CConstaterende datLeidschendam-Voorburg
Koppel je AI →
Document · PDF

1959 Ruimtelijke onderbouwing Westeinde 132

Raadsvergadering 9 maart 2021, gemeente Leidschendam-VoorburgBij agendapunt: Raadsvoorstel: Definitieve verklaring van geen bedenkingen (vvgb) voor het oprichten van twee eengezinswoningen en vier appartementen aan het Westeinde 132b, 132c en 132d in Voorburg (1959).14.164 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Bouw en overige werkzaamheden

Tot een afstand van 6 m van het Rijn-Schiekanaal dienen de bodemverstoringen beperkt te blijven tot 70 cm –mv/ 0,20 m -NAP. 26

Voor het overige deel van het plangebied zijn gravende werkzaamheden tot 100 cm –mv of maximaal 0.50 m –NAP toe te staan.

Voor het plaatsen van funderingspalen dient aantoonbaar conform de richtlijn archeologievriendelijk bouwen van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed te worden gewerkt. Hiertoe dient een PvA te worden opgesteld en ter goedkeuring aan bevoegd gezag te worden voorgelegd.

Indien werkzaamheden dieper dan bovengenoemde maten zullen reiken, dient een vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven te worden uitgevoerd. Hiertoe dient een PvE te worden opgesteld en ter goedkeuring aan bevoegd gezag te worden voorgelegd.

Voor de volledigheid wordt er op gewezen dat indien bij uitvoering van de werkzaamheden onverwachts archeologische resten worden aangetroffen, de vinder conform artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet verplicht is deze te melden bij het bevoegd gezag, de gemeente Leidschendam-Voorburg. Romeinse Limes Het plangebied maakt onderdeel uit van de Romeinse Limes. De Romeinse limes is de aanduiding van de noordgrens van het voormalige Romeinse rijk, die zich in Europa uitstrekt van de Balkan tot in Engeland. In Nederland vormt de Rijn de noordgrens. In Zuid-Holland wordt de Limes gevormd door een zone langs de Oude Rijn, van de grens van Zuid-Holland met Utrecht tot aan de kust bij Katwijk, en door een zone langs het Rijn-Schiekanaal, vanaf Leiden naar Voorburg. De kernwaarden betreffen: verspreide, losse militaire complexen en infrastructuur (forten, wachttorens, militaire kampementen, havens, scheepswrakken en aanlegplaatsen); steden, grafvelden en (water)infrastructuur die redelijkerwijs behoren tot de militaire centra; verbindende structurerende elementen als de rivier (gereconstrueerde bedding van Beneden-, Kromme en Oude Rijn in de Romeinse tijd), de Limesweg en enkele andere stukken infrastructuur als het Kanaal van Corbulo en de weg tussen Nijmegen en Rijn.

Richtpunt voor de Romeinse Limes is dat ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en de herkenbaarheid van de Limes en de elementen die daar deel van uitmaken. De Romeinse Limes wordt mogelijk opgenomen op de UNESCO Werelderfgoedlijst. In de Omgevingsvisie Zuid-Holland is dit gebied reeds aangewezen voor het behouden en versterken van werelderfgoed. Met de beoogde ontwikkeling blijft de Romeinse Limes onaangetast, de kernwaarden blijven behouden. De ontwikkeling heeft verder geen negatieve gevolgen voor de Romeinse Limes. Cultuurhistorie In de nabijheid van het plangebied bevindt zich het gemeentelijk monument de Fonteinkerk. Deze bevindt zich aan de Fonteynenburghlaan 1 op een afstand van circa 50 meter van het plangebied. Gezien de afstand en de omvang van de beoogde ontwikkeling zullen er geen negatieve effecten optreden ten aanzien van het gemeentelijk monument. De beoogde bebouwing krijgt een hoogte van circa 9 meter, gezien de situering van de beoogde bebouwing wordt het zicht op het monumentale pand niet belemmerd. Er zijn verder geen monumentale panden in de nabijheid van het plangebied aanwezig waar de ontwikkeling invloed op zal hebben. Daarnaast grenst het plangebied aan het historisch landgoed Dorrepaal.

