfologie Verklarende beschrijving van de vormen van de aardoppervlakte in verband met de wijze van hun ontstaan. Hollandveen In het Subboreaal gevormd veen in laag-Nederland (ca. 5000-3000 jaar voor Chr.).

Holoceen Jongste geologisch tijdvak (vanaf de laatste IJstijd: ca. 9700 jaar voor Chr. tot heden). kom Laag gebied waar na overstroming van een rivier vaak water blijft staan en klei kan bezinken. lithologisch Het sedimentaire gesteente (ook klei, zand, e.d.) betreffend (bijv. korrelgrootte). meanderende rivier Een kronkelende rivier met min of meer lusvormige bochten. oeverwal Langgerekte rug langs een rivier of kreek, ontstaan doordat bij het buiten de oevers treden van de stroom het grovere materiaal het eerst bezinkt. paleogeografie Wetenschap die de verdeling van continenten, oceanen, gebergtesystemen, geosynclines, enz. in elke geologische periode van de geschiedenis der aarde behandelt. Prehistorie Dat deel van de geschiedenis waarvan geen geschreven bronnen bewaard zijn gebleven.

76

RAAP-RAPPORT 2636 (herziene eindversie) Gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart

stroomrug Niet meer functionerende, dichtgeslibde rivierloop met bijbehorende oeverwallen welke als geheel door differentiële klink als een rug zichtbaar is. toponiem Plaatsnaam.

Overzicht van figuren, tabellen en (kaart) bijlagen Figuur 1. Ligging van het plangebied (gearceerd) met AMK-terreinen (blauw) op de IKAW; inzet: ligging in Nederland (ster). Figuur 2. Schematische doorsnede door het landschap van de gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar ter verduidelijking van de in kaartbijlage 2 gebruikte legenda-eenheden. Figuur 3. Paleogeografische reconstructie (Pruissers & de Gans, 1988) van het grondgebied van de gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar (rood). Tabel 1.

Geologische en archeologische tijdschaal.

Tabel 2.

Archeologische verwachting van waterbodems.

Bijlage 1. Catalogus van archeologische vindplaatsen (CD-rom). Bijlage 2. Catalogus van archeologische monumenten (CD-rom). Bijlage 3. Catalogus van archeologische onderzoeksgebieden (CD-rom). Bijlage 4. Achtergrond archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart. Bijlage 5. De AMZ-cyclus op land. Bijlage 6. De AMZ-cyclus onder water. Kaartbijlage 1. Bekende vindplaatsen op het archeo-landschap. Kaartbijlage 2. Archeo-landschappelijke kaart. Kaartbijlage 3. Historisch-geografische kaart. Kaartbijlage 4. Archeologische verwachtingskaart. Kaartbijlage 5. Vervallen. Kaartbijlage 6. Uitgevoerde onderzoeken kaart.

77

RAAP-RAPPORT 2636 (herziene eindversie) Gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart

78

RAAP-RAPPORT 2636 (herziene eindversie) Gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart

Bijlage 1: Catalogus van archeologische vindplaatsen Hiervoor wordt verwezen naar de op CD-rom bijgeleverde bijlage 1 met als bestandsnaam: RA2636_PAVW_bijlage_1.xls

Toelichting bij de vindplaatsencatalogus Vindplaatsnummer: de vindplaatsen hebben een RAAP-nummering gekregen. Een vindplaatsnummer is toegekend aan locaties waar vondsten en/of sporen zijn waargenomen uit een aaneengesloten periode, die tot één complextype behoren. Waarnemer en jaar van waarneming: hier wordt de naam van de persoon of instantie vermeld die de vondst of de waarneming heeft gedaan en het jaar waarin deze waarneming is gedaan. Type waarneming: dit betreft de wijze van vondstverwerving. Deze gegevens zijn uit ARCHIS overgenomen en zijn aangeduid door middel van een lettercode. Onderstaande legenda kan hiervoor worden gehanteerd. AKA=

Archeologisch: veldkartering

ABE =

Archeologisch: begeleiding

ABO=

Archeologisch: booronderzoek

AIN=

Archeologisch: inspectie

AXX=

Archeologisch: onbepaald

AOP=

Archeologisch: opgraving

APP=

Archeologisch: proefputten / proefsleuven

IAR =

Indirect: archief

NBO=

Niet-archeologisch: boring

NGR=

Niet-archeologisch: graafwerk

NDE=

Niet-archeologisch: metaaldetector

NXX=

Niet-archeologisch: onbepaald

XXX=

Onbekend

Gemeente, plaats en toponiem: dit betreft de topografische benaming van de vindplaats. ARCHIS II: hier wordt het waarnemingsnummer waarmee de vindplaats in ARCHIS geregistreerd staat vermeld. Het betreft meerdere nummers wanneer de vindplaats uit een complex van meerdere waarnemingen bestaat. AMK: hier wordt het nummer van het monumentterrein zoals geregistreerd in ARCHIS vermeld, indien de vindplaats binnen de begrenzing van het terrein valt en het dezelfde datering en complextype betreft.

