CConstaterende datLeidschendam-Voorburg
Koppel je AI →
Document · PDF

2077 Oosteinde 3 Plattelandswoning_Toelichting

Raadsvergadering 9 maart 2021, gemeente Leidschendam-VoorburgBij agendapunt: Raadsvoorstel: Vaststellen bestemmingsplan Oosteinde 3 Plattelandswoning (2077).13.712 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Oosteinde 3 Plattelandswoning

bestemmingsplan Oosteinde 3 Plattelandswoning

2

(vastgesteld)

bestemmingsplan Oosteinde 3 Plattelandswoning

Inhoudsopgave

Toelichting

5

Hoofdstuk1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging en begrenzing van het plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplannen 1.4 Leeswijzer

6 6 6 7 8

Hoofdstuk2 Beleidskader 2.1 Rijksbeleid 2.2 Provinciaal beleid 2.3 Gemeentelijk beleid

9 9 10 13

Hoofdstuk3 Huidige situatie 3.1 Inleiding 3.2 Bestaande functies en ruimtelijke structuren

15 15 15

Hoofdstuk4 Toekomstige situatie 4.1 Visie op het plangebied 4.2 Feitelijke ontwikkelingen in het plangebied 4.3 Gevolgen voor dit ruimtelijk plan / besluit

17 17 17 17

Hoofdstuk5 Ladder voor duurzame verstedelijking 5.1 Algemeen 5.2 Nieuwe stedelijke ontwikkeling

19 19 19

Hoofdstuk6 Milieu- en omgevingsaspecten 6.1 Water 6.2 Bodem 6.3 Luchtkwaliteit 6.4 Geluid 6.5 Natuurbescherming 6.6 Milieuzonering 6.7 Externe veiligheid 6.8 Vormvrije m.e.r.-beoordeling

21 21 24 24 26 27 28 30 32

Hoofdstuk7 Cultureel erfgoed 7.1 Archeologie 7.2 Cultuurhistorie

35 35 40

Hoofdstuk8 Juridische vormgeving 8.1 Systematiek van de bestemmingsregels 8.2 Inleidende regels 8.3 Bestemmingsplanregels 8.4 Algemene regels, overgangs- en slotregels 8.5 Toepassing en handhaving van het bestemmingsplan

41 41 41 41 42 42

Hoofdstuk9 Uitvoerbaarheid 9.1 Economische uitvoerbaarheid 9.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

43 43 43

Inhoudsopgave (vastgesteld)

3

bestemmingsplan Oosteinde 3 Plattelandswoning

4

(vastgesteld)

bestemmingsplan Oosteinde 3 Plattelandswoning

Toelichting

Toelichting (vastgesteld)

5

bestemmingsplan Oosteinde 3 Plattelandswoning

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

De erfgenamen van de voormalige eigenaar zijn voornemens de bedrijfswoning aan Oosteinde 3 te verkopen. Hiermee is het feitelijk gebruik als bedrijfswoning niet meer van toepassing. Om te voorkomen dat dit feitelijk gebruik bij een bestemmingsplanherziening zal moeten worden gelegaliseerd door een woonbestemming toe te voegen, heeft de centrale wetgever op 1 januari 2013 de wet 'Plattelandswoningen' aangenomen. Deze wet maakt het mogelijk een voormalige bedrijfswoning te bewonen, zonder dat de bestemming dient te wijzigen naar de bestemming 'Wonen', wat omliggende agrarische bedrijven door milieuzonering zou hinderen in hun bedrijfsvoering. Het is dan ook het voornemen om de agrarische bedrijfswoning om te zetten naar een plattelandswoning. Het gebruik van de woning als plattelandswoning is strijdig met het nu geldende bestemmingsplan 'Landelijk gebied'. Om de woning als zodanig te kunnen gebruiken is voorliggend postzegelbestemmingsplan opgesteld.

1.2

Ligging en begrenzing van het plangebied

Het plangebied is gelegen aan Oosteinde 3 te Leidschendam. De planlocatie is ten noorden van de kern Stompwijk en ten zuiden van de kern Zoeterwoude-Dorp gelegen. Ten westen van het plangebied is de A4 gelegen. Aan de oostzijde is het gebied ontsloten via de N206 (Oosteinde). De oprit die over de Stompwijkse Vaart gaat verbindt het plangebied met de N206. Het plangebied is kadastraal bekend onder SWK03, sectie I, perceel 35. De oppervlakte bedraagt 1512 m². Om de relatie met het naastgelegen perceel aan te tonen is een gedeelte, het agrarisch bedrijfscentrum, van dat perceel meegenomen in dit bestemmingsplan. Dit perceel is kadastraal bekend onder SWK03, sectie I, perceel 104. Het oppervlak van het agrarisch bedrijfscentrum beslaat 4.400 m². Op de navolgende afbeeldingen zijn de globale ligging en begrenzing van het plangebied weergegeven.

Globale ligging plangebied Oosteinde 3 (Bron: Google Maps)

6

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Oosteinde 3 Plattelandswoning

Globale begrenzing plangebied Oosteinde 3 (Bron: Google Maps)

1.3

Vigerend bestemmingsplannen

Voor het plangebied gelden voorafgaand aan de vaststelling van het voorliggende plan de volgende, gedeeltelijk door dit plan te vervangen, juridisch-planologische regelingen: 1. bestemmingsplan "Landelijk Gebied", vastgesteld door de raad van de gemeente Leidschendam-Voorburg op 07 februari 2012. De gronden in het plangebied hebben deels de enkelbestemming 'Agrarisch met waarden - Natuur- en Landschapswaarden', de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie hoge verwachting'. Het andere gedeelte van het plangebied waar tevens de woning is gevestigd heeft de enkelbestemming 'Agrarisch', de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie hoge verwachting' en een bouwvlak. Het gehele plangebied bevat de gebiedsaanduiding 'overig: paardenbeleid agrarische gebieden'. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van het vigerende bestemmingsplan.

