CConstaterende datLeidschendam-Voorburg
Koppel je AI →
Document · PDF

1959 Zienswijzennota Westeinde 132

Raadsvergadering 9 maart 2021, gemeente Leidschendam-VoorburgBij agendapunt: Raadsvoorstel: Definitieve verklaring van geen bedenkingen (vvgb) voor het oprichten van twee eengezinswoningen en vier appartementen aan het Westeinde 132b, 132c en 132d in Voorburg (1959).22.626 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

59 alinea's met “zienswijze”: 2 4 7 8 9 10 12 13 47 51 52 55 56 57 58 63 68 74 78 82 83 89 91 93 98 100 102 108 114 119 124 130 133 134 139 143 148 154 159 164 …

Gemeente Leidschendam-Voorburg

Zienswijzennota Projectafwijkingsbesluit “Westeinde 132b, 132c en 132d” (ID-nr: NL.IMRO.1916.Westeinde132-VG01)

Collegevergadering d.d. 8 december 2020 Raadsvergadering d.d. 2 februari 2021 Behorende bij raadsbesluit 1959

ZIENSWIJZENNOTA PROJECTAFWIJKINGSBESLUIT “WESTEINDE 132B, 132C EN 132D”

1.

INLEIDING

Op 18 oktober 2019 is een aanvraag omgevingsvergunning ontvangen voor het oprichten van twee geschakelde eengezinswoningen en vier appartementen met parkeervoorzieningen op eigen terrein aan het Westeinde 132b, 132c en 132d in Voorburg. In de huidige situatie staan er in het plangebied enkele bedrijfsgebouwen. Met de beoogde planontwikkeling worden de bestaande opstallen in het plangebied gesloopt en worden hiervoor in de plaats de zes woningen gerealiseerd. De ontsluiting van de bouwplots vindt plaats via de huidige toegang tussen de bestaande bebouwing aan het Westeinde. Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan “Voorburg West – Park Leeuwenbergh” en kan alleen gerealiseerd worden met een projectafwijkingsbesluit. Ingevolge artikel 6.5 lid 1 van het Besluit ruimtelijke ordening, juncto artikel 3.11 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) kan alleen meegewerkt worden aan een projectafwijkingsbesluit als de gemeenteraad een verklaring van geen bedenkingen heeft afgegeven. Op 7 juli 2020 heeft de raad een ontwerp verklaring van geen bedenkingen (raadsbesluit nr. 1664) afgegeven. Hierbij is aangegeven dat, indien er geen zienswijzen worden ingediend, de ontwerp verklaring van geen bedenkingen als definitieve verklaring van geen bedenkingen kan worden beschouwd.

De ontwerp verklaring van geen bedenkingen heeft samen met de ontwerp omgevingsvergunning, het ontwerpbesluit hogere grenswaarde Wet Geluidhinder en de bijbehorende stukken ter inzage gelegen vanaf donderdag 6 augustus 2020 t/m woensdag 16 september 2020. In de periode van terinzagelegging zijn zeven zienswijzen ingediend. Eén van de zienswijzen richtten zich met name op de bouw- en heimethode en de risico’s tijdens de bouw (o.a. op schade aan omliggende woningen). Door zowel de gemeente als de aanvrager is aan de indiener van de zienswijze een nadere toelichting op de bouw- en heimethode gegeven, tevens is aangegeven op welke wijze de risico’s zo klein mogelijk gehouden worden. Naar aanleiding van deze toelichting is deze zienswijze op 24 november 2020 ingetrokken. Nu er tijdens de ter inzage termijn zienswijzen zijn ontvangen, zal de gemeenteraad alsnog de definitieve verklaring van geen bedenkingen moeten afgeven, voordat de omgevingsvergunning kan worden verleend. In deze zienswijzennota zijn de ingediende zienswijzen samengevat en van een reactie voorzien. Per ingediende zienswijzen is aangegeven of deze aanleiding heeft gegeven het plan aan te passen of de omgevingsvergunning niet te verlenen.

1.1 LEESWIJZER De zienswijzennota is als volgt opgebouwd: De voorliggende Zienswijzennota Projectafwijkingsbesluit “Westeinde 132b, 132c en 132d” omvat in hoofdstuk 2 een overzicht van de ingediende zienswijzen. In hoofdstuk 3 wordt de ingediende zienswijzen inhoudelijk behandeld. De zienswijzennota maakt deel uit van het besluit van de raad tot vaststelling van de verklaring van geen bedenkingen en het besluit van het college tot verlening van de omgevingsvergunning.

Zienswijzennota projectafwijkingsbesluit “Westeinde 132b, 132c en 132d”

2

2. ZIENSWIJZEN In 2.1 is in tabelvorm weergegeven van wie op welke datum de schriftelijke zienswijze is ontvangen. In 2.2 wordt ingegaan op de ontvankelijkheid van de ingediende zienswijze. De ontvankelijke zienswijze is vervolgens in hoofdstuk 3 inhoudelijk samengevat, beoordeeld en afgewogen en van een reactie voorzien. 2.1

OVERZICHT ZIENSWIJZEN

Nr.

KCS nummer

Indiener

Adres

PC/Plaats

Datum ingekomen

1.

670818

Anoniem

Anoniem

14 september 2020

2.

671019

Anoniem

Anoniem

14 september 2020

3.

675134

Anoniem

Anoniem

15 september 2020

4.

671540

Anoniem

Anoniem

16 september 2020

5.

671639

Anoniem

Anoniem

16 september 2020

6.

671727

Indiener(s) zienswijze 1 Indiener(s) zienswijze 2 Indiener(s) zienswijze 3 Indiener(s) zienswijze 4 Indiener(s) zienswijze 5 Indiener(s) zienswijze 6

Anoniem

Anoniem

16 september 2020

2.2 ONTVANKELIJKHEID ZIENSWIJZEN Het projectafwijkingsbesluit “Westeinde 132b, 132c en 132d” heeft ter inzage gelegen vanaf donderdag 6 augustus 2020 t/m woensdag 16 september 2020. De zienswijzen, die schriftelijk zijn ingediend, zijn bij ons ingekomen op 14 (2x), 15 en 16 september (3x) 2020 en daarmee tijdig ingediend. 2.3 ANONIMISEREN ZIENSWIJZEN De Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) stelt strenge regels aan het (digitaal) openbaar maken van NAW-gegevens. Op grond van de AVG is het niet toegestaan om persoonsgegevens (zogenaamde NAW-gegevens: naam, adres en woonplaats) van natuurlijke personen te verwerken zonder een wettelijke grondslag, dringende noodzaak of toestemming van de betreffende personen. De indieners van de zienswijzen worden daarom niet met naam en toenaam genoemd. Om te kunnen herleiden wie een zienswijze heeft ingediend, is een afzonderlijk document “Overzicht indiener zienswijzen projectafwijkingsbesluit “Westeinde 132b, 132c en 132d” opgesteld. Dat overzicht wordt niet beschikbaar gesteld.

Zienswijzennota projectafwijkingsbesluit “Westeinde 132b, 132c en 132d”

3

3.

BEANTWOORDING VAN DE ZIENSWIJZEN

In dit hoofdstuk is per reclamant de ingebrachte zienswijze samengevat en voorzien van een reactie. Onder conclusie wordt aangegeven of de betreffende zienswijze aanleiding geeft tot aanpassing van het plan of het projectafwijkingsbesluit “Westeinde 132b, 132c en 132d”. 3.1. Indiener(s) zienswijze 1 Samenvatting van de zienswijze: 1. Verlies vrij uitzicht en schaduwhinder Het ontwerpbesluit beperkt het vrije uitzicht en zorgt voor schaduwhinder. In de huidige situatie heeft reclamant vrij uitzicht over De Vliet en het Dorrepaal-Park vanaf de eerste en tweede etage. Er wordt veelvuldig gebruik gemaakt van het balkon op de 1e en 2e etage. In september 2019 is een voorschets van het ontwerpbesluit met de projectontwikkelaar besproken. In dit plan werd niet achter de volle breedte van de woning bebouwing gesitueerd. Reclamant behield zo nog enig uitzicht op De Vliet en het park van Landgoed Dorrepaal daarachter. Met deze voorschets kon reclamant akkoord gaan. In de nu ter besluitvorming voorliggende situatie wordt zij, zonder nader overleg, geconfronteerd met een aanzienlijke bouwmassa over de gehele breedte van haar perceel. Het bestaande vrije uitzicht wordt hierdoor geheel weggenomen. Daarnaast zorgt de bebouwing voor schaduwhinder op haar perceel. Gevreesd wordt voor een onevenredige aantasting van het woon- en leefgenot.