79

RAAP-RAPPORT 2636 (herziene eindversie) Gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart

x-coordinaat en y-coordinaat: indien de vindplaats gebaseerd is op één archeologische waarneming zijn de betreffende centrumcoördinaten uit ARCHIS II overgenomen. Wanneer verschillende waarnemingen zijn samengevoegd tot één vindplaats, dan is de centrumcoördinaat berekend op basis van de oorspronkelijke coördinaten van de verschillende waarnemingen. Complextype: dit is het type vindplaats. Op de kaart worden de verschillende complextypen aangeduid met symbolen. Waardering complextype: aan het type vindplaats is een waardering gegeven. Dit is vooral van belang bij het type ‘losse vondst’. Om de waarde van de losse vondsten ouder dan de Late Middeleeuwen in te kunnen schatten, is hieraan een waardering meegegeven. Deze waardering is gebaseerd op het aantal vondsten dat op een locatie is gedaan. Nul tot vijf vondsten heeft een waardering één gekregen, vijf tot tien vondsten een twee en meer dan tien vondsten wordt gewaardeerd met een drie. Indien op de locatie ook sporen, structuren of archeologische lagen zijn aangetroffen, wordt de vindplaats gewaardeerd met een vier. Begin- en einddatering: dit betreft de datering van de vindplaats volgens de ARCHIS-codering. Geologische ondergrond: in de vindplaatsencatalogus is per vindplaats de geologische ondergrond genoemd. Dit betreft de geologische eenheid waarbinnen de centrumcoördinaat van de vindplaats zich bevindt.

Omschrijving: betreft een korte toelichting bij de vindplaats.

80

RAAP-RAPPORT 2636 (herziene eindversie) Gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart

Bijlage 2: Catalogus van archeologische monumenten Hiervoor wordt verwezen naar de op CD-rom bijgeleverde bijlage 2 met als bestandsnaam: RA2636_PAVW_bijlage_2.xls

81

RAAP-RAPPORT 2636 (herziene eindversie) Gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart

82

RAAP-RAPPORT 2636 (herziene eindversie) Gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart

Bijlage 3: Catalogus van archeologische onderzoeksgebieden Hiervoor wordt verwezen naar de op CD-rom bijgeleverde bijlage 3 met als bestandsnaam: RA2636_PAVW_bijlage_3.xls

83

RAAP-RAPPORT 2636 (herziene eindversie) Gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart

84

RAAP-RAPPORT 2636 (herziene eindversie) Gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart

Bijlage 4: Achtergrond archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart 4.1 Kernbegrippen Archeologie en archeologische waarden Archeologie als wetenschap is gericht op de reconstructie van samenlevingen in het verleden door middel van opsporing, onderzoek en conservering van de materiële overblijfselen van menselijke activiteiten. Doel is enerzijds het verkrijgen van kennis over de menselijke samenleving door de tijden heen en anderzijds het verkrijgen van beter inzicht in de processen waardoor samenlevingen veranderen. Archeologische waarden zijn resten uit het verleden die zich in de vorm van grondsporen en/of materiële resten in de bodem bevinden. Ze zijn over het algemeen niet zichtbaar aan de oppervlakte. Het kan hierbij bijvoorbeeld gaan om resten van nederzettingen, begraafplaatsen, infrastructurele werken, etc. Slechts een kleine groep archeologische waarden is wel aan de oppervlakte zichtbaar, bijvoorbeeld terpen, grafheuvels, hunebedden, versterkingen, kasteelbergen. Archeologische waarden zijn onderdeel van de bodem, ze zijn hiermee onlosmakelijk verbonden. Dit maakt ze bijzonder kwetsbaar voor bodemingrepen. Veranderingen in de structuur van de bodem leiden onherroepelijk tot informatieverlies of zelfs tot totale vernietiging. In tegenstelling tot bijvoorbeeld natuurwaarden hebben archeologische waarden geen regeneratievermogen: wat weg is, is voorgoed verloren.

Archeologische waarden hebben als cultureel erfgoed, naast een wetenschappelijke waarde, een waarde voor de samenleving als geheel. Samen met andere cultuurhistorische (historisch-geografische en bouwkundige) waarden en het landschap waarvan ze deel uitmaken, hebben archeologische waarden als dragers van een gemeenschappelijke geschiedenis en identiteit van groepen mensen een grote cultuurhistorische betekenis (Groenwewoudt, 1994).

Archeologische monumenten Archeologische vindplaatsen die een bepaalde status hebben gekregen, staan aangegeven op de Archeologische Monumentenkaart (AMK-terreinen). Basis hiervoor is de Monumentenwet 1988 en toetsing aan door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed gehanteerde criteria (kwaliteit, zeldzaamheid, contextwaarde). Dergelijke terreinen komen (met aanpassingen) ook voor op de Cultuurhistorische Hoofdstructuur van de provincie Zuid-Holland. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed hanteert verschillende categorieën. In de gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar komen drie categorieën van AMK-terreinen voor: ‘terreinen van zeer hoge archeologische waarden, beschermd’, terreinen van zeer hoge archeologische waarde’ en ‘terreinen van hoge archeologische waarde’.

85

RAAP-RAPPORT 2636 (herziene eindversie) Gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart

Terreinen van zeer hoge archeologische waarde, beschermd (1) Dit zijn terreinen van oudheidkundige betekenis die op grond van door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfoed gehanteerde criteria (kwaliteit, zeldzaamheid, contextwaarde) zijn aangewezen als behoudenswaardig. Het desbetreffende terrein in de gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar is reeds beschermd ex artikel 6 (of 4) van de Monumentenwet 1988 (Monumentenwet 1988). Voor dit terrein geldt dat alle voorgenomen ingrepen/werkzaamheden in de bodem vergunningplichtig zijn. Terreinen van zeer hoge archeologische waarde (5) Dit zijn terreinen van oudheidkundige betekenis die op grond van de door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed gehanteerde criteria zijn aangewezen als behoudenswaardig. Deze terreinen scoren zeer hoog op de criteria (kwaliteit, zeldzaamheid, contextwaarde). Ze zijn echter niet wettelijk beschermd. Terreinen van hoge archeologische waarde (23) Dit zijn terreinen van oudheidkundige betekenis die op grond van de door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed gehanteerde criteria zijn aangewezen als behoudenswaardig. Deze terreinen scoren lager op de criteria (kwaliteit, zeldzaamheid, contextwaarde) dan terreinen van zeer hoge archeologische waarde. In een aantal gevallen kon de exacte kwaliteit en omvang van het terrein nog niet worden bepaald.

