CConstaterende datLeidschendam-Voorburg
Koppel je AI →
Document · PDF

2573-05 Bijlage 02 toelichting, Nationale Omgevingsvisie.pdf

Raadsvergadering 22 februari 2022, gemeente Leidschendam-VoorburgBij agendapunt: Raadsvoorstel: Vaststellen bestemmingsplan Stedelijk.38.214 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 5

Circulaire economie Een toenemende schaarste aan bepaalde grondstoffen en de schadelijke gevolgen van het winnen van grondstoffen dwingen tot minder en efficiënter grondstoffengebruik. Essentieel is dat alle grondstoffen in circulatie blijven en ‘afval’ tot het verleden gaat behoren. De uitdaging ligt daarbij in het op een andere manier ontwerpen en inrichten van industriële activiteiten. Het gaat dan om het ontwerpen van materialen, producten en processen, die in de hele levenscyclus geen schadelijke emissies of andere risico’s meer veroorzaken en dus verwaarloosbare gezondheidsrisico’s met zich meebrengen (safe by design). Ook de duurzame, circulaire economie brengt milieuoverlast en ruimtebeslag met zich mee, al was het maar vanwege omgevingsveiligheid en milieurisico’s die ook aan de circulaire economie verbonden zijn. Een goede afweging van de voordelen en nadelen van circulair produceren, van een besparing op het gebruik van grondstoffen en energie tegenover de milieubelasting van het terugwinnen en hergebruik van materialen is noodzakelijk.

90 | Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Voor hergebruik van reststoffen en gebruikte producten is een efficiënte en optimale inzameling nodig. In de circulaire economie moeten de ketens korter zijn, met waar nodig ruimtelijke sturing. Gemeenten dragen zorg voor de juiste randvoorwaarden voor ruimte waar gebruikte producten en grondstoffen door bedrijven kunnen worden verzameld, gesorteerd en geschikt gemaakt om te worden hergebruikt. Om ervoor te zorgen dat voldoende massa van gebruikte producten wordt bereikt en er tegelijkertijd een passend aantal verzamelplekken ontstaat, houden provincies toezicht op deze rol en monitoren zij de gezamenlijke inzet. Voorbeeld van verzamelplek van producten.

Utrechtse BouwHub: Met bouwhubs kan bouwlogistiek effectiever worden ingericht en worden ketens verkort. Dit soort plekken vragen om ruimte aan randen van steden.

Ruimtegebruik Met de beschikbare milieu- en fysieke ruimte voor industrie, transport en distributie en andere economische clusters moet zorgvuldig worden omgegaan. De ruimte die nu in gebruik is voor industrie- en havenfuncties moet beschikbaar blijven voor de genoemde transitie, tenzij alternatieven beschikbaar komen. Zo veel mogelijk moet worden gezocht naar het optimaliseren van het huidige (milieu-)ruimtegebruik door compacter ruimtegebruik, het verkorten van ketens, het reduceren van emissies aan de bron en het combineren van functies, onder voorwaarde dat de veiligheid gewaarborgd blijft. Het toekomstig benodigde ruimtegebruik is onzeker. Waar nodig stellen de decentrale overheden extra ruimte beschikbaar voor de verdere ontwikkeling en omschakeling naar een duurzame, circulaire economie van: de vijf energieintensieve industrieclusters (Rotterdam/Moerdijk, Zeeland (Terneuzen en omstreken), Noordzeekanaal­ gebied, Noord-Nederland (Eemshaven-Delfzijl en Emmen) en Chemelot (regio Geleen, Limburg)), onze lucht- en overige zeehavens, Brainport Eindhoven, de Greenports en de digitale (inter­nationale) infrastructuur, inclusief datacenters. Een Taskforce Industrie Klimaatakkoord Infrastructuur werkt vier oplossingsrichtingen uit die invulling moeten geven aan de energie- en industrietransitie.

