CConstaterende datLeidschendam-Voorburg
Koppel je AI →
Document · PDF

2525 Glastuinbouwgebied Meeslouwerpolder_regels_vastgesteld.pdf

Raadsvergadering 5 oktober 2021, gemeente Leidschendam-VoorburgBij agendapunt: Collegemail 29 september 2021 bestemmingsplan Meeslouwerpolder35.070 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

het gebruik van de gronden voor kleinschalig kamperen bij de grondgebonden agrarische bedrijven, gevestigd op de voor 'Agrarisch' aangewezen gronden en bijbehorende bouwpercelen, in de periode van 15 maart tot en met 31 oktober, met dien verstande dat: ten hoogste 15 kampeermiddelen zijn toegestaan en deze binnen of direct aansluitend op het bouwvlak van de ter plaatse gevestigde grondgebonden agrarische bedrijven dienen te worden gesitueerd; i. het gebruik van de gronden voor extensieve weidegang door paarden, behorende bij de ondergeschikte deeltijdactiviteiten bij de grondgebonden agrarische bedrijven, geen paardenfokkerij zijnde; j. het hobbymatig houden van paarden van/door particulieren, die op de aan deze gronden grenzende woonbestemmingen woonachtig zijn, met dien verstande dat: per woning of woonerf maximaal 4 paarden mogen worden gehouden en dit gebruik geen onevenredige afbreuk mag doen aan de onder c. en d. genoemde waarden; met de daarbij behorende: k. bebouwing; l. ontsluitingswegen/kavelwegen en (wandel)paden; m. ruiterpaden en menroutes; n. groenvoorzieningen, waaronder afschermende beplanting langs bouwpercelen; o. waterlopen. 6.1.2

Dubbelbestemmingen

Voor zover de in lid 6.1.1 genoemde gronden tevens zijn aangewezen voor de bestemming(en) 'Leiding - Gas', 'Waarde - Archeologie 3', 'Waarde - Archeologie 4' en/of 'Waterstaat - Waterkering', is het bepaalde in de regels behorende bij de desbetreffende bestemming(en), primair van toepassing.

52

6.2

Bouwregels

6.2.1

Algemeen

Op deze gronden mogen, met in achtneming van het bepaalde in lid 6.2.2, uitsluitend bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van en noodzakelijk voor de bestemming dan wel (agrarische) bedrijfsvoering worden gebouwd, met dien verstande dat: a. burgemeester en wethouders over de noodzaak en doelmatigheid van de bebouwing advies kunnen inwinnen bij een agrarische deskundige; b. de bebouwing ruimtelijk dan wel landschappelijk goed dient te worden ingepast, met inachtneming van de ruimtelijke kwaliteit en karakteristiek van agrarische erven en de waarden van het gebied; c. burgemeester en wethouders over de landschappelijke inpassing van bebouwing advies kunnen inwinnen bij een landschapsdeskundige. 6.2.2

Maatvoering bebouwing

Voor bouwwerken als bedoeld in lid 6.2.1, geldt de volgende maatvoering: a. erf - en perceelafscheidingen mogen niet hoger dan 1 meter; b. andere bouwwerken, geen gebouw zijnde, mogen niet hoger zijn dan 2 meter, waarvan de oppervlakte niet meer bedraagt dan 5 m²; 6.3

Nadere eisen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd aanvullend op het bepaalde in lid 6.2 nadere eisen te stellen ten aanzien van de situering en afmeting van bouwwerken, in verband met: a. een goede ruimtelijke dan wel landschappelijke inpassing van bebouwing op het agrarisch bouwperceel dan wel in het gebied; b. het behoud, herstel dan wel de versterking van de karakteristieken dan wel waarden van het gebied, het agrarisch bouwperceel en/of van (de cultuurhistorische waarde van) agrarische bebouwing; c. het concentratiebeginsel, waarbij de bebouwing zodanig wordt gesitueerd dat er sprake is van een functionele en/of ruimtelijke eenheid; d. de situering, gebruiksmogelijkheden en/of de (beperking van) bezonning van de aangrenzende gronden en/of bouwwerken; e. geluidaspecten, milieuaspecten, verkeersveiligheid en/of andere veiligheidsaspecten.

53

6.4

Afwijken van de bouwregels

6.4.1

Bouwen van bouwwerken

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 6.2 voor het bouwen op deze gronden (buiten het bouwvlak) van: a. agrarische hulpgebouwen, waarvan:  de gezamenlijke oppervlakte per agrarisch bedrijf niet meer dan 150 m² mag bedragen;  de oppervlakte per gebouw niet meer dan 50 m² mag bedragen;  de goothoogte niet meer dan 3 meter en de bouwhoogte niet meer dan 4 meter mag bedragen; b. als bouwwerk aan te merken mestopslagvoorzieningen en/of sleufsilo's, indien: 1. dit noodzakelijk is voor een doelmatige bedrijfsvoering, waaronder begrepen logistieke en/of milieutechnische redenen; 2. voor de plaatsing van deze voorzieningen het concentratiebeginsel in acht wordt genomen waarbij de voorzieningen zoveel als mogelijk op de bestaande bebouwing dienen aan te sluiten en daarmee een functionele en/of ruimtelijke eenheid dienen te vormen. c. niet voor bewoning bestemde gebouwen, zoals sanitaire ruimten, en/of bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten behoeve van het kleinschalig kamperen als bedoeld in lid 3.1, waarvan:  de oppervlakte niet meer dan 60 m² mag bedragen;  de goothoogte niet meer dan 3 meter mag bedragen;  de bouwhoogte niet meer dan 5 meter mag bedragen; d.

een (hekwerk/omheining voor een) paardenbak of een paddock ten behoeve van een deeltijd-paardenpension als bedoeld in lid 6.1, waarbij:  de grootte van de voorziening is afgestemd op de omvang van de bedrijfsvoering;  een paardenbak niet groter mag zijn dan 20 meter x 60 meter;  geen verlichting/lichtmast is toegestaan; e. (hekwerken/omheiningen voor) paardenbakken, paddocks, longeercirkels, stap-/trainingsmolens, draf-/renbanen, binnenrijbanen en/of verlichting/lichtmasten, voor zover deze voorzieningen noodzakelijk en toegestaan zijn in het kader van de bedrijfsvoering van paardenfokkerijen (agrarische bedrijven) of andere typen paardenhouderijen, genoemd in de tabel in artikel 5 lid 5.1.1 van dit plan, waarbij:  het soort, aantal en/of de grootte van de voorzieningen is afgestemd op de aard en omvang van de bedrijfsvoering;  paardenbakken niet groter mogen zijn dan 20 meter x 60 meter;  verlichting/lichtmasten niet hoger mogen zijn dan 10 meter; f. transparante afscheidingen, in de vorm van palen met linten/koorden, ten behoeve van de weidegang door paarden, waarvan de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 1,5 meter; g. transparante afscheidingen, in de vorm van palen met prikkeldraad of (schapen)gaas, of daarmee vergelijkbare constructies, waarvan de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 1 meter.

54

6.4.2

Toelaatbaarheid afwijking

Burgemeester en wethouders maken uitsluitend gebruik van de in lid 6.4.1 genoemde afwijkingsmogelijkheid indien en voor zover: a. plaatsing van de betreffende bebouwing/voorziening binnen het bestaande bouwvlak niet (meer) mogelijk en/of doelmatig is; b. deze bebouwing/voorziening noodzakelijk dan wel gewenst is voor een doelmatige bedrijfsvoering van het ter plaatse gevestigde (grondgebonden) agrarisch bedrijf, waaronder begrepen logistieke en/of milieutechnische redenen; c. de waarden genoemd in lid 6.1.1 onder c. en d. niet in onevenredige mate worden aangetast; d. de ruimtelijke kwaliteit en karakteristiek van agrarische erven en het gebied niet noemenswaardig worden aangetast; met dien verstande dat: e. burgemeester en wethouders over de noodzaak en doelmatigheid van de bebouwing/voorziening voor de bedrijfsvoering advies kunnen inwinnen bij een agrarische deskundige; f. burgemeester en wethouders over de landschappelijke inpassing van de bebouwing advies inwinnen bij een landschapsdeskundige. 6.5