Voor historische landgoederen geldt dat ontwikkelingen gericht zijn op verbetering en versterking van de kernmerken en waarden van het landgoed/kasteel en het behouden of versterken van de relatie van het landgoed met zijn omgeving. De ontwikkeling draagt bij aan het versterken van de relatie met de omgeving. Met het verwijderen van de opstallen en de beoogde situering van de bouwwerken wordt er openheid gecreëerd richting het tegenoverliggende landgoed. Daarnaast zal het plangebied een groene uitstraling krijgen, dit sluit aan bij het groene karakter van het landgoed.

27

4.4 Bodem Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, dient de bodem onderzocht te worden indien op basis van de historische informatie een geval van ernstige bodemverontreiniging wordt verwacht. Indien ten behoeve van de nieuwbouw graafwerkzaamheden plaatsvinden dient een eventuele bodemverontreiniging milieuhygiënisch gesaneerd te worden. Planspecifiek Met de beoogde ontwikkeling is er sprake van een wijziging naar een strenger bodemgebruik. In de beoogde situatie zal er namelijk sprake zijn van woningen waar mensen een groot gedeelte van de dag verblijven. Derhalve dient aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. In 2008 is reeds een bodemonderzoek uitgevoerd (zie bijlagen bij toelichting).

De resultaten van dit onderzoek hebben aanleiding gegeven tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De gedateerde onderzoeksresultaten zijn tevens aanleiding geweest om de onderzoeksresultaten te actualiseren. In 2018 is derhalve een verkennend en nader bodemonderzoek uitgevoerd door Boot Organiserend Ingenieursburo B.V. in twee fases (zie bijlagen bij toelichting). Uit het verkennend onderzoek is gebleken dat de algemene bodemkwaliteit in voldoende mate geactualiseerd is. Er is sprake van lichte verontreinigingen met enkele zware metalen, minerale olie, PAK en/of PCB. Het grondwater is licht verontreinigd met xylenen. De verontreiniging met lood is in voldoende mate afgeperkt. Daarnaast is er sprake van een sterke verontreiniging met minerale olie in de grond.De aangetoonde concentraties in de bodem vormen in milieuhygiënische zin een belemmering voor het toekomstige gebruik van wonen met tuin. Daarnaast dient er nadat de huidige bedrijfsactiviteiten zijn beëindigd een nader asbestonderzoek te worden uitgevoerd conform de NEN 5707. Na aanleiding van deze resultaten is er een asbestinventarisatie uitgevoerd door Boor Organiserend Ingenieursburo B.V (september 2019, zie bijlagen bij toelichting). Op basis van de visuele waarneming en beschikbare gegevens wordt geen asbesthoudend materiaal in de constructie verwacht.

Het rapport is daarom geschikt voor renovatie of totaalsloop van de afzonderlijke berging van de woning Westeinde 132c. Voor een volledige renovatie of totaalsloop van de overige opstallen wordt geadviseerd om aanvullend onderzoek naar asbest uit te laten voeren. In het kader van voornoemde is een nader asbest in bodemonderzoek uitgevoerd door Boor Organiserend Ingenieursburo B.V. (oktober 2019, zie bijlagen bij toelichting). Op basis van het nader asbest in bodemonderzoek zijn de volgende conclusies getrokken:

Op het maaiveld is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Hierbij dient te worden opgemerkt dat nagenoeg het gehele maaiveld is bebouwd of verhard met een klinkerverharding. De inspectieefficiëntie bedraagt minder dan 25%;

In de vrijkomende grond uit de proefsleuven is zowel visueel als analytisch geen asbesthoudend materiaal aangetroffen;

Op basis van de onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd dat de onderzoekslocatie voor wat betreft asbest geschikt is voor het boogde gebruik (herontwikkeling en realisatie appartementengebouw). Ten aanzien van asbest is geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging;