Bij het ontwerpbesluit is geen bezonningsstudie opgenomen, waardoor het verlies aan zonlicht onvoldoende inzichtelijk is gemaakt. Het ontwerpbesluit is in zoverre onzorgvuldig voorbereid. Ter behoud van het uitzicht en ter voorkoming van schaduwhinder op het perceel van reclamant wordt verzocht om aansluiting te zoeken bij de bouwplannen uit september 2019 en de twee-onder-een-kapwoningen naar het zuidwesten te verplaatsen, zodat niet over de gehele breedte van het perceel van reclamant wordt gebouwd en zij in ieder geval (deels) haar uitzicht op De Vliet en het park van Landgoed Dorrepaal behoudt. Een andere mogelijkheid zou zijn om de bebouwing terug te brengen naar een maximale bouwhoogte van 6 meter. Reactie: Het uitzicht zal door het voorgestelde bouwplan inderdaad veranderen. Er bestaat echter geen recht op vrij uitzicht. Het bouwplan zal ook een andere schaduwwerking voor de naastgelegen percelen opleveren. Naar aanleiding van de ingediende zienswijzen heeft de aanvrager een bezonningsstudie gemaakt. Hieruit blijkt dat het plan voor een aantal percelen op bepaalde momenten meer schaduw zal opleveren, maar ook op bepaalde momenten voor een aantal percelen juist minder schaduw zal opleveren. Volgens het geldende bestemmingsplan geldt een maximale bouwhoogte van 9,00 meter voor de huidige bedrijfsbestemming.

De huidige bedrijfsbebouwing heeft een hoogte variërend van 3,00 meter oplopend tot 4,00 meter, 5,00 meter en maximaal 7,00 meter. Een bedrijfsgebouw met een maximale hoogte van 9,00 meter zal ook een andere schaduwwerking voor de naastgelegen percelen opleveren en is op grond van het bestemmingsplan op deze locatie rechtstreeks toegestaan. Ook van de situatie met bebouwing van 9,00 meter is door de aanvrager een schaduwberekening gemaakt. Hieruit blijkt dat het voorgestelde plan een minder grote impact op de schaduwwerking heeft dan wanneer er een bouwplan conform het huidige bestemmingsplan gerealiseerd zal worden. Wij zijn dan ook van mening dat de verandering in schaduwwerking door het voorgestelde plan niet zodanig is, dat er geen medewerking aan het plan kan worden verleend. De positie van de bebouwing wijkt niet af van het ruimtelijk kader. Op verzoek van reclamant is gezocht naar een maximale afstand tussen de appartementen en de tweekapper. Op de door reclamant genoemde voorschets van september 2019 was de afstand circa 17 meter. In de werkelijke situatie bleek dit ruimtelijk niet in te passen op de kavel. Deze afstand is daarom gecorrigeerd naar 16,3 meter. Deze wijziging is echter nog steeds passend in het ruimtelijk kader. Hoewel wij begrijpen dat reclamant niet blij Zienswijzennota projectafwijkingsbesluit “Westeinde 132b, 132c en 132d”

4

is met de verschuiving/wijziging, is naar onze mening voldoende toegelicht met welke reden dit gebeurd is. Het gevoel van vermindering van woongenot betreft een subjectieve omstandigheid, welke per individu kan verschillen. Van een onacceptabele aantasting van de leefomgeving is naar ons oordeel geen sprake onder andere omdat de schaduwwerking minimaal is en de bouwhoogte conform bestemmingsplan is. Daarbij zijn wij van mening dat het wonen in een stedelijke omgeving een zeker en normaal risico op veranderingen in de directe omgeving met zich meebrengt. 2. Aantasting privacy Direct achter het perceel van reclamant wordt een dubbele woning gerealiseerd. Vanuit de nieuwe bebouwing en vanaf de dakterrassen bestaat er direct zicht in de woning, waaronder de woon- en slaapkamers, in de tuin en op het balkon, waar nu geen enkele inkijk is. Dit is een enorme inbreuk op de bestaande situatie en een aanzienlijke aantasting van de privacy. Uit de bij het ontwerpbesluit behorende tekeningen is onvoldoende af te leiden of aan de achterzijde panelen of ramen zullen worden geplaatst. Voor zover hier ramen voorzien zijn, dan wordt verzocht om deze uit te voeren in melkglas, om zo het zicht op het perceel en in de woning weg te nemen.

Ook wordt gevraagd om als voorwaardelijke verplichting in het besluit op te nemen dat de dakterrassen pas in gebruik kunnen worden genomen zodra de afschermende terrasafscheidingen zijn geplaatst en bovendien dat deze afscheidingen in stand worden gehouden zo lang van de dakterrassen gebruik wordt gemaakt. Reactie: Ter bescherming van de visuele privacy tussen buren is in artikel 5:50 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek het volgende opgenomen: “Tenzij de eigenaar van het naburige erf daartoe toestemming heeft gegeven, is het niet geoorloofd binnen twee meter van de grenslijn van dit erf vensters of andere muuropeningen, dan wel balkons of soortgelijke werken te hebben, voor zover deze op dit erf uitzicht geven”. De afstand van de ramen in de achtergevel van de nieuw te bouwen geschakelde eengezinswoningen tot de erfgrens bedraagt circa 7,00 meter. Deze ramen zullen worden uitgevoerd in melkglas. Ook de terrasafscheiding van het dakterras aan de achterzijde zal worden uitgevoerd in melkglas (zie de tekeningen behorend bij de omgevingsvergunning). Er zal dan ook geen sprake zijn van aantasting van de privacy zijn, nu er zich geen ramen danwel dakkapellen binnen twee meter van de grenslijn van het naastgelegen erf bevinden.

De terrasafscheidingen staan op tekening aangegeven en maken onderdeel uit van het bouwplan, deze zullen dus ook geplaatst zijn als de woningen worden opgeleverd. Een voorwaardelijke verplichting dat de dakterrassen pas in gebruik kunnen worden genomen, zodra de afschermende terrasafscheidingen zijn geplaatst is naar onze mening dan ook niet nodig, nu deze in het bouwplan zijn meegenomen en onderdeel uitmaken van de te verlenen omgevingsvergunning. 3. Geluidsoverlast/hinder warmtepompen Aan de achterzijde van de woningen en de appartementen worden warmtepompen gerealiseerd die niet van enige geluiddemping worden voorzien. Een warmtepomp maakt over het algemeen een brommend (tonaal) geluid en kan tot op een afstand van 15 meter een geluidsbelasting tussen de 30 en 40 dB(A) produceren. De tuin van reclamant bevindt zich op circa 5,5 meter van de meest nabij gelegen warmtepomp. Er worden meerdere warmtepompen voorzien, die allemaal een geluidsuitstraling op de woning en tuin van reclamant zullen hebben. Er is gerede vrees dat het geluid van de warmtepompen in de tuin en bij de woning van reclamant goed hoorbaar zullen zijn. Deze gevolgen zijn in het ontwerpbesluit niet onderzocht, terwijl het hinderlijke geluid het woon- en leefgenot van de reclamant negatief zal aantasten.

Aantasting van het woon- en leefgenot in de bij de woning gelegen tuin dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening te worden beoordeeld, zo volgt onder andere uit de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2306. Het ontwerpbesluit is gelet hierop onzorgvuldig voorbereid. Ook zal visuele Zienswijzennota projectafwijkingsbesluit “Westeinde 132b, 132c en 132d”

5

hinder worden ervaren van de (thans nog niet afgeschermde) warmtepompen die op de achterzijde van de bebouwing worden aangebracht. Niet valt in te zien waarom deze pompen, die ten goede komen van het gebruik van de nieuw te bouwen woningen, niet aan de voorzijde van de bebouwing wordt aangebracht, zodat in ieder geval de achterliggende woningen geen last van de pompen zullen hebben. Gevraagd wordt om de warmtepompen aan de andere zijde van de woningen te plaatsen, zodat deze geen hinder voor omwonenden veroorzaken. Reactie: Bij de tweekapper worden losse buitenunits in de tuin gerealiseerd. Bij de appartementen worden op het platte dak op de eerste verdieping losse buitenunits gerealiseerd. Plaatsing van de units is aangegeven op de plattegronden en gevelaanzichten die bij de vergunningaanvraag zitten. De warmtepompen dienen te voldoen aan de eisen van het Bouwbesluit 2012 ten tijde van indiening van de aanvraag omgevingsvergunning. Naar verwachting worden de buitenunits van de tweekapper via een kopersoptie gewijzigd in een bodemlus. Daarmee zullen er dan geen units meer in de tuin aanwezig zijn en is het visuele en geluidseffect niet meer van toepassing. Voor de buitenunits van de appartementen is de ontwikkelaar voornemens om deze te voorzien van tenminste een esthetische en eventueel een akoestische afscherming.