Specifieke gebruiksregels

6.5.1

Strijdig gebruik

Tot een strijdig gebruik van gronden en/of bouwwerken met deze bestemming wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 18 in ieder geval gerekend: a. het plaatsen en geplaatst houden van -niet als bouwwerk aan te merken(opslag)voorzieningen, zoals mestbassins, sleufsilo's en daarmee vergelijkbare voorzieningen, behoudens een omgevingsvergunning als bedoeld in 6.7; b. het gebruiken of laten gebruiken van de gronden voor het opslaan van mest, landbouwen/of agrarische producten dan wel materieel; c. het gebruiken of laten gebruiken van de gronden voor (de aanleg van) voorzieningen ten behoeve van paardenactiviteiten, zoals een paardenbak, draf-/renbaan, voor zover deze voorzieningen niet bestaand zijn of niet met een omgevingsvergunning kunnen worden gerealiseerd; d. het plaatsen en geplaatst houden van kampeermiddelen of enig ander onderkomen dan wel het plaatsen en geplaatst houden hiervan voor permanente bewoning; e. het scheuren van grasland, anders dan bedoeld in lid 6.5.3 en behoudens een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 6.7; hieronder wordt niet verstaan het scheuren van grasland ten behoeve van verbetering van de grasmat waarbij, na het scheuren, direct herinzaai plaatsvindt; f. het plaatsen en geplaatst houden van aanhangers, voertuigen, paardentrailers en daarmee vergelijkbare objecten; g.

het gebruik van de gronden voor bosbouw (behoudens landschapselementen), boomgaarden, Boskoopse cultures en bollenteelt. 6.5.2

Geen strijdig gebruik

In afwijking van artikel 6.5.1 wordt onder strijdig niet verstaan: a. het medegebruik van gronden ten behoeve van buitenopslag/stalling in directe relatie tot het ter plaatse van de functieaanduiding 'agrarisch loonbedrijf' gevestigde agrarisch aanverwante (loon)bedrijf. Voor buitenopslag en stalling is het concentratiebeginsel van toepassing.

55

6.5.3

Geen strijdig gebruik (beweiden van paarden en ruwvoederteelt)

Onder strijdig gebruik van de gronden met deze bestemming wordt niet verstaan: a. extensieve weidegang door paarden in relatie tot de bedrijfsuitoefening van de grondgebonden agrarische bedrijven en paardenhouderijen gevestigd ter plaatse van de aan deze gronden grenzende bouwvlakken, mits de bedrijfsuitoefening in overeenstemming is met de ter plaatse geldende bestemming en is afgestemd op de in lid 6.1.1 onder c. en d. genoemde waarden en aan deze waarden geen onevenredige afbreuk wordt gedaan, met dien verstande dat voor paardenhouderijen, in verband met de bescherming van de graslanden en de daarmee samenhangende vogelkundige waarden van het gebied, aanvullend de volgende regels gelden:  paarden dienen tijdens het broedseizoen (15 maart tot 15 juni) alleen te weiden in de zone van de bouwvlakken, tot een afstand van 150 meter vanaf de weg;  maailand verder het gebied in dient later te worden gemaaid (streven naar na 15 juni);  de grasmat mag niet worden gescheurd (niet rollen of slepen);  distels dienen mechanisch te worden bestreden (geen chemische bestrijdingsmiddelen toepassen);  er dient voor voldoende rust en openheid te worden gezorgd; b.

het beweiden van paarden van particulieren (hobbymatig houden van paarden), die op de aan deze gronden grenzende woonbestemmingen woonachtig zijn, met dien verstande dat: per woning of woonerf maximaal 4 paarden mogen worden gehouden en dit gebruik geen onevenredige afbreuk mag doen aan de in lid 6.1.1 onder c. en d. genoemde waarden; c. het scheuren van grasland ten behoeve van een tijdelijk ander gebruik van grasland als bouwland ten behoeve van de ruwvoedervoorziening van het grondgebonden agrarisch bedrijf, zoals maïsteelt, indien dit noodzakelijk is voor de agrarische bedrijfsvoering, waarbij de oppervlakte van het bouwland niet meer mag bedragen dan 20 % van de binnen de bestemming bij het bedrijf behorende gronden en de oppervlakte per bedrijf niet meer mag bedragen dan 8 ha.

56

6.6

Afwijken van de gebruiksregels

6.6.1

Kleinschalig kamperen

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 6.5 ten behoeve van het mede gebruik van de gronden voor kleinschalig kamperen, waarbij maximaal 25 kampeermiddelen en bijbehorende voorzieningen zijn toegestaan, uitsluitend in de periode van 15 maart tot en met 31 oktober, indien en voor zover: a. dit gebruik plaatsvindt in combinatie met en als ondergeschikte deeltijdactiviteit bij een grondgebonden agrarisch bedrijf; b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ruimtelijke kwaliteit en, voor zover van toepassing, de cultuurhistorische waarde van de bebouwing ter plaatse, dan wel de waarden genoemd lid 6.1.1 onder c. en d; c. dit gebruik en de daarbij behorende voorzieningen ruimtelijk dan wel landschappelijk goed worden ingepast, waarbij burgemeester en wethouders over de situering en inpassing advies inwinnen bij een landschapsdeskundige en de ruimtelijke kwaliteit en karakteristiek van agrarische erven en het gebied, daarbij in acht worden genomen.

57

6.7 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 6.7.1

Algemeen

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning, op en/of in de gronden met de in onderstaande tabel aangegeven (dubbel)bestemming(en), de daarbij aangegeven werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: (dubbel)bestemming(en)

werken en werkzaamheden1 a. b. c. d. e. f.

g. h. i.

Agrarisch met waarden Landschapswaarden

x

x

x

x

x

x

o

x

x

o

x

x

x

x

Leiding - Gas

x

x

x

x

o

x

x

x

o

x

x

o

o

o

x

x

x

x

x

Waarde - Archeologie 3

zie artikel 13

Waarde - Archeologie 4

zie artikel 14

Waterstaat - Waterkering

x

x

x

x

o

x

x

x

x

j.

k. l.

m n.

Verklaring: x= omgevingsvergunningplichtige activiteit o= niet-omgevingsvergunningplichtige activiteit ¹werken en werkzaamheden: a. het aanleggen en/of verharden van (kavel)wegen en het aanbrengen van oppervlakteverhardingen; b. het verlagen van de bodem, het afgraven, ontgrondingen, ophogen en/of egaliseren van de gronden, het ophogen van gronden (meer dan 10 cm) in verband met grootschalige verwerking van bagger; c. het aanleggen en/of dempen van watergangen, sloten, weidegreppels en andere waterlopen of het aanleggen van natuurelementen, zoals paddenpoels, tot een oppervlakte van 250 m²; d. het aanbrengen van boven- en/of ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur; e. het vellen en rooien van bomen, hakhout en andere houtopstanden en het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging tot gevolg hebben of kunnen hebben, met uitzondering van het vellen, rooien of beschadigen van fruitbomen en het periodiek afzetten van hakhout; f. diepwoelen of diepploegen, d.w.z. het extra diep omploegen van de gronden waarbij de kruidlaag volledig wordt omgeploegd (0,4 meter of meer diep); g. werken of werkzaamheden die wijziging van de waterhuishouding of waterstand beogen of tot gevolg hebben, zoals uitdiepen of draineren dan wel het leggen van drainageleidingen; h.

het beplanten met houtopstanden of het aanbrengen van hoogopgaande beplanting en/of diepwortelende beplanting, waaronder begrepen rietplanting (landschapselementen); i. het (chemisch) scheuren van grasland, anders dan voor normaal onderhoud, graslandverbetering of voor ruwvoederteelt overeenkomstig lid 6.5.3; j. het onttrekken van grondwater, anders dan ten behoeve van de veedrenking; k. het uitvoeren van heiwerken of het op een andere wijze indrijven van voorwerpen in de bodem; l. het aanleggen/plaatsen van -niet als bouwwerk aan te merken- (folie)mestbassins, sleufsilo's en daarmee vergelijkbare voorzieningen; m. het aanleggen van draf-/renbanen, paardenbakken, longeer-ruimten en/of andere vergelijkbare voorzieningen voor paarden, alsmede het opbrengen van een laag zand voor het houden van paarden; n. het opbrengen van zand en/of ander materiaal ten behoeve van een ander gebruik van het grasland.

