2173-06 Bijlagen Toelichting_Bijlage 3 Quickscan flora & fauna.pdf
Tekst van het document
QuickScan Flora en fauna Vlietvoorde te Leidschendam Gemeente Leidschendam-Voorburg Rapport nr. 20190102 Maart 2019
Taharo
Ecologisch advies Valleiweg 51 30911 DB Rhenen www.taharo.nl
1
Inhoudsopgave 1 Inleiding Werkwijze QuickScan flora en fauna
3 3
2 Planbeschrijving Ligging van het plangebied Huidige situatie Toekomstige situatie
4 4 4 6
3 Toetsing gebiedsbescherming Wettelijke gebiedsbescherming Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid 4 Toetsing beschermde houtopstanden
9 9 9 11
5 Toetsing soortbescherming Vogels Vleermuizen Grondgebonden zoogdieren Reptielen Amfibieën Vissen Ongewervelde dieren Vaatplanten
12 13 14 14 15 15 16 16 16
6 Conclusie
17
7 Samenvatting
18
8 Geraadpleegde bronnen
19
2
1
Inleiding
Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen geldt dat deze in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid moeten worden uitgevoerd. In het kader van een bestemmingsplanwijziging, om woningbouw te kunnen realiseren, is door middel van een verkennend flora- en faunaonderzoek (quickscan) een beoordeling gemaakt van de mogelijke effecten die het plan kan hebben op beschermde natuurwaarden. Hierdoor wordt duidelijk of het plan in overeenstemming is met de natuurwetgeving. De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Omtrent houtopstanden is de voormalige nationale Boswet eveneens in de Wet natuurbescherming opgenomen. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS).
Werkwijze quickscan flora en fauna In de quickscan zijn de gevolgen van de ruimtelijke ingreep afgezet tegen de aanwezige natuurwaarden vanuit de Wet natuurbescherming en planologisch beschermde natuurwaarden. Deze werkwijze vloeit voort uit de brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van Economische Zaken van december 2016. Om een beeld te krijgen van de huidige natuurwaarden is op 17 maart 2019 van circa 15.30 – 17.30 uur door een ecoloog van Taharo1 een verkennend veldbezoek gebracht aan het plangebied en de directe omgeving hiervan. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek betroffen: zwaarbewolkt, met een westzuidwestenwind van 4 Bft, 7 °C en geen neerslag. Tijdens het veldbezoek is gelet op de potentiele aanwezigheid van beschermde soorten op basis van het aanwezige habitat en nest/verblijfsmogelijkheden. Daarnaast is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van ‘expert judgement’ nagegaan welke beschermde planten- en diersoorten voor kunnen komen binnen en nabij het plangebied en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Zuid-Holland geraadpleegd.
Aan de hand van het verkennende onderzoek is vervolgens beoordeeld welke beschermde soorten daadwerkelijk voor (kunnen) komen binnen het plangebied en is er vervolgens een inschatting gemaakt van de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling op beschermde natuurwaarden.
1
Taharo is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus en heeft als doel kwaliteitsbevordering en belangenbehartiging. Onze werkzaamheden voeren wij dan ook uit volgens de door het NGB vastgestelde gedragscode (versie juni 2008, aangevuld in februari 2010). De medewerkers binnen de discipline ecologie voldoen aan de door het Ministerie van EZ genoemde voorwaarden voor ter zake deskundigen op het gebied van ecologisch onderzoek.
3
2
Planbeschrijving
Ligging van het plangebied Het plangebied is gelegen ten noordoosten van de kern van Leidschendam, tussen Leidschendam en Voorburg, aan de rand van Park Vlietland. Volgens de topografische kaart van Nederland kaartblad 30G (schaal 1:25.000) zijn de coördinaten van het midden van het plangebied X = 088.850, Y = 457.494. Het plangebied is rood omkaderd weergegeven op de luchtfoto (figuur 1) en rood omcirkeld weergegeven op de topografische kaart (figuur 2).
Figuur 1. Luchtfoto met het plangebied rood omlijnd (bron: Google maps).