Toelichting (vastgesteld)

7

bestemmingsplan Oosteinde 3 Plattelandswoning

Uitsnede bestemmingsplan 'Landelijk Gebied' De aangewezen gronden voor de bestemming 'Agrarisch' zijn bestemd voor het agrarische bedrijfscentrum ten behoeve van de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf. De voorgenomen omzetting van de bedrijfswoning naar plattelandswoning kan niet binnenplans geregeld worden. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is voorliggend postzegelbestemmingsplan opgesteld.

1.4

Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 het plan beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante beleid opgenomen. Daarna komen in hoofdstuk 4 de verschillende onderzoeksaspecten aan de orde. Daaropvolgend wordt in hoofdstuk 5 het plan getoetst aan de 'Ladder voor duurzame verstedelijking'. Vervolgens worden in hoofdstuk 6 de ontwikkelingen getoetst aan de milieu- en omgevingsaspecten. In hoofdstuk 7 wordt ingegaan op cultureel erfgoed. Hoofdstuk 8 bevat vervolgens een juridische toelichting. Tot slot wordt in hoofdstuk 9 ingegaan op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.

8

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Oosteinde 3 Plattelandswoning

Hoofdstuk 2

Beleidskader

2.1

Rijksbeleid

2.1.1

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte 2040 (SIVR) is door het kabinet vastgesteld op 13 maart 2012. De SVIR geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau. In de SVIR schetst het Rijk haar ambities voor Nederland in 2040: een visie hoe Nederland er in 2040 voor moet staan. In de SVIR worden door het Rijk drie hoofddoelen geformuleerd om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028). Die hoofddoelen zijn: Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk economische structuur van Nederland; Het verbeteren, in standhouden en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. In de SVIR is aangegeven welke nationale belangen (lees: rijksbelangen) bij deze drie hoofddoelen aan de orde zijn en daarom waarop het rijk zal sturen.

Het gaat onder andere om de volgende nationale belangen: zorgen voor een goede ruimtelijk-economische structuur van Nederland (bijvoorbeeld samen met andere overheden zorgen voor een goed vestigingsklimaat); efficiënt gebruik van de bodem en ondergrond; hoofdnetwerken van wegen, spoor en vaarwegen in stand houden en beter benutten; de kwaliteit van lucht, bodem en water verbeteren; behoud van unieke cultuur en natuur, zoals de werelderfgoederen. Planspecifiek Binnen het plangebied spelen deze belangen, met uitzondering van het door het Rijk geformuleerde belang nummer 13 'zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten', geen rol. Het belang van zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming is door het Rijk doorvertaald in de zogenaamde ladder van duurzame verstedelijking, waarop in hoofdstuk 5 wordt ingegaan.

2.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014 en 1 juli 2016 op onderdelen aangevuld. Planspecifiek De voorgenomen plannen hebben gezien de aard en omvang van de ontwikkelingen geen invloed op nationale belangen. In paragraaf 2.1.1 is een aantal van de nationale belangen benoemd. Binnen het plangebied spelen deze belangen, met uitzondering van het door het Rijk geformuleerde belang van zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten, geen rol. Het belang van zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming is door het rijk door

Toelichting (vastgesteld)

9

bestemmingsplan Oosteinde 3 Plattelandswoning vertaald in de zogenaamde ladder van duurzame verstedelijking. Hier gaat hoofdstuk 5 nader op in.

2.1.3

Wet Plattelandswoningen

Op basis van de wet plattelandswoningen die op 1 januari 2013 in werking is getreden, is het mogelijk een bedrijfswoning die behoort of behoorde bij een agrarisch bedrijfscentrum (in planologisch opzicht) te laten bewonen door een derde door het opnemen van een aanduiding op de verbeelding of hiervoor een vergunning te verlenen. Het aanwezige agrarische bedrijf dient bij toepassing van de wet plattelandswoningen wel in werking te blijven. De woning wordt aldus niet omgezet in een burgerwoning. Dit betekent dat de planologische status van de woning niet wijzigt ten opzichte van het aanwezige agrarische bedrijf. In de praktijk betekent dit dat het nieuwe artikel 1.1a in de Wabo het bevoegd gezag de bevoegdheid geeft om te bepalen dat een voormalige agrarische bedrijfswoning door derden zonder binding met het bedrijf mag worden bewoond, mits dit planologisch wordt geregeld via een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning waarmee van het bestemmingsplan wordt afgeweken. De juridische status van de woning wijzigt daarmee niet. De woning blijft wettelijk gezien een bedrijfswoning horend bij een (in werking zijnde) agrarisch bedrijf. Er is slechts sprake van een bij recht toegelaten medegebruik. Door een agrarische bedrijfswoning op deze wijze aan te duiden worden (a) de gebruiksmogelijkheden verruimd en (b) wijzigt er voor wat betreft de milieutechnische gevoeligheid niets.

Er blijft sprake van een bedrijfswoning, zodat het ‘eigen’ agrarisch bedrijf op geen enkele wijze wordt belemmerd door het bewonen van de bedrijfswoning.

2.2

Provinciaal beleid

2.2.1

Omgevingsvisie (Zuid-Holland)

De Omgevingsvisie Zuid-Holland is in werking getreden op 1 april 2019. De visie bestaat uit 4 onderdelen: 1. Ruimtelijke hoofdstructuur De ruimtelijke hoofdstructuur toont de essentie en de samenhang van verschillende ruimtelijke beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie. Het integrale kaartbeeld van de ruimtelijke hoofdstructuur is opgebouwd uit de volgende kaartbeelden: het dagelijks stedelijk systeem, dat bestaat uit de stedelijke agglomeratie en de daarmee via hov(hoogwaardig openbaar vervoer) verbonden regiokernen; de hoogstedelijke zone tussen Leiden en Dordrecht; het logistiek-industriële systeem van mainport, greenports langs vaarwegen en zware infrastructuur de samenhang van grote landschappelijke eenheden met de stedelijke agglomeratie; de groene ruimte en de groenblauwe structuur; het bodem- en watersysteem; energie. In aanvulling hierop toont de ruimtelijke hoofdstructuur van de ondergrond indicatief de ruimtelijke situatie van de ondergrond. 2. Ambities en sturing De provincie wil meer vertrouwen geven aan maatschappelijke initiatieven. De provincie werkt daarom vanuit een aantal sturingsprincipes: opgavegericht, provinciaal belang en maatwerk. De provincie heeft zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving.