Wel is duidelijk dat er sprake is van een terrein van hoge archeologische waarde. Op grond van vervolgonderzoek kan een dergelijk terrein alsnog bij de hogere categorie ingedeeld worden.

Vindplaatsen versus verwachtingen Een archeologische vindplaats is een locatie waar daadwerkelijk archeologische resten zijn aangetroffen. Archeologische vindplaatsen zijn dus bekend. Daarmee trekken ze de aandacht weg van wat niet bekend is. Dit is een groot probleem, omdat -zoals de ervaring leert- het bekende aantal vindplaatsen maar het topje van de ijsberg vormt van het daadwerkelijke aantal. Vooral in gebieden waar de laatste tienduizend jaar een doorlopende sedimentatie heeft plaatsgevonden, is veel afgedekt en dus onzichtbaar beneden het maaiveld. De gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar maken onderdeel uit van een dergelijk sedimentatiegebied. Juist datgene wat niet bekend is, wordt met een verwachtingskaart inzichtelijk gemaakt en in een archeologische verwachting uitgedrukt. De verwachting betreft hier de verwachte vindplaatsdichtheid, weergegeven op een kaart. De betrouwbaarheid van de geformuleerde archeologische verwachtingen is hierbij uiteraard afhankelijk van de mate van gedetailleerdheid van de beschikbare basisinformatie. De archeologische verwachtingskaart is samengesteld op basis van bekende geologische en archeologische gegevens van het onderzoeksgebied en soortgelijke gebieden.

Het resultaat vormt een solide basis voor een gemeentelijk archeologiebeleid, waarin aan de verschillende verwachtingszones richtlijnen voor archeologisch onderzoek gekoppeld worden. Doorgaans wordt voor zones met een hoge en middelhoge verwachting archeologisch vooronderzoek verplicht gesteld en voor zones met een (zeer) lage archeologische verwachting niet. In sommige

86

RAAP-RAPPORT 2636 (herziene eindversie) Gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart

gevallen kan echter ook voor deze laatste twee zones archeologisch vooronderzoek wenselijk zijn. Bijvoorbeeld als archeologische vondsten in de directe omgeving bekend zijn.

Principes en nauwkeurigheid Op de archeologische beleidskaart is de verwachte dichtheid aan archeologische resten vlakdekkend weergegeven. De kaart vormt daarmee de grafische weergave van een voorspellingsmodel dat gebaseerd is op het principe dat archeologische resten niet willekeurig over een gebied zijn verspreid, maar gerelateerd zijn aan bepaalde landschappelijke kenmerken of eigenschappen. Het vaststellen van de archeologische verwachting voor een gebied kan gebaseerd zijn op kwantitatieve vindplaatsgegevens (een zogenaamde inductieve benadering), maar er zijn ook verwachtingsmodellen die sterk leunen op een hypothetische benadering (een zogenaamde deductieve benadering). In het geval van een inductieve benadering worden de relaties tussen archeologische vindplaatsen en landschappelijke kenmerken berekend door middel van een statistische (GIS-)analyse. Voorwaarde voor een verantwoorde statistische onderbouwing van een verwachtingsmodel is een voldoende grote archeologische dataset. Mede door de veronderstelde sterke oververtegenwoordiging van vindplaatsen in bepaalde landschappelijke eenheden als gevolg van waarnemingseffecten, geologische opbouw en zogenaamde ‘site-formation’-processen, is een statistische benadering niet zonder meer verantwoord.

Een deductieve benadering is gebaseerd op kennis over de locatiekeuzen in het verleden op grond waarvan aan landschappelijke eenheden verwachtingswaarden worden toegekend. Het probleem van deze benadering is dat er sprake is van een subjectieve beoordeling die statistisch vaak niet goed onderbouwd kan worden. Veel archeologische verwachtingsmodellen hebben zowel een inductieve als een deductieve onderbouwing. Gesproken wordt dan van een hybride model. Een dergelijk model is ook voor onderhavig onderzoek gebruikt. Een voordeel van een deductieve benadering van het verwachtingsmodel is dat het vindplaatsenbestand (met geregistreerde vindplaatsen) als een onafhankelijk controlemiddel gebruikt kan worden om de voorspellende waarde van het verwachtingsmodel te toetsen. Indien een inductieve benadering is gehanteerd, is dit niet meer mogelijk omdat dan sprake is van een cirkelredenering. In dat geval is het verwachtingsmodel immers gebaseerd op een analyse van de verspreiding van geregistreerde archeologische vindplaatsen en kunnen deze gegevens niet meer gebruikt worden voor een toetsing van het model. Onder archeologische verwachting wordt de kans op het voorkomen van archeologische resten verstaan. Archeologische verwachting zegt dus iets over de dichtheid waarin archeologische terreinen binnen een landschappelijke eenheid voorkomen of worden verwacht.

Hoe hoger de archeologische verwachting, hoe groter de verwachte dichtheid aan archeologische resten. Hoe groter de dichtheid aan archeologische resten, hoe groter de (verwachte) archeologische waarde van een bepaalde landschappelijke eenheid. Met de termen hoge, middelmatige en lage verwachte dichtheid aan archeologische resten wordt dit tot uitdrukking gebracht.