Bereikbaarheid Voor het uitbouwen en versterken van de economische toppositie van Nederland en een duurzame economische groei, stellen overheden waar nodig ontwikkelingsruimte beschikbaar en investeren zij in verdere verbetering van het (inter)nationaal ruimtelijk-economische netwerk, duurzame mobiliteit, een optimale internationale bereikbaarheid, evenals bereikbaarheid tussen en binnen de steden. Ook het bereikbaar, leefbaar en aantrekkelijk houden van onze steden, bij een forse toenemende druk op de ruimte en infrastructuur, is cruciaal voor de internationale concurrentiepositie.

Nationale Omgevingsvisie | 91

Beleidskeuze 2.2 We zetten in op het gebruik van duurzame energiebronnen en op verandering van productieprocessen. Voor de haven- en industriegebieden moet voldoende fysieke en milieuruimte beschikbaar blijven. Het functioneren mag niet in het geding komen.

Ruimte voor transitie en economisch functioneren Gedurende een lange periode is – met name in de havengebieden – zowel ruimte nodig voor bestaande activiteiten als voor de energietransitie van deze bedrijven en de vestiging van nieuwe (circulaire) ontwikkelingen. Naast voldoende fysieke ruimte is ook voldoende milieuruimte in de vorm van geluidszones, geurcontouren en risico(aandachts)gebieden benodigd. De beschikbaarheid van voldoende milieugebruiksruimte rondom de gebieden, maar ook langs transportroutes naar het achterland is cruciaal voor de transformatie van de haven- en industriegebieden en moet daarom minimaal behouden blijven. Voor het transport van gevaarlijke stoffen naar het achterland moet het stedelijk gebied zo veel mogelijk worden ontzien. Als stedelijke ontwikkeling leidt tot een inperking van de (milieu)gebruiks­ ruimte voor haven- en industriegebieden, dan moet deze ruimte elders worden gecompenseerd.

Smart industry Nieuwe ontwikkelingen zoals robotisering, digitalisering en schone productieprocessen vragen om een nieuwe blik. Deze smart industry leidt ertoe dat productieprocessen die voorheen naar landen met een lager loonpeil verdwenen waren, zich weer in Nederland vestigen. De productie en logistiek in de keten kan smart, hoogwaardig en efficiënt georganiseerd worden, zodat productie in Nederland weer rendabel wordt (reshoring). ‘Oude’ en ‘nieuwe’ economie zullen een tijd lang naast elkaar bestaan. De transitie moet zorgvuldig ter hand worden genomen met aandacht voor aanwezige natuurwaarden, economische belangen, behoud en versterking van landschappelijke kwaliteit, woonkwaliteit en voor (omgevings-)veiligheid en milieunormen. De transformatie moet passen binnen de beschikbare milieuruimte.

Energie-intensieve industrie Voor alle energie-intensieve industrieën, waaronder ook datacenters, moeten duurzame energiebronnen worden gebruikt. De overgang van de import, gebruik en verwerking van fossiele brandstoffen naar duurzame energie vereist een transformatie van haven- en industriegebieden. Gelet op de verwachte lange transitieperiode zullen verschillende energiesystemen mogelijk tientallen jaren naast elkaar bestaan, wat mogelijk extra ruimtebeslag vergt. Dit betreft ruimte voor opslag, overslag, transport en gebruik van fossiele én niet-fossiele brandstoffen en reststoffen. Decentrale overheden hebben een essentiële rol om bedrijven te ondersteunen bij de overgang van lineaire naar circulaire productieprocessen.

Keuzes voor haven- en industriegebieden Nabij de haven- en industriegebieden aan de kust, zoals de Eemshaven, het Noordzeekanaal­gebied, de Rijnmond en Vlissingen/Terneuzen, zijn belangrijke aanlandingspunten voor duurzame energie die op zee is opgewekt. In deze gebieden wordt actief ruimte geboden aan (nieuwe) energieintensieve industrie. Zo voorkomen we dat ondergrondse kabels die op het land aankomen soms ver landinwaarts op hoogspanningsstations moeten worden aangesloten (met bijvoorbeeld door­snijding van landschappen als gevolg). Een ander voordeel is dat juist op deze energie-­ intensieve clusters de urgentie van een duurzame, circulaire transitie het grootst is.