Deze ambities zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en zijn gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar de regio voor staat. De provincie heeft de volgende ambities:

10

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Oosteinde 3 Plattelandswoning Naar een klimaatbestendige delta Naar een nieuwe economie: the next level Naar een levendig meerkernige metropool Energievernieuwing Best bereikbare provincie Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. 3. Omgevingskwaliteit Onder 'omgevingskwaliteit' wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. De volgende onderdelen vormen de basis van de omgevingskwaliteit: Een beschrijving van de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland: de drie deltalandschappen, de Zuid-Hollandse steden en de strategische ligging in internationale netwerken. Een beschrijving van de bestaande omgevingskwaliteit op basis van de leefomgevingstoets, met aandacht voor aspecten van milieukwaliteit. Hiertoe implementeert de provincie de beleidscyclus en monitor Omgevingskwaliteit. Een nadere uitwerking van het provinciale beleid voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, op basis van de 'kwaliteitskaart' en de 'richtpunten ruimtelijke kwaliteit'. 4. Beleidskeuzes De provincie heeft in de Omgevingsvisie een overzicht gemaakt van samenhangende beleidskeuzes (zie Omgevingsvisie Zuid Holland). Planspecifiek Het gebied waarin het plangebied Oosteinde 3 is gelegen, maakt deel uit van het gebiedsprofiel "Wijk en Wouden": een klassiek polderlandschap van veenweiden en droogmakerijen met strak begrensde stedelijke randen.

Tevens is de planlocatie gelegen in een gebied met verschillende kwaliteiten, volgend uit de kwaliteitskaart van de provincie. Eén van deze kwaliteiten is dat het gebied gelegen is in een groene bufferzone, waarmee het een gebied met een specifieke waarde is (categorie 2). In deze gebieden zijn ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk, maar met inachtneming van de specifieke waarden naast de generieke bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit. Laag van de ondergrond Het plangebied is gelegen in een veengebied. Ontwikkelingen in het veenlandschap dragen zorg voor behoud van het veen en zijn met name bij de diepe veenpakketten gericht op het beperken van de bodemdaling. Bij onderhavig plan worden geen bodemingrepen gedaan; het heeft geen invloed op het veen. Laag van de cultuur- en natuurlandschappen Het plangebied is gelegen in een veen(weide)landschap. In een dusdanig gebied is het van belang dat ontwikkelingen rekening bijdragen aan behoud van de maat en weidsheid van de poldereenheden. Tevens moet nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren / linten en niet in de veenweidepolders. Doordat onderhavig plan geen ontwikkelingen mogelijk maakt, doet het geen afbreuk aan het karakter van de veenweidepolders. Laag van de beleving Het plangebied is gelegen in een groene buffer.

Een groene buffer is een niet verstedelijkt landschap van relatief beperkte omvang tussen of grenzend aan de steden. De bufferende werking hiervan is van grote waarde. Ontwikkelingen dienen in een dusdanig gebied niet van een grootschalige aard te zijn. Tevens moeten ontwikkelingen bijdragen aan de recreatieve gebruiks- en belevingswaarde en de contrastkwaliteit met het stedelijk gebied. Er is geen sprake van een ontwikkeling; onderhavig plan heeft geen invloed op de bufferende werking van het gebied. Concluderend kan gesteld worden dat er met onderhavig plan sprake is van inpassing. Het is namelijk

Toelichting (vastgesteld)

11

bestemmingsplan Oosteinde 3 Plattelandswoning een gebiedseigen ontwikkeling, die past bij de aard en schaal van het landschap.

2.2.2

Omgevingsverordening

Tegelijk met de Omgevingsvisie is de Omgevingsverordening op 1 april 2019 in werking getreden. De Omgevingsverordening omvat in aanvulling op de Omgevingsvisie toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen. Ladder voor duurzame verstedelijking In artikel 6.10 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet voldoen aan de volgende eisen: a. de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b. indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte. Bij het voorgenomen plan wordt in hoofdstuk 5 ingegaan op de ladder voor duurzame verstelijking. Hieruit blijkt dat er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Tevens is het plangebied niet groter dan 3 hectare. Het is dan ook niet noodzakelijk om verder in te gaan op lid 2 en 3 van de Ladder voor duurzame verstedelijking.

Ruimtelijke kwaliteit In artikel 6.9 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit, kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling: a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b. als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: 1. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid; c. als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: 1.

een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid. Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit is sprake van een vorm van inpassen (sub a), omdat de ontwikkeling zich afspeelt op het niveau van een kavel en past bij de aard en de schaal van het gebied. Met de stedenbouwkundige invulling van de beoogde planologische wijziging zullen er geen wijzigingen plaatsvinden met betrekking tot de gebiedsidentiteit. De relevante richtpunten van de kwaliteitskaart worden in paragraaf 2.2.1 toegelicht. Hieruit blijkt dat het beoogde plan aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart voldoet. Conclusie Gezien het voorgaande dient er geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn voor het voorgenomen plan vanuit de Omgevingsverordening.

