CConstaterende datLeidschendam-Voorburg
Koppel je AI →
Document · PDF

2573-05 Bijlage 02 toelichting, Nationale Omgevingsvisie.pdf

Raadsvergadering 22 februari 2022, gemeente Leidschendam-VoorburgBij agendapunt: Raadsvoorstel: Vaststellen bestemmingsplan Stedelijk.38.214 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

26 | Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

2.3 Kwaliteit van leven in stedelijke en landelijke regio’s

Nationale Omgevingsvisie | 27

Iedereen wil prettig wonen, in de stad of een kleinere gemeente, op bereikbare afstand van werk en voorzieningen in een gezonde en veilige omgeving. Het streven is een kwalitatief goede woningvoorraad, die regionaal aansluit op de woonbehoefte van alle groepen. Met groen in de directe nabijheid. Kwaliteit van leven bestaat voor een wezenlijk deel uit een aantrekkelijke en herkenbare woon- en leefomgeving en een goede verbondenheid van stad en land. We willen onze steden en dorpen naar 2050 ontwikkelen met kwaliteit. Geen ongebreidelde, maar gecontroleerde en doordachte groei waar dat nodig is. Met wensen van bewoners en gebruikers als centraal uitgangspunt.

Diversiteit in wonen Onze steden en dorpen van de toekomst zijn gevarieerd, toegankelijk voor iedereen, aangepast aan de veranderende samenstelling van de bevolking. Woningen zijn van het gas af en verduurzaamd. Dorpen en steden zijn gezond en veilig: de luchtkwaliteit is sterk verbeterd ten opzichte van nu, de geluidhinder afgenomen, de omgevings-, verkeers-, fysieke en sociale veiligheid zijn vergroot. Het zijn inclusieve, sociale gemeenschappen: iedereen heeft de kans om deel te nemen aan het maatschappelijke leven, er zijn genoeg mogelijkheden voor sociale interactie, geschikt voor jong en oud, omdat we levensloop­ bestendig bouwen. Bij het vormgeven van de leefomgeving zorgen we voor inspraak, dialoog en betrokkenheid en houden we rekening met uiteenlopende belangen en leefstijlen. Het uiterlijk van onze steden en dorpen is in 2050 veranderd. Wonen, werken, natuur, openbare ruimte en voorzieningen zijn veel meer met elkaar verweven. Er is meer dichtheid, minder leegstand en verval, meer groen en water. Op sommige plekken hebben we meer de hoogte in gebouwd, maar altijd met kwaliteit. Hierbij maken we steeds gebruik van het historische karakter en de kracht van ontwerp. We zorgen ervoor dat specifieke waardevolle karakteristieken van onze steden en dorpen tenminste behouden zijn gebleven of zich verder hebben ontwikkeld.

In de stad of in het groen bouwen Het is op korte termijn vaak sneller en goedkoper om in het buitengebied woningen of bedrijfs­ bebouwing te ontwikkelen. Echter op enig moment zijn investeringen in infrastructuur nodig, waardoor de kosten voor verstedelijken binnen of buiten bestaand stedelijk gebied weer anders worden. Daarbij, verstedelijkingsambities in het buitengebied raken ambities met betrekking tot bijvoorbeeld landschap en natuur, terwijl verdichten van bestaand stedelijk gebied kan raken aan ambities met betrekking tot gezondheid en hinder.

Stedelijk Netwerk Nederland In 2050 wonen meer mensen dan nu in de steden en stedelijke regio’s, die steeds belangrijker zijn geworden voor onze economie. Ook in meer landelijke regio’s woont en werkt nog steeds een substan­ tieel deel van de bevolking. De kracht van Nederland ligt in zijn polycentrische netwerkstructuur van stedelijke en landelijke regio’s van verschillende schaal en dynamiek die door de kwaliteit van het transport- en mobiliteitsnetwerk complementair als één systeem functioneren. Het kloppend hart van land en economie is het Stedelijk Netwerk Nederland. Kern daarvan is het brede midden van Nederland, grofweg Randstad (Amsterdam, Utrecht, Rotterdam-Den Haag), Amersfoort, Zwolle, Arnhem-Nijmegen, Brabantse stedenrij). Daar woont en werkt het merendeel van de bevolking. Maar ook uitlopers buiten het brede midden (Groningen, Twente, Maastricht, Leeuwarden en Middelburg) behoren tot het Stedelijk Netwerk Nederland. Vergeleken met veel buitenlandse metropolen zijn onze grootste steden relatief klein. Daarom zijn de verbindingen, wegen en spoorwegen, tussen en binnen deze regio’s voor ons land zo belangrijk. Die maken dat Stedelijk Netwerk Nederland richting 2050 steeds meer als één geheel kan functioneren.

28 | Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

‘Rijksinzet richten of verdelen over heel Nederland’ Economie en bevolking concentreren zich in het brede midden van Nederland. Versterking van economie en leefomgeving levert daar de hoogste opbrengsten op. De economische winst vloeit echter naar de eigen regio én het buitenland. Tegelijkertijd concentreren zich daar ook de meest complexe opgaven. Dit tezamen maakt dat een concentratie van de Rijksinzet op die regio’s voor de hand ligt. Tegelijkertijd liggen er net zo goed unieke kansen en opgaven in de rest van Nederland, terwijl deze regio’s met een relatief kleinere, maar nog steeds substantiële economie slechts beperkt profiteren van de groei in de grotere (stedelijke) regio’s16. En, de Rijksoverheid is er voor heel Nederland, niet slechts voor een deel. Bovendien is kwaliteit van leven meer dan alleen economische groei.

Prettige woonmilieus De verdere verstedelijking is gepaard gegaan met de verduurzaming van Nederland en een goede kwaliteit van leven. Ook in de toekomst koesteren we de kleinschaligheid en diversiteit die onze steden en dorpen kenmerken. Stedelijke groei is voor een belangrijk deel binnen de bestaande bebouwde gebieden gefaciliteerd, maar ook op zorgvuldig gekozen en ingerichte locaties daarbuiten. Er is gebouwd daar waar de vraag is en naar de behoefte van verschillende doelgroepen, waaronder starters. Er zijn veel woningen voor de groeiende groep ouderen gerealiseerd en ook de inrichting van steden en dorpen en de organisatie van openbaar vervoer, zorg en detailhandel is daarop aangepast. We bieden iedereen de mogelijkheid om naar wens en betaalbaar te wonen, waarbij we de kwaliteit, leefbaarheid en identiteit van onze steden verder versterken. Met nieuwe stedenbouwkundige concepten hebben we veelvormige woonmilieus en nieuwe vormen van mobiliteit gecreëerd die voor alle leeftijdsgroepen prettig zijn om in te leven. Nieuwe ontwikkelingen hebben op goed bereikbare locaties plaatsgevonden.

Rust en ruimte In sommige delen van het land wonen in 2050 minder mensen dan anno 2020. Het potentieel van deze regio’s hebben we blijvend benut. Nieuwe (economische) initiatieven, rust en ruimte, hebben de regio’s nieuwe impulsen gegeven, waardoor zij leefbaar en vitaal zijn gebleven.

16

Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Opgaven in de fysieke leefomgeving: huidige situatie en ontwikkelingen. Den Haag 2019.

Nationale Omgevingsvisie | 29

2.4 Nabijheid en betrouwbare verbindingen

30 | Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Divers patroon mobiliteit De manier waarop we ons verplaatsen is in 2050 veranderd. Door andere patronen in het werken en de invulling van onze vrije tijd heeft het dagelijks leven een minder vast patroon. Dit leidt tot een meer divers patroon in hoe en wanneer we ons verplaatsen (meer ‘kris-kras’ verplaatsingen en op andere tijden).