92 | Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

De combinatie met aanlanding van wind op zee kan dat proces versnellen, met aanvullend kansen voor benutting van reststoffen (onder andere warmte) voor de omgeving. Voor de havens van Rotterdam en Amsterdam geldt overigens in het bijzonder dat de genoemde transitie een nauwe relatie heeft met een bredere verstedelijkingsopgave. De groei van productie en overslag in de haven en de intensivering van het grondgebruik in de haven, kunnen botsen met de ontwikkelings- en bouwplannen in de omgeving. Het functioneren van havens mag niet in het gedrang komen. Eventueel ruimteverlies voor havenfuncties als gevolg van stedelijke transformaties moet – zo nodig – worden gecompenseerd. Voor verder landinwaarts gelegen industriële clusters, zoals Chemical Cluster Emmen en Chemelot, wordt voor duurzame energie onder andere ook gekeken naar alternatieven in duurzame elektriciteitsvoorziening in plaats van directe aansluiting op windenergie opgewekt op zee. Behoud van de concurrentiekracht en gelijk speelveld voor deze clusters is een belangrijk aandachtspunt. In het Programma Energiehoofdstructuur worden de energyhubs aangewezen, de aansluiting op de nationale transport infrastructuur gewaarborgd en worden de ontwikkelrichtingen aangegeven voor nieuwe tracés hoogspanningsnetten (110kV en hoger) en nationale buisleidingen.

Gezien de verwachte wereldwijde groei van transport van personen en goederen, is het aannemelijk dat Nederland, met de de vierde haven van Europa en de derde luchthaven van Europa, ten minste een deel van die groei zal accommoderen. Het kabinet zet ten behoeve van de toekomst van het goederenvervoer en de logistiek in op een verdere optimalisering van het gebruik van de beschikbare transportcapaciteiten. Het betekent dat voor het transport de best passende modaliteit wordt gekozen. Om dit te faciliteren kiest het kabinet bij de inrichting van de bovengemiddelde multimodale knooppunten op de goederencorridors, bijvoorbeeld voor het bevorderen van de vestiging van watergebonden bedrijvigheid op plekken met een goede dan wel directe toegang tot het water via kademuren en dergelijke. Een goede balans tussen transport, economie en milieu, stedelijke economie en groei en kwaliteit van leven is daarbij essentieel. De Havennota 2020-2030 bevat een agenda voor de verdere en transformatie van de Nederlandse havens in een duurzame en vitale economie.

Circulair bouwen en benutten reststoffen en restwarmte in de bouwsector Het benutten van reststoffen door de industrie en restwarmte door tuinbouw, kantoren en woningen stelt eisen aan de nabijheid van aanbieders en gebruikers. Voor de bouwsector (woningbouw, grond-, weg- en waterbouw) ligt de uitdaging om nieuwe bouwwerken en woningen niet alleen natuurinclusief en klimaat- en energieneutraal, maar ook circulair te ontwerpen, ontwikkelen, (ver)bouwen en slopen. Grondstoffen moeten in de keten van de bouw zo veel mogelijk behouden blijven door hoogwaardig hergebruik en er moet meer gebruik gemaakt worden van hernieuwbare materialen (zoals houtbouw, hennep, asfalt met olifantsgras). Dit om een schone, veilige leefomgeving voor toekomstige generaties te behouden. Door gebouwen, waaronder woningen en kantoren, zoveel mogelijk aanpasbaar en flexibel te bouwen (circular by design), zijn deze voor meer generaties aantrekkelijk en zijn ze ook in de toekomst voor andere dan woonfuncties geschikt te maken. Aandacht voor nieuwe concepten in de bouwlogistiek kunnen transport en ruimtebeslag op de bouwplaats aanzienlijk verminderen. De ambitie is dat uiterlijk in 2050, maar liever eerder, de gebouwde omgeving circulair is. Bij bouwprojecten wordt hergebruik van materialen en van bouw- en sloopafval een vereiste.