58

6.7.2

Uitzonderingen

Het in lid 6.7.1 vervatte verbod is niet van toepassing op de volgende werken en werkzaamheden: a. het normale beheer en/of onderhoud van graslanden; b. reeds in uitvoering zijnde (legale) werken en werkzaamheden bij de tervisielegging van het ontwerp van dit plan of werken en werkzaamheden waarvoor reeds een aanlegvergunning is verleend; c. de aanleg en/of normaal onderhoud van natuurvriendelijke oevers. 6.7.3

Toelaatbaarheid omgevingsvergunning

De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 6.7.1 wordt slechts verleend, indien en voor zover de werken en/of werkzaamheden, waarop de vergunning betrekking heeft: a. geen onevenredige aantasting met zich meebrengen voor de landschappelijke, cultuurhistorische, vogelkundige en/of archeologische waarden van de gronden; b. de mogelijkheden voor het behoud, de versterking en/of het herstel van die waarden niet in onevenredige mate verkleinen; c. noodzakelijk zijn voor een doelmatig gebruik van de gronden overeenkomstig hun bestemming, waaronder ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering; d. geen belemmering met zich meebrengen voor bestaande agrarische bedrijfsvoeringen en/of de inrichting dan wel uitbreidingsmogelijkheden van agrarische bedrijfspercelen; en indien: e. een afweging van de in het geding zijnde belangen, waaronder begrepen het agrarisch belang, en voor zover aan de orde, de belangen die met de dubbelbestemmingen 'Leiding - Gas', 'Waarde - Archeologie 3', 'Waarde - Archeologie 4' en/of 'Waterstaat Waterkering' worden gediend, tot uitkomst heeft dat een omgevingsvergunning in redelijkheid niet kan worden geweigerd. 6.7.4

Advies omtrent omgevingsvergunning

Burgemeester en wethouders kunnen alvorens omtrent de aanvraag om omgevingsvergunning te beslissen advies inwinnen bij een landschapsdeskundige of een met betrekking tot de betreffende werken, werkzaamheden en/of gronden meest aangewezen instantie.

59

Artikel 7 7.1

Bedrijf

Bestemmingsomschrijving

7.1.1 Algemeen a. De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn, ter plaatse van de in onderstaande tabel aangegeven aanduiding, uitsluitend bestemd voor het daarbij aangegeven bestaande bedrijf of combinatie van bedrijvigheid: aanduiding

type bedrijf

'specifieke vorm van bedrijf agrarisch loonbedrijf' (sb - 09)

agrarisch aanverwant (loon)bedrijf

'caravanstalling'

een inpandig caravanstallingsbedrijf

met de daarbij behorende: b. bebouwing; c. ontsluitingswegen, paden en parkeerplaatsen; d. groen- en nutsvoorzieningen; e. waterlopen. 7.1.2

Dubbelbestemmingen

Voor zover de in lid 7.1.1 genoemde gronden tevens zijn aangewezen voor de bestemming(en) 'Leiding - Gas', 'Waarde - Archeologie 3', 'Waarde - Archeologie 4' en/of 'Waterstaat Waterkering', is het bepaalde in de regels behorende bij de desbetreffende bestemming(en), primair van toepassing. 7.2

Bouwregels

7.2.1

Algemeen

Op deze gronden mogen, met inachtneming van het bepaalde in lid 7.2.2 en lid 7.2.3, uitsluitend bouwwerken ten dienste van en noodzakelijk voor de bedrijfsvoering worden gebouwd, met dien verstande dat: a. de bebouwing ruimtelijk dan wel landschappelijk goed dient te worden ingepast, met inachtneming van de ruimtelijke kwaliteit en karakteristiek van het gebied; b. burgemeester en wethouders over de landschappelijke inpassing van bebouwing advies kunnen inwinnen bij een landschapsdeskundige. 7.2.2

Inrichting bestemmingsvlak

Voor de plaatsing van bouwwerken als bedoeld in lid 7.2.1 in het bestemmingsvlak gelden de volgende regels: a. gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gesitueerd; b. per bestemmingsvlak mag één bedrijf zijn gevestigd; c. per bestemmingsvlak is één bedrijfswoning toegestaan, voor zover deze in de in lid 7.2.3 onder c opgenomen tabel is aangegeven; d. indien een bedrijfswoning op enig moment is of wordt verkocht, of een bedrijfssplitsing of enige daarmee gelijk te stellen transactie plaatsvindt of heeft plaatsgevonden, waarbij die bedrijfswoning is of wordt afgestoten, blijft die woning tellen als een bedrijfswoning.

60

7.2.3

Maatvoering bebouwing

Voor de maatvoering van bouwwerken als bedoeld in lid 7.2.1 gelden de volgende regels: a. de inhoud van een bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 650 m³, inclusief aan- en uitbouwen, of indien de bestaande inhoud meer dan 650 m³ bedraagt, niet meer dan de bestaande inhoud, inclusief aan- en uitbouwen; b. gebouwen dienen te worden afgedekt met een kap waarvan de dakhelling ten minste 20º en ten hoogste 60º bedraagt; c. voor de bedrijfsgebouwen bij het bedrijf gevestigd op het in onderstaande tabel aangegeven adres, gelden de daarbij aangegeven maximum oppervlakte en goot- en/of bouwhoogte, met inbegrip van de bedrijfswoning, voor zover deze in onderstaande tabel zijn aangegeven: aanduiding ter plaatse van het 'specifieke vorm adres van bedrijf - ...'

09

bedrijfs- max. max. max. woning oppervlakte goothoogte bouwhoogt gebouwen gebouwen e gebouwen (m²) 1) (m) 2) (m) 2)

Huyssitterweg 7

1

3.400

5

11

1) exclusief bedrijfswoningen en aan- en uitbouwen 2) geldt ook voor inpandige bedrijfswoningen; voor niet-inpandige bedrijfswoningen zie d.

d. de hoogte van overige bouwwerken mag niet meer bedragen dan aangegeven in onderstaande tabel: bouwwerken

max. goothoogte (meter)

max. bouwhoogte (meter)

bedrijfswoningen, voor zover niet-inpandig

4,5

8

overige gebouwen

3

6

erf- of perceelafscheidingen op ten minste 1 m achter de voorgevel(rooi)lijn

-

2

-

1

-

3

overige erf- of perceelafscheidingen overige bouwwerken, geen gebouw zijnde

e. indien ten tijde van de tervisielegging van het ontwerp van dit plan de goothoogte, dakhelling en/of bouwhoogte van gebouwen afwijkt van het vorenstaande, geldt de bestaande goothoogte, dakhelling en/of bouwhoogte voor deze gebouwen als maximum en mag deze niet worden vergroot.

61

7.3

Nadere eisen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd aanvullend op het bepaalde in lid 7.2 nadere eisen te stellen ten aanzien van de situering en afmeting van bouwwerken, in verband met: a. een goede ruimtelijke dan wel landschappelijke inpassing van bebouwing op het bouwperceel dan wel in het gebied; b. het behoud, herstel dan wel de versterking van de karakteristieken dan wel waarden van het gebied en/of van (de cultuurhistorische waarde van) de bebouwing; c. het concentratiebeginsel, waarbij de bebouwing zodanig wordt gesitueerd dat er sprake is van een functionele en/of ruimtelijke eenheid; d. de situering, gebruiksmogelijkheden en/of de (beperking van) bezonning van de aangrenzende gronden en/of bouwwerken; e. geluidaspecten, milieuaspecten, verkeersveiligheid of andere veiligheidsaspecten. 7.4

Afwijken van de bouwregels

7.4.1

Inrichting bouwvlak/maatvoering bebouwing

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in lid 7.2.2 of lid 7.2.3 ten behoeve van: a. het plaatsen van bouwwerken, geen gebouw zijnde, buiten het bouwvlak, met dien verstande dat de bouwhoogte van deze bouwwerken niet meer mag bedragen dan 3 meter; b. de afdekking van gebouwen met een andere dakhelling en/of een platte afdekking van gebouwen, indien zulks voor een doelmatige bedrijfsuitoefening noodzakelijk is of uit ruimtelijk oogpunt gewenst is; c. een goothoogte van gebouwen van ten hoogste 6 meter, daar waar volgens de tabellen in lid 7.2.3 een lagere goothoogte is aangegeven. 7.4.2

Toelaatbaarheid afwijking

Burgemeester en wethouders maken uitsluitend gebruik van de in lid 7.4.1 genoemde afwijkingsmogelijkheid, indien en voor zover: a. vaststaat dat de afwijking en/of bebouwing noodzakelijk is voor een doelmatige bedrijfsvoering; b. door toepassing van deze afwijkingsmogelijkheid geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de uiterlijke verschijningsvorm en/of de cultuurhistorische waarde van de bebouwing, de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse van het bouwperceel dan wel de waarden (landschappelijke en/of natuurwaarden) verbonden aan de bestemming van de gronden, die aan het bouwvlak grenzen; c. de afwijking, bebouwing en/of voorzieningen ruimtelijk dan wel landschappelijk goed worden ingepast, met inachtneming van de ruimtelijke kwaliteit en karakteristiek van het gebied, ten aanzien waarvan burgemeester en wethouders advies kunnen inwinnen bij een landschapsdeskundige.