87

RAAP-RAPPORT 2636 (herziene eindversie) Gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart

De verwachte dichtheid aan archeologische resten binnen de landschappelijke eenheden moet niet verward worden met de waarde van individuele archeologische vindplaatsen die binnen deze eenheden voorkomen. Een archeologische vindplaats in een gebied met een hoge verwachte dichtheid aan archeologische resten is niet per definitie waardevoller dan een vindplaats in een gebied met een lage verwachte dichtheid aan archeologische resten. De waarde van individuele vindplaatsen is namelijk afhankelijk van de criteria gaafheid, zeldzaamheid en de externe (landschappelijke) context en niet van de ligging binnen een bepaalde verwachtingszone (Groenewoudt, 1994).

4.2 Beperkingen van archeologische verwachtingskaarten Detail en kaartschaal De zeggingskracht en toepasbaarheid van een archeologische verwachtingskaart wordt sterk bepaald door de kwaliteit van de gegevens die aan de verwachtingskaart ten grondslag liggen. Deels bestaan deze uit geologisch en bodemkundig kaartmateriaal - al dan niet verfijnd op basis van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN; zie ook Berendsen & Volleberg, 2007). Indien het kaartmateriaal onvolledig, onnauwkeurig of zeer kleinschalig is, dan zal dit zijn weerslag hebben op het detailniveau van de archeologische verwachtingskaart. De verwachtingsmodellen op hun beurt zijn gebaseerd op verschillende soorten (beschikbare) archeologische data, algemeen geaccepteerde wetenschappelijke inzichten, theorieën en op ‘expert-judgement’. Vanzelfsprekend bevatten deze bronnen verschillende soorten van onvolledigheid, onzekerheid en subjectiviteit. Een archeologische verwachtingskaart moet derhalve niet worden gezien als een onveranderlijk, statisch product, maar veel meer als een instrument dat richting geeft en dat op basis van nieuwe inzichten (bijvoorbeeld naar aanleiding van nieuwe archeologische vondsten) aangepast of herzien kan en eigenlijk moet worden.

De zeggingskracht en toepasbaarheid van een archeologische verwachtingskaart is sterk afhankelijk van de kwaliteit van de gegevens die hieraan ten grondslag liggen. Voor de archeologische verwachtingskaart wordt geo(morfo)logisch en bodemkundig kaartmateriaal gebruikt. Indien dit kaartmateriaal onvolledig, onnauwkeurig of zeer kleinschalig is, dan zal dit zijn weerslag hebben op het detailniveau van de archeologische verwachtingskaart. Voor een goed onderbouwde verwachtingskaart op gemeentelijk niveau wordt bij voorkeur gewerkt met kaartmateriaal met een schaal van 1:10.000. In de praktijk blijkt echter dat dergelijk materiaal niet voor alle gebieden (vlakdekkend) voorhanden is. Dat geldt in het bijzonder voor (dieper gelegen) holocene landschappen. In dergelijke gevallen zal gebruikgemaakt moeten worden van kleinschaliger (minder gedetailleerd) kaartmateriaal, veelal met een schaal van 1:50.000 of kleiner. Bodemkaarten zijn meestal gebaseerd op een relatief klein aantal (vaak ondiepe) boringen en waarnemingen. Hieruit volgt dat de grenzen tussen bepaalde (bodem)eenheden niet ‘scherp’ zijn en de bodemkaart geen informatie geeft over het dieper gelegen landschap.

Boringen die zijn verkregen uit niet-archeologisch onderzoek liggen meestal onregelmatig verspreid over het te onderzoeken gebied en missen de gedetailleerde boorbeschrijvingen die nodig zijn voor gebruik binnen archeologisch onderzoek. Slechts de globale lithostratigrafie is uit dergelijke boringen af te leiden.

88

RAAP-RAPPORT 2636 (herziene eindversie) Gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart

Locatiekeuzefactoren Tot op heden maken archeologische verwachtingsmodellen in Nederland voornamelijk gebruik van locatiekeuzefactoren die gebaseerd zijn op economische motieven. Het economisch handelen van de mens is in de eerste plaats gericht op het verwerven van elementaire zaken als voeding, kledij en behuizing en op het vervaardigen van werktuigen en goederen die kunnen bijdragen tot deze verwerving (zoals wapens voor jachtactiviteiten). De weerslag hiervan is te vinden in nederzettingen, jachtkampen of akkerarealen. In werkelijkheid is (was) ‘locatiekeuze’ natuurlijk veel complexer: culturele, politieke, religieuze en/ of sociale motieven hebben eveneens een rol gespeeld (Arnoldussen, 2008). Hierover is echter weinig bekend; dergelijke aspecten kunnen vooralsnog niet of nauwelijks gebruikt worden in verwachtingsmodellen. Economische motieven hebben in hoofdzaak betrekking op de fysieke mogelijkheden en beperkingen van het landschap waarin men leefde (fysisch-geografische variabelen). Deze kunnen herleid worden door bestudering van de landschappelijke ontwikkeling en de gebruiksmogelijkheden gedurende verschillende perioden.

Terwijl aan bepaalde landschappelijke parameters in alle archeologische perioden een vergelijkbare verwachting kan worden gekoppeld (hoog en droog: hoge archeologische verwachting, laag en nat: lage archeologische verwachting), zijn er in de loop van de tijd tevens duidelijke verschillen in locatiekeuze te onderscheiden. Meest markant zijn deze verschillen tussen de gemeenschappen van jagers-verzamelaars of prehistorische landbouwers enerzijds en, in economische zin, meer complexe middeleeuwse samenlevingen anderzijds. Ook voor de landbouwers geldt echter dat de eisen die deze groep aan zijn omgeving stelt door de tijd heen veranderen. De eerste landbouwers zullen met de beperkte middelen die ze tot hun beschikking hadden niet veel invloed hebben gehad op de bodemvruchtbaarheid. In de loop van de tijd echter was men door het gebruik van bijvoorbeeld een goede ploeg of voldoende (kunst)mest beter in staat de bodemvruchtbaarheid te beïnvloeden. Hierdoor konden steeds marginalere gebieden gebruikt worden als landbouwgrond. De bewoning van een gebied werd dus ook sterk bepaald door de mogelijkheden die men had om het gebied naar zijn hand te zetten. Al vanaf het Neolithicum heeft de mens invloed uitgeoefend op het natuurlijke landschap (De Boer e.a., 2009).