Vanuit eerdere bodemonderzoeken is bekend dat verspreidt over de onderzoekslocatie visuele waarnemingen zijn gedaan die wijzen op de aanwezigheid van minerale olie in de bodem. Op basis 28

van verkennend en nader bodemonderzoek (maart 2018) en nader bodemonderzoek, fase 2 (mei 2018) is vastgesteld dat op het zuidwestelijk terreindeel circa 16 m³ sterk verontreinigde grond met minerale olie is aangetoond. Op basis van verkennend en nader bodemonderzoek (maart 2018) is vastgesteld dat ter plaatse van het middenterrein circa 7,5 m³ sterk verontreinigde grond met lood is aangetoond. Beide verontreinigingen betreffen geen geval van ernstige bodemverontreiniging;

Tijdens de veldwerkzaamheden van het nader bodemonderzoek asbest is ter plaatse van de proefsleuven P004 en P010 zintuiglijk een waarneming gedaan die wijst op de aanwezigheid van minerale olie in de grond. Derhalve zijn van de verdachte bodemlaag analyses ingezet op minerale olie. Hieruit blijkt dat geen sterk verhoogde gehalten zijn aangetoond;

De bovengrondmengmonsters waarop een analyse PFAS is uitgevoerd voldoen aan Wonen/Industrie. Het ondergrondmengmonster voldoet aan Landbouw/Natuur.

Aanbevelingen Vanwege de aanwezige bebouwing en klinkerverharding bedraagt de maaiveldinspectie minder dan 25%. Aanbevolen wordt om na verwijdering van de verhardingen en sloop van de opstallen, aanvullend een maaiveldinspectie uit te voeren. Daarnaast kan gezien de historie van het terrein niet worden uitgesloten dat tijdens toekomstige graafwerkzaamheden minerale olie wordt aangetroffen in de grond. Geadviseerd wordt om tijdens de graafwerkzaamheden hierop alert te zijn. Tevens wordt geadviseerd om de plaatselijk aangetroffen olieverontreiniging van ca. 16 m³ en de loodverontreiniging van ca. 7,5 m³ bij herontwikkeling en/of nieuwbouw milieuhygiënisch te verwijderen. Tot slot, dient grond van de locatie afgevoerd te worden indien het niet mogelijk is om bij de ontwikkeling van de locatie met een gesloten grondbalans te werken. Alvorens dit materiaal elders toegepast kan worden, dient een partijkeuring conform het Besluit Bodemkwaliteit uitgevoerd te worden Mogelijk kan in overleg met de gemeente een toepassing worden gezocht in het kader van actief bodembeheer.

4.5 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):

 

Woningen.

Andere geluidsgevoelige gebouwen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen gebouw dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft, niet zijnde een woning).

Geluidsgevoelige terreinen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen terrein dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft).

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Planspecifiek Woningen zijn geluidgevoelige objecten in het kader van de Wet geluidhinder. In het kader van de beoogde woningen dient aangetoond te worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat op het gebied van geluid. Het plangebied bevindt zich binnen de onderzoekszone van de Westvlietweg en de Fonteynenburghlaan. Daarmee is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek noodzakelijk. Er is akoestisch onderzoek uitgevoerd door Het GeluidBuro (31 januari 2017, zie bijlagen bij toelichting). Op basis van de resultaten van het onderzoek zijn de volgende conclusies getrokken:

29

Westvlietweg Ter plaatse van woning A (zie rapportage) bedraagt de geluidbelasting van de Westvlietweg ten hoogste 56 dB ter hoogte van de zuidoostgevel. Ter plaatse van woning B bedraagt de geluidbelasting van de Westvlietweg ten hoogste 56 dB ter hoogte van de zuidoostgevel. Beide rekenpunten zijn gelegen aan de zijde van de Westvlietweg. Voor de woningen en appartementen dient met betrekking tot de Westvlietweg een verzoek om een hogere grenswaarde te worden ingediend van maximaal 56 dB. Fonteynenburghlaan De geluidbelasting van de Fonteynenburghlaan bedraagt ten hoogste 54 dB ter hoogte van de zuidwestgevel van woning A aan de zijde van de Fonteynenburghlaan. Voor de woningen en appartementen dient met betrekking tot de Fonteynenburghlaan een verzoek om een hogere grenswaarde te worden ingediend van maximaal 54 dB. Niet-zoneplichtige wegen Voor de 30 km/uur wegen gelegen rondom de planlocatie is vastgesteld dat de geluidbelasting van de afzonderlijke wegen lager is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor zoneplichtige wegen. De geluidbelasting bedraagt ten hoogste 36 dB op de noordwestgevel van het appartementenblok. Deze lage geluidniveaus vanwege de afzonderlijke 30 km/uur wegen vormen, bij de beoordeling in het kader van een goede ruimtelijke ordening, geen bezwaar voor de planrealisatie.