Uitstekende bereikbaarheid Een uitstekende bereikbaarheid is cruciaal. Daarom hebben we in 2050 een goede en betrouwbare infrastructuur als onderdeel van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem. Dit geldt voor verbindingen binnen en tussen steden en economische kerngebieden door het land, maar ook over de grens. Hoe gaan mensen in 2050 om met alle nieuwe vormen die er straks zijn om ons te verplaatsen? Wat is het aandeel thuis werken in de nieuwe (kennis)economie? Het is eigenlijk onmogelijk om dergelijke vragen nu al te beantwoorden. Wel kunnen we technische mogelijkheden met onze ambities verbinden. We hebben een hoogwaardig en samenhangend stedelijk, regionaal en hoofdnetwerk voor (zelfrijdende) auto’s en treinen, een goed ontwikkeld netwerk voor lopen en fietsen, een soepel functionerend vaarwegennetwerk en uitstekende luchtvaartverbindingen, zowel voor goederen als personen. Het nationale OV-netwerk biedt Stedelijk Netwerk Nederland snelle en comfortabele verbindingen. In het brede midden van Nederland (gebied Randstad, Amersfoort, Zwolle, Arnhem-Nijmegen, Brabantse stedenrij) is het aanbod intensief. De stedelijke regio’s daar zijn direct aangesloten op het internationale HSL-netwerk, terwijl grensregio’s door middel van IC-verbindingen gekoppeld zijn aan HSL-stations over de grens.

Gezien de verwachte (prijs)ontwikkelingen is het waarschijnlijk dat het overgrote deel van de verplaatsingen in Nederland in 2050 per (zelfrijdende) auto gebeurt. Die moet onderdeel zijn van een geïntegreerd mobiliteitssysteem, waarbij bijvoorbeeld parkeerfaciliteiten en overstapvoorzieningen aan de rand van de regio of de stad (hub-functie) worden gebruikt: binnen de stedelijke regio’s is dan een grote rol weggelegd voor het OV, de fiets en lopen. Als zelfrijdende auto’s werkelijk gemeengoed worden, dan willen we onze (binnen)steden daarvoor lang niet altijd (volledig) openstellen. Met digitale techniek van een hoog beveiligingsniveau verloopt de reis zo aangenaam en soepel mogelijk. Vraaggestuurd vervoer (als onderdeel van Mobility as a Service) is in 2050 gemeengoed. Zeker ook in de meer landelijke regio’s worden de mogelijkheden daarvan benut. (Zelfrijdende) treinen, waaronder lightrail, blijven van groot belang daar waar de reizigersstromen ‘dik’ zijn. Zowel tussen steden als binnen de stedelijke gebieden. Voor de middellange afstanden binnen Noordwest-Europa biedt de trein een duurzaam alternatief voor het vliegtuig. Het wagenpark is in 2050 schoon en duurzaam, bijvoorbeeld door elektrische of wellicht waterstofaandrijving. Dit draagt bij aan de reductie van CO₂, NO₂ en fijnstof.

Nabijheid of bereikbaarheid centraal bij verstedelijking? Bereikbaarheid is van groot belang voor een leefbare en concurrerende stad of regio. Of het nu gaat om het buitenland of de buurgemeente, ondernemers en bewoners hechten om verschillende redenen aan de bereikbaarheid daarvan. Echter, het organiseren en inrichten van steden en regio’s op bereikbaarheid leidt tot veel lange afstandsmobiliteit en daaraan verbonden negatieve effecten als fijnstof, geluidhinder, CO₂-emissies en/of aantasting van natuur en van landschap. Het organiseren en inrichten van steden en regio’s op nabijheid leidt tot kortere verplaatsingsafstanden, meer lopen, fietsen en OV-gebruik.

Nationale Omgevingsvisie | 31

Nabijheid Keuzes in de realisatie van infrastructuur en verbetering van de (stedelijke) mobiliteit zijn gekoppeld aan de locatiekeuzes voor wonen en werken. Nabijheid is daarbij het uitgangspunt. In onze steden bewegen we ons in 2050 nog gemakkelijker en efficiënter met de fiets, te voet en met het (voor iedereen toegankelijke) openbaar vervoer. De (zelfrijdende) auto heeft binnen de hoogstedelijke omgeving een onder­ geschikte rol, zodat deze daar niet te veel ruimte inneemt. Bij de ontwikkeling van nieuwe woon- en werkgebieden is vanaf het begin rekening gehouden met de vervoersvraag en nieuwe concepten als autodelen en inzet van vraagafhankelijke, zelfrijdende voertuigen (pods).

Luchtvaart De groei van de wereldbevolking, welvaart en mondiale relaties zorgen ervoor dat het vliegverkeer een belangrijke rol blijft vervullen voor met name het afleggen van lange afstanden. Hierbij is een sterk internationaal netwerk, dat Nederland in verbinding houdt met de wereld, van groot belang. Uitdaging is dat op een zo veilig, efficiënt en duurzaam mogelijke manier vorm te geven en daarvoor initiatieven te ondersteunen. De CO₂-uitstoot van het vliegverkeer is in 2050 duidelijk verlaagd. Te denken valt aan efficiëntere luchtverkeersroutes, zuinigere vliegtuigen, duurzame brandstoffen en (deels) elektrisch vliegen. Op de middellange afstanden binnen Noordwest-Europa is veel vliegverkeer vervangen door de trein, waardoor groei van het vliegverkeer is beperkt. De verbeterde aansluiting van Stedelijk Netwerk Nederland op het Europese HSL-netwerk maakt dit mogelijk.

Verduurzamen of gebruik reguleren Mobiliteit en luchtvaart zijn van levensbelang om Nederland draaiende te houden, zowel economisch als maatschappelijk. Verduurzaming van mobiliteit kan zich richten op het gebruik van duurzame energie, schone motoren, intelligent en collectief vervoer, (elektrisch) fietsen en lopen. Sommige vormen van mobiliteit, zoals luchtvaart, kennen problemen bij de verduurzaming. Schone vliegtuigmotoren zijn pas voor de verre toekomst voorzien en alternatieven, zoals spoorvervoer op middellange afstanden binnen Europa, zijn beperkt aanwezig of niet concurrerend. Reguleren van het gebruik, bijvoorbeeld door de inzet van prijsinstrumenten of strenge normeringen, kan dan een optie zijn, hoewel dit internationaal complex is en maatschappelijke en economische nadelen heeft.

Goederenvervoer Uitdagingen liggen er niet alleen bij personenvervoer, maar ook bij goederentransport. Daarvoor gebruiken we een veilig transportsysteem dat toekomst- en klimaatbestendig is. Nederland heeft zijn ijzersterke positie behouden als belangrijkste logistieke toegangspoort tot Europa en exporteur van goederen. Onze infrastructuur voor weg-, water- en luchtverkeer, evenals voor productie, transport en handel van goederen, is van hoog niveau. Ook voor de transitie naar een circulaire economie is dit van groot belang. Producten die aan het eind zijn van hun gebruiksduur, worden op grote schaal ingezameld, verwerkt tot nieuwe grondstoffen en opnieuw gedistribueerd. De circulaire economie werkt met nieuwe logistieke concepten, wat een geheel nieuwe invulling geeft aan de slogan ‘Nederland distributieland’. Aan de randen van de steden verwerken collectie- en distributiecentra nieuwe en gebruikte goederen en stoffen, wat het vrachtverkeer in de (binnen)steden vermindert. Zowel de traditionele detailhandel als internetshops maken hier gebruik van. Grootschalige distributie- en collectiecentra zijn geclusterd bij onze havens en op strategische locaties aan de grote vervoerscorridors naar het buitenland.

Verduurzaming brengt met zich mee dat gasolie (diesel), als belangrijkste brandstof voor alle soorten goederentransport en binnenvaart, heeft plaatsgemaakt voor schone brandstoffen en aandrijf­ technieken, zoals waterstof en batterijen.