12

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Oosteinde 3 Plattelandswoning

2.2.3

Programma Ruimte

Het Programma ruimte is parallel aan de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening opgesteld en is onderdeel van het omgevingsbeleid van Zuid-Holland (vastgesteld op 20 februari 2019). Het Programma ruimte bevat een nadere invulling en operationalisering van ruimtelijke relevante onderdelen van de Omgevingsvisie. Het programma biedt zoveel mogelijk de ruimte om kansen, vernieuwende ideeën en plannen uit de samenleving, gezamenlijk door te vertalen naar concrete handelingsperspectieven. Vrijkomende bebouwing buiten bestaand stads- en dorpsgebied Mede door de voortdurende schaalvergroting in de landbouw komt veel bebouwing vrij buiten bestaand stads- en dorpsgebied. Het provinciaal beleid biedt ruime mogelijkheden voor hergebruik. In de Omgevingsverordening zijn geen specifieke regels opgenomen voor hergebruik van bestaande bebouwing, teneinde ruimte te bieden voor herontwikkeling. Wel zijn de in de Omgevingsverordening opgenomen regels voor ruimtelijke kwaliteit van toepassing. Daarnaast is het van belang dat bij het toekennen van een nieuwe functie de milieugebruiksruimte van omliggende agrarische bedrijven in stand blijft en er geen bovenmatige verkeersaantrekkende werking van de nieuwe functie is. Planspecifiek Bij onderhavig plan gaat het om functiewijziging van bestaande bebouwing buiten BSD. Hiervoor biedt het provinciaal beleid ruime mogelijkheden.

Wel dienen omliggende agrarische bedrijven niet gehinderd te worden in de milieugebruiksruimte. Hier wordt in voorzien door de bedrijfswoning om te zetten naar een plattelandswoning. Ook heeft de woning geen bovenmatige verkeersaantrekkende werking. Voorgenomen plan is in lijn met het in het Programma Ruimte bepaalde.

2.3

Gemeentelijk beleid

2.3.1

Structuurvisie Ruimte voor Wensen 2040 (herijking 2012)

De Structuurvisie Ruimte voor Wensen 2040 (herijking 2012) is vastgesteld op 25 september 2012. In deze structuurvisie schetst de gemeente Leidschendam-Voorburg de ruimtelijke toekomstvisie voor de gemeente tot en met 2040. Hierbij wordt voortgeborduurd op de strategische visie (2004) en de structuurvisie Ruimte voor Wensen (2006), waarin een overkoepelende ambitie voor de gemeente als aantrekkelijke, groene en duurzame woonstad is geformuleerd. De integrale ruimtelijke opgaven zijn gericht op het versterken van de identiteiten van de gemeente, die te vinden zijn in drie ruimtelijke entiteiten: het stedelijk gebied, de Vlietzone en het buitengebied. Binnen deze kerngebieden is het uitgangspunt om de ruimtelijke structuur te verbeteren op basis van de ruimtelijke kwaliteiten van de zogenoemde ‘identiteitsdragers’. In de structuurvisie wordt aan de hand van drie pijlers richting gegeven aan de duurzame stedelijke ontwikkeling en de positionering van Leidschendam-Voorburg in de metropoolregio. Deze drie pijlers zijn: het versterken van de groene woonstad; het verbeteren van economische kansen en de voorzieningenstructuur; het verbeteren en beter benutten van de regionale bereikbaarheid.

Voor het buitengebied gelden de volgende ambities: de ontwikkeling van het Regiopark optimaal benutten als een onderscheidende vestigingsfactor en aanvullende kwaliteit voor het imago van groen woonstad; verbetering van de recreatieve mogelijkheden en ontwikkeling van nieuwe economische kansen met behoud van de agrarische functie; realisatie van diversiteit aan kwaliteiten aan de stadsranden; verbetering van de recreatieve netwerken en de stad-landverbindingen.

Toelichting (vastgesteld)

13

bestemmingsplan Oosteinde 3 Plattelandswoning

Planspecifiek Met het realiseren van een plattelandswoning en het behoud van het agrarische bedrijf sluit het voorgenomen plan aan bij de ontwikkeling van nieuwe economische kansen met behoud van de agrarische functie. De plannen zijn daarmee niet in strijd met de genoemde ambities.

14

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Oosteinde 3 Plattelandswoning

Hoofdstuk 3 3.1

Huidige situatie

Inleiding

In de huidige situatie behoort de bedrijfswoning aan Oosteinde 3 bij het naastgelegen agrarisch bedrijf aan Oosteinde 1. Het agrarische bedrijf dient in de huidige situatie nog steeds voor agrarische doeleinden, echter dient de woning op nummer 3 niet meer als bedrijfswoning. Gezien de huidige eigenaar van het bedrijf woonachtig is aan Oosteinde 1, en een tweede bedrijfswoning niet noodzakelijk is, wordt deze in de huidige situatie niet meer gebruikt als bedrijfswoning. Planologisch gezien behoren de woning aan Oosteinde 3 en het agrarische bedrijf aan Oosteinde 1 bij elkaar. De percelen beschikken over een gezamenlijke oprit over de Stompwijkse Vaart. Onderstaande afbeelding geeft een impressie van de huidige situatie van het plangebied.

Huidige situatie plangebied (Bron: Google Earth)

3.2

Bestaande functies en ruimtelijke structuren

3.2.1

Bestaande functies

Het kavel van het postzegelbestemmingsplan bestaat uit: het perceel van de tweede bedrijfswoning, een garage en een tuin; het agrarisch bedrijfscentrum en de bedrijfswoning van het bijbehorende agrarische bedrijf.

Toelichting (vastgesteld)

15

bestemmingsplan Oosteinde 3 Plattelandswoning

Overzichtstekening inrichting planlocatie huidige situatie (Buro SRO)

3.2.2

Bestaande ruimtelijke structuren

Het plangebied bevindt zich binnen de structuur van veenweidegebieden die sterk bepaald is door de rivieren en veenstromen, de op enige afstand daarvan aangelegde weteringen en andere ontginningsbasissen. Het plangebied bevindt zich langs de provinciale weg welke de Stompwijkse Vaart volgt. Loodrecht op de Vaart staan kavelsloten die het gebied opdelen in (regelmatige) verkavelingspatronen. Het plangebied bevindt zich direct aan de Stompwijkse Vaart. Hier wordt het (regelmatige) verkavelingspatroon onderbroken.

3.2.3

Ruimtelijke samenhang met omliggende plangebieden / omliggende gemeenten

Het plangebied ligt langs de Stompwijkse Vaart en de provinciale weg. Het plangebied bevindt zich tussen de dorpen Stompwijk en Zoeterwoude-Dorp.

