CConstaterende datLeidschendam-Voorburg
Koppel je AI →
Document · PDF

1959 Omgevingsvergunning Westeinde 132b, 132c en 132d

Raadsvergadering 9 maart 2021, gemeente Leidschendam-VoorburgBij agendapunt: Raadsvoorstel: Definitieve verklaring van geen bedenkingen (vvgb) voor het oprichten van twee eengezinswoningen en vier appartementen aan het Westeinde 132b, 132c en 132d in Voorburg (1959).11.094 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

noodafvoeren (spuwers); leidingplan riolering, uitvoeringsfase;

18. Vluchten bij brand, nieuwbouw en bestaande bouw (Bouwbesluit 2012, afdeling 6.6) Op grond van artikel 6.22, eerste lid, Bouwbesluit 2012 heeft een bouwwerk zodanige voorzieningen dat het ontvluchten goed kan verlopen. Op grond van artikel 6.26, eerste lid, Bouwbesluit 2012 is een beweegbaar constructieonderdeel in een inwendige scheidingsconstructie waarvoor een eis aan de weerstand tegen branddoorslag, weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag of weerstand tegen rookdoorgang geldt, zelfsluitend. Op grond van artikel 6.26, tweede lid, Bouwbesluit 2012 geldt het eerste lid niet voor een deur in een niet-gemeenschappelijke doorgang. Op grond van het tweede lid geldt de eis tot zelfsluitendheid van de brandwerende woningtoegangsdeur, uitkomende op de inpandige, gemeenschappelijke verkeersruimte, niet ten tijde van de indiening van de aanvraag om omgevingsvergunning. De ontwikkelaar heeft hier uit extra veiligheid wel voor gekozen. Per 1 juli 2020 zijn de voorschriften Bouwbesluit 2012 gewijzigd en is het tweede lid komen te vervallen. Bij aanvragen om omgevingsvergunningen voor nieuwbouw na 1 juli 2020 moeten alle brandwerende woningtoegangsdeuren in een inwendige scheidingsconstructie ook zelfsluitend uitgevoerd worden. Het Bouwbesluit 2012 schrijft het type deurdranger niet voor.

In de praktijk worden hiervoor vaak rookmelder gestuurde vrijloopdrangers toegepast, aangestuurd middels de rookmelders conform NEN 2535, die bij gebruik in normale omstandigheden geen belemmering vormen en alleen bij brand geactiveerd worden.

Door alle woningtoegangsdeuren zelfsluitend uit te voeren wordt de kans op verspreiding van rook in vluchtroutes in geval van brand een stuk kleiner. Deze aanscherping van de voorschriften draagt daarmee bij aan de brandveiligheid van woongebouwen.

Aansturing De aansturing van een vrijloopdranger dient te worden uitgevoerd zoals schematisch is aangegeven in figuur 3 hierboven en te voldoen aan de volgende voorwaarden:  Voor de automatische brandmelders moeten altijd rookmelders worden toegepast;  De rookmelder moet aan NEN‐EN 54‐7 voldoen en moet zijn aangesloten op een elektriciteitsgroep van bijvoorbeeld de gangverlichting, maar niet op een elektriciteitsgroep van een woning;  De maximum montage hoogte van de rookmelder conform tabel 7 NEN 2535;  De afstand van de rookmelder tot de wand, waarin zich de desbetreffende deur(en) bevindt (bevinden), moet ten minste 0,5 m en mag ten hoogste 2,5 m bedragen.  Bij een storing in de installatie (kortsluiting, draadbreuk, uitname detector e.d.) moet de desbetreffende te sturen vrijloopdeurdranger automatisch worden geactiveerd;  De vrijloopdeurdranger is gemonteerd aan de gangzijde waardoor een toezichthouder (BRW, BWT of VVE) de installatie kan inspecteren;  De zelfstandige brandbeveiligingsinstallatie moet maandelijks visueel worden geïnspecteerd op een goede werking en moet jaarlijks worden onderhouden door een onderhoudsdeskundige.