Huidige situatie Het plangebied ligt ingeklemd tussen de provinciale weg N447 en het kanaal de Vliet. Het plangebied is een voormalig kassengebied en bestaat momenteel voornamelijk uit een tamelijk uitgestrekt kaal gebied zonder bomen of struiken, met vooral graslanden en relatief smalle en kale vaarten tussen de graslanden door. Er staan nog slechts een paar alleenstaande bomen in het vrije veld. Op de luchtfoto (fig. 1) zijn nog veel kassen te zien, deze zijn inmiddels voor het grootste deel verwijderd, Er staan alleen in het noordelijk deel nog een paar kascomplexen van Kwekerij Duivenvoorde. Er zijn binnen het plangebied enkele woonhuizen aanwezig met tuinen er omheen, die intact blijven. In het westelijk deel ligt een groot stuk onbegroeide kale vlakte, met grondophopingen, waar voorheen de kassen hebben gestaan. In het midden van het plangebied zijn eveneens grondwerken, evenals aan de noordkant van het plangebied.
Figuren 4 t/m 15 geven een impressie van het plangebied.
4
Figuur 2. Topografische kaart plangebied (rode cirkel).
Figuur 3. Toekomstige gewenste situatie
5
Toekomstige gewenste situatie In de toekomstige gewenste situatie is dit gebied een aantrekkelijk woongebied geworden met veel groen en veel aandacht voor de natuur. Figuur 3 geeft een impressie van de toekomstige gewenste situatie.
Figuur 4. Toegangsweg binnen het plangebied met aan de linkerkant de kale vlakte met grondophopingen aan de rechterkant graslanden.
Figuur 5. Overzicht van het centrum van het plangebied. Foto genomen richting het noordoosten.
Figuur 6. Vaart middden door het plangebied. Deze vaart is representatief voor de vaarten die binnen het plangebied aanwezig zijn.
Figuur 7. Centrum van het plangebied met op de achtergrond nog enkele kassen.
Figuur 8. Vaart in het zuiden van het plangebied. Ook deze vaart is representatief voor de vaarten die binnen het plangebied
Figuur 9. Het plangebied voornamelijk bestaand uit nat grasland. Op het moment van het veldbezoek waren veel weidevogels aanwezig.
6
Figuur 10. Het plangebied bestaat voornamelijk uit nat grasland.
Figuur 11. Vaart aan de noordkant van he plangebied, met bos op de achtergrond. Deze vaart behoort niet meer tot het plangebied.
Figuur 12. Plangebied, gezien vanaf zuidkant met op de voorgrond de Vliet.
Figuur 13. Plangebied, gezien vanaf zuidkant met op de voorgrond de Vliet.
de
Figuur 14. De kale onbegroeide vlakte in het westelijk deel van het plangebied.
de
Figuur 15. Grondophoping op het westelijk deel van het plangebied.
7
3
Toetsing gebiedsbescherming
Wettelijke gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijnen Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde wettelijke beschermde natuurgebied is Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide op 5.5 km afstand. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. De ontwikkeling betreft woningbouw op een plek waar momenteel graslanden aanwezig zijn, maar waar in het verleden kassencomplexen aanwezig waren. Gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als licht en geluid uitgesloten.
Daar de voorgenomen ontwikkeling de sloop van bedrijven en kassen (grotendeels al afgerond) en nieuwbouw van woningen betreft, kan een toename aan stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied niet geheel uitgesloten worden. Vervolgonderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming, onderdeel Natura 2000, in de vorm van een Aeriusberekening wordt dan ook noodzakelijk geacht.
Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Het plangebied is niet gelegen binnen het Natuurnetwerk Nederland (zie figuur 14). Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNN ligt ten noordoosten van, en grenst aan van het plangebied.
Gezien de aard van de voorgenomen plannen, waarin natuur een grote rol gaat spelen, zullen de wezenlijke kenmerken en waarden van de huidige staat van het NNN niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het NNN wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.
8
Figuur 21. Ligging van het plangebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden, de rode cirkel geeft de ligging van het plangebied weer.
9
4
Toetsing beschermde houtopstanden
De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Aangezien er binnen het plangebied geen bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen bevat, binnen het plangebied aanwezig zijn die mogelijk zouden gaan verdwijnen, is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde.
10
5
Toetsing soortenbescherming
De Wet natuurbescherming heeft, voor wat betreft soortenbescherming, betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën:
Nationaal beschermde soorten (artikel 3.10 Wnb) Europees beschermde soorten (artikel 3.5 Wnb) Vogels (artikel 3.1 Wnb)
De Wet natuurbescherming regelt dat de provincie bevoegd gezag is en de lijst met te beschermen soorten kan aanpassen op de situatie in de provincie. De soortbescherming kan hierdoor per provincie verschillen. In het algemeen gelden voor alle drie de categorieën de zogenoemde verbodsregels. Een ontheffing hierop wordt voor de eerste categorie (art. 3.10 Wet natuurbescherming) met een lichte toets verleend. Voor de tweede en derde categorie geldt een zware toetsing. Het verschil binnen provincies zit vooral in het aantal nationaal beschermde soorten met een vrijstelling bij onder meer ruimtelijke ontwikkelingen. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.11 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend.