Maatregelen Uit de rekenresultaten volgt dat vanwege het wegverkeer op de Westvlietweg en de Fonteynenburghlaan op de gevels van de nieuw te realiseren woningen en appartementen de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden. Conform de voorwaarden in de Wet geluidhinder en het geluidbeleid van de gemeente dient volgens een zogenaamde voorkeursvolgorde eerst te worden onderzocht of, en zo ja, hoe de geluidbelasting ter plaatse van de woning is te beperken. Gelet op de beperkte omvang van het plan, zijn maatregelen aan de bron naar verwachting met name vanuit kostentechnisch oogpunt geen optie. De noordwestgevels van woning B en het appartementenblok zijn geluidluw ten aanzien van de geluidbelasting vanwege de Westvlietweg en de Fonteynenburghlaan. Voor het merendeel van de nieuw te realiseren geluidgevoelige bestemmingen wordt voldaan aan de eis van een geluidluwe gevel. Ter plaatse van woning A is er geen gevel aan te merken die voldoet aan de voorwaarden van een geluidluwe gevel als gesteld in de Beleidsregel hogere waarden Wet geluidhinder gemeente Leidschendam- Voorburg. De geluidbelasting op de noordwestelijke gevel bedraagt ten hoogste 54 dB. Hiermee wordt voldaan aan de voorwaarde dat het bouwplan één gevel heeft waarvan de geluidbelasting maximaal 58 dB bedraagt.

Daarnaast zal er worden voldaan aan eisen uit het Bouwbesluit 2012 ten aanzien van de geluidwering van de gevels. Geluidluwe gevel en buitenruimte In aanvulling op het onderzoek van 31 januari 2017 heeft Het GeluidBuro een aanvullend akoestisch onderzoek uitgevoerd (17 december 2019, zie bijlagen bij toelichting). Hieruit blijkt dat:

De voorgevel van de woning (de noordwestgevel) wordt op de begane grond geluidluw door tussen de tuin en de parkeerplaatsen een dicht scherm aan te brengen van 1,0 m hoog en 3,8 m lang. Deze gevel is de enige gevel waar zonder het toepassen van draconische maatregelen nog een geluidluwe gevel kan worden gecreëerd. Bij het bestuderen van de woningplattegrond grenst er 30

echter geen geluidgevoelige bestemming aan deze gevel en er is ook geen te openen deel aanwezig in deze gevel.

Dit laatste is op te lossen door bijvoorbeeld de studeerkamer of de keuken door te trekken tot aan de noordwestgevel en er een te openen deel in aan te brengen. Dat kan ook een bovenraam zijn of een smal en hoog raam, die de privacy van de bewoners zo veel mogelijk beschermt tegen inkijk van de overburen.

De buitenruimte op de eerste verdieping aan de zuidwestzijde wordt geluidluw door het opnemen van een scherm rondom met een hoogte van 1,2 meter boven de vloer.

De buitenruimte op de tweede verdieping aan de zuidoostzijde wordt geluidluw door het opnemen van een scherm rondom met een hoogte van 1,2 meter boven de vloer. Het blijkt uit de berekeningen dat de resultaten bij de ene buitenruimte niet worden beïnvloed door de aanwezigheid van een scherm bij de andere buitenruimte.