19. Veilig onderhoud gebouwen, nieuwbouw (Bouwbesluit 2012, afdeling 6.12) Op grond van artikel 6.52, eerste lid, Bouwbesluit 2012 is een te bouwen gebouw zodanig dat onderhoud aan het gebouw veilig kan worden uitgevoerd. Op grond van artikel 6.53, eerste lid, Bouwbesluit 2012 heeft, indien onderhoud niet veilig kan worden uitgevoerd zonder gebouwgebonden veiligheidsvoorzieningen, een te bouwen gebouw daarvoor voldoende gebouwgebonden veiligheidsvoorzieningen. Het onderhoud aan het appartementengebouw dient aan bovengenoemde eisen te voldoen. Nog aan te leveren: - Ingevuld formulier Checklist Veilig onderhoud op en aan gebouwen 2012. 20. Veilig vluchten bij brand, nieuwbouw en bestaande bouw (Bouwbesluit 2012, afdeling 7.2) Op grond van artikel 7.11, eerste lid, Bouwbesluit 2012 is het gebruik van een bouwwerk zodanig dat bij brandveilig kan worden gevlucht. Op grond van artikel 7.12, eerste lid, Bouwbesluit 2012 is een deur op een vluchtroute bij aanwezigheid van personen in het bouwwerk uitsluitend gesloten indien die deur tijdens het vluchten, zonder gebruik te moeten maken van een sleutel onmiddellijk over de ten minste vereiste breedte kan worden geopend. Deuren op een gemeenschappelijke vluchtroute dienen aan bovengenoemde eisen te voldoen en dienen te openen te zijn zonder gebruikmaking van een sleutel, e.e.a.

zoals aangegeven in het renvooi op B02_Begane grond en 1e verdieping - appartementen type C, D, E en F, d.d. 16-03-2020.

Bijlage D, behorende bij omgevingsvergunning nr. 580452 D. Indieningsvereisten Bouwveiligheidsplan - UITVOERINGSFASE De vergunninghouder dient ten minste drie weken voor aanvang van de bouwwerkzaamheden een bouwveiligheidsplan ter toetsing voorleggen. Het bouwveiligheidsplan heeft alleen betrekking op de veiligheid van de weg, de in de weg gelegen werken, de weggebruikers, de naburige bouwwerken, open erven en terreinen en hun gebruikers. Een V&G-plan is niet afdoende als bouwveiligheidsplan. Een bouwveiligheidsplan moet naast een beschrijving van het werk of aard van de werkzaamheden de volgende onderdelen bevatten: Indieningsvereisten bouwveiligheidsplan 1. de geplande startdatum van de bouwwerkzaamheden in verband met een schouw van de openbare weg rondom de bouwlocatie; 2. één of meerdere tekeningen waaruit de bouwplaatsinrichting blijkt: a. de ligging van het te bebouwen perceel en de omliggende wegen, bouwwerken b. c. e. f. g. h. i. j.

e.d.; de situering van het bouwwerk; de aan- en afvoerwegen, inclusief in- en uitrit van de bouwplaats; de plaats van de (vaste) bouwkranen; de laad-, los- en hijszones (welke kranen, stempeldrukken, draaicirkel 1:100); parkeerplaatsen, benodigd voor personeel en bezoekers; de plaats van de bouwketen; de grenzen van het bouwterrein (inclusief steigers en afrastering) waarbinnen alle bouwactiviteiten inclusief het laden en lossen, plaatsvinden; de plaats van ander hulpmaterieel en opslag van materialen, met speciale aandacht voor eventuele tanks voor brandstof, olie en propaangas en gevaarlijke stoffen;

De schaal van bedoelde tekeningen mag niet kleiner zijn dan 1:100 of 1:1000 wanneer details op een schaal van 1:100 zijn bijgevoegd; 3. Gegevens en bescheiden: a. over de toe te passen bouwmethodiek, en b. de toe te passen materialen, materieel, hulp- en beveiligingsmiddelen bij de bouwwerkzaamheden;

4. De uitgangspunten voor een monitoringsplan ter voorkoming van schade aan naburige bouwwerken (o.a. trillingen, zettingen, rotaties, grondwaterstand en bijbehorende grenswaarden). 5. Een bewijs van notariële vastlegging van een nul-opname van de omliggende bouwwerken, alsmede een nul-opname van het aangrenzende openbare gebied en de terreininrichting; 6. Diverse gegevens a. werktijden; b. de wijze van voorlichting omwonende; c. de te nemen maatregelen tegen sloop of bouwstof; 7. Contactgegevens: a. verantwoordelijke namens de opdrachtgever; b. verantwoordelijke namens de uitvoerder; c. verantwoordelijke c.q. een 24-uurs dienst in geval van calamiteiten.