Vanaf 1 januari 2017 moet, onder de Wet natuurbescherming, bij ruimtelijke ontwikkelingen naast de zorgplicht ook rekening gehouden worden met juridisch zwaarder beschermde soorten vanuit nationaal en Europees oogpunt. Beschermde soorten vanuit nationaal oogpunt betreffen soorten uit ‘bijlage A en B’ van de Wet natuurbescherming. Beschermde soorten vanuit Europees oogpunt betreffen soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, de soorten uit Bijlage 1 en 2 Verdrag van Bern, en Bijlage 1 verdrag van Bonn, en alle in Europa inheemse vogels (Vogelrichtlijn). Op de ‘Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten’ van het Ministerie van LNV (augustus 2009) wordt onderscheid gemaakt in verschillende categorieën vogelnesten. Van de meeste vogelsoorten zijn de nesten uitsluitend beschermd wanneer deze tijdens de broed- en nestperiode in gebruik zijn. Het gaat om soorten die jaarlijks nieuwe nesten maken. Van een aantal soorten roofvogels en uilen, koloniebroeders en gebouw bewonende vogelsoorten (‘categorie 1-4 soorten’) zijn de nesten en de functionele leefomgeving jaarrond beschermend. Ten slotte is er een categorie nesten van vogelsoorten die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed, maar die over voldoende flexibiliteit beschikken om, als die broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen (‘categorie 5-soorten’).
Vooralsnog is het uitgangspunt dat
11
deze indeling gehandhaafd blijft, totdat de provincies deze hebben aangepast en vastgesteld. Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op de beschermde soorten. Treden er effecten op, dan dient er gekeken te worden of er (provinciale) vrijstelling verleend kan worden (al dan niet door te werken volgens een goedgekeurde gedragscode), of dat er een alternatieve oplossing mogelijk is waardoor er geen negatief effect kan plaatsvinden. Indien dit niet mogelijk is, zal ontheffing aangevraagd moeten worden op basis van een geldig wettelijk belang, waarbij de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten niet in het geding komt. De ontheffing kan dan onder voorwaarden worden verleend. Vogels Tijdens het veldbezoek zijn in en rond het plangebied diverse weidevogels (o.a. kievieten, scholeksters), watervogels (o.a. meerkoet, wilde eend, zwaan, grauwe gans, middelste zaagbek, blauwe reiger) en verder een paar witte kwikstaartjes, en rondom de huizen enkele koolmeesjes, pimpelmeesjes, roodborstjes en een paar vinkjes waargenomen. In de nabije omgeving (op 0-1 km afstand van het plangebied) zijn waarnemingen bekend van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten zoals boomvalk, sperwer, buizerd, en gebouwbewonende vogels met jaarrond beschermde nesten zoals gierzwaluw en huismus.
Er zijn rondom de huizen geen gebouwbewonende vogels aangetroffen. Er zijn geen hoge bomen met grote takkennesten, of holtes aanwezig binnen het plangebied. Binnen het plangebied zijn voor overige vogels met jaarrond beschermde nesten, zoals genoemde roofvogels, geen geschikte nestplaatsen aangetroffen. Het plangebied is momenteel, nu er geen kassen meer staan, mogelijk wel geschikt als foerageergebied voor roofvogels als buizerd, sperwer, boomvalk et cetera. Subconclusie Bij uitvoering van de plannen gaan geen nestlocaties van soorten met een jaarrond beschermde status, of een beschermde status vanuit lokale bescherming, verloren. Er zijn geen bomen aanwezig die geschikt zijn voor jaarrond beschermde nesten, en de gebouwen waar mogelijk gebouwbewonende vogels hun verblijfplaats hebben, blijven geheel intact. Tot 2017 was hier een groot kassencomplex, en slechts recentelijk is dit gebied mogelijk foerageergebied van de buizerd, sperwer, boomvalk etc. Het fungeert dus momenteel mogelijk wel als tijdelijk foerageergebied, maar niet als essentieel foerageergebied. Er is feitelijk dus ook geen afname, maar momenteel slechts een tijdelijke toename van foerageergebied voor deze roofvogels. Daarnaast blijven de weidegebieden ten noorden en noordoosten van het plangebied intact waardoor er ruim voldoende foerageergebied was en blijft.