32 | Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

2.5 Veilig en gezond, herkenbaar en natuurlijk

Nationale Omgevingsvisie | 33

Een veilig en gezond leven voor iedereen staat in 2050 voorop. Onze leefomgeving nodigt uit tot een gezonde leefstijl. Daarbij horen een goede milieukwaliteit, robuuste natuur, klimaatbestendigheid en voor iedereen goede toegang tot wonen, werken en voorzieningen.

Kwaliteit water, lucht, bodem en ondergrond De inspanningen om de kwaliteit van water, bodem en lucht te verbeteren, hebben in 2050 resultaat gehad. Het verlies aan gezonde levensjaren vanwege luchtkwaliteit is sterk teruggebracht, waarbij het ultieme doel is dat er geen gezondheidsschade meer optreedt (gezondheidsbescherming). Dit geldt ook in binnensteden, langs wegen en rondom intensieve veehouderijen. De leefomgeving is zoveel als mogelijk vrij van vervuiling door het wegverkeer. Auto’s, vrachtwagens en bussen, vaartuigen, rijwielen en mobiele werktuigen stoten geen CO₂ en geen andere luchtvervuiling meer uit. Zeker op plekken waar wonen, werken en productie samengaan, heeft dat extra aandacht. Bij ruimtelijke ontwikkelingen is rekening gehouden met het voorkómen van risico’s op infectieziekten. Ook geluidhinder is fors af­genomen. Verstoringen die gezondheidsschade tot gevolg zouden hebben, zijn door extra maatregelen verminderd, ook waar bebouwingsdichtheden zijn toegenomen. Hetzelfde geldt voor stankhinder. Schade aan infrastructuur, openbare ruimten en gebouwen door bodemdaling is door verhoging van het waterpeil en verbeterde bouwtechnieken beperkt.

Peilverhoging of op peil houden van de landbouwproductie Het waterpeil in veenweidegebieden wordt anno 2020 laag gehouden voor een optimale landbouwproductie. Daarbij is het veenweidelandschap met grazend vee een internationaal uniek landschapstype. Keerzijde is aanhoudende bodemdaling met economische schade, schade aan landschap en cultureel erfgoed en steeds hogere kosten voor waterveiligheid. Verhoging van het waterpeil zou die schade beperken, maar vraagt aanpassing van het landgebruik aan het water-bodemsysteem.

Duurzaam gebruik van water, bodem en ondergrond is gewaarborgd door rekening te houden met het functioneren van bodem en ondergrond als natuurlijk systeem. Functies zijn en worden toegekend aan locaties die daarvoor van nature het meest geschikt zijn en passen (of zijn aangepast aan) bij de eigenschappen en karakteristieken van het bodem-watersysteem. Benutten en beschermen zijn daardoor met elkaar in evenwicht. Kringlopen van (voedings)stoffen, water en energie zijn in stand gehouden of hersteld en verontreinigingen zijn zo veel mogelijk voorkomen. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen worden vanaf het begin van de planvorming de bovengrond en de ondergrond in samenhang bezien. Driedimensionale ruimtelijke ordening staat centraal.

Gezondheidsbevorderende leefomgeving In 2050 is de leefomgeving zodanig ingericht dat de gezondheid van mensen bevorderd wordt (waar dat door ingrepen in de leefomgeving mogelijk is). De leefomgeving verleidt mensen tot bewegen, zoals bewegen (sporten, bewegen, fietsen en wandelen), spelen, ontspannen en het ontmoeten van anderen. Bijvoorbeeld door meer (stedelijk) groen, waterspeelplaatsen, fiets- en wandelpaden, zitbankjes, groene schoolpleinen en rookvrije gebieden. Door een integrale benadering in de stedelijke ontwikkeling is gezondheidswinst behaald in wijken waar relatief veel kwetsbare groepen wonen.

Omgevingsveiligheid De omgevingsveiligheid is in 2050 toegenomen, dankzij sanering van bijvoorbeeld risicovolle situaties en de inzet op preventie en risicobeheersing bij bijvoorbeeld het gebruik van gevaarlijke stoffen. Met behulp van wet- en regelgeving is in vrijwel heel Nederland het basisbeschermingsniveau sterk verbeterd, zodat we veilig, schoon en gezond kunnen leven. Industriële activiteiten zijn niet gemengd met publieksfuncties of woonbebouwing en ook transportroutes van gevaarlijke chemische stoffen lopen daar niet meer doorheen. Dergelijke industriële activiteiten zijn vooral langs transportroutes en in de havens en industriegebieden geconcentreerd. Dat betekent dat we daarvoor milieuruimte hebben ingericht en terughoudend zijn met het toelaten van andere functies in die gebieden, wat ook zorgt voor meer veiligheid.

34 | Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Ruimte voor defensie Een veilig Nederland kent in 2050 tevens een robuust defensiebeleid. Er is ruimte voor huisvesting van eenheden, oefenterreinen, vliegvelden, schietbanen en toegang tot zee. Een spreiding van defensie­locaties over het land blijft van belang. Tegelijk zijn bepaalde militaire activiteiten geclusterd en gecombineerd op grotere locaties. Operationele eenheden zijn zoveel mogelijk gehuisvest op plaatsen binnen redelijke afstand van de oefenmogelijkheden.

Land- en tuinbouw en natuur In 2050 is het grootste deel van ons grondoppervlak nog steeds bestemd voor land- en tuinbouw en natuur. Wel ziet ons landbouw- en voedselsysteem er in de toekomst anders uit. De Nederlandse landbouwsector behoudt zijn positie als koploper, maar dan met duurzame kringloop­ landbouw. In de nabijheid van kwetsbare natuur, maar ook elders, is natuurinclusieve kringloop­landbouw de praktijk. Natuurgebieden worden omgeven door extensief begraasde graslanden en andere vormen van natuur­inclusieve landbouw. Activiteiten als recreatie, zorg en landschapsbeheer bieden alternatieve inkomensbronnen. Landbouw, landschap en biodiversiteit versterken elkaar. Sommige teelten zullen niet meer in de open lucht maar overdekt plaatsvinden, deels ook in stedelijke omgeving (vertical farming). In de niet-grondgebonden veehouderij zijn integrale duurzame stallen de standaard: stallen die gezond zijn voor de dieren en voor de leefomgeving, waar zuinig en efficiënt wordt omgegaan met grondstoffen en nutriënten en een hoog niveau van dierenwelzijn is bereikt. Dergelijke intensieve landbouw is gelokaliseerd op goed aangesloten locaties, waar reststromen van de ene sector gebruikt worden als grondstof voor de andere (meststoffen) en ketenbedrijven bij elkaar geplaatst zijn om onnodige transportbewegingen te voorkomen.

Voedselproductie binnen Nederland of oplossingen voor maatschappelijke behoeften De Nederlandse landbouw is hoogproductief en produceerde per eenheid product de afgelopen decennia steeds minder gezondheids- en milieubelasting. Tegelijkertijd is de invloed in Nederland vanwege de grote omvang van de totale productie anno 2020 te groot: de stikstofbelasting op water en natuur is groot, fijnstof leidt tot gezondheidsproblemen, er is sprake van bodemdaling, broeikasgasemissies en aantasting van het landschap. Inzet van het landbouwareaal voor water­ zuivering, landschap, natuur, recreatie, productie van biogrondstoffen of vastleggen van koolstof in de bodem levert een bijdrage aan de oplossing van diverse maatschappelijke problemen, maar levert de boer tot nu financieel te weinig op.

Op goed geschikte gronden van het land is de productiefunctie van de kringlooplandbouw uitgangspunt, daaraan wordt ruimte gegeven. Waardoor er met weinig milieubelasting voedsel kan worden geproduceerd en er (veelal gecombineerd met voedselproductie) ruimte is voor natuur, wonen, landschap, bereikbaarheid en duurzame energie. Dit betekent bijvoorbeeld dat de melkveehouderij meer grond­gebonden is geworden: veevoer wordt meer van het eigen land of uit de directe omgeving betrokken en de uitstoot van schadelijke stoffen en broeikasgassen en het verlies van nutriënten naar bodem, water en lucht zal tot nagenoeg nul zijn gereduceerd.