Bijlage E, behorende bij omgevingsvergunning nr. 580452 E. Opnameprotocol Energieprestatie Gaandeweg het bouwproces moet er een dossier gevormd worden in de vorm van een foto- en bonnenboek van belangrijke momenten. Waar nodig is het dossier gedocumenteerd met pakbonnen of stickers van de verpakkingen van de bouwmaterialen. Het eerste opnamemoment is wanneer het isolatiemateriaal op de bouwschil wordt aangebracht. Niet-aansluitende lagen kunnen immers zorgen voor koudebruggen of ‘valse spouw’ (koude lucht achter isolatie). Ook moet het gebruikte type en de toegepaste dikte van het isolatiemateriaal worden vastgelegd c.q. worden bevestigd. Dat kan met behulp van foto’s of afleverbonnen, eventueel aangevuld met stickers, barcodes en een KOMOcertificaat. Het tweede opnamemoment is als het dak op de woning of het appartementencomplex wordt geplaatst. Ook hier kunnen de aansluitingen worden gefotografeerd. Het derde opnamemoment vindt plaats als de leidingen worden aangebracht en dekvloeren gestort. Ook hier kunnen foto’s aantonen dat de leidingen volgens afspraak zijn geïsoleerd en dat dit op de juiste wijze is gebeurd. Het laatste opnamemoment vindt plaats bij de plaatsing van de installaties: ruimteverwarming, (balans)ventilatie, tapwater, Ook hier is het doel om aan te tonen dat de installaties en de aansluitingen op de juiste manier zijn aangebracht.

Bijlage F, behorende bij omgevingsvergunning nr. 580452 F. Voorwaarden m.b.t. archeologie Door de aanvrager is het volgende archeologisch onderzoek uitgevoerd: Bureau voor Archeologie Rapport 693: Westeinde 132b, Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg: een inventariserend veldonderzoek in de vorm van boringen in de karterende fase, d.d. 5 september 2019 De resultaten van het archeologisch onderzoek kunnen als volgt worden samengevat: - In het plangebied zijn zestien boringen gezet tot maximaal 450 cm -mv. Hieruit blijkt dat het bodemprofiel bestaat uit duinafzettingen afgedekt door veen, getijde afzettingen en ophooglagen. Het plangebied ligt op de oostflank van de strandwal van Voorburg. De diepteligging van de top van de duinafzettingen neemt toe richting het zuidoosten. De flank is begroeid met veen en daarna bedekt met getijde afzettingen hoofdzakelijk bestaande uit zandige klei; -

De getijde afzettingen zijn op verschillende plaatsten doorwerkt en bevatten fragmenten aardwerk, vermoedelijk uit de Middeleeuwen. Dit wijst erop dat uit deze periode archeologische resten aanwezig kunnen zijn. De top van dit archeologisch niveau ligt op 100 –mv of dieper. Ook in ondergelegen pakketten kunnen archeologische resten aanwezig zijn (in het veen en in de duinafzettingen);

-

De pakketten op de getijde afzettingen zijn waarschijnlijk ontstaan bij het

-

ophogen en in gebruik nemen van, en bij verbouwingen op het perceel in de periode tussen de 18e eeuw en heden; Tijdens het karterende onderzoek zijn geen aanwijzingen gevonden dat het Kanaal van Corbulo zich in het plangebied bevindt. De aanwezigheid van het kanaal kan op basis van het huidige onderzoek echter nog niet volledig worden uitgesloten. De reden hiervoor is dat boring 1 niet diep genoeg gezet kon worden wegens de aanwezigheid van een harde laag. Tussen boring 15 en het RijnSchiekanaal is daardoor een zone van ongeveer 5 m breed onvoldoende gekarteerd. Ook blijkt uit het booronderzoek dat zandige en zwak humeuze kleiafzettingen afgetopt en/of vergraven zijn. Hierdoor is het niet goed vast te stellen of de kleilagen een natuurlijke dan wel een antropogene oorsprong hebben.