Deze afscherming maakt geen deel uit van de onderhavige omgevingsvergunning. Dit betekent dat de ontwikkelaar hiervoor dus nog een separate aanvraag om omgevingsvergunning voor zal moeten indienen. Deze aanvraag zal dan ook voor advies aan de welstands- en monumentencommissie worden voorgelegd. Feit blijft dat de warmtepompen hoe dan ook moeten voldoen aan de eisen van het Bouwbesluit 2012 ten tijde van indiening van de aanvraag omgevingsvergunning en daarmee voldoen aan de geluidsnormen die daarin bepaald zijn. 4. Verkeersonveilige situatie Om bij de nieuw te realiseren bebouwing te komen moet door een smalle gang tussen de woningen aan het Westeinde 134 en 132A worden gereden. Deze doorgang is, inclusief trottoir voor voetgangers, circa 4 meter breed en 25 meter lang. Dit betekent dat voertuigen elkaar niet veilig kunnen passeren om bij de woningen te komen. In het ontwerpbesluit is niet overwogen hoe hiervoor een verkeersveilige oplossing kan worden gevonden. Evenmin is meegewogen dat het kruispunt met het Westeinde onoverzichtelijk is. Ook hiervoor ontbreekt in het ontwerpbesluit een zorgvuldige oplossing. De ruimte om te kunnen parkeren zal bijzonder krap en onoverzichtelijk zijn, hetgeen resulteert in een verkeersonveilige situatie.

Aan de westzijde van het besluitgebied worden twee parkeerplaatsen voorzien aan het einde van een 20 meter lange steeg/gang van 5 meter breed. Op deze gang komen twee woningen uit en beoogd is dat via deze gang ook de percelen Westeinde 134-138 kunnen worden betreden via een achterom. Indien een voertuig op een van beide parkeerplaatsen wordt geparkeerd, zal deze eerst tot voorbij de tweekapper moeten rijden om daar, mits er een beschikbare parkeerplaats is, te kunnen draaien. Het draaien in de smalle gang is gelet op de lengte van een gemiddelde auto immers niet mogelijk. Daar komt bij dat tijdens het achteruitrijden rekening moet worden gehouden met aankomend verkeer, vertrekkend verkeer en personen die de woningen en percelen verlaten. Dit zorgt voor een verkeersonveilige situatie ten aanzien van deze parkeerplaatsen. Voor de enkele parkeerplaats, te realiseren aan de oostzijde van het besluitgebied, en voor de meest noordelijk gelegen parkeerplaats, geldt hetzelfde. Indien alle parkeerplaatsen bezet zijn, is het niet mogelijk om de voertuigen te draaien totdat voorbij de ingang van de appartementen en de (smalle) doorgang naar het Westeinde wordt gemanoeuvreerd. Dit leidt eveneens tot een verkeersonveilige situatie.

Om een voertuig te kunnen parkeren in de linker parkeerplaats van het noordelijke parkeervlak, dient eerst meerdere malen te worden gedraaid en gekeerd om het voertuig in, dan wel uit het parkeervlak te kunnen krijgen en richting het Westeinde te kunnen rijden. Dit zorgt, los van het feit dat de gebruiksmogelijkheid van de parkeerplaats zeer beperkt is, voor een onveilige situatie op het smalle parkeerterrein. Gelet op bovengenoemde punten is het niet Zienswijzennota projectafwijkingsbesluit “Westeinde 132b, 132c en 132d”

6

mogelijk om de parkeerplaatsen veilig en effectief te kunnen gebruiken. Verzocht wordt een verkeersveiliger alternatief aan te dragen, door bijvoorbeeld de woningen smaller te maken om zo meer parkeerruimte te kunnen creëren, dan wel de onveilige parkeerplaatsen niet te realiseren. Reactie: In het verleden was op deze locatie een bedrijf in sierbestratingen gevestigd, met ook parkeergelegenheid op eigen terrein. Het in- en uitrijden heeft in het verleden niet tot ongelukken geleid, vandaar dat de verwachting niet is dat dat nu wel het geval is. Indien nodig kunnen er maatregelen genomen worden om zicht te verbeteren en attentieniveau te verhogen. In de praktijk zal de intensiteit en gebruik van deze toegangsweg beperkt zijn omdat het voornamelijk bewoners zijn die hier gebruik van gaan maken. In de onderbouwing wordt uitgegaan van een berekening van een totale verkeersgeneratie van 29 voertuigen per etmaal eventueel nog aangevuld met een deel zoekverkeer naar beschikbare plaatsen. Het gaat dus om een beperkte hoeveelheid verkeersbewegingen. De toegangsweg is niet heel lang en naar onze mening dus goed overzichtelijk. Als men de steeg in wil rijden en er komt al een auto aan dan zal hier even op gewacht moeten worden. Wij verwachten niet dat het vaak voor zal komen dat men elkaar in de toegangsweg tegenkomt.

Mocht dit in de praktijk anders blijken, dan zouden er extra maatregelen getroffen kunnen worden om dit te voorkomen. Alle parkeerplaatsen voldoen aan de geldende maatvoering, daarnaast zullen de parkeerplaatsen voornamelijk gebruikt worden door vaste gebruikers die de situatie ter plaatse kennen. De verwachting is dat dit niet tot problemen van het bereiken van de parkeerplaatsen leidt. 5. Parkeren Het ontwerpbesluit voorziet niet in voldoende parkeergelegenheid. In de ruimtelijke onderbouwing wordt uitgegaan van een minimale parkeereis van 9 parkeerplaatsen. In de onderbouwing wordt uitgegaan van een gemiddelde parkeernorm van 1,6 per woning voor de twee- onder-een-kapwoningen en een norm van 1,4 parkeerplaatsen per appartement. De berekening is volgens reclamant onjuist uitgevoerd. Overeenkomstig de Nota Parkeernormen moet het plangebied worden aangemerkt als een “zeer sterk stedelijk” gebied. Het plangebied ligt verder in de stedelijke zone “Schil centrum”. De gemiddelde norm voor een parkeerplaats voor een twee-onder-een-kapwoning is gelet op de Nota Parkeernormen in dit gebied 1,7 parkeerplaatsen, zo volgt uit de Parkeernota. De te verkopen appartementen moeten worden gerekend tot het dure segment.

Er is geen gegronde reden om appartementen aan De Vliet met ruime balkons en ruime binnenruimte tot een ander segment te kunnen rekenen, zoals in de ruimtelijke onderbouwing wordt verondersteld. De norm voor een koopwoning op de etage bedraagt 1,6 parkeerplaats per woning. De parkeernorm voor de woningen bedraagt minimaal (1,7x2 + 1,6x4 = 9,8) 10 parkeerplaatsen. Ook indien wordt gerekend met appartementen in het middensegment zijn 10 parkeerplaatsen minimaal vereist. Indien in navolging van hetgeen hierboven is gesteld ten aanzien van de verkeersveiligheid in ieder geval de twee parkeerplaatsen aan de westzijde van het besluitgebied worden geschrapt en hiervoor geen deugdelijk alternatief wordt gevonden in het besluitgebied, dan stuit het ontwerpbesluit op een tekort aan parkeerplaatsen. Het ontwerpbesluit kan om deze reden niet in zijn huidige vorm in stand blijven. Het parkeren kan niet kan worden opgevangen in het openbare gebied, gelet op de reeds hoge parkeerbelasting in de wijk, waarin al een tekort aan parkeerplaatsen bestaat. Zowel het bestemmingsplan als het voorliggende ontwerpbesluit voorzien niet in een instandhoudingsverplichting voor het behouden van voldoende parkeergelegenheid. Verzocht wordt deze verplichting aan de omgevingsvergunning te verbinden.