Nationale Omgevingsvisie | 35

Nieuwe gewassen zijn bestand tegen verzilting van de bodem. Naast de agrarische functie levert het landelijk gebied tal van andere belangrijke diensten aan de samenleving, zoals waterberging, zuivering van lucht en water, de opslag van CO₂ en grondstoffen voor duurzame productie. Ook de visserij wordt verder verduurzaamd. Natuur en economie zijn en blijven met elkaar in balans.

Natuurinclusieve ontwikkeling Nederland kent in de toekomst meer ruimte voor natuur, door natuur- en landschapswaarden sterker te integreren met andere ontwikkelingen. Bij nieuwe bouw- en ontwikkelopgaven is natuurinclusieve ontwikkeling de norm, zowel in de stad als in het landelijk gebied. Dit wordt in de ontwerpopgave standaard meegenomen. In het stedelijk gebied is er in 2050 voldoende ruimte voor natuur en groen, om bijvoorbeeld insecten genoeg overlevingskansen te geven. Bodemdaling van slappe bodems is uiterlijk in 2050 aanzienlijk verminderd. Daarnaast is het natuurareaal vergroot en zijn de kerngebieden robuust met elkaar verbonden, soms via natuurinclusieve landbouwgebieden, soms via robuuste natuurverbindingen. Vernatting en extensivering van sommige veenweidepolders heeft geleid tot herstel van typische moerasflora (zoals kleine zonnedauw) en -fauna (zoals de roerdomp). Rond de natuur­gebieden zijn bufferzones gerealiseerd en de water- en milieucondities zijn verbeterd. Ook de aanleg van nieuwe bossen, ook bedoeld om koolstof vast te leggen, draagt bij aan herstel van de biodiversiteit en de landschappelijke kwaliteit. Nederland heeft op basis van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn (VHR17) werk gemaakt van de verantwoordelijkheid om het bestaan van soorten en ecosystemen duurzaam te waarborgen.

Dit geldt niet alleen op het land, maar ook voor de zee streven we naar een goede milieutoestand met een duurzaam en verantwoord gebruik.

Landschap, cultureel erfgoed en identiteit Onze landschappen, ons cultureel erfgoed, onze nationale parken en ook de karakteristieke verschijnings­vorm van onze dorpen en steden bepalen in 2050 net als nu de Nederlandse identiteit. Het zijn belangrijke culturele en cultuurhistorische kwaliteiten, die we voor de toekomst hebben behouden. We streven naar een herkenbare leefomgeving met karakter. Dat betekent dat we zuinig omgaan met ons landschap en ons cultureel erfgoed. We hebben opgetreden waar ‘verrommeling’ en ‘verloodsing’ dreigden. We hebben een nieuwe toekomst gevonden voor monumentale gebouwen, zoals in onbruik geraakte kerken, maar ook moderner erfgoed, zoals in onbruik geraakte fabrieken. In de overgangszones tussen stad en land zijn landschap en natuur beter toegankelijk gemaakt voor recreanten en hebben ondernemers nieuwe inkomensbronnen gevonden in recreatie, natuur- en landschapsbeheer en energievoorziening.

Duurzame energie uit eigen land of vrijwaren landschappen Aantrekkelijk en cultuurhistorisch waardevol landschap levert identiteit en inspiratie en daarmee zowel immateriële waarde als economische waarde voor het vestigingsklimaat en recreatieve omgeving. Een klimaatneutrale samenleving vraagt echter zoveel ruimte voor windmolens of zonnepanelen dat met name grootschalige landschappen en grote wateren op grote schaal beïnvloed (zullen) worden. Het is onvermijdelijk dat voor sommige landschappen de bestaande kwaliteiten en waarden onder druk komen te staan en/of veranderen. Soms betekent het dat we bepaalde landschappen om die reden willen ontzien. Maar dat betekent tegelijkertijd dat we kiezen voor een grotere opgave en een grotere verandering van landschap elders.

17

Richtlijn inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992) en Richtlijn inzake het behoud van de vogelstand (2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009).

36 | Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Op een aantal plekken zijn de veranderingen zo groot dat zij – conform de Nederlandse traditie – de opmaat waren om, met kwaliteit, nieuw landschap en erfgoed te ontwerpen en te ontwikkelen. De unieke cultuurhistorische, landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van onze Nederlandse landschappen zijn hierbij zo veel mogelijk behouden en versterkt. Waar mogelijk zijn nieuwe kwaliteiten toegevoegd, zoals rust en ontspanning, weidsheid of natuurlijkheid. De transitie naar natuurinclusieve landbouw in de buurt van natuurgebieden draagt daaraan bij. Landschapselementen als houtsingels en geriefbosjes zijn hersteld of versterkt. De veenweidegebieden zijn verrijkt met moerasnatuur, natuurinclusieve landbouw én nieuwe teelten, die passen bij het natte, open en groene karakter. Elders is de strakke, kenmerkende verkaveling van een aantal grootschalige ontginnings- en inpolderingslandschappen gecombineerd met even strakke opstellingen van windmolens. Ook in kleinschaliger landschappen als de Achterhoek of op de Veluwe is het als bewoner en recreant nog steeds goed toeven. Waar mogelijk zijn functies gecombineerd die bijdragen aan behoud van natuur- en landschapswaarden.

2.6 Het vizier op 2050 Kortom, we omarmen het nieuwe en koesteren het bestaande. Zo’n Nederland ontstaat niet vanzelf. Om zo ver te komen zullen we moeten kiezen. Niet elke keuze zal even makkelijk voor iedereen te aanvaarden zijn, we zullen niet alles kunnen behouden, net zo goed als we niet al het nieuwe kunnen opnemen. Door gemaakte keuzes daadwerkelijk door te voeren, bouwen we samen aan een mooi, gezond en veilig Nederland waarin we ook in 2050 graag willen leven.

Nationale Omgevingsvisie | 37

Toelichting discussiekaart: een toekomstperspectief voor Nederland De discussiekaart verbeeldt op hoofdlijnen hoe Nederland er in de toekomst uit zou kunnen zien. Nederland, zoals het er uit zou kunnen zien als we de wensen en ambities uit het toekomst­perspectief verbeelden. De kaart is nadrukkelijk niet als nationaal streef- of eindbeeld bedoeld. Voor we de wensen en ambities uit de NOVI gerealiseerd zullen hebben, zullen we nog veel gesprekken met elkaar moeten voeren, nog veel barrières moeten overwinnen, nog veel besluiten moeten nemen en nog veel programma’s en projecten moeten realiseren. De toekomst moet daarvoor open blijven. We willen de discussiekaart en het proces van het werken aan een dergelijke kaart gaan gebruiken als voertuig voor het gesprek over uitvoering en aanpassing van de NOVI: ook het toekomst­perspectief is onderdeel van het adaptieve proces van de NOVI. In programma’s als landelijk gebied en verstedelijking, biedt de discussiekaart een hulpmiddel om met elkaar het gesprek aan te gaan over gewenste inrichting en ontwikkeling van stad en land. Het resultaat van dat gesprek kunnen we opnieuw in de kaart verwerken zodat er steeds een realistischer en gezamen­ lijker beeld van de toekomst van Nederland ontstaat. Daarbij zullen in de toekomst ongetwijfeld nieuwe ambities en mogelijkheden naar voren komen.