Advies Bureau voor Archeologie In het plangebied worden woningen en appartementen gebouwd. Bij het onderzoek wordt de bodem vergraven tot maximaal 100 cm-mv. Het onderzoeksbureau adviseert het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling als de vergravingsdiepte maximaal 100 cm –mv is, en het palenplan zo te ontwerpen dat het archeologie besparend

is. Als dat niet mogelijk is, wordt aanbevolen de aard van archeologische resten nader te onderzoeken door middel van een proefsleuvenonderzoek. Overweging Het advies van Bureau voor Archeologie wordt grotendeels door de Gemeente Leidschendam-Voorburg overgenomen, mede omdat de archeologische waarde van het terrein nog niet volledig is vastgesteld. Wel blijkt uit het uitgevoerde booronderzoek dat de bodem in een groot deel van het plangebied tot circa 100 cm –Mv (0.50 m –NAP) verstoord is. Onder dit niveau kunnen daarom nog intacte archeologische vindplaatsen aanwezig zijn. In het huidige ontwerp worden geen kelders voorzien. De exacte funderingswijze en diepte is echter nog niet aangegeven. Het advies van het onderzoeksbureau wordt daarom op de volgende wijze overgenomen: Sloop • Voor het slopen van ondergrondse funderingen, welke dieper liggen dan 100cm –Mv (0.50 m –NAP) is een omgevingsvergunning verplicht. Aan deze omgevingsvergunning worden de volgende archeologische voorwaarden verbonden: - Funderingsbalken die gekoppeld zijn aan de funderingspalen dienen ontkoppelt (geknipt) te worden voordat de ontkoppelde funderingsbalken of funderingen op staal verwijderd mogen worden; - Funderingspalen mogen niet verwijderd, getrokken of afgebroken worden; - Alle graafwerkzaamheden dienen met zorg en beleid uitgevoerd te worden.

Schade aan het archeologische erfgoed dient ten alle tijden voorkomen te worden; - De ondergrondse sloopwerkzaamheden dienen archeologisch begeleid te worden. Voor deze archeologisch begeleiding is een door de gemeente goedgekeurd Programma van Eisen (PvE) verplicht. Bouw en overige werkzaamheden • Tot een afstand van 6 m van het Rijn-Schiekanaal dienen de bodemverstoringen beperkt te blijven tot 70cm –mv (0.20m –NAP).

• Voor het overige deel van het plangebied zijn gravende werkzaamheden tot 100cm -Mv of maximaal 0.50 m –NAP toe te staan. • Voor het plaatsen van funderingspalen dient aantoonbaar conform de richtlijn archeologievriendelijk bouwen van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed te worden gewerkt. Hiertoe dient een PvA te worden opgesteld en ter goedkeuring aan bevoegd gezag te worden voorgelegd. • Indien werkzaamheden dieper dan bovengenoemde maten zullen reiken, dient een vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven te worden uitgevoerd. Hiertoe dient een PvE te worden opgesteld en ter goedkeuring aan bevoegd gezag te worden voorgelegd.

Meldingsplicht bij archeologische vondsten Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht archeologische resten worden aangetroffen, dan is overeenkomstig artikel 5.10 van de Erfgoedwet aanmelding van de betreffende vondsten bij de Minister (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, telefoon 033 – 4217456) verplicht (vondstmelding via ARCHIS). Tevens dient de gemeente Leidschendam-Voorburg direct te worden geïnformeerd bij een eventuele ontdekking van archeologische resten. U dient hiervoor contact op te nemen met de heer A.A. Roeloffs (telefoonnummer 070 – 3009046 of mobiel op nummer 06 – 53883123). Eventuele vondsten mogen niet worden verplaatst of verwijderd zonder toestemming van de gemeente.

Bijlage G, behorende bij omgevingsvergunning nr. 580452 G. Omgevingsloket Toevoegen bescheiden Omgevingsloket Wij sluiten het dossier nog niet af in het omgevingsloket (OLO). Dit betekent dat u de nog ontbrekende of aanvullende bescheiden, etc. hieraan nog kunt toevoegen. Pas na afronding van de gehele project zullen wij het OLO-dossier afsluiten.

Bijlage H, behorende bij omgevingsvergunning nr. 580452 H. Specificatie becijferde leges Opgegeven kosten inclusief b.t.w.

€

1.815.000,00

Omgevingsvergunning, bouwactiviteit 2.3.1.1 Omgevingsvergunning, aanlegactiviteit 2.3.2 Afgifte verklaring geen bedenking, gemeenteraad 2.3.17.1.1 Strijdig gebruik (buitenplans groot) 2.3.4.3

€ € € €

36.471,10 171,10 2.342,05 967,05

€

39.951,30

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leidschendam&id=ce513ebf-4397-4826-8726-13f4b86fbd3b