16

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Oosteinde 3 Plattelandswoning

Hoofdstuk 4 4.1

Toekomstige situatie

Visie op het plangebied

Initiatiefnemer is voornemens om de woning aan Oosteinde 3 af te splitsen van het agrarisch bedrijf (Oosteinde 1) en te verkopen aan derden. De woning dient omgezet te worden van agrarische bedrijfswoning naar plattelandswoning. Bij deze functiewijziging is geen sprake van sloop of extra bebouwing. Het is van belang dat de woning geen belemmering vormt voor het agrarisch bedrijf waar de woning oorspronkelijk bij hoort. Daarom wordt de woning bestemd als plattelandswoning.

4.2

Feitelijke ontwikkelingen in het plangebied

In de nieuwe situatie wordt de agrarische bedrijfswoning aangewezen als plattelandswoning. De omliggende gronden zullen aangewend worden als tuin. Deze wijziging in gebruik is een planologische wijziging en leidt niet direct tot wijzigingen in het plangebied.

4.3

Gevolgen voor dit ruimtelijk plan / besluit

De percelen van Oosteinde 1 en 3 worden kadastraal afgesplitst. Om wel de relatie te laten zien tussen het bedrijf en de voormalige bedrijfswoning zijn beide percelen opgenomen in dit bestemmingsplan. Het agrarische bouwvlak is nagenoeg ongewijzigd en een aanduiding 'plattelandswoning' is toegevoegd, zodat bewoning door derden die geen relatie hebben met het naastgelegen bedrijf mogelijk wordt. De juridische status van plattelandswoning brengt met zich mee dat binnen de Wet milieubeheer de woning nog wel onderdeel uitmaakt van de agrarische inrichting. In paragraaf 6.6 wordt hier nader op ingegaan.

Toelichting (vastgesteld)

17

bestemmingsplan Oosteinde 3 Plattelandswoning

18

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Oosteinde 3 Plattelandswoning

Hoofdstuk 5 5.1

Ladder voor duurzame verstedelijking

Algemeen

De Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen in de SVIR en juridisch verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Bij iedere nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden verantwoord dat deze ontwikkeling in een actuele regionale behoefte voorziet (trede 1). Indien daarvan sprake is, dan moet worden beschreven in hoeverre die regionale behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden opgelost (trede 2). Mocht blijken dat dit niet mogelijk is binnen bestaand stedelijk gebied, dan kan worden gemotiveerd dat die ontwikkeling daarbuiten kan plaatsvinden - mits de betreffende locatie multimodaal en passend is of wordt ontsloten (trede 3). In 2017 is er voor gekozen om de ladder te vereenvoudigen. In de praktijk werd de ladder als lastig ervaren en bleef vaak achterwege. Het Rijk heeft met alle partijen in het veld verkend wat mogelijke oplossingen zijn voor de geconstateerde knelpunten. Mede aan de hand van deze verkenning is de Ladder gewijzigd. De ladder bevat geen treden meer. Trede 1 en 2 zijn samengevoegd en trede 3 is geschrapt. Daarnaast wordt de ladderplicht voor wijzigings- en uitwerkingsplannen verschoven naar het moment van vaststelling van desbetreffende plannen.

5.2

Nieuwe stedelijke ontwikkeling

De eerste vraag die moet worden beantwoord is of onderhavig plan een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling betreft. Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een 'stedelijke ontwikkeling' verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt tussen de 9 en 14 nieuwe woningen afhankelijk van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt. Het voorgenomen plan om van de bedrijfswoning een plattelandswoning te maken kan naar aard en omvang niet gezien worden als een stedelijke ontwikkeling. Aangezien in dit geval geen nieuwe woning wordt opgericht, maar alleen een bestaande woning planologisch van functie verandert, is er geen sprake van een 'stedelijke ontwikkeling'. Toetsing aan de ladder van duurzame verstedelijking is derhalve niet noodzakelijk.

Toelichting (vastgesteld)

19

bestemmingsplan Oosteinde 3 Plattelandswoning

20

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Oosteinde 3 Plattelandswoning

Hoofdstuk 6

Milieu- en omgevingsaspecten

6.1

Water

6.1.1

Generiek beleid

Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd. schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod. Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’.

Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water.

Het geeft maatregelen die in de periode 2016 - 2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.

6.1.2

Beleid Hoogheemraadschap van Rijnland

Waterbeheerplan 2016 - 2021 Voor de planperiode 2016 - 2021 is het Waterbeheerplan (WBP) van het hoogheemraadschap van toepassing. In dit plan geeft het waterschap aan wat haar ambities voor deze planperiode zijn en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen. Het WBP legt meer dan voorheen accent op uitvoering. De drie hoofddoelen zijn: veiligheid tegen overstromingen; voldoende water;

Toelichting (vastgesteld)

21

bestemmingsplan Oosteinde 3 Plattelandswoning gezond water. Wat betreft veiligheid is cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Wat betreft voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten, goed te beheren en goed te onderhouden. Daarbij wil het hoogheemraadschap dat het watersysteem op orde en toekomstvast wordt gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Immers, de verandering van het klimaat leidt naar verwachting tot meer lokale en heviger buien, perioden van langdurige droogte en zeespiegelrijzing. De taken en bevoegdheden op het gebied van gezond water betreffen het zuiveren van afvalwater en het reguleren van lozingen op oppervlaktewater. Europese regelgeving (de Kaderrichtlijn Water) is hierbij kaderstellend. Het voorkómen van verontreiniging en een goede inrichting van oppervlaktewateren dragen in belangrijke mate bij aan gezond water. Met het oog op het zuiveren van afvalwater beheert het hoogheemraadschap rioolgemalen, persleidingen en zuiveringsinstallaties. Het waterbeheerplan sorteert voor op deze ontwikkelingen. Keur 2015 en Uitvoeringsregels Op grond van de Waterwet is het Hoogheemraadschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden.