Reactie: In de tekst en verwoording van de ruimtelijke onderbouwing is inderdaad een fout geslopen ten aanzien van de gehanteerde parkeernorm. Bij de toetsing van het bouwplan aan de geldende parkeernormen is

Zienswijzennota projectafwijkingsbesluit “Westeinde 132b, 132c en 132d”

7

echter wel uitgegaan van de te hanteren normen voor twee-onder-een-kap (1,7) en dure appartementen (1,6). Deze norm is inclusief 0,3 pp voor bezoekers. De plaatsen voor bezoekers dienen openbaar te zijn. Voor de twee-onder-een-kap woningen in het plan worden 2 privé parkeerplaatsen per woning aangelegd. Dit voldoet dus ruim aan de norm. Aangezien het echter privé parkeerplaatsen betreft, dient daar bovenop alsnog de 0,3 bezoekersparkeerplaatsen aangelegd te worden als openbare parkeerplaats. Dus 0,6 parkeerplaats. Voor elk van de vier appartementen wordt één privé parkeerplaats gereserveerd. De resterende 4 maal 0,6 parkeerplaats wordt openbaar aangelegd. Deze 2,4 parkeerplaats is dus inclusief het bezoekers-aandeel van 0,3 parkeerplaats per woning. Rekening houdende met de privé parkeerplaatsen zijn er dus 11 parkeerplaatsen nodig: 4 privé plekken voor de twee twee-onder-een-kappers, 4 privé plekken voor de vier appartementen en 3 openbare plekken voor de bezoekers en tweede auto’s van de appartementen. In het plan wordt voorzien in 12 parkeerplaatsen. Er wordt dus één openbare parkeerplaats meer aangelegd dan vereist volgens de parkeerberekening. Wij zijn van mening dat alle in het plan opgenomen parkeervakken in stand kunnen blijven omdat deze voldoen aan geldende maatvoering. Het plan voldoet daarmee aan de parkeernorm. De ruimtelijke onderbouwing is op dit punt aangepast.

De instandhoudingsverplichting wordt niet in de omgevingsvergunning opgenomen, maar deze is voor zowel de privé parkeerplaatsen als bezoekersparkeerplaatsen geborgd in de koopakte. De nieuwe bewoners komen niet in aanmerking voor een parkeerontheffing als ze op eigen terrein kunnen parkeren. Op die manier wordt geborgd dat de bewoners zo veel mogelijk van de eigen parkeergelegenheid gebruik maken. Tevens worden er 4 openbare parkeerplaatsen (1 meer dan volgens de parkeerberekening nodig is) aangelegd, waardoor het bouwplan naar onze mening weinig invloed zal hebben op de parkeerdruk in de omgeving. 6. Risicoschade omliggende woningen Door het ontwerpbesluit dreigt schade te ontstaan aan omliggende woningen. De woningen worden gerealiseerd op een korte afstand van de kade en op slechts 5 meter van de naastgelegen woningen. Er is onvoldoende onderzocht in hoeverre het bouwen op een dergelijke korte afstand van de kade kan leiden tot schade aan de kade zelf, maar ook tot schade aan de omliggende woningen. Gevreesd wordt voor schade aan de woning door verzakkingen, wateroverlast en eventuele trillingen bij het bouwen. Met klem wordt verzocht de risico’s van het bouwen inzichtelijk te maken alvorens wordt overgegaan tot besluitvorming, een andere volgorde zou leiden tot onzorgvuldige besluitvorming.

Reactie: In bijlage D, punt 4, van het ontwerpbesluit is aangegeven dat de uitgangspunten voor een monitoringsplan ter voorkoming van schade aan naburige bouwwerken (o.a. trillingen, zettingen, rotaties, grondwaterstand en bijbehorende grenswaarden) nog ter goedkeuring aan de gemeente dient te worden voorgelegd. Het is gebruikelijk om dit als voorwaarde op te nemen bij nieuwbouwprojecten in een stedelijke omgeving. Gelet op deze specifieke locatie nabij gemeentelijke monumenten is dit aspect al eerder onderkend en vroegtijdig onder de aandacht gebracht bij de ontwikkelaar. Het overlegde concept plan van aanpak en monitoringsplan dat de ontwikkelaar aan de gemeente en omwonenden heeft aangeboden is door de gemeentelijke constructeur beoordeeld en voorzien van opmerkingen. In overleg met de constructeur van de gemeente is besloten dat een trillingsarme heimethode wordt toegepast met kleine heistelling. Dit om de overlast ten aanzien van het aan-/afrijden van de heimachine en trillingen tijdens heien tot een minimum te beperken. De definitieve keuze voor een trillingsarme heimethode zal nog ter goedkeuring worden voorgelegd aan de gemeente. Zonder gemeentelijke instemming op het plan van aanpak en monitoringsplan met betrekking tot de hei-methode zal de ontwikkelaar niet kunnen Zienswijzennota projectafwijkingsbesluit “Westeinde 132b, 132c en 132d”

8

starten met de (hei)werkzaamheden. Het inschakelen van een onafhankelijk extern expertise bureau en dit als voorwaarde opnemen in de vergunning is niet aan de orde, aangezien er binnen de gemeente voldoende expertise is in de hoedanigheid van twee gekwalificeerde constructeurs. De risico’s van de bouw en de monitoringsaanpak zijn daarmee in beeld voordat met de bouw zal worden gestart. 7. Groene karakter Het groene karakter van het ontwerpbesluit is niet geborgd. Een van de doelen van de gemeente is om bij alle nieuwe ruimtelijke projecten het groen een serieus onderdeel te laten vormen, zo volgt uit hoofdstuk 6 van het Groenstructuurplan van de gemeente Leidschendam-Voorburg (2010): Buitengewoon groen. In de ruimtelijke onderbouwing wordt in paragraaf 3.3.2 getoetst aan het Groenstructuurplan. Gesteld wordt dat, gelet op de ligging van het besluitgebied aan de Vlietzone, bij de ontwikkeling serieus aandacht wordt besteed aan groene voorzieningen. Bij het ontwerpbesluit is geen landschappelijk inpassingsplan gevoegd. Evenmin is aan het ontwerpbesluit een beplantings- en instandhoudingsverplichting opgenomen om te borgen dat het beoogde groen daadwerkelijk wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden. Het ontwerpbesluit voldoet vooralsnog niet aan de doelstellingen van het Groenstructuurplan.

Gevraagd wordt het ontwerpbesluit ten aanzien van dit onderdeel concreter uit te werken en verplichtingen ten aanzien van het beplanten en het instandhouden van het groen op te nemen in de omgevingsvergunning. Reactie: Op dit moment gaat het om een volledig verhard bedrijfsterrein. De transformatie naar woningen met tuinen zorgt ervoor dat het beeld aanzienlijk zal vergroenen. In het ruimtelijk kader is het volgende opgenomen: “Door de situering en de vergroening van de oever draagt de nieuwbouw bij aan de Groenelijn, de Vliet, uit de structuurvisie. Dit komt vooral tot uitdrukking in de vormgeving van de gevel richting het water en de brug en de groene openruimten tussen de gebouwen. Daarnaast leveren een goede en nette detaillering een belangrijke bijdrage aan de beleving en identiteit van het beeld langs de Vliet. De nieuwe buitenruimte sluit aan bij de bestaande inrichting van het Westeinde, met voldoende oog voor kwalitatief groen (bomen)”. Bij de beoordeling van het bouwplan is destijds door de welstandscommissie geadviseerd om, rekening houdend met het hoge welstandsregime “Vlietoevers” wat voor dit gebied van toepassing is, de erfafscheiding als een groenblijvende, winterharde haagbeuk uit te voeren. In de akten met toekomstige kopers is de instandhouding van de groene hagen geborgd.

Daarnaast wordt een voorziening gecreëerd in de vorm van een ‘bloembak’ langs de kade, waardoor kopers gestimuleerd worden dit groen in te richten. 8. Communicatie(fouten) Reclamant is ontstemd over de (communicatie)fouten die gemaakt zijn gedurende de ontwikkelingsfase. Hoewel begrepen wordt dat formeel getoetst wordt of het besluit niet in strijd is met de goede ruimtelijke ordening, zijn er gedurende het proces een aantal ernstige (communicatie)fouten gemaakt, waardoor reclamant zich niet serieus betrokken voelt bij de besluitvorming. Na het aanvankelijke contact over de voorgenomen plannen in september 2019 is geen enkel overleg meer gevoerd met reclamant. Reclamant voelt zich door de handelswijze van de projectontwikkelaar, door zonder nadere communicatie een geheel ander plan ter besluitvorming voor te leggen dan eerst is afgestemd, niet serieus genomen en heeft allerminst het gevoel dat de zorgen serieus bij de besluitvorming zijn betrokken. Verder is in juni 2020 een concept akte voor het vestigen van een erfdienstbaarheid op de direct achter de woningen gelegen verharding aan de indiener van de zienswijzen en de andere aangrenzende bewoners verstuurd. In deze e-mail zijn alle namen, geboortedata en geboortelocaties van de directe omwonenden in te zien. De privacy is door deze handelswijze ernstig geschaad.