De mate waarin de mensen vanaf de Late Middeleeuwen het natuurlijke landschap echter naar hun hand zetten om bijvoorbeeld gunstige bewoningsmogelijkheden te creëren, is enorm toegenomen: het aanleggen van dijken, ontginnen of afgraven van veengebieden, aanleggen van polders en het afdammen van waterlopen. Het vertalen van louter bodemkundige en geologische gegevens naar archeologische verwachtingen is voor de (Late) Middeleeuwen dan ook slechts in beperkte mate mogelijk.

89

RAAP-RAPPORT 2636 (herziene eindversie) Gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart

90

RAAP-RAPPORT 2636 (herziene eindversie) Gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart

Bijlage 5: De AMZ-cyclus op land Inleiding De AMZ-cyclus omvat de volgende fasen: • Bureauonderzoek en opstellen van PvE’s; • Inventariserend veldonderzoek (verkennende/karterende/waarderende fase); • Archeologische opgraving; • Archeologische begeleiding; • Selectiebesluit: bescherming/vrijgeven.

Bureauonderzoek en opstellen van PvE’s Tijdens het bureauonderzoek wordt informatie verworven, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende of verwachte archeologische waarden binnen een onderzoeksgebied, omvattend de aan- of afwezigheid, aard en omvang, datering, gaafheid en conservering en relatieve kwaliteit daarvan. Het raadplegen van de archeologische verwachtingskaart inclusief achterliggende informatie, voorziet in hoge mate in de noodzakelijke informatie ten behoeve van een bureauonderzoek. Daarnaast dienen in ieder geval nog de beschikbare historische kaarten geraadpleegd te worden (bijv. Kadasterkaart 1832). Indien relevant dient in deze fase tevens lokaal aanwezige expertise (o.a. gemeentelijk archiefmedewerker, amateur-archeologen en beroepsarcheologen) te worden geraadpleegd. Het bureauonderzoek resulteert in een advies voor het vervolg. Er zijn twee mogelijkheden: het kan zijn dat er niets hoeft te gebeuren, of het kan zijn dat ten behoeve van de besluitname inzake de vergunningverlening een inventariserend veldonderzoek nodig is. Voor booronderzoeken is een PvE niet verplicht. Wel dient voor elk booronderzoek een Plan van Aanpak (PvA) opgesteld te worden dat deel uitmaakt van het onderzoeksvoorstel. Dit PvA dient goedgekeurd zijn door de opdrachtgever en eventueel door het bevoegd gezag.

Om de kwaliteitseisen conform de KNA te waarborgen en een deskundig advies te garanderen, wordt geadviseerd om ook de grotere boorprojecten in het kader van een inventariserend archeologisch veldonderzoek aan de hand van een PvE te laten uitvoeren. Als het gaat om gravend onderzoek zal een PvE moeten worden opgesteld door een daartoe bevoegd archeoloog. Het bevoegd gezag toetst dit PvE en stelt het vast. Bij gemeenten waar geen (senior-)archeoloog in dienst is, worden de PvE´s beoordeeld door een ingehuurde seniorarcheoloog of door een archeoloog werkzaam bij andere overheden (RCE, provincie of andere gemeenten).

Inventariserend veldonderzoek (IVO) Tijdens het inventariserend veldonderzoek wordt (extra) informatie verworven over bekende of verwachte archeologische waarden binnen een onderzoeksgebied, als aanvulling op en toetsing van de archeologische verwachting, gebaseerd op het bureauonderzoek en middels waarnemingen in het veld. Het veldonderzoek bestaat uit een aantal fasen waarin steeds verder wordt ingezoomd op de aanwezige archeologische waarden.

91

RAAP-RAPPORT 2636 (herziene eindversie) Gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart

92

RAAP-RAPPORT 2636 (herziene eindversie) Gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart

Verkennende fase De verkennende fase is gericht op het in detail in beeld krijgen van de archeologische verwachting voor een plangebied. Hoewel de gedetailleerde archeologische verwachtingskaart hieraan in principe voldoet, zijn er situaties denkbaar dat aanvullende gegevens nodig zijn over de specifieke geologische opbouw van een gebied en de hieraan te relateren archeologische verwachting. Een voorbeeld zijn gebieden met niet bekende, maar mogelijk omvangrijke bodemverstoringen, waardoor de toegekende verwachting naar beneden dient te worden bijgesteld. Het verkennend veldonderzoek heeft een extensief karakter, waarbij bijvoorbeeld door middel van ‘losse’ boorraaien een gebied wordt onderzocht (afstand tussen raaien bijvoorbeeld 100 tot 200 m). De verkennende fase moet worden gezien als een voorbereiding op een gerichte karterende fase (en is dan ook niet verplicht). In sommige gevallen kunnen de resultaten van de verkennende fase leiden tot het geheel vrijgeven van een gebied. De verkennende fase kan met name interessant zijn voor grotere plangebieden; hoe kleiner het gebied, hoe lager het rendement van een verkennende fase omdat naar verhouding meer boringen nodig zijn. Karterende fase Het doel van de karterende fase is het in kaart brengen van (nog onbekende) archeologische vindplaatsen.