Geluidwering gevel Voor de nieuw te realiseren woningen en appartementen dient te worden aangetoond dat wordt voldaan aan de eisen uit het Bouwbesluit 2012 ten aanzien van de karakteristieke geluidwering van gevels. Hierbij dient uitgegaan te worden van de gecumuleerde geluidbelasting van de gezamenlijke wegen, exclusief aftrek ex artikel 3.4 RMV 2012 zoals weergegeven in tabel 5.1 en in bijlage D van het rapport. De cumulatieve geluidbelasting bedraagt ten hoogste 62 dB ter plaatse van de zuidoost-gevel van de twee geschakelde eengezinswoningen A en B en de zuidoost-gevel van het appartementenblok. De cumulatieve geluidbelasting wordt volledig bepaald door de geluidbelasting vanwege het verkeer op de Westvlietweg. De karakteristieke geluidwering van de gevel dient in dit geval ten hoogste (62 - 33 =) 29 dB te bedragen. Met de planopzet zoals omschreven onder punt 5.3 van het onderzoeksrapport en de aanvullende maatregelen ten aanzien van de ventilatievoorzieningen (of akoestisch gelijkwaardig), beglazingswijze en kierdichtingen voor de betreffende van de woningen A en B en appartementen C t/m F, zoals omschreven onder punt 5.7 van dit rapport kan hieraan worden voldaan.

4.6 Luchtkwaliteit In de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit. Deze paragraaf vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005 en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 µg/ m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de Regeling 'niet in betekenende mate bijdragen'.

Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Planspecifiek Bij de besluitvorming dient te worden onderzocht of een project 'in betekenende' mate van invloed is op de luchtkwaliteit. Het realiseren van 6 woningen is een project dat 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Desalniettemin is in het kader van een goede ruimtelijke ordening met behulp van NSL Monitoring 30

(Rijksoverheid)gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Uit de achtergrondconcentraties

30

over 2017 van fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende is. De concentratie zijn ter plaatse van rekenpunt 15553342: 20,0 µg/ m³ (PM10), 11,9 µg/ m³ (PM2,5) en 29,3 µg/ m³ (NO2). Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering is voor de uitvoering van ditplan.

4.7 Flora en fauna Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kunnen voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.

Planspecifiek De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna en/of beschermde natuurgebieden. Ten behoeve van de ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Hiertoe is in 2011 een natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. In 2016 is dit onderzoek geactualiseerd en is een nader onderzoek naar huismus en vleermuis uitgevoerd door BügelHajema Adviseurs bv (zie bijlagen bij toelichting). In januari 2018 is een oplegnotitie bij het onderzoek uit 2016 opgesteld (zie bijlagen bij toelichting). Deze notitie beschrijft de resultaten van het actualiserend onderzoek en het uitgevoerde nader onderzoek naar huismus en meervleermuis. Het volgende wordt gesteld: Soortenbescherming Algemene broedvogels: alle inheemse vogelsoorten zijn streng beschermd. Ten aanzien van vogels in het algemeen dient bij de planning en uitvoering van bouwwerkzaamheden rekening te worden gehouden met het broedseizoen van vogels. Verstoring van broedgevallen dient te worden voorkomen. Voor de in en direct rond het plangebied te verwachten vogelsoorten kan dit plaatsvinden door werkzaamheden buiten de broedperiode van aanwezige soorten uit te voeren.

Tevens kunnen voorbereidende maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat vogels tot broeden kunnen komen binnenhet plangebied. Voor de overige aangetroffen en te verwachten soorten is het nemen van maatregelen of vervolgstappen niet nodig. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet in en grenst niet aan een in het kader van de Wnb en provinciaal ruimtelijk natuurbeleid beschermd gebied. Desondanks dient in het kader van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (29 mei 2019), waar bij het Programma Aanpak Stikstof ongeldig is verklaard, aangetoond te worden dat de beoogde ontwikkeling geen significant negatief effect heeft op Natura 2000-gebieden. De beoogde ontwikkeling veroorzaakt circa 29 motorvoertuigbewegingen per etmaal tijdens de gebruiksfase. Deze toename verdeelt zich over de aan het plan aanliggende wegen, zoals het Westeinde, Fonteynenburghlaan en de Westvlietweg. Daarnaast zal er in bouwfase gebruik worden gemaakt van 31

verschillende werktuigen. De ontwikkeling veroorzaakt daarmee stikstofdepositie. Derhalve moet in beeld