Denk hierbij aan handelingen in of nabij: Waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden); Watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken); Andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen); De bodem van kwelgevoelige gebieden. Maar ook aan: Het onttrekken en lozen van grondwater; Het aanbrengen van verhard oppervlak. De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningsplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. In de Uitvoeringsregels die bij de Keur horen is dit nader uitgewerkt. Hemelwater Indien een toename van het verhard oppervlak plaatsvindt, dient de initiatiefnemer een verhard oppervlak ter grootte van minimaal 15 % van het nieuw aan te leggen verhard oppervlak te reserveren voor extra open water (bij een toename aan verhard oppervlak: vanaf 500 m² tot 5.000 m²). Het nieuwe open water moet aangesloten worden op het bestaande watersysteem. Uitgangspunt is dat de aanleg van verhard oppervlak geen negatieve gevolgen mag hebben op het watersysteem. In overleg met het hoogheemraadschap is het mogelijk om de compensatie-eis voor verhard oppervlak te verminderen door alternatieve maatregelen toe te passen.

Riolering en afkoppelen Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met het hoogheemraadschap afstemming plaatsvindt over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat het hoogheemraadschap uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen. Deze houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijvoorbeeld door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen. De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), waarin de uiteindelijke afweging wordt gemaakt en waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat. Zorgplicht en preventieve maatregelen voor hemelwater

22

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Oosteinde 3 Plattelandswoning Voor de verwerking van hemelwater wijst het hoogheemraadschap op de zorgplicht en op het nemen van preventieve maatregelen. Het verdient aanbeveling daar waar mogelijk aandacht te besteden aan maatregelen bij de bron. Preventie heeft de voorkeur boven ‘end-of-pipe’ maatregelen. Uitgangspunt is dat het te lozen hemelwater geen significante verslechtering van de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater mag veroorzaken en emissie van vervuilende stoffen op het oppervlaktewater waar mogelijk wordt voorkomen door bijvoorbeeld: duurzaam bouwen; het toepassen berm- of bodempassage; toezicht en controle tijdens de aanlegfase en handhaving tijdens de beheerfase ter voorkoming van verkeerde aansluitingen; het regenwaterriool uit te voeren met (straat)kolken voorzien van extra zand- slibvang of zakputten (putten met verdiepte bodem) op tactische plekken in het stelsel; adequaat beheer van straatoppervlak, straatkolken en zakputten (straatvegen en kolken/putten zuigen); het toepassen van duurzaam onkruidbeheer; de bewoners, gebruikers en beheerders voor te lichten over de werking van de riolering en een juist gebruik hiervan; het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en repareren en chemische onkruidbestrijding.

Daar waar ondanks de zorgplicht en de preventieve maatregelen het te lozen hemelwater naar verwachting een aanmerkelijk negatief effect heeft op de oppervlaktewaterkwaliteit, kan in overleg tussen gemeente en waterschap gekozen worden voor aanvullende voorzieningen, een verbeterd gescheiden stelsel of - als laatste keus - aansluiten op het gemengde stelsel. Ook kan de gemeente in overleg met het Hoogheemraadschap kiezen voor een generieke ‘end-of-pipe’ aanpak. Deze keuze moet dan expliciet gemaakt worden in het GRP.

6.1.3

Gevolgen voor dit plan

De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen. Planspecifiek Watercompensatie Het Hoogheemraadschap van Rijnland schrijft in haar beleid voor dat, indien een initiatiefnemer meer dan 500 m² extra verhard oppervlak wil aanleggen, compensatie in de vorm van open water vereist is (15 % van het extra verhard oppervlak). Omdat met de herbestemming van de bedrijfswoning geen bouwwerkzaamheden gemoeid zijn is er geen sprake van een toe- of afname in verharding. Compenserende maatregelen zijn derhalve niet vereist. Waterafvoer De bebouwing dient te voldoen aan het beleid van het Hoogheemraadschap van Rijnland met betrekking tot de afvoer van hemelwater en vuilwater. Dit houdt in dat het hemelwater wordt afgekoppeld en het vuilwater via het riool afgevoerd wordt. Het afkoppelen draagt bij aan de doelstelling zoals die zijn gesteld in het Waterbeheerplan, namelijk de volgorde van vasthouden, bergen en afvoeren van water.

Toelichting (vastgesteld)

23

bestemmingsplan Oosteinde 3 Plattelandswoning

6.2

Bodem

In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek Met de beoogde ontwikkelingen is er sprake van een planologische wijziging. Bij de wijziging is geen sprake van een strenger bodemgebruik. De grond zal niet geroerd worden en de bestaande bebouwing zal behouden blijven. Derhalve is een bodemonderzoek met betrekking tot de voorgenomen plannen niet noodzakelijk.

6.3

Luchtkwaliteit

In de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit. Deze paragraaf vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005 en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'.

Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Besluit gevoelige bestemmingen Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Met het Besluit wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het Besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), in het bijzonder kinderen, ouderen en zieken. Indien een project betrekking heeft op een gevoelige bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen op een afstand van 300 m aan weerszijden van rijkswegen en 50 m langs provinciale wegen (gemeten vanaf de rand van de weg) mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet toenemen als overschrijding van de grenswaarden voor PM10 of NO2 dreigt/plaatsvindt.

24

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Oosteinde 3 Plattelandswoning

De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen; kinderdagverblijven; verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden. Plattelandswoning De Raad van State heeft bij uitspraak van 4 februari 2015 (201306630/5/R3) bepaald dat de luchtkwaliteitseisen ook gelden bij plattelandswoningen. Dit volgt uit de Europese Richtlijn voor luchtkwaliteit 2008/50/EG. De regels van titel 5.2 Wet milieubeheer zijn van toepassing en moeten getoetst worden. Dit betekent dat voor alle type woningen hetzelfde beschermingsniveau geldt. Er zijn geen mogelijkheden om flexibeler om te gaan met de luchtkwaliteitseisen bij plattelandswoningen.