62

7.5

Specifieke gebruiksregels

7.5.1

Strijdig gebruik

Tot een strijdig gebruik van gronden en/of bouwwerken met deze bestemming wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 18, in ieder geval gerekend: a. het splitsen van een bedrijfswoning in meerdere woningen, wooneenheden of appartementen danwel of het gebruiken of laten gebruiken van bedrijfsgebouwen voor bewoning; b. het plaatsen en geplaatst houden van kampeermiddelen of enig ander onderkomen op een bedrijfsperceel, anders dan overeenkomstig de bestemming; c. het uitoefenen van een bedrijf dan wel bedrijfsactiviteiten als bedoeld in de Staat van bedrijfsactiviteiten, anders dan overeenkomstig de bestemming; d. het uitoefenen van horeca(bedrijf) en detailhandel, met inbegrip van bedrijfsgebonden detailhandel, behoudens het bepaalde in lid 7.5.2; e. het plaatsen van en geplaatst houden van bouwwerken/voorzieningen in verband met of ten behoeve van het houden van paarden, zoals een paardenbak of paddock; f. het plaatsen en geplaatst houden van aanhangers, voertuigen, paardentrailers en daarmee vergelijkbare objecten op een bedrijfsperceel of in/onder bouwwerken, anders dan overeenkomstig de bestemming of een aanhanger of auto voor eigen gebruik; g. het plaatsen, geplaatst houden en/of het opslaan van containers, andere objecten, goederen, materialen e.d. op een bedrijfsperceel, anders dan overeenkomstig de bestemming; h.

het plaatsen, geplaatst houden en/of opslaan van containers op een bedrijfsperceel, waarbij containers in meer dan 2 lagen worden gestapeld; i. het plaatsen, geplaatst houden en/of het opslaan van objecten, goederen, materialen e.d. op een bedrijfsperceel, op een wijze die leidt tot een aantasting van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse of van aangrenzende percelen dan wel een aantasting van de landschappelijke waarden van het gebied. 7.5.2

Geen strijdig gebruik

Onder strijdig gebruik van de gronden met deze bestemming wordt niet verstaan: a. het medegebruik van bouwwerken voor bedrijfsgebonden detailhandel, uitsluitend voor zover deze situatie bestaand is en een ondergeschikt, niet zelfstandig onderdeel van de bedrijfsvoering vormt. b. het medegebruik van gronden ten behoeve van buitenopslag/stalling in directe relatie tot het ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - agrarisch loonbedrijf' gevestigde bedrijf en/of een ondergeschikt bedrijf zoals beschreven in artikel 7.5.3. Voor buitenopslag en stalling is het concentratiebeginsel van toepassing. 7.5.3

Aantal bedrijven per bestemmingsvlak

In afwijking van het bepaalde onder 7.2.2 lid b zijn meerdere bedrijven per bestemmingsvlak toegestaan, met dien verstande dat: a. het maximum aantal bedrijven het aantal bedrijven is dat gevestigd was ten tijde van de ter inzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan; b. de gebouwen en gronden hoofdzakelijk gebruikt dienen te worden ten behoeve van het ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - agrarisch loonbedrijf' gevestigde agrarische loonbedrijf; c. de milieucategorie van de gevestigde ondergeschikte bedrijven naar aard en milieu-planologische hinder maximaal gelijk mag zijn aan het onder b genoemde bedrijf.

63

7.6

Wijzigingsbevoegdheid

7.6.1

Ander type bedrijf

Burgemeester en wethouders zijn op grond van het bepaalde in artikel 3.6 van de Wro bevoegd een in lid 7.1.1 genoemde aanduiding van specifieke vorm van bedrijf te wijzigen in een andere aanduiding van specifieke vorm van bedrijf of de aanduiding van specifieke vorm van bedrijf te verwijderen, ten behoeve van: a. een landelijk bedrijf; b. een ander bedrijf, zoals genoemd in de categorie 1, 2 of 3 van de Staat van bedrijfsactiviteiten indien dit milieutechnisch inpasbaar is; c. een ander bedrijf, dat niet zijn genoemd in de Staat van bedrijfsactiviteiten, maar dat naar aard en milieu-planologische hinder gelijk is te stellen met een bedrijf genoemd onder b. 7.6.2

Voorwaarden wijziging

Voor de toepassing van de in lid 7.6.1 genoemde wijzigingsbevoegdheid, gelden de volgende voorwaarden: a. de wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van een landelijk bedrijf wordt uitsluitend toegepast indien bij dat type bedrijf geen (nieuwe) bedrijfswoning noodzakelijk is en voor zover het aantal verkeersbewegingen gerelateerd aan de betreffende bedrijfsfunctie passend is in het betrokken gebied; b. de wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van andere bedrijven wordt uitsluitend toegepast indien de ter plaatse te vestigen bedrijfscategorie niet zwaarder is dan de bedrijfscategorie van het bedrijf dat overeenkomstig het bepaalde in lid 7.1.1 ter plaatse is bestemd of indien het ter plaatse te vestigen bedrijf naar aard en milieu/planologische hinder, niet belastender is dan het bedrijf dat overeenkomstig het bepaalde in lid 7.1.1 ter plaatse is bestemd; c. ter toets van de aard, omvang en het toekomstperspectief van het ter plaatse te vestigen bedrijf, dient vooraf bij burgemeester en wethouders een bedrijfsplan te worden ingediend; d. burgemeester en wethouders kunnen over de aard, omvang en het toekomstperspectief van de ter plaatse te vestigen bedrijfsvoering danwel over de noodzaak en doelmatigheid van de gewenste bebouwing/voorzieningen advies inwinnen bij een deskundige op het gebied van de bedrijfsfunctie; e.

in de bij het wijzigingsplan behorende regels wordt aangegeven, welk type bedrijf op het betreffende perceel is toegestaan, alsmede de gebruiksmogelijkheden en daarbij toegestane bebouwing en voorzieningen met bijbehorende maatvoering, met dien verstande dat het bepaalde in artikel 7 van overeenkomstige toepassing is, voor zover in het wijzigingsplan niet anders is geregeld; daarbij dient zoveel als mogelijk gebruik te worden gemaakt van de bestaande gebouwen; f. indien een bestaande bedrijfswoning op het bouwperceel aanwezig is, overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.2.2, wordt deze woning aangemerkt als de bedrijfswoning behorende bij de nieuwe bedrijfsfunctie; g. indien er geen bedrijfswoning overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.2.2 op het bouwperceel aanwezig is, is geen bedrijfswoning bij de nieuwe bedrijfsfunctie toegestaan; h. indien het bouwperceel wordt (her)ingericht, dient bij burgemeester en wethouders vooraf een inrichtingsplan te worden ingediend, op basis waarvan onder andere de ruimtelijke dan wel landschappelijke inpassing van de bebouwing (inclusief ontsluiting en parkeren) kan worden getoetst; i. de wijziging mag geen toename van de bestaande oppervlakte aan bedrijfsbebouwing met zich meebrengen; j.

de bebouwing ten behoeve van de bedrijfsvoering dient landschappelijk goed te worden ingepast, met inachtneming van de kwaliteit van het gebied, ten aanzien waarvan burgemeester en wethouders advies kunnen inwinnen bij een landschapsdeskundige; k. er mag door de wijziging geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan de waarden verbonden aan de bestemming van de gronden die aan het bestemmingsvlak/bouwvlak grenzen of de cultuurhistorische waarde van bebouwing ter plaatse dan wel in de directe omgeving;

64

l.