Ook dat past in het cyclische proces zoals we dat met de NOVI voor ogen hebben. Voor de legenda-eenheden op de discussiekaart zijn de teksten in dit hoofdstuk de basis geweest. Waar de onzekerheid te groot is om een ontwikkeling te lokaliseren, is gebruik gemaakt van iconen om een gewenste ontwikkeling te duiden. Om de legenda-eenheden te kunnen verbeelden is enige vrijheid genomen in de interpretatie en uitwerking van de ambities en in een aantal geschetste dilemma’s, passend bij de principes van de NOVI.18

18

Voor meer informatie en toelichting op de totstandkoming van de kaarten, zie Fabrications, Discussiekaart, een toekomstperspectief voor Nederland. Te verschijnen www.nationaleomgevingsvisie.nl

Legenda Waterveiligheid en ruimte voor water en rivieren

(Potenties voor) Waterveiligheid

Energienetwerken

(Potentie voor) Ruimte voor water en rivieren Natuur, landschap en groen

Kringlooplandbouw, visserij en mariene teelten

(Potentie voor) Warmtenetten in stedelijk gebied op basis van geothermie en restwarmte Energieproductie

(Potentie voor) Wind- en zonneparken op land (gecombineerd met landbouw-, bos- of natuurfuncties)

(Potentie voor) Natuur in grote wateren

(Potentie voor) Energie-opwekking op zee gecombineerd met visserij- , mariene teelten- of natuurfuncties

Potenties voor kringlooplandbouw

(Potentie voor) Conversiefaciliteiten op zee

Potentie voor visserij en mariene teelten Greenports Industrie, logistiek en bedrijventerreinen

(Potentie voor) Duurzame energienetwerken (bestaande elektriciteitsnetwerk en buisleidingen)

(Potenties voor) Waterrobuuste en klimaatbestendige gebouwde omgeving (Potenties voor) Bossen, landschap, natuurverbindingen en beken

(Potentie voor) Circulaire industrieclusters met rol in het energiesysteem

(Potentie voor) Logistieke knooppunten en circulaire en duurzame bedrijventerreinen Internationale vervoerscorridors incl. zee-, binnen- en luchthavens Luchthaven Zeehaven

38 | Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Stedelijke regio’s en bereikbaarheid

Aantrekkelijke, herkenbare en gezonde steden en stedelijke regio’s Voornaamste verbinding tussen stedelijke regio’s (incl. zee- en luchthavens) Bedrijventerreinen en kantoorlocaties / ontwikkelruimte voor kennisclusters Zoekgebieden voor grootschalige ontwikkeling Multimodale knopen

Waterveiligheid en ruimte voor water en rivieren

Natuur, landschap en groen

Legenda

Legenda

(Potenties voor) Waterveiligheid Ruimte mogelijk te verbreden kustzone Ondiepe vooroevers Sterke dijken Deltawerken Ruimte voor water en rivieren Ruimte voor rivieren

(Potentie voor) Waterrobuuste en klimaatbestendige gebouwde omgeving Versterken en ontwikkelen van water en groen in en rond stedelijk gebied (Potenties voor) Bossen, landschap, natuurverbindingen en beken Versterken bos- en natuurgebieden op land (incl Natura 2000 en nationale parken) Natuurinclusieve functies in zones rondom bestaande natuurgebieden

Vasthouden en bergen water

Natuurontwikkeling gekoppeld aan beekherstel

Ruimte voor beken

Vernatting veenweidegebieden

Natuurlijker peilbeheer

Rivieren (Potentie voor) Natuur in grote wateren Vooroeverontwikkeling in het IJsselmeergebied Natuur onder water Versterken bestaande natuurgebieden op zee (natura 2000 en overige gebieden

voor natuurherstel op basis van Noordzee-akkoord)

Nieuwe natuurontwikkeling op zee

gekoppeld aan andere functies zoals windenergie

40 | Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Kringlooplandbouw, Kringlooplandbouw, visserij visserij en en mariene mariene teelten teelten

Industrie, logistiek en bedrijventerreinen

Legenda Legenda

Legenda

Potenties voor kringlooplandbouw Potenties voor kringlooplandbouw Kringlooplandbouw als primair gebruik (klei, zand, löss) Kringlooplandbouw als primair gebruik (klei, zand, löss) Veenweide Veenweide Natuurinclusieve en extensieve kringlooplandbouw rondom natuur Natuurinclusieve en extensieve kringlooplandbouw rondom natuur

(Potenties voor) Logistieke knooppunten en circulaire en duurzame bedrijventerreinen

Greenports, aangesloten op internationale transportcorridors Greenports, aangesloten op internationale transportcorridors Potentie voor visserij en mariene teelten Potentie voor visserij en mariene teelten Mariene teelten rond windturbines en in ondieptes Mariene teelten rond windturbines en in ondieptes (exacte locatie nader te bepalen) (exacte locatie nader te bepalen)

Visserij met deels beperkingen als gevolg van ander gebruik Visserij met deels beperkingen als gevolg van ander gebruik

Logistieke centra langs vervoerscorridors (XL en L) Voldoende ruimte voor circulaire en duurzame industrieclusters en bedrijventerreinen Potentie voor stadsdistributie en collectiecentra Internationale vervoerscorridors incl. zee-, binnen- en luchthavens Internationale vervoerscorridors (weg, spoor en water) in relatie tot zee- en luchthavens Rijkswegennet Scheepvaartroute (zee) Vaarwegen (binnenwater) Zeehaven Luchthaven

Nationale Omgevingsvisie | 41

Energienetwerken

Energieproductie

Legenda

Legenda

(Potenties voor) Circulaire industrieclusters met rol in het energiesysteem Duurzame en circulaire industrieclusters met rol in het energiesysteem (aanlanding wind op zee, CO2, CO2 neutrale gassen, warmte) Duurzame en circulaire bedrijventerreinen (Potenties voor) Duurzame energienetwerken (bestaande elektriciteitsnetwerk en buisleidingen) Buisleidingen Hoogspanningsnetwerk (380 Kv) Potentie voor energie-uitwisseling CO2-opslag in oude gasvelden op zee (Potenties voor) warmtenetten in stedelijk gebied op basis van geothermie en restwarmte Warmtewinning middels geothermie

(kennis over het potentieel buiten dit gebied is nog in ontwikkeling)

Regionaal warmtenet in stedelijk gebied (beeld in ontwikkeling vanuit de Leidraad Warmte volgt nadere informatie over potenties verduurzaming warmtevoorziening gebouwde omgeving)

42 | Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

(Potenties voor) Wind- en zonneparken op land (gecombineerd met landbouw-, of natuurfuncties) Zoveel mogelijk zon op daken Versterken van de bestaande en geplande concentraties windmolens op land Nieuwe opstelling windmolens in havengebieden Nieuwe opstelling windmolens gekoppeld landschapskenmerken (Potentie voor) Energie-opwekking op zee gecombineerd met visserij- , mariene teelt- of natuurfuncties Routekaart wind op zee 2023 Routekaart wind op zee 2030 Nieuwe opstellingen energieopwekking op zee (wind en zon) na 2030 i.c.m. andere functies (Potentie voor) Conversiefaciliteiten op zee Waterstofproductie op zee

Stedelijke regio’s en bereikbaarheid Legenda Aantrekkelijke, herkenbare en gezonde steden en stedelijke regio’s Verdichten in bestaand stedelijk gebied Ruimte voor zorgvuldig gekozen en ingerichte locaties buiten het bestaande stedelijk gebied Zoekgebieden voor grootschalige ontwikkeling in regio’s met de grootste vraag Bedrijventerreinen en kantoorlocaties Ontwikkelruimte voor kennisclusters Voornaamste verbinding tussen stedelijke regio’s (incl. zee- en luchthavens) Hoogwaardige, duurzame en multimodale verbindingen tussen regio’s Potentie hoogwaardige regionale mobiliteit Multimodale knopen (top-5, ICE en HSL stations) Luchthavens

Nationale Omgevingsvisie | 43

3. Nationale belangen en opgaven in de fysieke leefomgeving De fysieke leefomgeving is een gedeelde verantwoordelijkheid van gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale politiek-bestuurlijke aandacht. De nationale belangen zijn in veel gevallen sectoraal. Het bestaand nationaal beleid daarvoor is vastgelegd in verschillende structuur­ visies, nota’s en andere beleidsstukken. Veel daarvan behoeft op dit moment geen inhoudelijke verandering. In dit hoofdstuk worden alle nationale belangen voor het omgevingsbeleid beschreven. Daarbij zijn opgaven geformuleerd en wordt aangegeven wat de rol van het Rijk is. De NOVI spitst zich toe op die ontwikkelingen, waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen. Dit hoofdstuk sluit daarom af met de vier prioritaire opgaven, waarbij keuzes moeten worden gemaakt tussen nationale belangen.