De lokale populatie roofvogels zal door de ontwikkeling met zekerheid niet in gevaar komen. Binnen het plangebied kunnen niet-jaarrond beschermde nesten verstoord worden in de opgaande houtige beplanting rondom de bestaande huizen, in het hoge gras (bijv. kievietsnesten) en in de slootkanten (bijv. eenden- of meerkoetnesten). Voor de
12
betreffende vogelsoorten geldt dat, indien het verwijderen van het opgaand groen in de houtige beplanting, het grondwerk in de huidige grasvlaktes, en de werken aan de slootkanten, buiten het broedseizoen wordt uitgevoerd, er redelijkerwijs geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot broedvogels. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Bij twijfel over de aan/afwezigheid van een verlaat broedgeval (bijvoorbeeld van een merel) dient een controle hieromtrent zekerheid te bieden. De voorgenomen plannen zullen geen afname van essentieel broedhabitat veroorzaken van een vogelsoort, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties is dan ook uitgesloten. Vleermuizen Uit het plangebied en/of nabije omgeving (0-1 km) zijn vanuit de NDDF-waarnemingen bekend van diverse soorten vleermuizen, o.a. gewone dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, baardvleermuis, watervleermuis, meervleermuis en laatvlieger. Alle soorten vleermuizen zijn Europees beschermde soorten, hiervoor geldt geen provinciale vrijstelling. De kassen zijn ongeschikt voor vleermuizen.
Mogelijke verblijfplaatsen zouden de huizen kunnen zijn, deze huizen en tuinen blijven echter aanwezig binnen het plan. De overige bomen staan zeer geïsoleerd en hebben geen connectie met overige delen van het plangebied. Deze bomen hebben daarnaast geen holtes of loszittend schors. Deze bomen zijn om die reden niet geschikt als verblijfplaats, met uitzondering van de knotwilg (fig. 12) die mogelijk wel geschikte verblijfplaatsen zou kunnen hebben, maar die eveneens zeer geïsoleerd staat. De knotwilg is onbereikbaar voor vleermuizen. De watergangen zijn kaal en de oevers zijn zeer karig begroeid. Er is geen opgaande houtige beplanting langs de oevers, en daarom zijn deze vaarten en de Vliet onaantrekkelijk als foerageergebied of vliegroute voor de watervleermuis. Er zijn geen bomenrijen, of watergangen aanwezig die eventueel als essentiële vliegroute kunnen fungeren. subconclusie Er zijn binnen het plangebied op de open gebieden geen essentiële foerageergebieden aanwezig van vleermuizen. Binnen het plangebied zijn de kassen ongeschikt voor vleermuizen. De aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen, vliegroutes of essentiële foerageergebieden voor vleermuizen kunnen in het plangebied op de open velden redelijkerwijze uitgesloten worden. De huizen kunnen mogelijk wel verblijfplaatsen bevatten. Deze blijven intact.
Er verdwijn en door de ingreep geen verblijfplaatsen, vliegroutes of foerageergebieden voor vleermuizen. Grondgebonden zoogdieren Het plangebied vormt geschikt habitat voor grondgebonden zoogdieren. Soorten als veldspitsmuis, konijn, egel etc. kunnen gebruik maken van het plangebied. Door de aanwezigheid van voldoende alternatief foerageergebied in de weiden ten noorden en noordoosten van het plangebied, betreft de ontwikkeling geen afname van essentieel foerageergebied voor deze soorten. Daarbij geldt voor al deze soorten een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. In het kader van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om tijdens de werkzaamheden voldoende zorg te dragen voor (incidenteel)
13
aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Dieren moeten de gelegenheid krijgen om het werkgebied zelfstandig en veilig te kunnen verlaten. Indien noodzakelijk dienen soorten zorgvuldig te worden verplaatst naar buiten het werkgebied. In de omgeving van het plangebied zijn enkele niet-vrijgestelde grondgebonden zoogdieren bekend vanuit de NDFF. Het gaat om de eekhoorn en de waterspitsmuis. De eekhoorn heeft in dit kale gebied geen habitat wegens het ontbreken van bomen. Voor de waterspitsmuis zijn de oevers momenteel eveneens te kaal, en onbegroeid. Momenteel is er geen geschikt habitat voor de waterspitsmuis. In de nieuwe situatie wordt echter de situatie voor de waterspitsmuis verbeterd, er komen meer milieuvriendelijke oevers, en daardoor komt er meer ruimte voor de waterspitsmuis. Subconclusie Met de ontwikkeling binnen het plangebied gaat geen (essentieel) leefgebied van een grondgebonden zoogdiersoort verloren. Inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties van soorten is niet aan de orde. In het kader van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen.