Zienswijzennota projectafwijkingsbesluit “Westeinde 132b, 132c en 132d”

9

Reactie: Wij betreuren het dat reclamant de communicatie als onvoldoende en incompleet ervaart. Naar onze mening is er wel gecommuniceerd met de omwonenden. Zoals bij punt 1 al aangegeven is het in eerste instantie voorgelegde plan 70 centimeter opgeschoven, omdat de afmetingen waar in het ruimtelijk kader vanuit was gegaan niet met de werkelijkheid overeenkwamen. De wensen op het gebied van inkijk en privacy zijn, waar mogelijk, meegenomen en verwerkt in het plan. Dat de inzet van communicatie niet het resultaat heeft opgeleverd wat zij graag hadden willen zien, staat hier naar onze mening los van. Na september 2019 zijn er nog meerdere contactmomenten met omwonenden geweest, gericht op direct omwonenden waar reclamant ook voor uitgenodigd is. Hier is echter door reclamant niet op ingegaan. Ook heeft er in september 2020 een openbare en breed aangekondigde bewonersbijeenkomst plaatsgevonden. Het doel bij het opstellen van de concept akte van erfdienstbaarheid is geweest om op basis van de gevoerde correspondentie/besprekingen de belangen van de omwonenden te borgen in een notariële akte. Dit naar aanleiding van verschillende gesprekken die met direct omwonenden hebben plaatsgevonden. Voor het vastleggen van deze rechten is het noodzakelijk dat de persoonsgegevens in de akte worden opgenomen en hierdoor dan dus voor alle partijen inzichtelijk zijn.

Nu er nog geen besluit over de omgevingsvergunning is genomen, zal de akte nog niet worden gepasseerd en behoud deze zijn concept status. De ontwikkelaar heeft met reclamant afgesproken dat zodra de afronding en de ondertekening van deze akte weer actueel wordt, zij contact met haar zullen opnemen om na te gaan of zij wel of geen partij wenst te zijn in deze akte. 9. Waardedaling woningen Gevreesd wordt dat de woning van reclamant in waarde daalt na realisering van de voorgenomen plannen. Nu bij planschadeclaims een steeds groter deel van het nadeel voor eigen risico blijft, moet dit nadeel zo klein mogelijk blijven. Een goede ruimtelijke ordening vraagt dat het nadeel voor omwonenden waar mogelijk beperkt wordt. Een reden te meer om te zoeken naar een goede plaatsing van de bebouwing, waarbij zo min mogelijk hinder, en daarmee planschade, te verwachten is.

Reactie: Artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid van artikel 6.1 Wro genoemde oorzaak (waaronder een besluit omtrent een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder, c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht), op aanvraag een tegemoetkoming toekennen, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd. Artikel 6.2 Wro bepaalt dat binnen het normale maatschappelijke risico vallende schade voor rekening van de aanvrager (van het planschadeverzoek) blijft. Lid 2 van artikel 6.2 bepaald dat in ieder geval voor rekening van de aanvrager blijft: bij schade in de vorm van vermindering van de waarde van een onroerende zaak, een gedeelte gelijk aan 2 procent van de waarde van de onroerende zaak onmiddellijk voor het ontstaan van de schade.

Indien reclamanten van mening zijn dat zij schade leiden in de vorm van vermindering van de waarde van hun woning ten gevolge van het voorgestelde bouwplan die niet binnen het normale maatschappelijke risico valt, kan nadat het besluit onherroepelijk is geworden een verzoek om planschade worden ingediend. Dit verzoek zal dan te zijner tijd beoordeeld worden door een onafhankelijke instantie. Bij de beoordeling van het verzoek, zal rekening worden gehouden met het bestaande planologische regime,

Zienswijzennota projectafwijkingsbesluit “Westeinde 132b, 132c en 132d”

10

zijnde een bedrijfsbestemming (waarbinnen bedrijven tot en met categorie 2 zijn toegestaan) met de daarbij behorende bebouwingsmogelijkheden. Conclusie De bovenstaande zienswijze geeft geen aanleiding om het bouwplan aan te laten passen of de omgevingsvergunning niet te verlenen. De ruimtelijke onderbouwing is naar aanleiding van de ingediende zienswijzen aangepast met de juiste parkeernormen en verwoording in de tekst. 3.2 Indiener(s) zienswijze 2 Samenvatting van de zienswijze: 1. Gedegen risico-analyse ontbreekt De gemeente heeft onvoldoende getoetst of de bouw veilig is en heeft onvoldoende documentatie en toelichting gevraagd alvorens de vergunning te verlenen. Een plan van aanpak voor de sloop en bouw is niet voorgelegd en niet getoetst. Hierdoor heeft de gemeente niet kunnen beoordelen of de bouw geen schade aan de bestaande (grotendeels monumentale) woningen veroorzaakt. In opdracht van de ontwikkelaar is een opname van de woning uitgevoerd. Rekening houdend met de bouwkundige staat van de woningen is toegezegd de risico-analyse uit te voeren en te adviseren over de bouwmethode (o.a. heisysteem) en het monitoringsplan. De vergunningsaanvraag vermeldt geen details over bouwmethodiek, constructieve gegevens of welke informatie dan ook die inzicht geeft in de risico’s voor de bestaande bouw.

Om de kans op schade aan het huis van reclamanten te minimaliseren wordt gevraagd de risico-analyse te laten beoordelen door een onafhankelijk extern expertise bureau en als onderdeel in de vergunning op te nemen. Als er bijv. voor heien i.p.v. boren gekozen wordt (wat een verhoogd risico betekent), vraagt reclamant om een trilling predictie. Reactie: In bijlage D, punt 4, van het ontwerpbesluit is aangegeven dat de uitgangspunten voor een monitoringsplan ter voorkoming van schade aan naburige bouwwerken (o.a. trillingen, zettingen, rotaties, grondwaterstand en bijbehorende grenswaarden) nog ter goedkeuring aan de gemeente dient te worden voorgelegd. Het is gebruikelijk om dit als voorwaarde op te nemen bij nieuwbouwprojecten in een stedelijke omgeving. Gelet op deze specifieke locatie nabij gemeentelijke monumenten is dit aspect al eerder onderkend en vroegtijdig onder de aandacht gebracht bij de ontwikkelaar. Het overlegde concept plan van aanpak en monitoringsplan dat de ontwikkelaar aan de gemeente en omwonenden heeft aangeboden is door de gemeentelijke constructeur beoordeeld en voorzien van opmerkingen. In overleg met de constructeur van de gemeente is besloten dat een trillingsarme heimethode wordt toegepast met kleine heistelling. Dit om de overlast ten aanzien van het aan-/afrijden van de heimachine en trillingen tijdens heien tot een minimum te beperken.