De MilieuPrestatie eis Gebouwen (MPG) zal richting 2050 stapsgewijs worden aangescherpt. Bij een locatiekeuze voor nieuwe vestigingen van zowel aanbieders als gebruikers van reststoffen en restwarmte is de afname dan wel beschikbaarheid van reststoffen en restwarmte een belangrijk criterium.

Nationale Omgevingsvisie | 93

Toekomstverkenningen naar de circulaire economie in ontwerpstudie ‘De Regio van de Toekomst’ van de Beroepsvereniging van Nederlandse Stedebouwkundigen en Planologen (BNSP) en de Nederlandse Vereniging voor Tuin- en Landschapsarchitectuur (NVTL)

Vintage Verstedelijking: Circulaire maakindustrie aan de Schieoevers in Delft.

Transitie land- en tuinbouw Nederland telt zeven greenports: Greenport Aalsmeer, Greenport regio Boskoop, Greenport Duin- en Bollenstreek, Greenport Gelderland, Greenport Noord-Holland Noord, Greenport Venlo en Greenport West-Holland. Het zijn regionale tuinbouwclusters waarbinnen tuinbouwbedrijven intensief samen­ werken om verschillende gebiedsopgaven die sectoroverstijgend zijn integraal te benaderen. Daarbij gaat het om noodzakelijke gebiedsontwikkeling om een klimaatneutrale en circulaire tuinbouw te kunnen realiseren waarbij met andere sectoren wordt samengewerkt. Bijvoorbeeld door de aanleg van regionale warmtenetten en niet-fossiele warmtebronnen, gebruik van afgevangen CO₂ vanuit de industrie en een infrastructuur voor een optimaal ‘vers’-netwerk dat goed aansluit op de mainports. Een deel van de tuinbouwproductiegebieden in Nederland is echter nog niet toegerust voor de eisen van moderne productietuinbouw. Grote, goed ontsloten kavels zijn nodig, evenals verwijdering, verplaatsing of uitbreiding van verspreide tuinbouw, met oog voor de problematiek van solitaire bedrijven. Moderniseren van het hele tuinbouwareaal betekent ook rekening houden met watertekorten, wateroverlast en verzilting, uitputting van de bodem voorkomen en biodiversiteit vergroten. Een regionale aanpak is nodig voor gezamenlijke investeringen in bijvoorbeeld warmtenetten en waterzuivering.

Greenports Nederland, de koepelorganisatie van alle greenports, werkt samen met provincies en het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) aan verduurzaming en ruimtelijke (her)inrichting van teeltgebieden. Daartoe is in 2019 een Tuinbouwakkoord gesloten.

94 | Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Voorbeeld van verduurzaming in de land- en tuinbouw.

Orchideeënteelt volgens het principe van ‘de kas zonder gas’, in Ter Aar.

Beleidskeuze 2.3 Ingezet wordt op optimale (inter)nationale bereikbaarheid van steden en de economische kern­ gebieden. Met aandacht voor ontbrekende schakels in infrastructuur en het met elkaar verknopen van nationale infrastructuurnetwerken. Steden en (stedelijke) regio’s zijn belangrijke dragers van de Nederlandse economie en hun belang neemt naar verwachting in de toekomst toe. Steden en (stedelijke) regio’s bereikbaar, gezond, leefbaar en aantrekkelijk houden, is cruciaal om de internationale concurrentiepositie van Nederland veilig te stellen. Nabijheid is in de kenniseconomie zeer wezenlijk. Clustervorming wordt waar nodig mogelijk gemaakt. De kaarten ‘Internationale verbindingen en knooppunten’ en ‘Vestigingsklimaat’ in de Toelichting geven een beeld van de internationale netwerken en (stedelijke) regio’s als dragers van de Nederlandse economie. Belangrijke economische dragers in specifieke sectoren bevinden zich overigens ook buiten de stedelijke regio’s. Logistiek en distributie kent een sterke concentratie rond onze (lucht)havens maar heeft zich ook daarbuiten sterk ontwikkeld (bijvoorbeeld in West-Brabant, Tilburg-Waalwijk, Venlo-Venray en Zuidelijk Flevoland). Internationale distributiecentra ontwikkelen zich sterk langs de grote vervoersassen in het zuiden en oosten van het land.