Reptielen In de omgeving van het plangebied zijn geen niet-vrijgestelde reptielen bekend vanuit de NDFF en vanuit de verspreidingsgegevens van RAVON. Beschermde soorten reptielen zijn, gezien het aanwezige ongeschikte habitat, niet te verwachten binnen, en in de buurt van het plangebied. Negatieve effecten voor reptielen zijn dan ook op voorhand uit te sluiten. Amfibieën In de omgeving van het plangebied zijn algemene soorten bekend als bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander. Bij ruimtelijke ontwikkeling geldt voor deze soorten een provinciale vrijstelling. Binnen het plangebied kan incidenteel een dergelijke soort, zoals bijvoorbeeld de gewone pad, worden aangetroffen onder losse stenen of stammetjes. In de omgeving van het plangebied zijn meerdere niet-vrijgestelde amfibieën bekend vanuit de NDFF, te weten kamsalamander en rugstreeppad. Momenteel is het plangebied niet geschikt voor de kamsalamander. DE graslanden zijn te kaal, en de oevers van de vaarten hebben geen uittredemogelijkheden voor de kamsalamander. De kamsalamander houdt zich waarschijnlijk op in de natuurgebieden ten zuidoosten van de Vliet. De toekomstige inrichting zal mogelijk wel meer gelegenheid bieden voor de kamsalamander. De rugstreeppad kan mogelijk wel voorkomen binnen het plangebied.
Er is ruimschoots vergraafbaar zand aanwezig, en ook zijn er diepe wielsporen aanwezig waar water in kan staan, waar de rugstreeppad zijn voortplanting heeft. Subconclusie De voorgenomen plannen zullen geen een afname van geschikt essentieel habitat van de kamsalamander veroorzaken, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van populaties is dan ook uitgesloten. Wel kan verstoring of het doden van de rugstreeppad
14
aan de orde zijn. Onderzoek naar de aanwezigheid van de rugstreeppad is dan ook noodzakelijk. In het kader van de algemene zorgplicht is het eveneens noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor eventueel passerende individuen van andere soorten amfibieën. Vissen Binnen het plangebied zijn vanuit NDFF-gegevens geen beschermde vissen bekend. De aanwezige vaarten zijn evenmin geschikt voor beschermde vissen, die hier om die reden geen habitat hebben. Subconclusie Negatieve effecten op beschermde vissen zijn op voorhand uitgesloten.
Beschermde ongewervelde diersoorten In de ruime omgeving van het plangebied zijn geen waarnemingen bekend van beschermde soorten libellen of vlinders. Daarbij biedt het plangebied geen geschikt (voortplantings)habitat voor deze soortgroepen. Aantasting van (deel)populaties van een beschermde libellen- of vlindersoort is met zekerheid niet aan de orde. De aanwezigheid van beschermde ongewervelde soorten, zoals vliegend hert, en Europese rivierkreeft is eveneens uitgesloten. Binnen het plangebied en in de omgeving is hiervoor geen geschikt habitat aanwezig. Wel is in de omgeving (0-1 km) de platte schijfhoren aanwezig. Dit slakje leeft in niet verontreinigd, stilstaand tot langzaam stromend, zoet, eutroof water met een rijke, ondergedoken vegetatie (cf. habitattype 3150). Dit kunnen zowel plassen als sloten of vaarten zijn. De slakken leven in de vegetatie of zweven aan het wateroppervlak, waar ze zich voeden met algen of ander plantaardig materiaal. In de vaarten binnen het plangebied is slechts zeer weinig ondergedoken vegetatie aanwezig, waardoor de aanwezigheid van de platte schijfhoorn redelijkerwijze uitgesloten is. De aanwezigheid van de platte schijfhoren in de directe omgeving, zal waarschijnlijk de locatie zijn in de wateren en natuurgebieden ten zuidoosten van de Vliet, maar zeker niet de vaarten die door het plangebied lopen.
Subconclusie Negatieve effecten voor beschermde ongewervelde soorten zijn op voorhand uitgesloten. Vaatplanten In de directe omgeving van het plangebied zijn geen waarnemingen bekend van de beschermde vaatplanten. Er zijn binnen het plangebied geen beschermde vaatplanten aangetroffen. Om die reden is de aanwezigheid van beschermde vaatplanten redelijkerwijs uitgesloten. Subconclusie Negatieve effecten voor beschermde vaatplanten worden op voorhand uitgesloten.
