Vervolgvragen D66 TVW 2022
Tekst van het document
Technische vragen D66 Transitievisie warmte 2022-2026 – 15 februari 2022 → Reactie 22 februari, genummerd 1. Hoeveel nieuw te bouwen hulpgascentrales zijn in Leiden voorzien om in de piekperiodes het vermogen de van Warmtelinq+ te ondersteunen? Bij aansluiting op WLQ+ is 40 megawatt aan basislast nodig voor het bestaande net van Vattenfall. Op een beperkt aantal piekmomenten vragen alle consumenten tezamen om ongeveer 120 megawatt. I. Een piekvraag van 120 MW= 120.000kW Bestaande aansluitingen 22.000x6 kW piekvraag = 132.000kW Is dat niet wat krap? Kan het dan voorkomen dat mensen ook in Leiden in de kou komen zoals afgelopen winter in andere gemeenten is gebeurd? Volgens de huidige warmteleverancier zijn, om de aanvullende 80 megawatt op piekmomenten te realiseren, twee hulpwarmtecentrales nodig, verspreid over de stad. Hierbij is nog onbekend of deze op Leids grondgebied aanlanden. II. De afstand van deze hulpcentrales tot de afgiftepunten is belangrijk voor het rendement van het net. Het lijkt mij, zeker aangezien dit nieuw te bouwen gasgestookte hulpcentrales zijn, belangrijk om dit scenario af te zetten tegen een scenario waarbij de Uniper centrale blijft tot bijvoorbeeld 2040 of 2050.
(wel zoals u terecht aangeeft, onder voorwaarde dat de STEG, al dan niet door druk uit EU of het Rijk, verduurzaamt) In het kader van het Provinciaal Inpassingsplan wordt gekeken naar verschillende opties voor realisatie van deze hulpvoorzieningen. Deze piek- en back-up assets zullen deels bestaan uit gasgestookte boilers en deels een buffer, welke tijdens de daluren gevuld kan worden en gedurende de piekuren ingezet kan worden om zo de inzet van de gasgestookte boilers te reduceren. III. Een buffer heeft alleen invloed op het benodigde vermogen, het verlaagt helaas niet de benodigde hoeveelheid energie. Klopt dit? Gasgestookte boilers zullen in de toekomst worden uitgefaseerd en vervangen door elektrische varianten, of gevoed met groene gassen, maar op dit moment is dat nog niet Overigens is er nog geen regionale verdeling gemaakt van de inzet van de verschillende bronnen die toekomstig kunnen worden ingezet. Naast de bestaande 40MW, is er dus nog geen uitspraak te doen of het Leidse deel van het voorgenomen Open Regionale Energiesysteem gevoed zal worden door WLQ+, geothermie of lokale bronnen. 2. Hoe verhoudt zich dat tot de warmtevisie en de bestaande hulpcentrales? Hierbij dient onderscheid te worden gemaakt tussen het bestaande net en uitbreiding van dit net in het kader van een ORES. WLQ+ voorziet in de TVW alleen de basisbehoefte (basislast) en niet de piekbehoefte.
Piekvoorzieningen in het kader van de ORES zullen afhankelijk zijn van de bron (WLQ+ of geothermie of lokale bronnen). Hierover kan bij een eventuele aanbesteding kaders aan worden meegegeven.
Eventuele piekvoorzieningen in het bestaande net wordt verzorgd door het huidige warmtebedrijf, die dit zal bekijken in relatie tot haar doel om in 2040 fossielvrije warmte te leveren. Vattenfall denkt op dit moment op twee locaties piek- en back-up vermogen (zie antwoord op vraag 1) als aanvulling op de basislast bron WarmtelinQ nodig te hebben voor het bestaande net. IV. Als je voor piekmomenten lokaal moet bijstoken en voor basislast kun je uit met andere oplossingen die minder CO2 uitstoten en goedkoper zijn, wat is dan precies de toegevoegde waarde van de WLQ+?1 En is het in dit scenario dan niet zo dat restwarmte tot Leiden wordt vervoerd terwijl in Den Haag bijgestookt moet worden? Mogelijk zou ook (een deel) van de Uniper warmte kunnen worden ingevoed afhankelijk van het toekomstperspectief van deze assets en de betaalbaarheid van deze warmte. De exacte rol van de bestaande hulpcentrale in bijvoorbeeld de Stevenshof in de toekomst, is dus nog niet definitief te zeggen. De verwachting van Uniper is dat er een belangrijke toegevoegde waarde blijft bestaan voor Uniper in het Leidse warmtesysteem, met name voor leveringszekerheid en het balanceren van de warmtebronnen. V.