3.1 Betekenis nationale belangen Nationale belangen zijn de inhoudelijke belangen bij de fysieke leefomgeving waarbij het Rijk een rol voor zichzelf ziet en waarvoor het kabinet in politieke zin aanspreekbaar is. De behartiging van de nationale belangen en de realisatie van de daaruit voortvloeiende beleidsdoelen en opgaven gebeurt niet alleen door het Rijk. Veel belangen zijn gedeeld, veel verantwoordelijkheden sluiten op elkaar aan. Dat betekent, dat het Rijk moet afstemmen met gemeenten, waterschappen en provincies en andere belanghebbenden. Gezamenlijk moet worden bepaald – of is bepaald – met welke en wiens uitvoerings­ instrumenten de nationale belangen het meest doelmatig en doeltreffend kunnen worden gerealiseerd. Dat geldt ook voor de daaruit voortvloeiende beleidsdoelen en opgaven.

Systeemverantwoordelijkheid en resultaatverantwoordelijkheid Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een systeemverantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen heeft het verdergaande verantwoordelijkheden. Bij systeemverantwoordelijkheid is het Rijk verantwoordelijk voor het laten functioneren van het systeem, opdat elke partij daarbinnen zijn rol kan waarmaken. Als resultaatverantwoordelijken (bijvoorbeeld gemeenten of provincies) de doelen met betrekking tot de nationale belangen niet halen, kan het Rijk nagaan waarom dit zo is. Indien nodig en gewenst probeert het Rijk door aanpassingen in het systeem of door ondersteuning van de verant­ woordelijke partijen, deze in staat te stellen de doelen toch te halen. Bij resultaatverantwoordelijkheid is het Rijk zelf eind­verantwoordelijk voor het halen van de doelen en kan daarop rechtstreeks aangesproken worden.

Nationale Omgevingsvisie | 45

3.2 Nationale belangen en opgaven Onderstaand zijn de nationale belangen beschreven waarop de nationale overheid zich in de NOVI richt. De eerste drie nationale belangen zijn van een ander, meer overkoepelend karakter, dan de overige. De nationale belangen staan in willekeurige volgorde. De nationale belangen gelden daar waar nodig onverkort in de ondergrond. De NOVI benoemt de volgende nationale belangen: 1. Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving. 2. Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit. 3. Waarborgen en versterken van grensoverschrijdende en internationale relaties. 4. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. 5. Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften. 6. Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem. 7. In stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit. 8. Waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving. 9. Zorg dragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten. 10. Beperken van klimaatverandering. 11. Realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO₂-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur. 12.

Waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen. 13. Realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie. 14. Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit). 15. Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater. 16. Waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat. 17. Realiseren en behouden van een kwalitatief hoogwaardige digitale connectiviteit. 18. Ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agroproductie. 19. Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang. 20. Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit. 21. Ontwikkelen van een duurzame visserij. De nationale belangen worden onderstaand kort toegelicht. Voor nadere toelichting op het beleid, de opgave en de Rijksrollen die bij de nationale belangen horen en welke delen van het bestaande beleid in de NOVI opgaan, zie de Toelichting. De Toelichting is integraal onderdeel van de NOVI.

1. Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving De zeventien door de VN vastgestelde duurzame ontwikkelingsdoelen (Sustainable Development Goals, hierna: SDG’s) zijn belangrijke uitgangspunten voor het kabinetsbeleid voor ons land, dus ook voor de fysieke leefomgeving.19 De figuur: ‘Relatie van de SDG’s met de domeinen Biosfeer, Maatschappij, en Economie’ benadrukt de onderlinge afhankelijkheid van biosfeer (waaronder het bodem-watersysteem), maatschappij en economie. Van de zeventien SDG’s hebben er tien direct betrekking op de fysieke leef­omgeving. Duurzame ontwikkeling is door het Nederlandse kabinet niet alleen internationaal afgesproken, maar ook wezenlijk van nationaal en internationaal belang om ons land en de wereld leefbaar te houden voor volgende generaties. Produceren en consumeren binnen de grenzen die de planeet ons stelt, is hierbij relevant. ‘Duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de

19

Sustainable Development Goals (SDG’s), About the Sustainable Development Goals, zie https://www.un.org/sustainabledevelopment/sustainable-development-goals/

46 | Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

bescherming en verbetering van het leefmilieu’ zijn de overkoepelende doelen achter de Omgevingswet en daarmee de Nationale Omgevingsvisie.

Opgave De opgave is uitvoering geven aan de voor het omgevingsbeleid relevante duurzame ontwikkelings­ doelen (SDG’s). Aangezien dit belang betrekking heeft op het algehele kabinetsbeleid, is het eveneens bij andere nationale belangen terug te vinden: • Geen honger (SDG 2) heeft alles te maken met onze agrarische productie en is terug te vinden onder het nationale belang ‘Ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agroproductie’; • Schoon water en sanitair (SDG 6) komt terug bij ‘Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater’; • Betaalbare en duurzame energie (SDG 7): ‘Realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO₂-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur’; • Industrie, innovatie en infrastructuur (SDG 9) komt terug onder ‘Waarborgen en realiseren van een veilig robuust, en duurzaam mobiliteitssysteem’, ‘Realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie’ en ‘Waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat’; • Duurzame steden en gemeenschappen (SDG 11) komt terug bij ‘Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit’ en ‘Beperken van klimaatverandering’; • Verantwoorde productie en consumptie (SDG 12): komt terug bij ‘Realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie’; • Klimaatactie (SDG 13) komt terug

bij ‘Beperken van klimaatverandering’, ‘Realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie’ en ‘Realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO₂-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur’; • Leven in het water (SDG 14) en Leven op het land (SDG 15) komen terug bij ‘Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit’; • Partnerschap om doelstellingen te bereiken (SDG 17) is nader verwoord in hoofdstuk 5.

Nationale Omgevingsvisie | 47

Figuur: Relatie van de SDG’s met de domeinen Biosfeer, Maatschappij, en Economie De SDG’s die betrekking hebben op natuurlijke hulpbronnen zoals bodem, (grond)water en oceanen, bevinden zich in het domein biosfeer. De pijl verbeeldt de samenhang tussen biosfeer, maatschappij en economie. De pijl benadrukt enerzijds dat niet-duurzaam maatschappelijk handelen grote consequenties kan hebben voor de biosfeer (inclusief het bodem-watersysteem), en anderzijds dat een schoon, gezond en goed functionerende biosfeer een basis is voor slim en duurzaam benutten en veel kansen biedt om de ontwikkelingsdoelen voor maatschappij en economie te kunnen realiseren20.

Rijksrol Vanuit de systeemverantwoordelijkheid zal het Rijk bij de uitwerking van de NOVI en de toepassing van de verschillende nationale belangen steeds deze overkoepelende doelen in de beleidskeuzes betrekken. Vanuit die rol heeft het Rijk de SDG’s betrokken bij het opstellen van een toegesneden beoordelingskader voor het PlanMER NOVI.

2. Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit Een goede omgevingskwaliteit is onderdeel van de centrale doelstelling van de Omgevingswet en als zodanig van nationaal belang. Dit gaat om het belang van cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap. Het gaat daarnaast ook om de menselijke beleving van de fysieke leefomgeving, de effecten die de omgeving heeft op mensen, en om de intrinsieke waarden die de maatschappij toekent aan de identiteit van gebieden en aan dier- en plantsoorten. De in de NOVI gehanteerde term leefomgevingskwaliteit omvat zowel de ruimtelijke kwaliteit als de milieukwaliteit van de fysieke leefomgeving. Onder ruimtelijke kwaliteit komen de gebruiks-, belevings- en toekomstwaarde samen. Milieukwaliteit heeft betrekking op waarden die wij toekennen aan een gezonde en veilige woon-, werk- en leefomgeving. Het gaat dan om concrete onderwerpen als luchtkwaliteit, geluidhinder, stank, omgevingsveiligheid, bodem- en waterkwaliteit. Ook sociale samenhang en economische vitaliteit zijn onderdeel van een te realiseren goede leefomgevingskwaliteit. Het concretiseren en operationeel maken van deze kwaliteit gebeurt bij daadwerkelijke ruimtelijke ingrepen. 20

Bron: Gerben Mol e.a, Sustainable development goals: transities realiseren met duurzaam bodem- en landgebruik, 2017, https://www.wur.nl/upload_mm/b/d/6/370f5e93-e9fa-44c5-8795-6b55d3d55c48_SDGs%20Realiseren%20met%20 Duurzaam%20Landgebruik.pdf

48 | Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Opgave De opgave is het realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit. De huidige leefomgevingskwaliteit is bovengemiddeld goed (relatief, afgezet tegen internationale standaarden of normen) doordat met behulp van wet- en regelgeving in vrijwel heel Nederland een basisbeschermingsniveau voor milieu­ kwaliteit is gerealiseerd. Toch liggen er nog belangrijke uitdagingen om de leefomgevingskwaliteit te verbeteren. Immers luchtverontreiniging is ook bij het basisbeschermingsniveau schadelijk voor de gezondheid. Maar ook medicijnresten in water, het risico op incidenten bij bedrijven die werken met gevaarlijke stoffen, of het omgaan met de vooralsnog onbekende milieurisico’s van bijvoorbeeld nanomaterialen vragen om een actieve en ambitieuze aanpak. Ontwikkelingen, zoals de toename van woningen, bedrijfsruimten en kantoren, infrastructuur, energieopwekking en -opslag, water en recreatie, vragen ruimte, zowel boven- als ondergronds, beïnvloeden de leefomgevingskwaliteit en daarmee aspecten als veiligheid, (sociale) leefbaarheid, ruimtelijke kwaliteit, landschap, natuur en biodiversiteit en gezondheid.

Indachtig de door Nederland ondertekende Verklaring van Davos21 is de opgave ontwikkeling samen te laten gaan met versterking van te beschermen waarden als cultuur, landschap, gezondheid of milieukwaliteit: ontwikkeling en kwaliteit van de leefomgeving zijn twee kanten van dezelfde medaille. De opgave is tevens om afwenteling op toekomstige generaties te voorkomen.

Rijksrol Het Rijk is verantwoordelijk voor een goed stelsel van omgevingsrecht, inclusief de zorg voor zorgvuldige en transparante besluiten, de ondersteuning van kennisontwikkeling en de inzet van ruimtelijk ontwerp(end onderzoek). De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is systeem­verantwoordelijk voor de realisatie van een goede leefomgevingskwaliteit en stimuleert met de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) monitoring, ontwerpkracht en goed opdrachtgeverschap. De minister van OCW is naast (mede)verantwoordelijk voor het architectuurbeleid ook stelselverantwoordelijk voor het behoud van cultureel erfgoed en werelderfgoed.

3. Waarborgen en versterken van grensoverschrijdende en internationale relaties Voor de identiteit en welvaart van Nederland zijn het openstaan voor de wereld en onze betrokkenheid bij ontwikkelingen in het buitenland essentieel. Dit komt tot uitdrukking in grensoverschrijdende en bredere internationale samenwerking en afspraken. Internationale samenwerking is eveneens belangrijk in verband met onze ecologische (en sociale) ‘voetafdruk’. Deze is, door onze internationale, open economie, vele malen groter dan ons eigen grondgebied. De fysieke leefomgeving houdt bovendien niet op bij de grens. Verbindingen over de weg, het water en het spoor zijn van groot belang voor transport en economie, van Nederland als geheel en voor de grensregio’s in het bijzonder. Grensoverschrijdende OV- en infrastructuurverbindingen verminderen de barrièrewerking en zorgen ervoor dat economische potenties kunnen worden benut. Grensoverschrijdende energienetwerken zijn belangrijk voor een stabiel en duurzaam Noordwest-Europees energiesysteem. De veranderende veiligheidssituatie vraagt om intensieve internationale samenwerking met onze partners van de NAVO en de EU, onder andere voor grote troepenverplaatsingen. De kwaliteit van onze leefomgeving wordt voor een belangrijk deel bepaald in het buitenland. Natuurgebieden en watersystemen strekken zich uit over de grens.

Ontwikkelingen en omgevingsbeleid in het buurland kunnen grote effecten hebben op Nederland, bijvoorbeeld op de waterhuishouding en waterkwaliteit of natuurontwikkeling.

Opgave Veel opgaven in deze NOVI hebben een internationale of grensoverschrijdende component. De aanpak van dergelijke opgaven kan alleen succesvol zijn als deze plaatsvindt op de schaal waarop de opgave speelt. De opgave voor het omgevingsbeleid is het behouden van het open karakter voor de wereld en onze internationale oriëntatie, grensoverschrijdende kansen te pakken en met de buurlanden grens­overschrijdende opgaven samen aan te pakken.

21

Conferentie van ministers voor Cultuur 20-22 januari 2018, Verklaring van Davos 2018, Naar een kwalitatief hoogstaande Baukultur voor Europa, Davos 2018.

Nationale Omgevingsvisie | 49

Rijksrol Het Rijk is resultaatverantwoordelijk voor de bilaterale, internationale en multilaterale samenwerking. Het Rijk is medeverantwoordelijk voor de interbestuurlijke grensoverschrijdende samenwerking. Het Rijk en de betrokken medeoverheden werken samen met de Belgische gewesten Vlaanderen, Wallonië en Brussel en met de Duitse deelstaten Noordrijn-Westfalen en Nedersaksen en de decentrale overheden in de grensregio’s. Het Rijk stimuleert grensoverschrijdende initiatieven, zorgt voor de juiste randvoorwaarden, organiseert het grensoverschrijdende bestuur en benut de mogelijkheden en instrumenten van de EU en de Benelux. Concrete uitwerking van dit belang wordt op diverse manieren ter hand genomen, bijvoorbeeld op het gebied van infrastructuur, milieu, water, duurzaamheid, defensie, vervoer, visserij, rivierbeheer, natuur en grensoverschrijdende woon- en arbeidsmarkt.

4. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving Een gezonde en veilige leefomgeving, die door de inwoners van Nederland ook als zodanig wordt ervaren, is van nationaal belang. Daarbij wordt voor de gezonde leefomgeving onderscheid gemaakt tussen het beschermen van de gezondheid door een goede milieukwaliteit en het bevorderen van een gezonde leefstijl door een gezond ingerichte leefomgeving (al dan niet tijdelijk, om daar waar door inrichting effecten te bereiken zijn, deze mogelijk te maken). Er moet in Nederland ten minste voldaan worden aan geldende milieunormen. Het kabinet streeft echter naar permanente verbetering, ook als die normen zijn gehaald, bijvoorbeeld wat betreft luchtkwaliteit. Daarbij is het nodig dat verkeers-, milieu-, omgevingsveiligheids-, fysieke veiligheids- en gezondheidsrisico’s beheersbaar en het liefst te voor­komen zijn en dat nieuwe risico’s en gevaren voor de gezondheid tijdig gesignaleerd en aangepakt worden. Negatieve omgevingseffecten op onze gezondheid worden naar een verwaarloosbaar laag niveau gebracht en onze leefomgeving wordt op gezond gedrag ingericht. Nieuwe productieprocessen, infrastructuur, installaties, transporten en producten moeten daarbij inherent veilig zijn (safe-by-design).