15
6
Conclusie
Gelet op de potentiele ecologische waarden kan het voorgenomen plan in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, in acht te worden genomen: Het verdwijnen van mogelijke vaste rust- en verblijfplaatsen van de rugstreeppad binnen het plangebied, is niet op voorhand uit te sluiten. Nader onderzoek naar de functie van het plangebied voor de rugstreeppad wordt noodzakelijk geacht. Ten aanzien van broedvogels zonder jaarrond beschermde nesten dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten. Ten behoeve van (incidenteel) aanwezige algemene soorten dient de zorgplicht in acht te worden genomen. Daarnaast zal met betrekking tot het onderdeel Natura 2000, middels een enkelvoudige Aerius-berekening, inzichtelijk moeten worden gemaakt of er sprake is van een significantie toename van de stikstofdepositie ter plaatse van Natura 2000-gebieden. Vervolgonderzoek ten behoeve van het NNN en/of toetsing aan het onderdeel houtopstanden (voormalige Boswet) is bij dit plan verder niet aan de orde.
16
7
Samenvatting
In onderstaande tabel is samengevat of de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten kan hebben op beschermde soorten en/of gebieden, en wat de eventuele vervolgstappen zijn, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningtrajecten. In de tabel is tevens weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel I. Overzicht (potentiele) aanwezigheid beschermde soorten/gebieden en te nemen vervolgstappen Soortgroep
Algemeen
Potentieel
Sprake van
Vervolgtraject / maat-
Bijzonderheden / op-
aanwezig
verstoring
regelen
merkingen
Plangebied buiten broed-
Globale broedseizoen
seizoen bouwrijp maken
loopt van maart tot half
of controle vooraf
augustus
Ja
Nee
Broedvogels Jaarrond
Nee
Nee
-
-
Nee
Nee
-
-
Minimaal
Nee
-
-
Minimaal
Nee
-
-
Grondgebonden zoogdieren Ja
Mogelijk
Zorgplicht
Reptielen
Nee
-
beschermd Verblijfplaats Vleermui-
Foerageerha-
zen
bitat Vliegroutes
Nee
Heeft betrekking op een soort als de egel. Indien essentieel dient
Amfibieën
Ja
Mogelijk
Vervolgonderzoek naar gebruik rugstreeppad
een ontheffing aangevraagd te worden
Vissen
nee
Nee
-
-
Ongewervelden
Nee
Nee
-
-
Vaatplanten
Nee
Nee
-
-
Afstand
Sprake van
tot gebied
aantasting
Gebiedsbescherming
Natura 2000
ca. 5,5 km
Mogelijk
Vervolgtraject
Bijzonderheden / opmerkingen
AERIUS-berekening om
Indien depositie onder de
het effect van de stikstof-
grenswaarde blijft is er
uitstoot op beschermde
geen vervolgstap noodza-
gebieden te toetsen
kelijk Wezenlijke ecologische
Natuurnetwerk Nederland
0 km
Nee
-
waarde en kenmerken blijven gelijk
Houtopstanden
-
Nee
-
Niet van toepassing
17
8
Geraadpleegde bronnen
Algemene Literatuur Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (red.) 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, Leiden/ European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Dietz C., O. von Helversen & D. Nill 2011. Vleermuizen. Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. De Fontein/Tirion Uitgevers, Utrecht. Limpens, H., J. Regelink & R. Koelman 2010. Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Ministerie van Economische Zaken 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse fauna 5. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden. Algemene websites bij12.nl (kennisdocumenten van o.a.
huismus en diverse vleermuissoorten) eis-nederland.nl (soortgegevens ongewervelden) floron.nl (soortgegevens planten) ravon.nl (soortgegevens amfibieën, reptielen en vissen) sovon.nl (soortgegevens vogels) synbiosys.alterra.nl/natura2000 (Natura 2000-gebieden) verspreidingsatlas.nl/planten (verspreidingsgegevens planten) vlinderstichting.nl (soortgegevens vlinders en libellen) wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2017-03-01 (wettekst Wet natuurbescherming) www.zoogdiervereniging.nl (soortgegevens zoogdieren) Provinciale websites www.zuid-holland.nl (NNN en beschermde gebieden in Zuid-Holland) http://pzh.b3p.nl/viewer/app/NNN (grenzen beschermde gebieden)
18