de wijziging mag niet tot gevolg hebben dat omliggende (agrarische) bedrijven in onevenredige mate in hun bedrijfsvoering worden aangetast; m. de wijziging mag geen onevenredige schade, hinder of andere nadelige (milieu)gevolgen voor de omgeving met zich meebrengen. n. er mag ten behoeve van de nieuwe functie geen opslag/stalling in de open lucht, onder overkappingen en/of in kassen plaatsvinden, behoudens opslag/stalling overeenkomstig de bestemming; o. de wijze waarop aan de nieuwe functie uitvoering wordt gegeven, dient te passen bij de specifieke kwaliteiten van de omgeving en mag niet leiden tot een aantasting van het landelijke karakter van het gebied, o.a. door visuele aspecten, zoals reclame-uitingen. 7.6.3

Bewoning bestaande woning(en) na beëindiging bedrijfsvoering

Burgemeester en wethouders zijn op grond van het bepaalde in artikel 3.6 van de Wro bevoegd de bestemming 'Bedrijf' van de gronden ter plaatse van een bestaand bedrijf genoemd in de in lid 7.1.1 opgenomen tabel, te wijzigen in de bestemming 'Wonen Grondgebonden' als bedoeld in artikel 11, ten behoeve van het gebruik van de bestaande bedrijfswoning(en) als burgerwoning(en), indien is komen vast te staan dat de bedrijfsvoering geheel is beëindigd en wijziging van de bestemming gewenst/noodzakelijk is. In deze wijzigingsbevoegdheid is inbegrepen: de mogelijkheid tot splitsing van de voormalige bedrijfswoning in twee woningen overeenkomstig het bepaalde in artikel 11.7.1 en artikel 11.7.2 of toevoeging van een woning aan een bestaand bijgebouw bij de voormalige bedrijfswoning. Tevens is in deze wijzigingsbevoegdheid de mogelijkheid inbegrepen tot het verwijderen van het bouwvlak en een eventuele wijziging van een deel van de bestemming 'Bedrijf' in de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' als bedoeld in artikel 6 voor zover deze gronden niet voor 'Wonen - Grondgebonden' worden aangewezen. 7.6.4

Voorwaarden wijziging

Voor de toepassing van de in lid 7.6.3 genoemde wijzigingsbevoegdheid gelden de volgende voorwaarden: a. de gronden ter plaatse van en aansluitend op de bestaande voormalige bedrijfswoning(en) worden aangewezen met de bestemming 'Wonen - Grondgebonden', waarbij:  de grootte van het bijbehorende bestemmingsvlak wordt afgestemd op de inrichting van het erf, de omvang en/of waarde van de aanwezige bebouwing;  het bepaalde in artikel 11 van overeenkomstige toepassing is, voor zover in het wijzigingsplan niet anders is bepaald; b. eventueel resterende gronden (die niet voor 'Wonen - Grondgebonden' worden bestemd), wordt de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' als bedoeld in artikel 6 toegekend; c. alle voormalige bedrijfsgebouwen dienen te worden gesloopt; d. burgemeester en wethouders kunnen toestaan dat een deel van de voormalige bedrijfsgebouwen behouden blijft, indien deze kunnen fungeren als bijgebouwen bij de bestaande woning(en) en geen onevenredig afbreuk doen aan de ruimtelijke kwaliteit en/of waarden van andere bebouwing ter plaatse of van het gebied; e.

bij een herinrichting van het bouwperceel dient vooraf bij burgemeester en wethouders een inrichtingsplan te worden ingediend, op basis waarvan onder ander de meerwaarde van de wijziging voor de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse en de ruimtelijke dan wel landschappelijke inpassing van de instand te houden bebouwing en/of nieuwbouw kunnen worden getoetst; f. voor zover voormalige bedrijfsgebouwen niet worden gesloopt, dienen deze te fungeren als bijgebouw(en) bij de woning(en); indien deze gebouwen door de wijziging (deels) buiten het bestemmingsvlak komen te staan, is op die gebouwen het overgangsrecht van toepassing; g. het aantal woningen binnen het bestemmingsvlak mag door de wijziging niet worden vergroot, behoudens toepassing van artikel 11.7.1;

65

h. er mag door de wijziging geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan de ruimtelijke kwaliteit en/of de cultuurhistorische waarde van de bebouwing ter plaatse dan wel aan de waarden (landschappelijke en/of natuurwaarden) verbonden aan de bestemming van de gronden, die aan het bestemmingsvlak grenzen. 7.6.5

Nieuwbouw woningen (Ruimte voor ruimte-regeling)

Burgemeester en wethouders zijn op grond van het bepaalde in artikel 3.6 van de Wro en de Spelregels transformatie glastuinbouwgebied Meeslouwerpolder bevoegd de bestemming 'Bedrijf' te wijzigen met dien verstande dat: 1. de bedrijfsvoering van het ter plaatse gevestigde bedrijf binnen de gebiedsaanduiding 'Wetgevingszone - wijzigingsgebied 1' is of wordt beëindigd; 2. wijziging van de bestemming ten behoeve van de woonfunctie gewenst dan wel noodzakelijk is en de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse door de wijziging noemenswaardig zal verbeteren; 3. de bouw van een nieuwe burgerwoning als compensatie voor de sloop van kassen/waterbassins en/of bedrijfsgebouwen wordt gerealiseerd binnen de gebiedsaanduiding 'Wetgevingszone - wijzigingsgebied 2'; 4. de nieuwe woonbebouwing conform de vormgevingseisen gesteld in de beeldkwaliteitsparagraaf tot stand komen; 5. de bebouwing dient landschappelijk goed te worden ingepast, met inachtneming van de in de kwaliteit van het gebied, ten aanzien waarvan burgemeester en wethouders advies kunnen inwinnen bij een landschapsdeskundige; 6. burgemeester en wethouders de provincie Zuid-Holland actief betrekt en om advies vraagt alvorens besluitvorming plaatsvindt over het in procedure brengen van een wijzigingsplan.

Voor zover van toepassing, worden bij de wijziging de betreffende aanduiding en het bouwvlak ter plaatse van het voormalige bedrijf verwijderd en delen van de bestemming 'Bedrijf' gewijzigd in de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' als bedoeld in artikel 6

66

7.6.6

Voorwaarden wijziging

Voor de toepassing van de in lid 7.6.5 genoemde wijzigingsbevoegdheid gelden de volgende voorwaarden: a. voor de bestaande voormalige bedrijfswoning(en) geldt het bepaalde in lid 7.6.4; b. voor de bouw van nieuwe woningen geldt dat de gronden per woning zullen worden bestemd als 'Wonen - Grondgebonden', met dien verstande dat: 1. de (overige) voormalige bedrijfsgebouwen dienen te worden gesloopt, met uitzondering van bedrijfsgebouwen die als bijgebouwen bij de voormalige bedrijfswoning(en) worden aangemerkt en/of cultuurhistorisch waardevol zijn; 2. ten minste 5.000 m2 bvo aan kassen/waterbassins of ten minste 1.000 m² bvo aan bedrijfsgebouwen gesloopt wordt; 3. flexibiliteit ten opzichte van de onder sub 2 genoemde oppervlaktes mogelijk is om de ruimtelijke kwaliteit in het gebied te verhogen; 4. De wijziging enkel kan worden toegepast indien sprake is van een haalbaar initiatief waarbij de burgemeester en wethouders aanvragen beoordelen op basis van hun bijdrage aan verbetering van de ruimtelijke kwaliteit; c.

voor de inrichting van de nieuwe bouwpercelen dient vooraf bij burgemeester en wethouders een inrichtingsplan te worden ingediend, op basis waarvan onder andere de meerwaarde van de wijziging voor de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse en de ruimtelijke dan wel landschappelijke inpassing van de nieuwbouw (inclusief bijbehorende voorzieningen, zoals ontsluiting, parkeren) kunnen worden getoetst; d. de grootte en situering van de voor de nieuwe woningen op te nemen bestemmingsvlakken met de bestemming 'Wonen - Grondgebonden' dient te worden afgestemd op het aantal nieuw te bouwen woningen, de inrichting van de erven en de inpassing daarvan in het gebied; e. het bepaalde in artikel 11 is van overeenkomstige toepassing voor de nieuw te bouwen woningen, voor zover in het wijzigingsplan niet anders is geregeld; f. eventueel resterende gronden (die niet voor 'Wonen - Grondgebonden' worden bestemd), wordt de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' als bedoeld in artikel 6 toegekend; g. de bebouwing dient landschappelijk goed te worden ingepast, met inachtneming van de kwaliteit van het gebied, ten aanzien waarvan burgemeester en wethouders advies kunnen inwinnen bij een landschapsdeskundige; h.

op geen van de gevels van de nieuw te bouwen woning(en), bij voltooiing, mag de geluidbelasting de ter plaatse toegestane voorkeursgrenswaarde krachtens de Wet geluidhinder wordt overschreden; i. de wijziging mag niet tot gevolg hebben dat omliggende (agrarische) bedrijven in onevenredige mate in hun bedrijfsvoering worden aangetast; j. de wijziging mag geen onevenredige schade, hinder of andere nadelige (milieu)gevolgen voor de omgeving met zich meebrengen; k. indien in het kader van de grondexploitatiewetgeving kosten (o.a plankosten) worden verhaald bij de bij de bouw van de nieuwe woningen belanghebbende partij(en), dient vóór de vaststelling van het betreffende wijzigingsplan, een anterieure overeenkomst met die partij(en) te zijn gesloten of van gemeentewege een exploitatieplan te zijn vastgesteld.