Als het grootste deel van de in Leiden benodigde elektriciteit niet meer wordt opgewekt door de Unipercentrale, waar vandaan moet het dan komen? Wordt deze extra uitstoot toegeschreven aan de voorgenomen alleen-warmte voorzieningen in Leiden? En is het in het kader van circulaire economie niet een uitgangspunt om niet nieuw te bouwen als er al iets bestaat dat die functie kan waarnemen? Zou daar niet door het Rijk op gestuurd moeten worden? 3. Welk deel/% van de van AVR betrokken warmte wordt straks met de nieuwe Europese energie taxonomie nog als duurzaam aangemerkt? De nieuwe Europese energie taxonomie zegt niets over de duurzaamheid van de geleverde stadswarmte van een afvalverbrandingsinstallatie maar heeft betrekking op de activiteiten zelf, zie hiervoor ook Artikel 10.1 van de regelingVerordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Europese Raad van 18 juni 2020, betreffende de totstandbrenging van een kader ter bevordering van duurzame beleggingen en tot wijziging van Verordening (EU) 2019/2088. Bovendien zal de van AVR betrokken warmte voor Leiden ook niet leiden tot verhoging van de afvalverbranding zelf met andere woorden de activiteit verbranding neemt niet toe. VI. De meest recente ontwikkelingen op het gebied van EU taxonomie voor kernenergie en gas dateren van 2 februari 2022.
(zie https://ec.europa.eu/info/publications/220202-sustainablefinance-taxonomy-complementary-climate-delegated-act_en) Verandert dat het antwoord op de vraag?Als ik het goed begrijp, gaat de taxonomie over of bepaalde investeringen als wel of niet duurzaam worden aangemerkt. Ik dacht dat het duurzaam aanmerken van gas(onder strenge en terechte voorwaarden!) een argument zou kunnen zijn om te investeren in verduurzamen van bestaande STEG-centrales. Denk aan een buffervat, nieuwe turbines of afvang van uitstoot. In het huidige Leidse net, gevoed door de gasgestookte STEG-centrale van Uniper, wordt momenteel 0% duurzaam opgewekt (Warmte etiket met onze warmtebronnen in 2020 | Vattenfall). In het net van Rotterdam is 68% warmte uit afvalverbranding (van de AVR) en is 35% duurzaam opgewekt. Het aandeel hernieuwbaar van de warmte uit afvalverbranding is een uitkomst van de een berekening conform de“Rapportageformat Duurzaamheidsrapportage voor leveranciers in het 1 Hierbij is het relevant om rekening te houden met het feit dat het elektriciteitsnet sowieso verzwaard gaat worden in een mate waar de gelijktijdigheid van warmtepompen altijd ruimschoots binnen zal vallen. Zie ook de brieven van Alliander. De gelijktijdigheid van pv en elektrische auto's zijn hoger dan die van warmtepompen.
kader van de Warmtewet” en is afhankelijk van, onder andere, het aandeel “primair fossiel energiegebruik”. VII. Ook hier: hoe ziet dit plaatje eruit op basis van de meest recente ontwikkelingen?. (Zie: https://ec.europa.eu/info/publications/220202-sustainable-finance-taxonomy-complementaryclimate-delegated-act_en en de op 26 januari afgesloten internetconsultatie omtrent wijzigingen voor de NTA8800 op basis waarvan uitgekoppelde STEG warmte – terecht – wel als duurzaam zou kunnen worden bestempeld.) Ik had begrepen dat de waardering van de “biogene fractie” van het afval verandert omdat een verwerking anders dan verbranden hoogwaardiger is.