32

gebracht worden wat de mogelijke effecten van de ontwikkeling zijn op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Met de AERIUS Calculator (2019) is er een berekening gemaakt van de te verwachte stikstofdepositie tijdens zowel de bouwfase als de gebruiksfase. In de bijlagen bij toelichting is een memo toegevoegd met de ingevoerde gegevens en rekenresultaten van de beoogde ontwikkeling. Uit deze berekening is gebleken de bouwfase en de gebruiksfase geen significant negatief effect hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Conclusie Wanneer de genoemde maatregelen in acht genomen worden, zijn er geen belemmering met betrekking de ecologie.

4.8 Milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.

De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:

Het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen.

Het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

Planspecifiek In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient aangetoond te worden dat ter plaatse van milieugevoelige functies sprake is van een goed woon- en leefklimaat. De beoogde woningen zijn milieugevoelige functies. Daarom dient er voldaan te worden aan de relevante richtafstanden van milieubelastende activiteiten in de omgeving. In de navolgende tabel zijn milieubelastende bedrijven/inrichtingen opgenomen met bijbehorende richtafstanden.

33

adres/inrichting

SBI-2008

milieucategorie

richtafstand (m)

werkelijke afstand (m)

voldoet

Fonteynenburghlaan 3, Kerk

9491

2

30

43

ja

Heeswijkstraat 2, Basisschool

852, 8531

2

30

83

ja

Er bevinden zich enkel een kerk en een basisschool in de nabijheid van het plangebied. De afstand tot deze inrichtingen is voldoende. Wanneer ook het huidige bedrijf in het plangebied verdwenen is zijn er verder geen bedrijven aanwezig die milieubelastend zijn voor de beoogde ontwikkeling. Gesteld wordt dat bedrijven en milieuzonering geen belemmering vormen voor de beoogde ontwikkeling.

4.9 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:

  

risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.

Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze Structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen.

Planspecifiek Op de risicokaart kan voor het plangebied worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, transportroutes en/of belangrijke buisleidingen aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. De navolgende afbeelding toont een fragment van derisicokaart: 34

Uitsnede risicokaart met aanduiding plangebied zwart omkaderd (bron: risicokaart.nl)

Ten noordoosten van het plangebied is een aardgasleiding gelegen op een afstand van circa 340 m. Gezien de afstand en de beperkte omvang van de ontwikkeling vormt de gasleiding geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Ten noordwesten van het plangebied is een LPG tankstation gevestigd. Voor deze risicovolle inrichting geldt een risicoafstand van 35 m (PR 10-6). Het invloedsgebied waarbinnen het groepsrisico verantwoord dient te worden reikt tot 150 vanaf het vulpunt. Met een afstand van circa 600 m tussen het plangebied en het vulpunt, vormt het LPG tankstation geen belemmering voor de ontwikkeling aan het Westeinde 132b, c en d. De A12 ten noordoosten van het plangebied maakt onderdeel uit van het basisnet weg en is daarmee een transportroute voor gevaarlijke stoffen. De afstand van het plangebied tot de A12 bedraagt circa 650 m en valt daarmee buiten de 200 m waarbij het groepsrisico bepaald dient te worden. Gezien de afstand en de beperkte omvang van de ontwikkeling vormt het basisnet weg geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Er bevinden zich, naast de genoemde aspecten, verder geen risicovolle inrichtingen of gevaarlijke transportroutes in de nabijheid van het plangebied. Gesteld wordt dat de ontwikkeling uitvoerbaar is wat betreft externe veiligheid.