In de meeste gevallen bestaat een kartering uit booronderzoek, aangevuld met een oppervlaktekartering. De boordichtheid en -strategie worden bepaald door de specifieke onderzoeksvraag en de archeologische verwachting. In de KNA 3.1 zijn voor het eerst richtlijnen opgenomen over de te hanteren boordichtheden onder verschillende omstandigheden. Deze zijn gebaseerd op een omvangrijke studie naar de betrouwbaarheid en toepasbaarheid van booronderzoek in de prospectiearcheologie (RAAP-rapport 1000 [Tol e.a., 2004] en de leidraad booronderzoek van de SIKB [Tol e.a., 2006]. In sommige gevallen kan blijken dat een booronderzoek niet de beste methode is voor een karterende fase, maar dat juist gravend onderzoek (proefsleuven of proefputten) noodzakelijk zijn (bijv. voor het karteren van een mogelijk grafveld). Waarderende fase De waarderende fase van het inventariserend veldonderzoek dient om meer duidelijkheid te verkrijgen over de aard en begrenzing van een vastgestelde archeologische vindplaats ten behoeve van de waardebepaling. Zo kan het gewenst zijn om een archeologische vindplaats zo optimaal mogelijk te behouden, bijvoorbeeld door middel van inpassing.

Een waarderend inventariserend veldonderzoek (vaak door middel van proefsleuven/proefputten) is tevens gewenst voorafgaand aan een archeologische opgraving, teneinde gedetailleerde gegevens te verkrijgen met het doel de opgraving zo doelgericht mogelijk te kunnen uitvoeren. De vindplaatsen worden onderzocht op hun fysieke kwaliteit (gaafheid en conservering), aard, datering, omvang en diepteligging. Een waarderend onderzoek bestaat in veel gevallen uit een proefsleuvenonderzoek, maar kan ook andersoortig onderzoek inhouden (geofysisch onderzoek of waarderend booronderzoek). Proces van waardestelling De vindplaatsen worden in eerste instantie op hun fysieke kwaliteit (gaafheid en conservering) beoordeeld. De beoordeling van de fysieke kwaliteit is gerelateerd aan de archeoregio waarin de

93

RAAP-RAPPORT 2636 (herziene eindversie) Gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart

vindplaats zich bevindt; op deze wijze wordt de conserveringstoestand in relatie tot andere relevante sites bekeken. Indien te verwachten is dat op één van de inhoudelijke criteria ‘hoog’ wordt gescoord, wordt de vindplaats in principe behoudenswaardig geacht. Dit ‘vangnet’ heeft tot doel ervoor te zorgen dat aan terreinen die van beperkte fysieke kwaliteit zijn maar desondanks inhoudelijk van groot belang, geen negatief selectiebesluit wordt toegekend. Vindplaatsen die op grond van hun fysieke kwaliteit als in principe behoudenswaardig zijn aangemerkt, worden vervolgens gewaardeerd op hun inhoudelijke kwaliteit. Eerst vindt een afweging plaats op de eerste drie inhoudelijke kwaliteitscriteria: zeldzaamheid, informatiewaarde en ensemblewaarde. Na deze weging wordt bij vindplaatsen met een lagere inhoudelijke waardering nagegaan of het criterium representativiteit van toepassing is. Hierbij dient ook de onderzoeksagenda van de gemeente te worden betrokken. Uiteindelijk volgt op basis van deze waardestelling een selectieadvies en selectiebesluit. Dit advies en besluit kunnen verschillende vormen aannemen:

Archeologische opgraving Een archeologische opgraving heeft als doel vondst- en spoorgegevens van een archeologische vindplaats te verzamelen en te documenteren en is gericht op vooraf geformuleerde onderzoeksdoelstellingen (vastgelegd in een PvE). Tijdens een archeologische opgraving worden sleuven en putten aangelegd en wordt de archeologische vindplaats vernietigd (archivering ex situ). Alleen de te verstoren oppervlakken worden onderzocht. Na opgraving kunnen de geplande werkzaamheden zonder beperkingen worden uitgevoerd. Wel worden beschermende maatregelen (o.a. regelgeving) getroffen voor niet opgegraven delen van een vindplaats.

Archeologische begeleiding Tijdens een archeologische begeleiding worden vondst- en spoorgegevens van een (mogelijk aanwezige) vindplaats geregistreerd, zonder dat daarbij sprake is van het aanleggen van sleuven of putten. Archeologische begeleiding wordt uitgevoerd tijdens bodemverstorende activiteiten die om niet-archeologische redenen plaatsvinden en waar gegronde redenen zijn om aan te nemen dat archeologische waarden aanwezig zouden kunnen zijn. Bij vaststelling van archeologische waarden kan een begeleiding alsnog resulteren in een archeologische opgraving. Let op: archeologische begeleiding is alleen onder strikte voorwaarden een gangbare onderzoeksmethode. Er moet sprake zijn van een situatie waarin het normale archeologische onderzoekstraject niet kan worden doorlopen. In de KNA 3.2 (vrijgegeven voor gebruik in november 2010) staan onder ‘Protocol archeologische begeleiding’ de volgende mogelijke aanleidingen voor een begeleiding: • wanneer als gevolg van fysieke belemmeringen het niet mogelijk is om adequaat vooronderzoek te doen; • wanneer er op grond van de beschikbare archeologische informatie wordt geconcludeerd dat het doen van een opgraving niet (meer) nodig is, maar men toch graag het zekere voor het onzekere wil nemen; • wanneer sprake is van bijzondere onderzoeksvragen bij uitvoeringstrajecten.