4. Betekent dat dan dat de CO2 van de niet duurzame AVR uitstoot aan Leiden wordt toegerekend? Nee. De door AVR geleverde warmte uit de afvalverbrandingsinstallaties bestaat voor meer dan 50% uit hernieuwbare warmte ongeacht aan welk gebied de warmte wordt geleverd. Het deel hernieuwbare warmte kan niet specifiek gealloceerd worden aan één gebied. De geleverde warmte bestaat derhalve voor alle gebieden uit een deel hernieuwbaar en een deel niet hernieuwbaar. De CO2-emissie van het niet hernieuwbare warmtedeel van de door AVR geleverde warmte wordt op deze wijze, conform de vingerende berekeningsmethodiek volgens de warmtewet, aan alle leveringsgebieden toegerekend naar rato van de warmtevraag van het betreffende gebied. VIII. Betekent dit antwoord in omkeer-redenatie dat van 50% wel de uitstoot (naar rato) wordt toegerekend aan Leiden? 5. Hoe verhoudt zich de hoeveelheid AVR warmte uit Rotterdam inclusief transportverliezen en pompenergie tot de uitkoppelwarmte die nu beschikbaar is vanuit de STEG op de Langegracht? Vattenfall is verantwoordelijk voor de inkoop van warmte bij de bronnen waarna WLQ het vervolgens voor hen transporteert. WLQ is een open en onafhankelijk warmtetransportnet en energiebedrijven hebben de keuzevrijheid om eigen bronnen te selecteren. IX.
Is straks de concessieverlening het moment om kaders mee te geven tav verduurzaming en kostenontwikkeling? Hoe zit dat bij uitbreiding van bestaande netten? Kan de oude basisconcessie dan worden opengebroken en nieuwe eisen gesteld? Voor de WLQ wordt een hoofdtransportwarmteleiding met een diameter van 700 mm aangelegd tussen Vlaardingen en Den Haag. Die omvang is voldoende om ca. 248MW* capaciteit te kunnen transporteren vanuit verschillende restwarmtebronnen (en niet alleen AVR) in de Rotterdamse haven. Vanaf de aftakking bij Rijswijk naar Leiden (WLQ+) is het voornemen om een hoofdtransportwarmteleiding aan te leggen met een diameter van 500 mm. Dit is voldoende om ca. 103 MW* te kunnen transporteren tussen Rijswijk en Leiden, waarbij er nog geen afspraken zijn gemaakt over de inzet van de “extra” capaciteit bovenop de 40MW van het huidige net. Door goede isolatie, stroomsnelheid, een passend temperatuurregime en de diameter van de leiding, kan het temperatuurverlies worden beperkt tot grofweg 0,5 graden per 10 km. Het warmteverlies over de WLQ leiding bij volle belasting is ongeveer 4 á 5% op jaarbasis. In de warmtedistributienetten in de wijken ligt dit percentage hoger. (*) Bij een delta Temperatuur van 500 C
X. De rechte lijn van de AVR in Rotterdam naar Rijswijk naar Leiden is 32km, (Het is duidelijk dat dit traject niet in volledig rechte lijnen kan, dus de werkelijke afstand is hoger.) Dit moet vervolgens twee kanten op gerekend worden, aangezien de retourstroom ook warmte verliest. De wet van behoud van energie zegt dat ook deze energie ergens vandaan moet komen. 64km 10 x 0,5 = 3.2C, bij een Delta-T van 50C, is dit 6.4%. Zonder pompenergie en zonder dat er rekening is gehouden met bochten in het traject. Daar komt bij dat een Delta-T van 50C in de zomer vrijwel zeker niet haalbaar is omdat er geen vraag is. Verder zal in de initiële situatie waarbij slechts 40MW van de 100MW capaciteit van het trajectdeel Rijswijk-Leiden worden benut wat betekent dat op Delta-T verkleind moet worden of stroomsnelheid verminderd. Beide maatregelen leiden tot meer verlies. Zie ik dit verkeerd? XI. Als er slechts 80MW hulpvermogen voorzien is in Leiden, wat gebeurt er dan als in de winter (als Leiden ook piekvraag periodes heeft) de vraag in Rotterdam en Den Haag zo hoog wordt dat er geen of onvoldoende vermogen overblijft om Leiden te voorzien? Gaat men dan in Den Haag en Rotterdam bijstoken zodat Leiden met vermijdbaar transport- en pompverlies restwarmte uit de WLQ+ kan ontvangen? 6.