De hightech maakindustrie heeft een sterke concentratie in Zuidoost-Brabant, met Eindhoven als centrum van de Brainport. Maar (hightech) maakindustrie is ook in andere regio’s zoals Twente, Delft en Limburg te vinden. De agro-food industrie kent sterke concentraties in Noordoost-Brabant, Utrecht, Gelderland (Foodvalley) en Noord-Nederland. Vooraanstaande landbouwclusters (zoals de greenports) zijn verspreid over heel Nederland te vinden. En ook het midden- en kleinbedrijf is wijdverspreid over ons land. Het Rijk wil daarom het ontwikkel­ potentieel van alle regio’s benutten. Rijk en regio stellen, met inbreng van maatschappelijke partijen, per landsdeel een Omgevingsagenda op waarin een integraal toekomstperspectief en opgaven worden opgenomen om onder andere de economische ontwikkeling in de regio’s te bevorderen.

Nationale Omgevingsvisie | 95

Bestaande (inter)nationale en regionale verbindingen.

De Betuwelijn en snelweg A15 nabij Herwijnen.

De grootste concentratie van economische activiteiten met de daaraan verbonden werkgelegenheid vindt vooral plaats in het gebied van de rechthoek van stedelijke regio’s in het Stedelijk Netwerk Nederland (Amsterdam-Utrecht-Amersfoort-Zwolle-Arnhem/Nijmegen-Eindhoven-Brabantse stedenrij-Rotterdam-Den Haag). Hier is ook de grootste verstedelijkingsopgave. Door nabijheid en goede verbindingen kan de agglomeratiekracht in deze stedelijke regio’s verder ontwikkeld worden. De ontwikkeling van de interne en externe bereikbaarheid van dit gebied vraagt dan ook de bijzondere aandacht van het Rijk. De vele grensoverschrijdende relaties en interacties maken duidelijk dat voor verschillende opgaven voor de NOVI internationale afstemming en samenwerking belangrijk is. De concurrentiekracht en aantrekkelijkheid van Nederland, de kwaliteit van leven, heeft sterk te maken met de verbinding, de samenwerking én de concurrentie met de ons omringende landen en (stedelijke) regio’s. In de concurrentiestrijd om het aantrekken en behouden van internationaal opererende bedrijven, speelt het internationaal vestigings- en ondernemersklimaat van de vijf grootste steden dan wel de vier Metropoolregio’s een steeds belangrijkere rol. Het gaat om: Metropoolregio Amsterdam (MRA), Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH), Metropoolregio Utrecht (MRU) en Metropoolregio Eindhoven (MRE).

Zij hebben de grootste aantrekkingskracht op internationale kennis, arbeid en kapitaal. Elk van de stedelijke regio’s heeft hierin een herkenbare en sterke positie en maakt deel uit van het netwerk dat zij met elkaar en met andere steden in binnen- en buitenland hebben. De Metropoolregio Amsterdam is een internationaal zakencentrum en toeristische trekpleister, met Schiphol als schakel naar alle continenten. De Metropoolregio Rotterdam Den Haag investeert in de next economy; de innovatie van de haveneconomie, de nieuwe maakindustrie, greenports en Den Haag als bestuurscentrum en inter­ nationale stad van vrede & recht. De Metropoolregio Utrecht, met Utrecht Science Park is een netwerk van kenniscentra, bedrijven en proeftuinen voor life sciences. De technologisch hoogwaardige industrie en ontwerp zijn typerend voor de Brainport Eindhoven. Voor de verdere ontwikkeling van deze gebieden is nu met name een internationaal aansprekende kwaliteit van woningen, mobiliteit en leefomgeving van belang. De groei van het aantal inwoners, bedrijven en arbeid in deze grootstedelijke regio’s leidt tot een forse druk op met name de woningmarkt en de bereikbaarheid van deze regio’s. Daarmee onderscheiden deze regio’s zich in ruimtelijk-economisch perspectief door de omvang, complexiteit en urgentie van