67

Artikel 8

Bedrijf - Gasdrukmeet- en regelstation'

8.1

Bestemmingsomschrijving

8.1.1

Algemeen

De voor 'Bedrijf - Gasdrukmeet- en regelstation'' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. een gasdrukmeet- en regelstation; b. ondergrondse en bovengrondse leidingen en toebehoren; c. met de daarbij behorende voorzieningen, zoals wegen, paden, parkeervoorzieningen, lichtvoorzieningen, erf- en terreinafscheidingen en groen. 8.1.2

Dubbelbestemmingen

Voor zover de in lid 8.1.1 genoemde gronden tevens zijn aangewezen voor de bestemming(en) 'Leiding - Gas', 'Waarde - Archeologie 3', 'Waarde - Archeologie 4' en/of 'Waterstaat - Waterkering', is het bepaalde in de regels behorende bij de desbetreffende bestemming(en), primair van toepassing. 8.2

Bouwregels

8.2.1

Algemeen

Op deze gronden mogen, met inachtneming van het bepaalde in lid 8.2.2, uitsluitend bouwwerken ten dienste van en noodzakelijk voor de bestemming worden gebouwd, met dien verstande dat: a. de bebouwing ruimtelijk dan wel landschappelijk goed dient te worden ingepast, met inachtneming van de ruimtelijke kwaliteit en karakteristiek van het gebied; b. burgemeester en wethouders over de landschappelijke inpassing van bebouwing advies kunnen inwinnen bij een landschapsdeskundige. 8.2.2

Inrichting bestemmingsvlak en maatvoering bebouwing

Voor de plaatsing van bouwwerken als bedoeld in lid 8.2.1 in het bestemmingsvlak gelden de volgende regels: a. gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gesitueerd, met dien verstande dat (bedrijfs)woningen niet zijn toegestaan; b. de gezamenlijke oppervlakte aan gebouwen ten behoeve van de bestemming mag per bestemmingsvlak niet meer bedragen dan 20 m²; c. de hoogte van overige bouwwerken mag niet meer bedragen dan aangegeven in onderstaande tabel: Bouwwerken

68

max. goothoogte (meter)

max. bouwhoogte (meter)

erf- of perceelafscheidingen op ten minste 1 m achter de voorgevel(rooi)lijn:

-

2

overige erf- of perceelafscheidingen

-

1

licht- en vlaggenmasten

-

12

technische installaties en overige bouwwerken, geen gebouw zijnde

-

10

8.3

Nadere eisen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd aanvullend op het bepaalde in lid 8.2 nadere eisen te stellen ten aanzien van de situering en afmeting van bouwwerken, in verband met: a. een goede ruimtelijke dan wel landschappelijke inpassing van bebouwing op het (bouw)perceel dan wel in het gebied; b. het behoud, herstel dan wel de versterking van de karakteristieken dan wel waarden van het gebied en/of van (de cultuurhistorische waarde van) de bebouwing; c. de situering, gebruiksmogelijkheden en/of de (beperking van) bezonning van de aangrenzende gronden en/of bouwwerken; d. geluidaspecten, milieuaspecten, verkeersveiligheid en/of andere veiligheidsaspecten. 8.4

Afwijken van de bouwregels

8.4.1

Erf- en perceelafscheidingen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in lid 8.2.2 onder c. ten behoeve van erf- en/of perceelafscheidingen voor de voorgevel(rooi)lijn tot een bouwhoogte van 3 meter. 8.4.2

Toelaatbaarheid afwijking

Burgemeester en wethouders maken uitsluitend gebruik van de in lid 8.4.1 genoemde afwijkingsmogelijkheid, indien en voor zover: a. vaststaat dat de afwijking of bebouwing ten dienste is van de bestemming, noodzakelijk is voor een doelmatig gebruik van de onderhavige gronden en geen onevenredige hinder veroorzaakt voor de omgeving; b. door toepassing van deze afwijkingsmogelijkheid geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ruimtelijke kwaliteit en/of waarden van de gronden dan wel de waarden (landschappelijke en/of natuurwaarden) verbonden aan de bestemming van de gronden, die aan het bestemmingsvlak grenzen; c. de afwijking of bebouwing ruimtelijk dan wel landschappelijk goed worden ingepast, met inachtneming van de ruimtelijke kwaliteit en karakteristiek van het gebied, ten aanzien waarvan burgemeester en wethouders advies kunnen inwinnen bij een landschapsdeskundige. 8.5

Wijzigingsbevoegdheid

8.5.1

Beëindiging nutsactiviteiten

Burgemeester en wethouders zijn op grond van het bepaalde in artikel 3.6 van de Wro bevoegd de bestemming 'Bedrijf - Gasdrukmeet- en regelstation'' te wijzigen in de bestemming van de gronden die direct aan het bestemmingsvlak grenzen, indien is komen vast te staan dat de nutsactiviteiten ter plaatse zijn beëindigd en het instandhouden van de bestemming niet langer noodzakelijk dan wel gewenst is. Bij wijziging is het bepaalde in het bij de betreffende bestemming behorende artikel, dienovereenkomstig van toepassing. 8.5.2

Voorwaarden wijziging

Voor de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid genoemd in lid 8.5.1 gelden de volgende voorwaarden: a. de wijziging mag in ruimtelijk en milieuhygiënisch opzicht geen verslechtering voor de omgeving met zich meebrengen; b. de wijziging mag de waarden van de omliggende gronden dan wel bebouwing geen schade toebrengen; c. de bebouwing dan wel voorzieningen dienen, voor zover deze geen cultuurhistorische waarden hebben, te worden verwijderd.

69

Artikel 9

Verkeer

9.1

Bestemmingsomschrijving

9.1.1

Algemeen

De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wegen en straten; b. op- en afritten; c. voet-, fiets-, ruiterpaden en menroutes; d. viaducten, ecoducten en bruggen; met de daarbij behorende: e. bebouwing; f. nutsvoorzieningen; g. voorzieningen voor geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer; h. geluidwerende voorzieningen; i. straatmeubilair en voorzieningen voor het openbaarvervoer; j. parkeervoorzieningen; k. aarden wallen; l. bermen en bermsloten; m. groenvoorzieningen; n. waterlopen. 9.1.2

Dubbelbestemmingen

Voor zover de in lid 9.1.1 genoemde gronden tevens zijn aangewezen voor de bestemming(en) 'Leiding - Gas', 'Waarde - Archeologie 3', 'Waarde - Archeologie 4' en/of 'Waterstaat - Waterkering', is het bepaalde in de regels behorende bij de desbetreffende bestemming(en), primair van toepassing. 9.2

Bouwregels

9.2.1

Algemeen

Op deze gronden mogen, met inachtneming van het bepaalde in lid 9.2.2 uitsluitend bouwwerken ten dienste van en/of noodzakelijk voor de bestemming worden gebouwd, met dien verstande dat: a. de bebouwing ruimtelijk dan wel landschappelijk goed dient te worden ingepast, met inachtneming van de ruimtelijke kwaliteit en karakteristiek van het gebied; b. burgemeester en wethouders over de landschappelijke inpassing van bebouwing advies kunnen inwinnen bij een landschapsdeskundige. 9.2.2