35

4.10 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. 4.10.1 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. In Leidschendam-Voorburg zijn net als in veel andere gemeenten deze kencijfers vastgelegd als parkeernorm. De parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming waaraan bouwplannen worden getoetst. Planspecifiek Het gemeentelijk parkeerbeleid is opgenomen in het gemeentelijke Verkeers- en Vervoerplan 2014'. Een van de uitgangspunten van het gemeentelijk parkeerbeleid is dat bouwplannen niet mogen leiden tot extra parkeerdruk in de directe omgeving. De te hanteren parkeernormen bij nieuwbouw, functiewijziging of verbouw zijn opgenomen in de Nota Parkeernormen Leidschendam-Voorburg. De vigerende nota Parkeernormen is vastgesteld in 2012 en gebaseerd op de CROW kencijfers uit juli 2012 (CROW 317). In de ‘Nota Parkeernormen’ is opgenomen dat de gemeente Leidschendam-Voorburg standaard uitgaat van het gemiddelde tussen de minimum en maximumnorm.

In specifieke gevallen wordt binnen de bandbreedte een andere parkeernorm vastgesteld waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van de te ontwikkelen locatie, functie(s) en/of gebruikers. Voor het vaststellen van de parkeernorm in het plangebied wordt uitgegaan van stedelijkheidsgraad ‘zeer sterk stedelijk’ en stedelijke zone 'schil centrum'. Voor de eengezinswoningen is de gemiddelde parkeernorm 1,7 parkeerplaats per woning (koophuis, tweeonder-een-kap). Voor de appartementen geldt een gemiddelde parkeernorm van 1,6 parkeerplaats per woning (koophuis, etage (duur)). Deze norm is inclusief 0,3 parkeerplaats voor bezoekers. De plaatsen voor bezoekers dienen openbaar te zijn. Voor de twee-onder-een-kap woningen in het plan worden 2 privé parkeerplaatsen per woning aangelegd. Dit voldoet dus ruim aan de norm. Aangezien het privé parkeerplaatsen betreft, dienen daar bovenop echter alsnog de 0,3 bezoekersparkeerplaatsen per woning aangelegd te worden als openbare parkeerplaats. Dus 0,6 parkeerplaats. Voor elk van de vier appartementen wordt één privé parkeerplaats gereserveerd. De resterende 0,6 parkeerplaats per woning wordt openbaar aangelegd. Deze 2,4 parkeerplaatsen zijn dus inclusief het bezoekersaandeel van 0,3 parkeerplaats per woning.

Rekening houdende met de beoogde privé parkeerplaatsen zijn er dus 11 parkeerplaatsen nodig: 4 privé plekken voor de twee twee-onder-een-kappers, 4 privé plekken voor de vier appartementen en 3 openbare plekken voor de bezoekers (6 x 0,3) en tweede auto’s van de appartementen (4 x 0,3). In het plan wordt voorzien in 12 parkeerplaatsen. Er wordt dus één openbare parkeerplaats meer aangelegd dan vereist volgens de parkeerberekening. Deze parkeerplaatsen worden zoveel mogelijk uit het zicht vanaf de Vliet gesitueerd. Het bezoekersparkeren (0,3 p/w) is openbaar toegankelijk, het terrein dient daarom zonder belemmering bereikbaar te zijn vanaf de openbare weg. Navolgende situatietekening geeft weer waar de parkeerplaatsen zijnbeoogd.

36

Situatietekening met 12 parkeerplaatsen (bron: Eysbrand Rozendaal Tekenbureau)

4.10.2 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' deze kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek De ontsluiting van het plangebied zal, gelijk aan de bestaande situatie, plaatsvinden via het Westeinde. Voor de berekening van het aantal verkeersbewegingen dat gegenereerd wordt met de beoogde ontwikkeling is gebruik gemaakt van de gegevens van de CROW (publicatie 381). Bij de berekening van de totale verkeersgeneratie is uitgegaan van 2 'Koop, huis, twee-onder-een-kap' en 4 'koopappartement, duur' in 'zeer sterk stedelijk gebied' en 'schil centrum'.