96 | Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

de opgaven. Het gaat onder meer om het versterken van de connectiviteit van toplocaties, het verbeteren van de digitale infrastructuur en de transformatie van (binnen)stedelijke gebieden. Dit is beschreven in de Ruimtelijke Economische Ontwikkelstrategie (REOS) van Rijk, grote steden, betrokken provincies en Economic Boards. Maar ook buiten dit gebied vragen aanvullend diverse locaties de bijzondere aandacht van het Rijk vanwege hun strategisch belang voor de economische ontwikkeling van Nederland. Daarbij gaat het zowel om grote industriële complexen als Chemelot en Terneuzen als campussen in Groningen en Enschede met internationaal hoog aangeschreven kennisinstellingen en daaraan gerelateerde innovatieve bedrijven. Het Rijk stimuleert daarom ontwikkelingen in het hele land en stuurt onder meer aan op het behoud en de realisatie van optimale nationale netwerken en Trans Europese Netwerken (TEN’s): het hoofd­ wegennet, een hoogwaardige railinfrastructuur met goede regionale en internationale IC-verbindingen, een goed functionerend vaarwegennetwerk, voldoende capaciteit in de energie- en buisleidingen­ infrastructuur en een state of the art data-infrastructuur. De opgaven voor de woon- en leefomgeving worden meegenomen in de regionale verstedelijkingsstrategieën en de Omgevingsagenda’s (zie prio 3).

Het initiatief van de publiek-private NOVI-alliantie voor Ruimtelijke Investeringsagenda’s (RIA’s) wordt hierin meegenomen (zie ook Hoofdstuk 5). Het goed verbinden van economische kerngebieden draagt bij aan de ruimtelijk-economische structuurversterking van de economische kernlocaties. Ook het OV speelt een belangrijke rol in het verbinden van steden en regio’s en het faciliteren van woon-werkverkeer. De zeshoek Amsterdam, Zwolle, ArnhemNijmegen, Eindhoven, Breda en Den Haag-Rotterdam. In dit netwerk wordt verder ingezet op intensief aanbod van het openbaar vervoer. Op de verbindende assen tussen de Randstad en het Noorden, Oosten en Zuiden van het land is verdere kwaliteitsverbetering eveneens belangrijk. Dit vraagt om maatwerk per as in termen van frequentie, stops en snelheid en hiermee samenhangende strategieën op het gebied van auto, fiets en OV. In dunbevolkte gebieden, waar het OV door onvoldoende bundeling van reizigers minder sterk aanwezig is, zetten we in op innovatieve, vraaggerichte, flexibele mobiliteitsdiensten, deelconcepten als deelauto’s, taxidiensten en het combineren van doelgroepenvervoer met het OV. Voor internationaal OV gelden twee schaalniveaus: het niveau van het verbinden van de grensregio’s en het snel en duurzaam verbinden van Nederland met de belangrijkste economische kerngebieden van onze omliggende landen.

Voor dit laatste is aansluiten op het Europese HSL-netwerk belangrijk. Het internationale spoorvervoer wordt daardoor op middellange afstand een duurzaam alternatief voor luchtvaart en (vracht)auto. Door IC-netwerken in Nederland te koppelen aan IC-stations over de grens, met aansluitingen op HSL-netwerken worden grensregio’s beter met elkaar verbonden en de economische ontwikkeling van deze regio’s ondersteund.