Inrichting bestemmingsvlak en maatvoering bebouwing

Voor de plaatsing van bouwwerken als bedoeld in lid 9.2.1 in het bestemmingsvlak gelden de volgende regels: a. de oppervlakte van gebouwen ten behoeve van een nutsvoorziening of het openbaar vervoer mag niet meer bedragen dan 5 m²; b. geluidwerende voorzieningen zijn toegestaan, voor zover deze bestaand zijn en de bestaande lengte en hoogte mogen niet worden vergroot; c. de bouwhoogte van bouwwerken mag niet meer bedragen dan aangegeven in onderstaande tabel:

70

Bouwwerken

max. goothoogte (meter)

max. bouwhoogte (meter)

Gebouwen/luifels

-

4

Viaducten, bruggen en daarmee vergelijkbare kunstwerken

-

10

Voorzieningen voor geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer

-

20

Geluidwerende voorzieningen

-

bestaand

Voorzieningen ten behoeve van het openbaar vervoer

-

4

Gebouwde nutsvoorziening

-

5

Erf- of perceelafscheidingen

-

1

Licht- en vlaggenmasten

-

12

Technische installaties en overige bouwwerken, geen gebouw zijnde

-

3

9.3

Nadere eisen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd aanvullend op het bepaalde in lid 9.2 nadere eisen te stellen ten aanzien van de situering en afmeting van bouwwerken, in verband met: a. een goede ruimtelijke dan wel landschappelijke inpassing van bebouwing in het gebied; b. het behoud, herstel dan wel de versterking van de karakteristieken dan wel waarden van het gebied; c. de situering, gebruiksmogelijkheden en/of de (beperking van) bezonning van de aangrenzende gronden en/of bouwwerken; d. geluidaspecten, milieuaspecten, verkeersveiligheid en/of andere veiligheidsaspecten. 9.4

Afwijken van de bouwregels

9.4.1

Erf- en perceelafscheidingen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in lid 9.2.2 onder c. ten behoeve van erf- en/of perceelafscheidingen tot een bouwhoogte van maximaal 3 meter. 9.4.2

Toelaatbaarheid afwijking

Burgemeester en wethouders maken uitsluitend gebruik van de in lid 9.4.1 genoemde afwijkingsmogelijkheid, indien en voor zover: a. vaststaat dat de afwijking of bebouwing ten dienste is van de bestemming, noodzakelijk is voor een doelmatig gebruik van de onderhavige gronden en geen onevenredige hinder veroorzaakt voor de omgeving; b. door toepassing van deze afwijkingsmogelijkheid geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ruimtelijke kwaliteit en/of waarden van de betreffende gronden dan wel de waarden (landschappelijke en/of natuurwaarden) verbonden aan de bestemming van de gronden, die aan het bestemmingsvlak grenzen; c. de afwijking of bebouwing ruimtelijk dan wel landschappelijk goed worden ingepast, met inachtneming van de ruimtelijke kwaliteit en karakteristiek van het gebied, ten aanzien waarvan burgemeester en wethouders advies kunnen inwinnen bij een landschapsdeskundige.

71

Artikel 10 10.1

Water

Bestemmingsomschrijving

10.1.1 Algemeen De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. water; b. watergangen en -partijen; c. waterhuishouding en -berging; d. verkeer te water; met de daarbij behorende: e. bebouwing, zoals oeververbindingen en aanlegsteigers; f. voorzieningen ten behoeve van water- en oeverrecreatie, zoals zwem- en visplaatsen; g. inlaatwerken; h. oevers, taluds en groenvoorzieningen. 10.1.2 Dubbelbestemmingen Voor zover de in lid 10.1.1 genoemde gronden tevens zijn aangewezen voor de bestemming(en) 'Leiding - Gas', 'Waarde - Archeologie 3', 'Waarde - Archeologie 4' en/of 'Waterstaat - Waterkering', is het bepaalde in de regels behorende bij de desbetreffende bestemming(en), primair van toepassing. 10.2

Bouwregels

10.2.1 Algemeen Op deze gronden mogen, met inachtneming van het bepaalde in lid 10.2.2, uitsluitend bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van en/of noodzakelijk voor de bestemming worden gebouwd, waaronder mede begrepen oeververbindingen, met dien verstande dat: a. de bebouwing ruimtelijk dan wel landschappelijk goed dient te worden ingepast, met inachtneming van de ruimtelijke kwaliteit en karakteristiek van het gebied; b. burgemeester en wethouders over de landschappelijke inpassing van bebouwing advies kunnen inwinnen bij een landschapsdeskundige. 10.2.2 Inrichting bestemmingsvlak en maatvoering bebouwing Voor de bouw van bouwwerken als bedoeld in lid 10.2.1 gelden de volgende regels: a. de hoogte van bouwwerken mag niet meer bedragen dan aangegeven in onderstaande tabel:

72

Bouwwerken

max. goothoogte (meter)

max. bouwhoogte (meter)

Inlaatwerken

-

4

Overige bouwwerken

-

3

10.3

Specifieke gebruiksregels

10.3.1 Strijdig gebruik Tot een strijdig gebruik van gronden en/of bouwwerken met deze bestemming wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 18, in ieder geval gerekend: a. het gebruik van gronden en/of bouwwerken op een wijze die de waterhuishouding dan wel het waterbergend vermogen op enige wijze negatief beïnvloedt; b. het gebruiken of laten gebruiken van de gronden als stand- of ligplaats voor onderkomens, woonschepen en woonarken.

73

Artikel 11 11.1

Wonen - Grondgebonden

Bestemmingsomschrijving

11.1.1 Algemeen De voor 'Wonen - Grondgebonden' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen; met daaraan ondergeschikt: b. de uitoefening van een aan huis verbonden beroep; c. het hobbymatig houden van paarden, met dien verstande dat: per woning maximaal 4 paarden mogen worden gehouden en dit gebruik geen onevenredige afbreuk mag doen aan de onder a. genoemde bestemming dan wel aan de waarden verbonden aan de bestemming van de gronden die aan de onder a. genoemde bestemming grenzen; d. een plattelandswoning ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen plattelandswoning'; met de daarbij behorende: e. bebouwing; f. tuinen en erven; g. ontsluitingswegen, paden en parkeerplaatsen; h. groen- en nutsvoorzieningen; i. waterlopen. 11.1.2 Dubbelbestemmingen Voor zover de in lid 11.1.1 genoemde gronden tevens zijn aangewezen voor de bestemming(en) 'Leiding - Gas', 'Waarde - Archeologie 3', 'Waarde - Archeologie 4' en/of 'Waterstaat - Waterkering', is het bepaalde in de regels behorende bij de desbetreffende bestemming(en), primair van toepassing. 11.2

Bouwregels

11.2.1 Algemeen Op deze gronden mogen ten dienste van de bestemming uitsluitend worden gebouwd: a. woningen (hoofdgebouwen); b. aan- en uitbouwen en bijgebouwen; c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde; met dien verstande dat: d. de bebouwing ruimtelijk dan wel landschappelijk goed dient te worden ingepast, met inachtneming van de ruimtelijke kwaliteit en karakteristiek van (woon)erven en het gebied; e. burgemeester en wethouders over de landschappelijke inpassing van bebouwing advies kunnen inwinnen bij een landschapsdeskundige. 11.2.2 Inrichting bestemmingsvlak Voor de plaatsing van bouwwerken als bedoeld in lid 11.2.1 in het bestemmingsvlak gelden de volgende regels: a. per bestemmingsvlak is één woning met bijbehorende aan-, uit-, bijgebouwen en voorzieningen toegestaan; b. aan- en uitbouwen en bijgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd op ten minste 3 meter achter het verlengde van de naar de weg gekeerde gevel van de woning; c. de afstand van een bijgebouw tot de woning mag niet meer bedragen dan 20 meter; d. bij vervangende nieuwbouw van een woning dient de nieuwe woning te worden gesitueerd op de plaats van de bestaande woning, die door de betreffende nieuwbouw wordt vervangen;