De definitieve keuze voor een trillingsarme heimethode zal nog ter goedkeuring worden voorgelegd aan de gemeente. Zonder gemeentelijke instemming op het plan van aanpak en monitoringsplan met betrekking tot de hei-methode zal de ontwikkelaar niet kunnen starten met de (hei)werkzaamheden. Het inschakelen van een onafhankelijk extern expertise bureau en dit als voorwaarde opnemen in de vergunning is niet aan de orde, aangezien er binnen de gemeente voldoende expertise is in de hoedanigheid van twee gekwalificeerde constructeurs. 2. Opname woning en gebruik meetapparatuur Er is toegezegd dat er op meerdere momenten opnamen gemaakt worden van de woning, zowel binnen als buiten. Daarnaast is aangegeven dat er trillings-, geluid- en indien nodig zettingsmetingen gedurende de gehele realisatie worden gedaan. Deze toezegging staat in het plan van aanpak, maar deze heeft geen status en is nog niet concreet uitgewerkt in een monitoringsplan op basis van de risicoanalyse. Reclamanten vragen de gemeente om eisen te stellen in de vergunning voor het gebruik van geluidstrillings-, en indien nodig zettingsmetingen zodat de sloop, sanering en bouw geen schade aan de Zienswijzennota projectafwijkingsbesluit “Westeinde 132b, 132c en 132d”

11

woningen kan aanrichten en er geen overschrijdingen op de (wettelijke) of uit de risicoanalyse komende normen zijn. Daarnaast wordt gevraagd om openheid van de gemeten waarden, zodat bij mogelijke geschillen naar de tijdstippen en data gekeken kan worden. Reactie: Zoals hierboven aangegeven zal het monitoringsplan door de gemeente moeten worden goedgekeurd voordat met de werkzaamheden kan worden gestart. Het monitoringsplan zal uiteindelijk onderdeel uit maken van het besluit en hier zal door de gemeente op gecontroleerd gaan worden. De aannemer zal voor de start van de werkzaamheden een opname van de huidige toestand maken (O-meting) om later eventuele schade te kunnen aantonen. Het opstellen van een vooropname (nulmeting) is een zaak tussen de aannemer en zijn verzekeringsmaatschappij. De gemeente heeft daar geen inmenging in, maar zal wel een exemplaar van de vooropname (nulmeting) ontvangen. 3. Geen (vergunningsvrije) aan/uitbouwen. In de besluiten wordt aangegeven dat het stedenbouwkundig plan c.q. het ruimtelijk kader tot stand is gekomen op basis van een 'participatie'. Met omwonenden is het compromis tot stand gekomen waarbij is toegezegd dat het volume binnen het stedenbouwkundig plan ook echt het maximaal toegestane bouwvolume is. Afgesproken is ook dat er na realisatie van dit volume geen aan/uitbouwen, ook niet vergunningsvrij, mogelijk gemaakt zouden worden.

Deze afspraak is niet terug te zien in de vergunning. Verzocht wordt om deze afspraak te borgen via een rechtsgeldige methode. Reactie: Het is niet mogelijk om een voorwaarden in de vergunning op te nemen dat er geen vergunningsvrije aanen uitbouwen meer gerealiseerd kunnen worden. In een nieuw bestemmingsplan zal het omliggende perceel (zoals op het kaartje in het ruimtelijk kader aangegeven) een groenbestemming krijgen, waardoor hier in de toekomst niet vergunningsvrij gebouwd kan worden. In de praktijk is er echter ook weinig ruimte meer om vergunningsvrij te kunnen bouwen. De Vlietgevel wordt gezien als meest beeldbepalende gevel. Op 1,00 meter achter deze gevel ontstaat een achtererfgebied welke voor maximaal 50% vergunningsvrij bebouwd zou mogen worden. In feite is dus alleen een uitbreiding in de zijtuinen mogelijk en niet aan de “achtergevel” waar de entrees zijn gesitueerd, aangezien deze achtergevel straks grenst aan de verkeerszone. De zijtuinen in het middengebied hebben ook een zone voor parkeren, waardoor er nauwelijks tuinruimte over blijft om vergunningsvrij te kunnen bouwen. Waar mogelijk zal de ontwikkelaar te zijner tijd in de koopakte een passage opnemen dat de eigenaren de omvang van de begane grond niet mogen uitbreiden. 4. BLVC plan (Bereikbaarheid, Leefbaarheid, Veiligheid en Communicatie) Er zit geen BLVC plan in de vergunningsstukken.

De ontwikkelaar heeft een plan van aanpak gemaakt, waar veel van de belangrijke punten in worden genoemd. Er is vertrouwen dat de ontwikkelaar het goed wil organiseren en rekening wil houden met haar buren, maar het plan van aanpak heeft geen status, dus naleving is niet geborgd. Gezien er verschillende projecten (Fonteinkerk, IKC en Diaconessenhuis) gelijktijdig of met een grote overlap in Voorburg West dicht tegen de bestaande woningen aan worden gerealiseerd, wordt verzocht om een BLVC-plan bij al deze projecten verplicht te stellen voor vergunningverlening en dit overkoepelend te coördineren. Belangrijk is dat omwonenden betrokken worden bij dit BLVC-plan.

Zienswijzennota projectafwijkingsbesluit “Westeinde 132b, 132c en 132d”

12

Reactie: In bijlage D van het ontwerpbesluit is aangegeven dat een bouwveiligheidsplan nog ter goedkeuring aan ons dient te worden voorgelegd. Zonder gemeentelijke instemming op het bouwveiligheidsplan zal de ontwikkelaar niet kunnen starten met deze werkzaamheden. Dit is een normale gang van zaken om als voorwaarde op te nemen bij nieuwbouwprojecten in een stedelijke omgeving. Zowel de gemeente als de ontwikkelaar is bekend met de zorgen van reclamanten. Vooralsnog gaan wij ervan uit dat er geen gelijktijdige uitvoering plaatsvindt van de vier genoemde projecten, mede omdat enkele ontwikkeling nog in de aanvraagprocedure zijn. De uiteindelijk planning van de uitvoering van de diverse projecten is echter afhankelijk van de besluitvorming en eventuele juridische procedures die nog doorlopen moeten worden. Hier is op voorhand dan ook nog geen uitsluitsel over te geven. Indien nodig zal hier alsnog afstemming plaatsvinden op het moment dat dit nodig is. Conclusie De bovenstaande zienswijze geeft geen aanleiding om het bouwplan aan te laten passen of de omgevingsvergunning niet te verlenen. 3.3 Indiener(s) zienswijze 3 Samenvatting van de zienswijze: 1. Ruimtelijk kader geen basis voor dit plan Het ruimtelijk kader dat destijds opgesteld en goedgekeurd is, was volgens reclamant in het kader van een bestemmingsplanprocedure.

De basis van een vergunning is het bestemmingplan en dat geeft in dit geval strijdig gebruik. Bij strijd met het bestemmingsplan moet worden getoetst of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het college heeft het ruimtelijk kader als onderbouwing van een goede ruimtelijke ordening aangenomen. Alsnog dient echter aannemelijk gemaakt te worden dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Door de plannen te vergunnen ontstaat een onevenredig negatief effect op het woon- en leefklimaat van reclamant. Destijds is het ruimtelijk kader - in weerwil van ingediende bezwaren - vastgesteld omdat het project door deze te verkleinen financieel niet haalbaar zou zijn. Destijds was dit het enige argument van de gemeente. In het kader van een vergunning dient derhalve opnieuw te worden beoordeeld of het financieel haalbaar is - en niet of het goedkoper kan worden uitgevoerd - zodat er een plan kan worden gerealiseerd die niet op zoveel fronten concessies vraagt op beleidsvlak en kwaliteitsvlak. Eerder ingebrachte bezwaren tonen aan dat omwonenden onevenredig worden geraakt door deze mogelijkheden. Alsnog dient gemotiveerd te worden waarom medewerking kan worden verleend aan het afwijken van bepaalde andere varianten en waarom deze variant de beste is. Dat het ruimtelijk kader in samenspraak met de omwonenden tot stand is gekomen, is onjuist.

Er zijn diverse gesprekken geweest, maar de bezwaren van omwonenden zijn volgens reclamanten zonder motivatie terzijde geschoven. Ook was er bij de vaststelling van het ruimtelijk kader geen formele bezwaarmogelijkheid. Toen de planlocatie aan een nieuwe projectontwikkelaar is overgedragen heeft de gemeente zich op geen enkel moment bereid getoond de bezwaren te overwegen of in overleg te treden. Er is herhaaldelijk verzocht samen met de nieuwe projectontwikkelaar in overleg te gaan. Ten onrechte is het ruimtelijk plan - zonder gemotiveerde weerlegging van de belangen van omwonenden - als uitgangspunt genomen voor de “goede ruimtelijke ordening”. Reactie: Het ruimtelijk kader is destijds opgesteld vanuit een nieuwbouw/ontwikkelwens naar woningbouw van de vorige eigenaar van de grond. Omdat woningbouw niet binnen het bestemmingsplan of de uitwerkingsbevoegdheid paste is er gekozen voor het opstellen van een ruimtelijk kader, om te onderzoeken wat de mogelijkheden waren van deze locatie. Met het ruimtelijk kader is sturing gegeven aan de herontwikkeling van de locatie en het ruimtelijk kader diende om tot een goed in de omgeving passend plan te komen. Bij het opstellen van het ruimtelijk kader zijn omwonenden betrokken. Visie op de Zienswijzennota projectafwijkingsbesluit “Westeinde 132b, 132c en 132d”