Luchtvaart Luchtvaart verbindt Nederland met de rest van de wereld. De internationale bereikbaarheid en de vooraanstaande positie van de luchthaven Schiphol zijn zowel van belang voor de inwoners van Nederland, als voor onze concurrentiekracht en de direct of indirect daarmee verbonden activiteiten en arbeidsplaatsen. De ontwikkeling van onder andere Schiphol, Lelystad, Rotterdam en Eindhoven heeft echter ook invloed op de leefomgeving, gezondheid en het milieu. De inzet van het kabinet en andere betrokkenen is dan ook gericht om opnieuw een balans te vinden tussen de hinder, klimaateffect, ziektelast, overlast en de (ruimtelijke) beperkingen die uit de luchtvaart voortvloeien enerzijds en het waarborgen van de internationale verbondenheid van ons land anderzijds. Veiligheid blijft daarbij uiteraard een kernwaarde.

Nationale Omgevingsvisie | 97

Groei luchtvaart.

Luchthaven Schiphol is van groot belang voor de Nederlandse concurrentiekracht.

Keuzes voor de luchtvaart De luchtvaart verwerkt een omvangrijke vraag, terwijl de capaciteit op de luchthavens en in het luchtruim in voornamelijk West-Europa beperkt is. Het belang van de internationale netwerk­ kwaliteit voor transferpassagiers op Schiphol en de rechtstreekse verbinding met Europa vanuit de regionale luchthavens is een vanzelfsprekendheid geworden. Randvoorwaardelijk bij deze ontwikkelingen is dat de veiligheid in de luchtvaart op de grond en in de lucht wordt gewaarborgd. ‘Slim en duurzaam’, met veiligheid op één, is het uitgangspunt voor de (Ontwerp) Luchtvaartnota die mei 2020 is verschenen. Een goed functionerende luchthaven Schiphol met een succesvolle thuismaatschappij (home-carrier) is belangrijk voor de Nederlandse economie en onze aan­ trekkingskracht als vestigingsplaats. Ook de luchtvaart moet klaar zijn voor de toekomst en moet daarom zorgen voor minder hinder en uitstoot van vervuilende stoffen. Bij de toekomstige ontwikkeling van de luchtvaart moeten de negatieve effecten op mens, natuur en milieu verminderen. Binnen deze kaders kan de luchtvaart zich blijven ontwikkelen.

De Luchtvaartnota sluit aan bij de volgende duurzame ontwikkelingsdoelen (SDG’s) die de Verenigde Naties in 2015 vastgesteld hebben: Gezondheid (SDG 3), Energie (SDG 7), Economie (SDG 8), Infrastructuur & Innovatie (SDG 9), Klimaat (SDG 13), Biodiversiteit (SDG15) en Partnerschap (SDG 17).

98 | Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Centraal in de Luchtvaartnota 2020-2050 staan vier publieke belangen: 1. Nederland veilig in de lucht en op de grond. 2. Nederland goed verbinden. 3. Aantrekkelijke en gezonde leefomgeving. 4. Nederland duurzaam. De ontwikkeling en omvang van de luchtvaart levert nu en in de toekomst spanning op tussen milieu, duurzaamheid, gezondheid en veiligheid in de woon- en leefomgeving enerzijds en de dynamiek van luchtvaart en economie anderzijds. Woningbouw rond Schiphol is een discussie op zich. De dynamiek van stad en Metropoolregio Amsterdam is groot en het belang van Schiphol voor Nederland ook. Voor zowel wonen als vliegen (en de bijbehorende veiligheids- en geluidscontouren) moet er ruimte zijn. Dat betekent dat er specifieke zones zijn waar bebouwing en hoogbouw niet of beperkt mogelijk is. Het streven is wel om die zones niet onnodig groot te laten zijn. Op de korte termijn worden de regels rond Schiphol verankerd door wijziging van het zogeheten Luchthavenverkeerbesluit. Op termijn kan de sector groei verdienen langs de uitgangspunten en voorwaarden uit de Luchtvaartnota.