Hebben de besluiten van de Haagse Raad nog effect op de haalbaarheid en planning van de leiding naar Leiden?2 Gasunie heeft een positief investeringsbesluit genomen voor de aanleg van WLQ tot aan Den Haag, maar de gemeenteraad heeft de samenwerkings-, uitvoerings- en schadevergoedingsovereenkomst nog niet getekend. Vanwege het politieke besluit van de gemeenteraad van Den Haag om in beroep te gaan bij de Raad van State, heeft WarmtelinQ besloten de werkzaamheden in Den Haag uit te stellen tot na de uitspraak van de Raad van State. Dit omdat WarmtelinQ het niet gepast acht te starten met werkzaamheden gedurende deze procedure. Het besluit van WarmtelinQ om de werkzaamheden in Den Haag uit te stellen, zorgt niet voor vertraging van het project WLQ+. De werkzaamheden op de rest van het tracé gaan gewoon door. Het tracé van Rijswijk naar Leiden kent sowieso een latere opleverdatum en er is nog geen finaal investeringsbesluit over dit leidingdeel genomen. In alle gevallen is er keuzevrijheid voor de individuele bewoner. Het eventueel niet doorgaan van WLQ+ heeft wel impact op de keuze aan verduurzamingsbronnen waarmee grootschalige collectieve oplossingen worden gevoed en kan mogelijk vertragend werken voor de verduurzaming van Leiden. 7.
Kunnen wij met de randvoorwaarden uit de huidige visie straks zeker stellen dat de exploitant van een toekomstig net lage- en middentemperatuur- bronnen inkoppelt en kansen biedt voor nieuw te ontwikkelen lokale bronnen?3 De huidige visie is een richtinggevend document waarbij we van de huidige wetgeving afhankelijk zijn. De Minister verwacht dit najaar de nieuwe Wet Collectieve Warmte naar de kamer te sturen, waarin (behalve een meer transparante, op kostprijs gebaseerde tarifering) eisen worden gesteld aan de duurzaamheid van warmtenetten. In dat wettelijk kader is nu niet voorzien dat exploitanten van
2 3
Zie ook https://www.omroepwest.nl/nieuws/4526988/haagse-gemeenteraad-wil-overeenkomsten-warmtenetvoorlopig-niet-tekenen Zie ook https://www.gpkl.nl/warmtenet-nijmegen-als-waarschuwing-om-meer-regie-in-publieke-handen-te-houden/
warmtenetten dit verplicht open moeten stellen. De wet richt zich primair op de bescherming van de eindgebruiker, en versnelling van de energietransitie. Afnemers op het bestaande net van Vattenfall, 40 MW, vallen onder dezelfde bescherming als hierboven genoemd. Hier is echter door de Gemeente geen juridische invloed mogelijk op een verplichte openstelling voor derden, omdat het een privaat net betreft. Vattenfall zal dus op eigen gronden een afweging maken of de toetreding van een nieuwe bron of afnemer wenselijk is. De gemeente kan meer invloed uitoefenen op het openstellen van een nieuw te ontwikkelen warmtenet, door een actievere rol te nemen om publieke waarden te borgen. In zo’n actievere rol kan de gemeente eisen stellen aan de verplichte openstelling voor nieuwe bronnen en afnemers. Daarmee ontstaat ruimte voor meerdere initiatieven en innovaties. Hierbij wordt er rekening gehouden met de invloed van deze nieuwe bronnen op de eindgebruiker; het moet een verbetering inhouden. Juridisch heeft de gemeente daartoe middelen zoals een concessie, of een participatie. Voor de wijken rondom het huidige warmtenet zal onder de nieuwe Warmtewet samenwerking met Vattenfall hoogstwaarschijnlijk noodzakelijk zijn.