74

e. de afstand van een woning tot de weg mag niet minder bedragen dan de bestaande afstand; f. de afstand van een woning tot de zijdelingse perceelsgrenzen mag niet minder bedragen dan 3 meter, met dien verstande dat indien de bestaande afstand minder is dan 3 meter, de bestaande afstand als minimum dient te worden aangehouden en niet mag worden verkleind; g. voorzieningen voor mestopslag en (hobby)kassen zijn toegestaan. 11.2.3 Maatvoering bebouwing Voor bouwwerken als bedoeld in lid 11.2.1 geldt de volgende maatvoering: a. de grondoppervlakte van een woning mag niet meer bedragen dan 150 m 2; b. de inhoud van een woning, inclusief aan-, uitbouwen en bijgebouwen, mag niet meer bedragen dan 650 m3; c. voor zover de grondoppervlakte en/of inhoud van een woning ten tijde van de tervisielegging van het ontwerp van dit plan reeds meer bedraagt dan het bepaalde in lid a. en/of b. geldt de bestaande grondoppervlakte en/of inhoud als maximum en mag deze maat niet worden vergroot; d. woningen dienen te worden afgedekt met een kap, waarvan de dakhelling ten minste 50º bedraagt; e. overige gebouwen dienen te worden afgedekt met een kap of afdekking, waarvan de dakhelling ten minste 45º en ten hoogste 60º bedraagt; f. de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen (inclusief kassen) mag per woning niet meer bedragen dan 50 m 2; g.

de gezamenlijke oppervlakte van voorzieningen voor mestopslag mag per woning niet meer bedragen dan 10 m²; h. de gezamenlijke grondoppervlakte van (hobby)kassen mag per woning niet meer bedragen dan 18 m²; i. de gezamenlijke oppervlakte van overkappingen mag per woning niet meer bedragen dan 30 m²; j. de hoogte van bouwwerken mag niet meer bedragen dan aangegeven in onderstaande tabel: bouwwerken

max. goothoogte (meter)

max. bouwhoogte (meter)

woningen

4,50

9

overige gebouwen

3

6

pergola's en overkappingen

-

3

erf- of perceelafscheidingen op ten minste 1 meter achter de voorgevel(rooi)lijn

-

2

overige erf- of perceelafscheidingen

-

1,20

voorzieningen voor mestopslag

-

1

overige bouwwerken, geen gebouw zijnde

-

2,50

k.

indien ten tijde van de tervisielegging van het ontwerp van dit plan de goothoogte, dakhelling, bouwhoogte en/of totale oppervlakte van (bij)gebouwen afwijkt van het vorenstaande, geldt de bestaande goothoogte, dakhelling, bouwhoogte en/of totale oppervlakte van gebouwen als maximum en mag deze niet worden vergroot.

75

11.3

Nadere eisen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd aanvullend op het bepaalde in lid 11.2 nadere eisen te stellen ten aanzien van de situering en afmeting van bouwwerken, in verband met: a. een goede ruimtelijke dan wel landschappelijke inpassing van bebouwing op het bouwperceel dan wel in het gebied; b. de situering, gebruiksmogelijkheden en/of de (beperking van) bezonning van de aangrenzende gronden en/of bouwwerken; c. geluidaspecten, milieuaspecten, verkeersveiligheid en/of andere veiligheidsaspecten. 11.4

Afwijken van de bouwregels

11.4.1 Inrichting bestemmingsvlak/ maatvoering bebouwing Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in lid 11.2.2 en lid 11.2.3 ten behoeve van: a. een (hekwerk/omheining voor een) paardenbak of paddock, indien zulks ten dienste is van het hobbymatig houden van maximaal 4 paarden en op het bouwperceel ruimte is voor een aanvaardbare inpassing van deze voorziening, met dien verstande dat:  de paardenbak of paddock qua grootte dient te worden afgestemd op de omvang van het bouwperceel, waarbij de oppervlakte niet meer mag bedragen dan 20 meter x 60 meter;  de bouwhoogte van het hekwerk/de omheining van de paardenbak of paddock niet hoger mag bedragen dan 1,5 meter; b. een andere situering van woningen, aan-, uitbouwen en/of bijgebouwen dan wel het hanteren van andere onderlinge afstanden of afstanden tot de weg of zijdelingse perceelsgrenzen, indien zulks uit stedenbouwkundig en/of milieutechnisch en -hygiënisch oogpunt toelaatbaar dan wel gewenst is; c. een grotere grondoppervlakte van een woning, indien zulks om onder andere medische redenen noodzakelijk dan wel gewenst en vanuit stedenbouwkundig oogpunt toelaatbaar is, met dien verstande dat het bepaalde in lid 11.2.3 onder b. van overeenkomstige toepassing is; d.

een gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen (inclusief kassen) tot een maximum van 75 m², indien zulks uit ruimtelijk dan wel stedenbouwkundig oogpunt passend is; e. de afdekking van gebouwen met een andere dakhelling, indien zulks vanuit stedenbouwkundig oogpunt of milieu/duurzaamheid overwegingen gewenst dan wel passend is; f. een andere goot-/bouwhoogte voor gebouwen, indien dit uit ruimtelijk dan wel stedenbouwkundig oogpunt gewenst dan wel passend is; g. erf- en perceelafscheidingen voor de voorgevel(rooi)lijn met een bouwhoogte van maximaal 1,5 meter.

76

11.4.2 Toelaatbaarheid afwijking Burgemeester en wethouders maken uitsluitend gebruik van de in lid 11.4.1 genoemde afwijkingsmogelijkheid, indien en voor zover: a. door toepassing van deze afwijkingsmogelijkheid geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de uiterlijke verschijningsvorm en/of de cultuurhistorische waarde van de bebouwing, de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse van het bouwperceel dan wel de waarden (landschappelijke en/of natuurwaarden) verbonden aan de bestemming van de gronden, die aan het bestemmingsvlak grenzen; b. de afwijking en/of bebouwing ruimtelijk dan wel landschappelijk goed worden ingepast, met inachtneming van de ruimtelijke kwaliteit en karakteristiek van (woon)erven en het gebied, ten aanzien waarvan burgemeester en wethouders advies kunnen inwinnen bij een landschapsdeskundige; c. door de afwijking en/of bebouwing geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de belangen van de in de omgeving gelegen (agrarische) bedrijven; d. de functie en het gebruik van de gronden en bouwwerken in de omgeving door de afwijking en/of bebouwing niet (onevenredig) worden belemmerd; e. geen onevenredige schade, hinder of andere nadelige (milieu)gevolgen voor de omgeving door de afwijking en/of bebouwing wordt veroorzaakt; f. de functie die met het bouwen overeenkomstig de afwijkingsmogelijkheid wordt beoogd, geen onevenredige verkeersaantrekkende werking heeft; g.

bij enige verkeerstoename als gevolg van de functie die met het bouwen overeenkomstig de afwijkingsmogelijkheid wordt beoogd, de wegenstructuur ter plaatse dan wel in de nabijheid van het bouwperceel waar de functie gewenst is, enige verkeerstoename als gevolg van die functie kan verdragen, mede gelet op de ligging, het karakter van die weg(en) en de gebiedswaarden; h. het parkeren op eigen erf plaatsvindt. 11.5

Specifieke gebruiksregels

11.5.1 Strijdig gebruik Tot een strijdig gebruik van gronden en/of bouwwerken met deze bestemming wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 18, in ieder geval gerekend: a. het splitsen van een woning in meerdere woningen, wooneenheden of appartementen danwel het realiseren van een woonfunctie in bijgebouwen, voor zover geen toepassing is gegeven aan het bepaalde in lid 11.4.1 onder d. of aan een in lid 11.7 genoemde wijzigingsbevoegdheid; b. het beoefenen van een paardenpension; c. het gebruiken van (een deel van) de gronden als (en/of voor de aanleg van een) paardenbak of paddock, voor zover geen toepassing is gegeven aan de in lid 11.4.1 genoemde afwijkingsmogelijkheid; d. het uitoefenen van bedrijfsactiviteiten als bedoeld in de Staat van bedrijfsactiviteiten, voor zover geen toepassing is gegeven aan een in lid 11.6 genoemde afwijkingsmogelijkheid; e. het uitoefenen van horeca(bedrijf) en detailhandel, voor zover geen toepassing is gegeven aan een in lid 11.6 genoemde afwijkingsmogelijkheid; f. het plaatsen en geplaatst houden van kampeermiddelen, aanhangers, voertuigen, paardentrailers en daarmee vergelijkbare objecten op een perceel, in bouwwerken en/of onder overkappingen, behoudens de stalling van maximaal twee auto's, een aanhanger en/of het inpandig stallen van een caravan voor eigen gebruik.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leidschendam&id=c8688ade-aee6-41f3-bb5a-943582439a9e