94

RAAP-RAPPORT 2636 (herziene eindversie) Gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart

Een archeologische begeleiding kan drie verschillende doelen hebben. Dit is afhankelijk van de plaats van het onderzoek in het AMZ-proces. • Wanneer de begeleiding plaatsvindt vóór het selectiebesluit, dan heeft deze hetzelfde doel als het proces inventariserend veldonderzoek proefsleuven (IVO-P). Dit doel is: “het aanvullen en toetsen van het gespecificeerde verwachtingsmodel, dat gebaseerd is op het bureauonderzoek”. Het gaat hierbij om een kleine ingreep in een groot gebied, of gebieden in stads- of dorpscentra, waar de archeologische waarden door opstallen pas door sloop toegankelijk worden. Hiervoor is een PvE vereist. • Wanneer de begeleiding plaatsvindt ná het selectiebesluit en er derhalve op grond van waarderingscriteria sprake is van een behoudenswaardige vindplaats, dan heeft deze hetzelfde doel als het proces Opgraven: “het documenteren van gegevens en het veiligstellen van materiaal van vindplaatsen om daarmee informatie te behouden die van belang is voor kennisvorming over het verleden”. Ook hiervoor is een PvE vereist. • Wanneer een begeleiding betrekking heeft op bodemingrepen op gewaardeerde terreinen, dus zowel op beschermde terreinen als op AMK-terreinen is het doel “om binnen de grenzen van de verstoring tijdens de grondwerkzaamheden waargenomen vondsten te documenteren en te bergen.

Een essentiële meerwaarde van een archeologische begeleiding is dat tijdens de uitvoering archeologisch toezicht wordt gehouden op een juiste uitvoering van civiele werkzaamheden conform de vergunningvoorwaarden. Daardoor wordt mogelijke schade door een onjuiste uitvoering van de werkzaamheden voorkomen”.

Bescherming Bescherming houdt in dat er fysieke maatregelen worden getroffen op het terrein met archeologische waarden zelf (bescherming in situ). Doel daarvan is de meest gunstige randvoorwaarden te scheppen voor duurzaam behoud, zonder de aanwezige archeologische waarden te beschadigen. Bescherming betekent niet per definitie dat op terreinen geen ontwikkelingen meer mogelijk zijn. Onder stringente voorwaarden kunnen ook op beschermde terreinen bovengronds ontwikkelingen plaatsvinden. Specifiek met de Belvedere-doelstelling `behoud door ontwikkeling` in het achterhoofd, kunnen ruimtelijke ontwikkelingen op monumentale terreinen zelfs wenselijk zijn om het hier verborgen verleden beleefbaar te maken.

Vrijgeven De resultaten van het archeologisch onderzoek kunnen ten slotte ook zodanig zijn dat geen vervolgstappen hoeven te worden voorgesteld. De geplande bodemingrepen kunnen in dat geval zonder beperkingen ten aanzien van archeologische waarden worden uitgevoerd. Hiertoe kan besloten worden als er geen archeologische waarden aanwezig zijn of van zo’n marginale betekenis zijn, dat verder onderzoek of bescherming een te zwaar middel is. Ook zwaar verstoorde vindplaatsen, waarvan op grond van waarderend onderzoek duidelijk is geworden dat de wetenschappelijke informatiewaarde te sterk is aangetast, kunnen genomineerd worden om zonder verder onderzoek te worden vergraven. Dergelijke situaties zijn nogal eens punt van discussie, met name vanwege de kans op bijzondere vondsten (bijvoorbeeld een diep ingegraven waterput). Die situaties zullen zich altijd blijven voordoen, wat geen belemmering moet zijn om een beargumenteerd, selectief beleid te voeren ten aanzien van een adequate archeologische monumentenzorg.

95

RAAP-RAPPORT 2636 (herziene eindversie) Gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart

Amateur-archeologen In het verleden voerden amateur-archeologen soms min of meer zelfstandig opgravingen uit. Door de veranderende regelgeving zijn de eisen die gesteld worden aan het verrichten van archeologisch onderzoek sterk aangescherpt (KNA, Erfgoedinspectie). Dit betekent dat ook voor amateurarcheologen nieuwe regels gelden. Vaak wordt gedacht dat de inzet van amateurs en vrijwilligers niet meer mogelijk is. Amateurs kunnen echter deelnemen aan professioneel onderzoek door een gecertificeerd archeologisch bedrijf of een gemeente met een opgravingsvergunning. Zij dienen dan wel te werken onder supervisie van een erkend leidinggevende. Gemeenten kunnen de deelname van lokale amateur-archeologen bij onderzoek stimuleren door in het Programma van Eisen voor de uitvoering van archeologisch onderzoek de voorwaarde op te nemen dat de uitvoerder lokale amateurs bij het onderzoek betrekt.

96

RAAP-RAPPORT 2636 (herziene eindversie) Gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart

Bijlage 6: De AMZ-cyclus onder water Inleiding Wanneer onder water bodemingrepen zijn gepland, behoort volgens de WAMZ ook de zorg voor eventuele archeologische resten geregeld te zijn. De opzet van deze ‘zorg’ is beschreven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (Waterbodems). De in de KNA Waterbodems beschreven onderzoeksvolgorde is op te delen in twee hoofdfasen: vooronderzoek en maatregelen. Het vooronderzoek valt daarbij uiteen in twee fasen: bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek.

Bureauonderzoek Tijdens het bureauonderzoek wordt op basis van reeds bekende informatie over de ontwikkeling van het landschap en de bewoningsgeschiedenis een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld. Een gespecificeerde archeologische verwachting is het antwoord op de vierledige vraag: • Welke archeologische resten (wat en hoe oud) kunnen worden verwacht? • Waar kunnen deze worden verwacht? • Op welke diepte kunnen deze worden verwacht? • Hoe kunnen de te verwachten archeologische resten met inventariserend veldonderzoek worden opgespoord?