Als de wettelijke grenswaarden voor lucht niet worden gehaald, is de aanwijzing als plattelandswoning niet mogelijk. De uitspraak van de Raad van State kan gevolgen hebben voor de ontwikkelingsmogelijkheden van het agrarisch bedrijf bij de plattelandswoning. Dit wordt bij de vaststelling van het ruimtelijk besluit tot aanwijzing van de plattelandswoning merkbaar. Dit dient beoordeeld te worden bij het bepalen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Planspecifiek Gezien de beperkte omvang van voorgenomen planologische wijziging, kan deze worden gezien als een NIBM-project. Desondanks is gekeken naar de concentraties uit de digitale monitoringstool, die behoort bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit, om inzicht te geven in de mate van blootstelling aan luchtverontreiniging als gevolg van het plan:

Uitsnede NSL monitoringstool (rekenpunt rood omcirkeld) Uit de monitoringstool blijkt dat de concentraties stikstof en fijnstof ter plaatse van het rekenpunt bij Oosteinde 3 volgens metingen uit 2017 de volgende waarden hebben:

Toelichting (vastgesteld)

25

bestemmingsplan Oosteinde 3 Plattelandswoning

Rekenpunt 15553123

Concentratie (2017) (µg/m³)

Grenswaarde (µg/m³)

Stikstof NO2

21.678

40

Fijnstof PM10

18,311

40

Fijnstof PM2,5

10,859

25

Figuur 6.2:

Waardes rekenpunt 15553123

De concentraties liggen ruim onder de grenswaarde. Er is bij de voormalige bedrijfswoning dus voor nu en in de toekomst voor luchtkwaliteit sprake van een goed woon- en leefklimaat. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

6.4

Geluid

De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh): woningen; geluidsgevoelige terreinen (terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan categorale en academische ziekenhuizen, verpleeghuizen, woonwagenstandplaatsen); andere geluidsgevoelige gebouwen, waaronder onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, andere gezondheidszorggebouwen dan ziekenhuizen en verpleeghuizen die zijn aangegeven in artikel 1.2 van het Besluit geluidhinder (Bgh): 1. verzorgingstehuizen; 2. psychiatrische inrichtingen; 3. medisch centra; 4. poliklinieken; 5. medische kleuterdagverblijven. Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen.

Ingevolge de Wet geluidhinder (Wgh) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro) dient bij nieuwe ruimtelijke plannen beoordeeld te worden of in het jaar van vaststelling van het bestemmingsplan en 10 jaar daarna, aan de normen uit de Wet geluidhinder kan worden voldaan en of binnen het plangebied sprake zal zijn van een aanvaardbaar akoestisch leefklimaat. Wanneer geluidgevoelig bestemmingen, waaronder woningen, binnen de geluidszone van industrielawaai, wegverkeerslawaai of spoorweglawaai liggen, dient onderzocht te worden in hoeverre voldaan kan worden aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde voor geluid van 48 dB. Onder voorwaarden kan een ontheffing (hogere waarde) worden vastgesteld van maximaal 53 dB. Plattelandswoning Volgens de Wabo (artikel 1.1a) en het activiteitenbesluit (artikel 1.3c) maken plattelandswoningen deel uit van de inrichting van een agrarisch bedrijf. De toetsing aan de normen ter bescherming van de geluidhinder die plattelandswoningen kunnen ondervinden van andere omliggende inrichtingen blijft echter gelden. Planspecifiek Een plattelandswoning is geluidgevoelig ingevolge de Wgh, echter alleen voor omliggende inrichtingen en niet voor de agrarische inrichting waar de woning deel van uitmaakt. Omliggende inrichtingen worden hieronder besproken.

26

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Oosteinde 3 Plattelandswoning Wegverkeerlawaai De betreffende woning is gelegen aan de N206 (Oosteinde). Voor deze weg geldt vanuit de Wet geluidhinder een onderzoeksplicht voor geluidsgevoelige objecten. Vanuit de Wet geluidhinder wordt er echter geen onderscheidt gemaakt tussen een bedrijfswoning en een plattelandswoning. Er dus geen sprake van een nieuwe situatie. Indien in de bestaande situatie sprake is van een overschrijding van de grenswaarde, moet in het verleden een ontheffing zijn aangevraagd in het kader van het geldende bestemmingsplan 'Landelijk Gebied'. Dit is niet het geval. Er kan derhalve vanuit worden gegaan dat er ten aanzien van het wegverkeerslawaai sprake is van een goede ruimtelijke inpassing. Spoorweglawaai Spoorweglawaai is uitgesloten; er liggen geen spoorwegen in de directe omgeving van de locatie. Industrielawaai In de omgeving is een geluidgenererend bedrijf gevestigd: AvS Stompwijk. Dit bedrijf is in het vigerend bestemmingsplan 'Landelijk Gebied' van de gemeente Zoeterwoude aangemerkt als groothandelsbedrijf in bouwmachines. Volgens de VNG-richtafstandenlijst heeft een dusdanig bedrijf een milieucategorie 3.2, waarbij geluidsgeneratie maatgevend is. Omdat het gebied aan te merken als gemengd gebied kan de richtafstand met één afstandsstap terug worden gebracht.

Dit leidt tot een richtaftstand van 50 m, gemeten vanaf het bouwvlak van AvS Stompwijk. Het bouwvlak van de plattelandswoning is op meer dan 50 m van het bouwvlak van AvS Stompwijk gelegen. De geluidsgeneratie van het bedrijf is niet onderzoeksplichtig. Nabij het plangebied is tevens het dierenpension 'Het Polderland' gelegen. Volgens de richtafstanden van VNG geldt ook hiervoor milieucategorie 3.2 en is geluid maatgevend. Voor gemengd gebied geldt hiervoor een richtafstand van 50 m, gemeten van bouwvlak tot bouwvlak. De afstand tussen de woning en het dierenpension bedraagt circa 100 m, en voldoet hiermee aan de richtafstand. Conclusie Geluidshinder uit wegverkeer-, spoorweg-, dan wel industrielawaai vormt geen belemmeringen voor onderhavig plan.