Om een gezonde en veilige fysieke leefomgeving te kunnen bereiken en behouden, is een goede kwaliteit van lucht, bodem en water en voldoende natuur noodzakelijk. Een draagkrachtige bodem en goed functionerend bodemwatersysteem is ook in het stedelijk en landelijk gebied van belang, mede met het oog op het verminderen van de bodemdaling. De (beheers) kosten om de effecten van bodemdaling tegen te gaan, maken ingrijpen (op termijn) noodzakelijk. Daarnaast is een duurzaam, efficiënt en veilig gebruik van de ondergrond van belang, waarbij benutten en beschermen met elkaar in balans zijn. Voor een groot aantal maatschappelijke opgaven in stedelijk en landelijk gebied wordt een beroep gedaan op de ondergrond of moet rekening worden gehouden met de mogelijkheden en beperkingen van de ondergrond. Driedimensionale ordening, waarbij ondergrond en bovengrond in samenhang worden bezien en een benadering waarbij rekening wordt gehouden met het functioneren van bodem en ondergrond als natuurlijk systeem, staan daarbij centraal. De draagkracht van de bodem en de waterhuishouding zijn daarbij belangrijke aandachtspunten. Overheden maken hierbij gebruik van de Basisregistratie Ondergrond. Ook moeten hinder en risico’s van onder andere chemische stoffen, straling, trillingen en geluid beheerst of nog liever voorkomen worden.

Lucht, land en water (of het nu om natuur, landelijk of stedelijk gebied (inclusief verkeersaders) gaat) moeten zo goed van kwaliteit zijn, dat de risico’s voor mens en milieu als gevolg van menselijke activiteiten verwaarloosbaar zijn. Bij ruimtelijke ontwikkelingen, ook bij klimaatadaptatie, wordt rekening gehouden met het zo veel als mogelijk voorkómen van risico’s op infectie­ziekten vanuit de leefomgeving veroorzaakt door bijvoorbeeld ratten, teken en muggen. Daarnaast verleidt een gezond ingerichte leefomgeving mensen tot gezond gedrag en voelen mensen zich er prettig (welbevinden). Belangrijke elementen voor een gezonde leefomgeving zijn: uitnodigen tot bewegen (wandelen, fietsen, sporten, spelen), elkaar ontmoeten en ontspannen. Hierbij hoort ook het stelsel van recreatieve fiets-, wandel- en vaarnetwerken (zie kaart ’Landelijk fiets-, wandel- en toervaartnetwerk’ in de Toelichting). Toegankelijkheid van water (bijvoorbeeld voor sportvisserij) is van belang voor ontspanning. Om de risico’s op overgewicht te verminderen is het van belang dat het aanbod van voedsel op verschillende plekken (bijvoorbeeld in de buurt van scholen) gezonder wordt. Zo kan de leefomgeving bijdragen aan vermindering van overgewicht, verlaging van de bloeddruk en meer

50 | Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

mentale gezondheid. De leefomgeving kan een belangrijke bijdrage leveren aan het vergroten van het gezondheidspotentieel van kwetsbare groepen. Een gezond ingerichte leefomgeving kan daarnaast vaak gecombineerd worden met andere functies, zoals klimaatadaptatie (meer groen en blauw) en actieve mobiliteit.

Opgave Milieufactoren als luchtvervuiling en ook ongezond gedrag veroorzaken nog steeds gezondheidsschade. Door het intensievere gebruik en de verwachte groei van de steden zal vooral de druk van luchtveront­ reiniging en geluidsoverlast op de gezondheid toenemen. Voorkomen moet worden dat dit leidt tot opvulling van milieunormen. De opgave is de veiligheid en gezondheid van onze leefomgeving zodanig te verbeteren dat in 2050 negatieve omgevingseffecten op onze gezondheid naar een verwaarloosbaar laag niveau zijn gebracht. Daarnaast streeft het kabinet ernaar om in 2030 te voldoen aan de huidige WHO-advieswaarden. Daarvoor is het essentieel dat het fysiek-ruimtelijk domein samenwerkt met het sociaal gezondheidsdomein. Ook het tot een verwaarloosbaar niveau terugbrengen van omgevings­ risico’s als gevolg van industriële activiteiten en transport (omgevingsveiligheid) is onderdeel van de opgave. De groei van economie en bevolking verkleint de ruimte voor risicovolle activiteiten, terwijl tegelijkertijd door economische ontwikkelingen en veranderingen in onze energievoorziening, het aantal bronnen van onveiligheid kan toenemen. Bodemdaling is een fenomeen dat optreedt in veen- en kleigebieden, onder andere als gevolg van het ontwateren van polders.

Het optreden van bodemdaling in stedelijke en landelijke gebieden vergroot de opgaven voor een vitaal platteland, voor landbouw, natuur, energie en klimaat, voor woningbouw, waterveiligheid, zoetwatervoorziening en waterkwaliteit en voor het behoud van cultureel erfgoed. Bodemdaling moet daarom aanzienlijk verminderd worden. In de Toelichting zijn de opgaven voor de verschillende aspecten van dit nationaal belang nader gespecificeerd.

Rijksrol Het Rijk is systeemverantwoordelijk voor de veiligheid en gezondheid van de burgers en resultaat­ verantwoordelijk voor de kwaliteit van lucht, bodem en water. Ook is het Rijk verantwoordelijk voor het waarborgen van een goede leefomgevingskwaliteit en voor het tegengaan van hinder en risico’s van onder andere industriële activiteiten, chemische stoffen en het vervoer daarvan, straling en geluid. Internationale en nationale wetgeving vormen daarvoor de basis. Alle omgevingsvisies moeten op grond van de Omgevingswet rekening houden met de milieubeginselen: voorzorg, preventief handelen, bronbestrijding, ‘de vervuiler betaalt’, ‘voorkomen is beter dan saneren’, het meenemen in besluit­ vorming van de cumulatie van risico’s voor mens en milieu, het toepassen van het voorzorgsprincipe bij nieuwe, nog onzekere risico’s voor mens en milieu, en zorgen voor transparante afweging bij besluit­vorming. Voor een gezondheidbevorderende inrichting van de leefomgeving stimuleert het Rijk de kennisontwikkeling en samenwerking die nodig zijn om dit te realiseren. Om te zorgen dat Nederland aan de internationale afspraken waaronder de EU-afspraken op dit gebied gaat voldoen, regisseert en stimuleert het Rijk en voert het ook zelf maatregelen door.

Het Rijk regisseert een programmatische aanpak van maatregelen tot 2050 voor de realisatie van toekomstbestendige grote wateren met hoogwaardige natuur die goed samengaat met een krachtige economie. Het aanpakken van de bodemdaling is een opgave die raakt aan verantwoordelijkheden en taken van het Rijk, decentrale overheden en private partijen zoals eigenaren van gebouwen en infrastructuur.

5. Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften Wonen is één van de basisbehoeften van mensen. Iedereen in Nederland moet prettig kunnen wonen voor een redelijke prijs. Of dat in de praktijk nu huren of kopen betekent. Alleen, met je gezin of met anderen. In een huis met tuin of balkon, in een naar wens levendige of rustige omgeving. Een woningvoorraad die aansluit op de huidige en toekomstige woonbehoefte van mensen is daarom van nationaal belang. Goed wonen betekent een fijne, leefbare omgeving en dat er genoeg woningen zijn voor iedereen en voor elke levensfase: van studentenkamers tot levensloopbestendige (zorg)woningen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leidschendam&id=7fff65cd-be2a-4ea9-ac36-a60b4ad1ef91