Beleidskeuze 2.4 Overheden investeren in een aantrekkelijke, gezonde en veilige leefomgeving in steden en regio’s en bevorderen een onderscheidend en aantrekkelijk vestigingsklimaat. Economische activiteiten en hoogopgeleiden concentreren zich in steden en stedelijke regio’s. De aanwezigheid van universiteiten en hogescholen speelt hierbij een belangrijke rol. Hierdoor neemt de economische dynamiek toe, maar ook de druk op de leefomgeving. Dit geldt met name voor de grootste steden in ons land. Veel innovatie ontstaat in steden en niet alleen bij startups, broedplaatsen en onderzoeksinstellingen, maar ook door ontmoetingen op aantrekkelijke plekken in de stad. Het verdienvermogen van Nederland beperkt zich overigens niet tot de grote steden. In alle regio’s van het land is een grote verscheidenheid aan economische activiteiten te vinden, waarvoor een goed vestigingsklimaat belangrijk is. Steden en stedelijke regio’s zijn belangrijk voor onze economie. Dit geldt vooral daar waar sprake is van een aantrekkelijke en gezonde omgeving en diversiteit in aanwezige economische functies, cultuur, erfgoed, opleidingen en andere voorzieningen. De steden, hun aantal inwoners, culturele én economische activiteiten groeien de laatste jaren in hoog tempo. Die groei biedt kansen voor heel Nederland.

De kwaliteit van leven in de steden moet dan wel blijvend aandacht krijgen en op een nog hoger niveau uitkomen.

Nationale Omgevingsvisie | 99

Bereikbaarheid en kwaliteit van campussen.

TU Delft Campus: Hoogwaardige buitenruimte en goede verbindingen per fiets en OV dragen bij aan het vestigingsklimaat van Delft.

Voor Nederland – met zijn internationaal aansprekende steden, stedelijke netwerken en het aantrekkelijk gevarieerde landschap – liggen er kansen om met een aantrekkelijke, gezonde en veilige leefomgeving een onderscheidend vestigingsklimaat te creëren. Dit is een belangrijke vestigingsplaatsfactor voor het aantrekken van hooggeschoolde (internationale) werknemers. Met de overgang naar een steeds meer op kennis en diensten gedreven economie worden de kwaliteiten die een stad biedt steeds belangrijker. De omvang van steden (massa en dichtheid) kan voordelen bieden door de concentratie van economische, sociale, politieke en culturele organisaties in dichtbevolkte gebieden, maar ook door de aanwezigheid van universiteiten, onderzoeksinstellingen, op consumenten gerichte voorzieningen, branche­organisaties en overheidsinstellingen58. Regionale bereikbaarheid en een goed functionerend woon-werkverkeer zijn voor het economisch functioneren van onze steden en Metropoolregio’s essentieel. Er is behoefte aan voldoende ontwikkelingsruimte voor een kwalitatief hoogwaardig aanbod aan werklocaties. De beschikbaarheid van goede en betaalbare woningen en een gezonde, schone, veilige en aantrekkelijke leefomgeving worden steeds bepalender voor het economische succes. Duurzame stedelijke groei en innovaties in mobiliteit zijn randvoorwaardelijk voor de groei van de stedelijke economie.

Het vraagt extra inzet in de stedelijke regio’s om de leefomgevingskwaliteit, het milieu en de bereik­ baarheid op peil te brengen, omdat dat bijdraagt aan een aantrekkelijk vestigingsklimaat. De overheid kan ruimte bieden aan dergelijke initiatieven en sociaal ondernemerschap om innovatie en verdere ontwikkeling van onze duurzame kenniseconomie te stimuleren. Meer duurzame mobiliteit wordt in stedelijke regio’s bereikt door het verbeteren van openbaar vervoer, het creëren van meer ruimte voor fietsers en voetgangers, het weren van vervuilende voertuigen en het vergroten van de laad­ mogelijkheden voor elektrische auto’s.

58

Otto Raspe e.a., De economie van de stad in de mondiale concurrentie, Den Haag 2012, zie: http://www.pbl.nl/sites/default/files/ cms/publicaties/PBL-2012-essays-toekomst-van-de-stad-de-economie-van-de-stad-in-de-mondiale-concurrentie.pdf

100 | Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leidschendam&id=7fff65cd-be2a-4ea9-ac36-a60b4ad1ef91