6.5

Natuurbescherming

Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is de Flora- en Faunawet van toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Gebiedsbescherming De Natuurbeschermingswet richt zich op de bescherming van gebieden. In de Natuurbeschermingswet zijn de volgende gronden aangewezen en beschermd: Natura2000-gebieden (Habitat- en Vogelrichtlijngebieden); Beschermde Natuurmonumenten; Wetlands. Naast deze drie soorten gebieden is de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) in het kader van de gebiedsbescherming van belang. De EHS is een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland en omvat bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. De EHS draagt bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'.

Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang: vergroten: het areaal natuur uitbreiden en zorgen voor grotere aaneengesloten gebieden; verbinden: natuurgebieden zoveel mogelijk met elkaar verbinden;

Toelichting (vastgesteld)

27

bestemmingsplan Oosteinde 3 Plattelandswoning verbeteren: de omgeving zo beïnvloeden dat in natuurgebieden een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit haalbaar is. Soortenbescherming De Flora- en faunawet regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Naast een aantal in de wet (en daarop gebaseerde besluiten) vermelde specifieke mogelijkheden om ontheffing te verlenen van in de wet genoemde verboden, geeft de wet een algemene ontheffingsbevoegdheid aan de minister (artikel 75, lid 3). Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dieren plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. Planspecifiek Het initiatief betreft enkel planologisch wijzigen van een bedrijfswoning naar een plattelandswoning.

Met deze wijziging zijn geen bouwwerkzaamheden gemoeid. Het initiatief zal derhalve geen invloed hebben op de mogelijk aanwezige beschermde flora en fauna. Het uitvoeren van een ecologisch onderzoek is niet noodzakelijk.

6.6

Milieuzonering

Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Dit sluit aan op de doelen van het Activiteitenbesluit. Voor activiteiten volgens dit besluit zijn door de wetgever verschillende voorschriften gegeven die ook ruimtelijke gevolgen kunnen hebben. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof.

De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen: het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen; het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

28

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Oosteinde 3 Plattelandswoning

Planspecifiek Wonen wordt in het kader van bedrijven en milieuzonering gezien als een milieugevoelige bestemming. Derhalve moet gekeken worden of in de omgeving van het plangebied bedrijven aanwezig zijn met een milieucontour die over het plangebied ligt. Direct aansluitend aan het plangebied ligt het agrarisch bedrijf waar de huidige bedrijfswoning aan Oosteinde 3 toebehoort. Op het moment dat de bedrijfswoning bij het bedrijf hoort, wordt deze gezien als onderdeel van de inrichting. De aan te houden milieuzoneringen zijn dan niet van toepassing. Met de wijziging naar een reguliere woning moet echter wel worden voldaan aan de milieuzoneringen. Vanwege de vaak zeer korte afstand tussen de voormalige bedrijfswoning en het bedrijf lukt dat veelal niet. Dit heeft tot gevolg dat het bedrijf beperkingen ondervindt en extra milieumaatregelen moet treffen door de nabijheid van een woning. Om dit te voorkomen is de 'Wet Plattelandswoning' aangenomen. Deze wet beoogt te regelen dat de planologische status van gronden en opstallen bepalend te laten zijn voor de mate van milieubescherming, alsmede om de positie van agrarische bedrijfswoningen aan te passen. Deze wet voegt een bepaling toe aan de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (artikel 1.1a): 1.

Een bedrijfswoning, behorend tot of voorheen behorend tot een landbouwinrichting, die op grond van het bestemmingsplan, de beheersverordening of, indien met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, van het bestemmingsplan of de beheersverordening is afgeweken, de omgevingsvergunning door een derde bewoond mag worden, wordt met betrekking tot die inrichting voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen beschouwd als onderdeel van die inrichting, tenzij bij of krachtens deze wet anders is bepaald. 2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder landbouwinrichting verstaan: inrichting waar uitsluitend of in hoofdzaak agrarische activiteiten, zijnde het telen of kweken van landbouwgewassen of het fokken, mesten, houden of verhandelen van landbouwhuisdieren, dan wel activiteiten die daarmee verband houden worden verricht. Hierin is een tweedelige oplossing opgenomen: 1. de (voormalige) bedrijfswoning kan worden aangewezen als ‘plattelandswoning’ zodat hierin bewoning door een derde (burgerwoning) kan plaatsvinden. Het gebruik als bedrijfswoning blijft mogelijk. Aanwijzing als plattelandswoning vindt plaats in het bestemmingsplan, de beheersverordening of in een buitenplanse omgevingsvergunning; 2.

deze woning blijft bij de inrichting, dus het agrarische bedrijf, horen, zodat voor deze woning de milieubescherming gelijk is aan de bescherming alsof het nog de eigen bedrijfswoning is. In onderhavig geval is voor de eerste oplossing gekozen. Omdat de voormalige bedrijfswoning als plattelandswoning wordt bestemd, is de milieuhinder van het bedrijf waar het vanaf gesplitst wordt niet relevant. De woning blijft onderdeel uitmaken van de milieutechnische inrichting. Daarnaast moet nog wel worden gekeken naar de eventuele milieugevolgen van bedrijven van derden. In de omgeving van het plangebied zijn enkel glastuinbouwbedrijven aanwezig. Voor een glastuinbouwbedrijf geldt een richtafstand van 10 m tot een gemengd gebied. Het bedrijf valt onder het Besluit glastuinbouw. Op grond van het Besluit glastuinbouw geldt een afstand van 10 m vanaf de kas tot woningen van derden. De afstand tot de dichtstbijzijnde kas van derden is circa 200 m. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstand en de afstandsnorm uit het Besluit glastuinbouw. Verder zijn er nog twee bedrijven in de omgeving aanwezig waarbij geluid maatgevend is. Deze bedrijven zijn reeds behandeld in paragraaf 6.4. Bij deze bedrijven wordt ook voldaan aan de richtafstanden. Gezien het voorgaande vormt het aspect milieuzonering geen belemmering voor de planologische wijziging.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leidschendam&id=348d1536-00a4-4c39-8826-e519594cae3e