Voor een woning geldt een gemiddelde verkeersgeneratie van 6,3 en voor een appartement geldt een gemiddelde verkeersgeneratie van 4,1 per etmaal. De totale verkeersgeneratie komt daarmee op 29 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Dit is een geringe toename. Bovendien komt de huidige verkeersgeneratie van het gevestigde bedrijf te vervallen. Daarmee zal er niet tot nauwelijks sprake zijn van een verkeerstoename. Het aspect verkeer vormt derhalve geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 37

38

5 Economische uitvoerbaarheid Aan onderhavig plan zijn geen kosten verbonden voor de gemeente. Gemeentelijke diensten zullen door middel van leges op de initiatiefnemer worden verhaald. Voorafgaand aan de officiële verkoop hebben zich meerdere kandidaten voor de woningen gemeld. Voor vier woningen is al een optant. De verkopend makelaar heeft vertrouwen in de verkoop. Gezien het een uniek project betreft op een aantrekkelijke locatie worden er geen problemen voor de verkoop van de woningen en appartementen verwacht. Er is een anterieure overeenkomst afgesloten tussen de gemeente en initiatiefnemer. In de anterieure overeenkomst is de exploitatiebijdrage aan de gemeente geregeld. Ook het verhalen van planschade op de initiatiefnemer. Van een zekerheidsstelling (bijvoorbeeld een bankgarantie) is geen sprake. De economische uitvoerbaarheid vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.

39

6 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Participatie In de aanloop naar het stedenbouwkundig plan is er een inloopavond geweest met omwonenden en andere belangstellenden. Tijdens deze avond kon men input geven door middel van het plakken van post-its op de kaart van de locatie. Er is daarbij een groot aantal ideeën, kansen en bedenkingen naar voren gebracht. Daarnaast konden belanghebbenden zich aanmelden voor een werkgroep met de ontwikkelaar en de gemeente. Hieronder volgt een korte opsomming van de belangrijkste aandachtspunten uit de inloopavond:

       

Massa, oriëntatie, situering en programma Bezonning, uitzicht en privacy Parkeren Sociale- en verkeersveiligheid Smalle in/uitrit Overgang bestaand/nieuw Overlast tijdens de bouw Overlast in de nieuwe situatie

Deze thema’s zijn op hoofdlijnen het vertrekpunt geweest voor de werkgroep om tot een zo breed mogelijk gedragen ruimtelijk kader te komen. Op basis van verschillende studievarianten is binnen de werkgroep discussie gevoerd. De uitkomsten van de discussies zijn net als de inloopavond, andere overleggen en input van derden meegenomen bij het tot stand komen van dit ruimtelijk kader. Door de verplichte toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in Afd. 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is een ieder de gelegenheid gegeven om betrokken te zijn bij de voorbereiding van de te verlenen omgevingsvergunning. De ontwerp verklaring van geen bedenkingen heeft samen met de ontwerp omgevingsvergunning, het ontwerpbesluit hogere grenswaarde Wet Geluidhinder en de bijbehorende stukken na publicatie op www.overheid.nl, in de Gemeenterubriek en in de Staatscourant ter inzage gelegen vanaf donderdag 6 augustus 2020 t/m woensdag 16 september 2020. In de periode van terinzagelegging zijn zeven zienswijzen ingediend. Eén van de zienswijzen richtten zich met name op de bouw- en heimethode en de risico’s tijdens de bouw (o.a. op schade aan omliggende woningen).

Door zowel de gemeente als de aanvrager is aan de indiener van de zienswijze een nadere toelichting op de bouw- en heimethode gegeven, tevens is aangegeven op welke wijze de risico’s zo klein mogelijk gehouden worden. Naar aanleiding van deze toelichting is deze zienswijze op 24 november 2020 ingetrokken. De overige zienswijzen zijn beoordeeld en hebben geen aanleiding gegeven om het plan aan te laten passen of geen medewerking aan het voorgestelde plan te verlenen. Een reactie op de zienswijzen is opgenomen in de Zienswijzennota Projectafwijkingsbesluit “Westeinde 132b, 132c en 132d” en maakt integraal onderdeel uit van het besluit.

40

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leidschendam&id=b41c7d23-bd84-4edb-b80e-c7c2628995ab