13

ruimtelijke ontwikkeling zijn aan hen gepresenteerd. Zij hebben hun reactie op voorgestelde plannen geuit en aandachtspunten van betrokken inwoners en omwonenden zijn waar mogelijk en haalbaar in het plan verwerkt. Vervolgens is het ruimtelijk kader vastgesteld door de gemeenteraad. Daarbij hebben inwoners de mogelijkheid gehad om in te spreken. Dit heeft niet geleid tot aanpassing van het voorstel. Het is lastig daarbij aan ieders belang volledig te voldoen, omdat deze ook tegenstrijdigheden bevatten. Voor de totstandkoming van het vastgestelde ruimtelijk kader is naar onze mening wel degelijk een participatief proces doorlopen. Daarbij zijn bewoners geïnformeerd en geraadpleegd. Er lag bij hen geen beslissingsbevoegdheid. Bij de overdracht van de gronden, een aangelegenheid tussen twee private partijen is geen verzoek van de nieuwe grondeigenaar bij de gemeente ingediend om van het reeds vastgestelde ruimtelijk kader af te wijken. Er is dan ook geen aanleiding geweest om met de omgeving en grondeigenaar opnieuw uitgangspunten en ruimtelijke kaders op te stellen. Daarom is deze actie ook niet in gang gezet. Dat het huidige ruimtelijk kader en het proces van de totstandkoming hiervan niet aan de wensen en verwachtingen van reclamant voldoet betreuren wij.

In de aanloop naar het opstellen van de omgevingsvergunning en de huidige ruimtelijke onderbouwing is herhaaldelijk met de directe omgeving gesproken inclusief reclamant, zowel gezamenlijk met als zonder de ontwikkelaar. Daarbij hebben zowel de gemeente als de ontwikkelaar geluisterd naar de zorgen van omwonenden en is enerzijds met extra uitleg en anderzijds met concrete afspraken geprobeerd tegemoet te komen aan de zorgen, vragen en wensen van omwonenden. In de ruimtelijke onderbouwing die voor het voorliggende bouwplan is opgesteld is naar onze mening voldoende gemotiveerd waarom medewerking aan het plan kan worden verleend. 2. Risico schade aangrenzende woningen Om bouwen op het smalle deel van het perceel mogelijk te maken moet er gebouwd worden op 1 meter van de kade van De Vliet en slechts 5 meter van de erfgrens van de omliggende woningen. Er is onvoldoende getoetst of dit veilig is en er is geen documentatie en toelichting gevraagd aan de ontwikkelaar alvorens de vergunning te verlenen. Een plan van aanpak voor de sloop en de bouw is niet voorgelegd en niet getoetst. Diverse malen is de vraag gesteld aan de gemeente om te zorgen voor een gedegen risico-inventarisatie die nooit is opgesteld en gedeeld. Er is onvoldoende onderzocht of de afstand tot de kade van de Vliet niet zal leiden tot schade aan de kade en daarmee tot waterschade aan de aangrenzende woningen.

Er is geen informatie gedeeld over de bouwmethode en de daarmee gepaarde trillingen en bodemverschuiving en het effect hiervan op de woningen aan het Westeinde in het algemeen en de monumentale woningen die direct naast het project liggen in het bijzonder. Reactie: In bijlage D, punt 4, van het ontwerpbesluit is aangegeven dat de uitgangspunten voor een monitoringsplan ter voorkoming van schade aan naburige bouwwerken (o.a. trillingen, zettingen, rotaties, grondwaterstand en bijbehorende grenswaarden) nog ter goedkeuring aan de gemeente dient te worden voorgelegd. Het is gebruikelijk om dit als voorwaarde op te nemen bij nieuwbouwprojecten in een stedelijke omgeving. Gelet op deze specifieke locatie nabij gemeentelijke monumenten is dit aspect al eerder onderkend en vroegtijdig onder de aandacht gebracht bij de ontwikkelaar. Het overlegde concept plan van aanpak en monitoringsplan dat de ontwikkelaar aan de gemeente en omwonenden heeft aangeboden is door de gemeentelijke constructeur beoordeeld en voorzien van opmerkingen. In overleg met de constructeur van de gemeente is besloten dat een trillingsarme heimethode wordt toegepast met kleine heistelling. Dit om de overlast ten aanzien van het aan-/afrijden van de heimachine en trillingen tijdens heien tot een minimum te beperken.

De definitieve keuze voor een trillingsarme heimethode zal nog ter goedkeuring worden voorgelegd aan de gemeente. Zonder gemeentelijke instemming op het plan van aanpak en monitoringsplan met betrekking tot de hei-methode zal de ontwikkelaar niet kunnen starten met de (hei)werkzaamheden. Het inschakelen van een onafhankelijk extern expertise bureau en

Zienswijzennota projectafwijkingsbesluit “Westeinde 132b, 132c en 132d”

14

dit als voorwaarde opnemen in de vergunning is niet aan de orde, aangezien er binnen de gemeente voldoende expertise is in de hoedanigheid van twee gekwalificeerde constructeurs. 3. Onvoldoende ruimte voor parkeren op eigen terrein Om 6 woningen mogelijk te maken wordt er te weinig parkeer en manoeuvreerruimte gelaten voor de auto's bij de nieuwe woningen. De getekende parkeerplaatsen zullen niet goed te gebruiken zijn en dit geeft parkeerdruk voor de woningen van omwonenden, terwijl het parkeren op het project zelf moet worden opgelost. Het CROW schrijft voor dat voor haaks parkeren een manoeuvreerruimte noodzakelijk is en parkeervakken minimaal 2,5 meter breed moeten zijn. Daaraan wordt in beginsel voldaan, maar de vakken worden op plaatsen gesitueerd waar het vrijwel onmogelijk is om veilig in- en uit te rijden. Zo is op het smalste deel van het perceel aan de linkerzijde plaats ingetekend voor twee parkeervakken. Deze parkeervakken kunnen echter niet zomaar in- en uitgereden worden, nu geen bocht kan worden gemaakt en slechts achteruit in- of uit kan worden geparkeerd. De kans dat hiermee schade zal ontstaan is groot. Dit hangt direct samen met een te grote bebouwing die mogelijk wordt gemaakt. De tweekapper geeft slechts ruimte voor een 5 meter brede weg doordat te ver tot aan de erfgrens van de bestaande woningen wordt doorgebouwd.

Auto’s kunnen ter plaatse dus slechts geheel achteruit parkeren om vervolgens het perceel te kunnen verlaten. Onvoldoende manoeuvreerruimte is daarmee op de weg geboden. Deze situatie is onvoldoende beoordeeld. Ditzelfde geldt aan de rechterzijde - waar 1 parkeervak is ingetekend - waarbij strijdige verkeerssituaties zullen ontstaan bij drukte. Het CROW schrijft voor dat een wegbreedte minimaal 6 meter moet zijn naast een parkeervak van 5 meter - daarmee totaal 11 meter - waaraan lijkt te zijn voldaan. Echter, bij beoordeling van de situatie zal moeten opvallen dat bij de parkeervakken rechts bovenin een gevaarlijke verkeerssituatie zal ontstaan (zie situatietekening op pagina 36 van de ruimtelijke onderbouwing). Meerdere vakken hebben geen mogelijkheid uit het vak te manoeuvreren op het moment dat alle vakken bezet zijn. De kans dat derhalve volwaardig - in overeenstemming met de parkeernota - op eigen terrein gaat worden geparkeerd is nihil. Door de plannen kleiner uit te voeren, wordt op het eigen perceel meer mogelijkheid geboden om de parkeerdruk op te vangen. Om de minimaal 11 parkeervakken te kunnen realiseren is meer ruimte nodig. Het plan is op basis van dit gegeven strijdig met de parkeernota van de gemeente. Het plan zal leiden tot parkeerdruk in de directe omgeving, waarvan reclamant rechtstreeks de nadelige gevolgen ondervindt.