Inventariserend veldonderzoek Deze gespecificeerde verwachting fungeert als de hypothese die in de daarop volgende fase wordt getoetst door middel van inventariserend veldonderzoek. Dit onderzoek valt uiteen in drie fasen: de verkennende opwaterfase, de verkennende onderwaterfase en de waarderende onderwaterfase. Tijdens de verkennende opwaterfase wordt -meestal door middel van akoestische methoden- de waterbodem onderzocht. Eventuele anomalieën, vaak ‘contacten’ genoemd, kunnen duiden op archeologische resten. Waar dat het geval is of lijkt te zijn, kan tijdens de verkennende onderwaterfase bekeken worden of het inderdaad archeologische resten betreft. Meestal worden hiervoor duikinspecties gehouden. Bij sterke stroming of zeer slecht zicht wordt ook wel gebruikgemaakt van ROV’s (Remotely Operated Vehicle), akoestische camera’s, een sonar-apparaat dat ‘foto’s’ maakt door middel van geluidsgolven en sector-scanners, een sonarapparaat dat vanaf de bodem locale sonaropnamen maakt. Indien blijkt dat er inderdaad sprake is van archeologische resten, dan wordt tijdens de waarderende onderwaterfase een waardestellend onderzoek uitgevoerd. Dit gebeurt door op het object te duiken, waar nodig het object vrij te leggen en materiaal te verzamelen aan de hand waarvan uitspraken kunnen worden gedaan over de aard en ouderdom van het object, de conservering en gaafheid.

Na deze fase is het inventariserend veldonderzoek afgerond en volgt een ‘selectiebesluit’, waarin de bevoegde overheid een uitspraak doet over de behoudenswaardigheid van de vindplaats. Is deze behoudenswaardig, dan zijn maatregelen nodig. In de praktijk betekent dat het aanpassen

97

RAAP-RAPPORT 2636 (herziene eindversie) Gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart

van de voorgenomen ingrepen, zodat de resten niet worden aangetast, eventueel in combinatie met beschermende maatregelen of, wanneer dat niet mogelijk blijkt, opgraven.

Methoden van vooronderzoek op waterbodems, opwaterfase De geformuleerde archeologische verwachtingen zijn behoorlijk specifiek en vondstcategorie-gerelateerd. Een methode van onderzoek die nauw aansluit bij deze specifieke verwachting zou ideaal zijn wanneer deze door middel van inventariserend vooronderzoek moet worden getest in verband met voorgenomen bodemingrepen. De beschikbare en geschikte methoden van onderzoek maken dat echter niet goed mogelijk. Dit wordt hieronder toegelicht op basis van een korte inventarisatie van onderzoeksmethoden. Archeologische resten kunnen zich grofweg op twee plekken bevinden: op of aan de waterbodem of eronder. Er bestaan twee methoden om onder de waterbodem te ‘kijken’. De eerste -akoestische- methode (sub bottom profiler) is ontwikkeld voor geologisch onderzoek. In de archeologische praktijk blijkt echter dat de methode tot zowel vals positieve (er lijkt wat te zitten maar er zit niks) als vals negatieve (er lijkt niks te zitten, maar er zit wel wat) resultaten te leiden. Het optreden van ‘echo’s’ speelt hierin een grote rol, maar ook de interpretatie van de ingewonnen metingen. De tweede methode wordt ook op het land gebruikt en spoort aan de hand van afwijkingen in het aardmagnetisch veld metaal in de bodem op. Deze ‘magnetometer’ kan dus alleen metaal opsporen of materialen die forse hoeveelheden metaal bevatten.

Ook deze methode spoort dus heel veel (houten, stenen, aardewerk) archeologische resten niet op, terwijl modern afval (fietswrakken, spijkers, staaldraad, losse ankers) wél een uitslag geven. Er zijn eveneens twee methoden om op de bodem te kijken: de multibeam en de side scan sonar. Beide methoden zijn gebaseerd op geluidsgolven. De multibeam levert in een zeer hoge resolutie metingen op van de diepte van de waterbodem. In wezen is het een zeer geavanceerd echolood. De side scan sonar richt zijn geluidsgolven niet neerwaarts, maar zijwaarts, waardoor een ‘sonarbeeld’ ontstaat van een strook ter weerszijden van een gevarenlijn. Dit beeld lijkt sterk op een zwart-witfoto en geeft doorgaans een goed beeld van wat er zoal op de bodem ligt of uit de bodem steekt. Side scan sonar is het meest geschikt om de waterbodem af te speuren tijdens de verkennende opwaterfase van het inventariserend veldonderzoek. Multibeam kan in twijfelgevallen daarbij helpen. Andersom (multibeam aangevuld door side scan sonar) is minder geschikt, omdat multibeam iets minder duidelijke ‘plaatjes’ oplevert. Beide onderzoeksmethoden zijn relatief snel uit te voeren en in vergelijking met archeologisch vooronderzoek op land vrij goedkoop.

In de praktijk levert een bureauonderzoek dan ook bij het advies om vervolgonderzoek te verrichten altijd het advies op dit uit te voeren in de vorm van side scan sonar-metingen, eventueel aangevuld met andere methoden. De inhoud en specificiteit van de tijdens het bureauonderzoek opgestelde verwachting, is dus bij de keuze van de onderzoeksmethode voor de verkennende opwaterfase nauwelijks van belang. Dat biedt de mogelijkheid om bureauonderzoek voor de waterbodems minimaal uit te voeren

98

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leidschendam&id=7e22c203-a393-4a7f-b279-734d5611016c