Reactie: Alle parkeerplaatsen voldoen aan de geldende maatvoering, daarnaast zullen de parkeerplaatsen voornamelijk gebruikt worden door vaste gebruikers die de situatie ter plaatse kennen. Er is voldoende manoeuvreerruimte om parkeerplaatsen in- en uit te rijden. De verwachting is dat het niet tot problemen van het bereiken van de parkeerplaatsen leidt en niet tot schade aan voertuigen of opstallen. Doordat de nieuwe woningen worden opgeleverd met bijbehorende parkeerplaatsen is de verwachting dat nieuwe bewoners ook van hun eigen parkeerplaats gebruik zullen maken en de auto niet elders in het gebied zullen parkeren. De druk op de omgeving is daarmee geborgd. De nieuwe bewoners komen ook niet in aanmerking voor een parkeerontheffing wanneer ze op eigen terrein kunnen parkeren Op die manier wordt geborgd dat de bewoners en moeten dus van de eigen parkeergelegenheid gebruik maken. 4. Verkeersonveilige situatie Om de planlocatie te bereiken moet door een smalle gang tussen de woningen aan het Westeinde 134 en 132A worden gereden. Deze doorgang is, inclusief trottoir voor voetgangers, circa 4 meter breed en 25 meter lang. Voertuigen kunnen elkaar niet veilig passeren om de woningen te bereiken. In het ontwerpbesluit is niet overwogen hoe hiervoor een verkeersveilige situatie kan worden gecreëerd met deze omstandigheden.

Evenmin is meegewogen dat het kruispunt met het Westeinde onoverzichtelijk is. Ook hiervoor ontbreekt in het ontwerpbesluit een zorgvuldige oplossing. Verder zal de ruimte om te kunnen parkeren bijzonder krap en onoverzichtelijk zijn, hetgeen resulteert in een verkeersonveilige

Zienswijzennota projectafwijkingsbesluit “Westeinde 132b, 132c en 132d”

15

situatie. Ook zal het in- en uitrijden leiden tot onveilige situaties voor de voetgangers op het Westeinde waarvan het merendeel schoolgaande kinderen betreft door de directe nabijheid van Pius X basisschool. Reactie: In het verleden was op deze locatie een bedrijf in sierbestratingen gevestigd, met ook parkeergelegenheid op eigen terrein. Het in- en uitrijden heeft in het verleden niet tot ongelukken geleid, vandaar dat de verwachting niet is dat dat nu wel het geval is. Indien nodig kunnen er maatregelen genomen worden om zicht te verbeteren en attentieniveau te verhogen. In de praktijk zal de intensiteit en gebruik van deze toegangsweg beperkt zijn omdat het voornamelijk bewoners zijn die hier gebruik van gaan maken. In de onderbouwing wordt uitgegaan van een berekening van een totale verkeersgeneratie van 29 voertuigen per etmaal eventueel nog aangevuld met een deel zoekverkeer naar beschikbare plaatsen Het gaat dus om een beperkte hoeveelheid verkeersbewegingen. De toegangsweg is niet heel lang en naar onze mening dus goed overzichtelijk. Als men de steeg in wil rijden en er komt al een auto aan dan zal hier even op gewacht moeten worden. Wij verwachten niet dat het vaak voor zal komen dat men elkaar in de toegangsweg tegenkomt. Mocht dit in de praktijk anders blijken, dan zouden er extra maatregelen getroffen kunnen worden om dit te voorkomen. 5.

Archeologie onvoldoende onderzocht en onderbouwd De gronden ter plaatse zijn voorzien van de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 3'. Gezien de omvang en diepte van de nieuwe bebouwing is een archeologisch onderzoek noodzakelijk. Er is archeologisch onderzoek verricht en aan de hand hiervan kan nog niet met zekerheid worden vastgesteld dat ter plaatse het Kanaal van Corbulo ligt. Dit met name vanwege het feit dat een boring niet diep genoeg kon plaatsvinden om dat vast te kunnen stellen. Geadviseerd wordt maximaal af te graven tot 100 centimeter diepte. In de ontwerp-vergunning is nog niet duidelijk of dieper dan 1 meter de grond in moet worden gegaan, anders dient nog nader archeologisch onderzoek te worden gedaan. Specifiek moesten in dit geval voorwaarden worden gesteld om tegen te gaan dat archeologische vondsten zullen worden aangetast, echter dat is in het stadium dat reeds de regels worden overschreden. Dit had in het voorstadium al moeten worden onderzocht. Nu een boring niet diep genoeg kan plaatsvinden, dient voorafgaand aan het afgeven van de vergunning duidelijk te zijn of het bouwplan kan worden uitgevoerd in overeenstemming met de gestelde voorwaarden. De tekening en aanvraag zijn op dit punt nog niet duidelijk en dat dient voorafgaand te zijn beoordeeld om te kunnen spreken van een goede ruimtelijke ordening.

Zo kan niet worden gesproken van de economische haalbaarheid als nog niet duidelijk is of vervolg moet worden gegeven aan dit nader onderzoek. In dit stadium moet de aanvraag volledig en duidelijk zijn en moet op alle van belang zijnde onderdelen volledig zijn beoordeeld. Dat kan in dit geval niet, omdat in eerste plaats de boring niet volledig kon worden verricht en daarnaast omdat niet duidelijk is welke ingreep in de bodem moet worden verricht om deze grote bouwwerken ter plaatse te kunnen bouwen. Reactie: In bijlage F van het ontwerpbesluit is expliciet ingegaan op de voorwaarden met betrekking tot archeologie. Zo is onder andere aangegeven dat ondergrondse sloopwerkzaamheden (voor het slopen van ondergrondse funderingen welke dieper liggen dan 100cm – Mv (0.50 m – NAP) archeologisch begeleid dienen te worden. Voor deze archeologisch begeleiding is een door de gemeente goedgekeurd Programma van Eisen (PvE) verplicht. Tevens is opgenomen dat er een meldingsplicht geldt bij het aantreffen van archeologische resten. Naar ons oordeel zij de gestelde voorwaarden ten aanzien van “sloop” en “ bouw en overige werkzaamheden” voldoende dekkend.

Zienswijzennota projectafwijkingsbesluit “Westeinde 132b, 132c en 132d”

16

6. Onvoldoende aandacht aanwezige nesten van vogels en vleermuizen In de ruimtelijke onderbouwing wordt aangegeven dat plan specifiek ter plaatse meerdere nesten van volgens en vleermuizen zijn aangetroffen. Verwezen wordt voor eerdere onderzoeken uit 2011, 2016 en 2018 naar de bijlage bij toelichting. Deze is echter niet gepubliceerd en daarom niet in te zien. Buiten het broedseizoen dienen de werkzaamheden uitgevoerd te worden. Onduidelijk is dan ook op welke wijze en in het kader van welke ontwikkeling - deze onderzoeken hebben plaatsgevonden. Als daadwerkelijke verblijfsplaatsen zijn aangetroffen dienen de soorten beschermd te worden, met name in het kader van vleermuizen. De aanwezigheid van soorten wordt aangetast door lichtverstoring, en het wegvallen van belangrijke vliegroutes, foerageergebied en verblijfsplaatsen. Onduidelijk is of hieraan wordt voldaan, nu de stukken die daarop betrekking hebben en zijn onderzocht niet publiek zijn gemaakt. Reactie: Zowel de Actualisatie natuurwaardenonderzoek Westeinde Voorburg van 6 oktober 2016 als een oplegnotitie uit 2018 die ziet op de resultaten van het actualiserend onderzoek en het uitgevoerde nader onderzoek naar de huismus en meervleermuis hebben ter inzage gelegen en zijn dus wel publiek gemaakt.

In het onderzoek van 2016 is de volgende conclusie opgenomen: ”Als gevolg van de beoogde ontwikkelingen zijn geen (significant) negatieve effecten te verwachten op beschermde natuurgebieden. Voor deze beoogde ontwikkeling is daarom geen vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 nodig. De ontwikkeling is eveneens niet in strijd met het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid. In de oplegnotitie uit 2018 is dezelfde conclusie opgenomen. Tevens is het volgende in de samenvatting opgenomen: Soortenbescherming 1. Algemene broedvogels: alle inheemse vogelsoorten zijn streng beschermd. Ten aanzien van vogels in het algemeen dient bij de planning en uitvoering van bouwwerkzaamheden rekening te worden gehouden met het broedseizoen van vogels, verstoring van broedgevallen dient te worden voorkomen. Voor de in en direct rond het plangebied te verwachten vogelsoorten kan dit plaatsvinden door werkzaamheden buiten de broedperiode van aanwezige soorten uit te voeren. Tevens kunnen voorbereidende maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat vogels tot broeden kunnen komen binnen het plangebied. 2. Voor de overige aangetroffen en te verwachten soort(engroep)en is het nemen van maatregelen of vervolgstappen niet nodig. Wij zijn van mening dat wanneer de genoemde maatregelen in acht worden genomen er geen belemmeringen zijn met betrekking tot flora en fauna. 7.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leidschendam&id=492cb21a-ed41-4198-9308-3b32d38381bc