In de ontwikkeling van dit soort kavels zal door alle partijen altijd gestreefd worden naar een transparant proces, waarbij er keuzevrijheid blijft bestaan voor de bewoners om aan te sluiten op het net of zelf een alternatief te regelen en waarbij betaalbaarheid, leveringszekerheid en duurzaamheid als belangrijkste criteria gelden. Over de rol die de gemeente wil spelen en op welke manier zij gebruik wil maken van de beschikbare instrumenten, is nog geen besluit genomen. Het college is voornemens dit jaar een notitie aan de gemeenteraad aan te bieden, met haar visie daarop. Met de uitgangspunten in deze notitie kan het college handelen in wijken waar nieuwe warmtenetten worden aangelegd. Deze uitgangspunten werken door in wijkuitvoeringsplannen, die te zijner tijd ook aan de gemeenteraad worden aangeboden. Overigens kiest de Gemeente Leiden in de TVW voor een betaalbaar alternatief in de totale keten. Middentemperatuur en lage temperatuur zijn ons inziens een middel zijn om te komen tot een betaalbare, betrouwbare en duurzame warmtevoorziening, niet een doel op zich. Op basis van een bestaand net en de klantinstallaties (bijvoorbeeld in de woningen), kan je niet plotsklaps het temperatuurregime op het net aanpassen zonder consequenties (lees: substantiële investeringen) door de eindklanten.
Bij nieuwe gebiedsontwikkeling (nieuwbouw of uitbreiding in bestaande bouw) kunnen we wel kiezen voor een bepaald temperatuurregime (lage- of middentemperatuur). XIII. Ik heb begrepen dat Vattenval nog steeds uitgaat van 80 graden aflevertemperatuur. Wanneer lopen de huidige concessies af en kan dat tegen die tijd worden herijkt? En kunnen eindgebruikers zonder boete isoleren om te benodigde temperatuur te verlagen? Ik heb in Rotterdam voorbeelden gezien waar VvE’s boete moesten betalen omdat ze minder GJ zouden afnemen na isolatie. 8. Welke middelen heeft de Gemeente om straks verzekerd te zijn dat warmte wordt ingekocht bij de meest duurzame en betaalbare bron? Momenteel beschermt de landelijke wetgeving afnemers middels een NMDA prijs plafond, en in de toekomst door een transparante kostenonderbouwing. De ACM toetst rendementen van warmtebedrijven zodat alleen de efficiënte kosten terugverdiend worden. Daarmee is het de verantwoordelijkheid van de warmteleverancier om zelf warmte in te kopen zodat de uiteindelijk aan de klant geleverde warmte voldoet aan de wettelijke kaders. Bij nieuw te ontwikkelen warmtenetten zijn de instrumenten die inzetbaar zijn voor de gemeente, afhankelijk van de rol die zij kiest (faciliterend, regisserend of participerend). In de Transitievisie
Warmte wordt de mogelijkheid benoemd om in de toekomst warmtekavels aan te wijzen. De gemeente is aan zet hier regie op te voeren en moet volgens de toekomstige Wet Collectieve Warmte, warmtebedrijven selecteren en aanwijzen. Afhankelijk van de rol die zij kiest, kan de gemeente vervolgens op verschillende manier invloed uitoefen op aspecten als duurzaamheid, betaalbaarheid en betrouwbaarheid. XIV. Is er iets wat wij in de TVW kunnen opnemen om disclaimer te maken voor wat hierboven is beschreven? Dus dat het vaststellen van deze visie niet betekent dat wij in toekomst alleen faciliteren, maar dat wij de visie herijken zodra de landelijke wetgeving helder is? Ik maak mij zorgen dat de gemeente bij een eventueel conflict hierover geen zorgvuldige besluitvorming wordt verweten omdat wij proberen iets te voorschrijven waar wij geen kaders voor hebben vastgesteld. Bijvoorbeeld mag je bij lokaal eigendom van zon en wind geen resultaatsverplichting opleggen, maar wel een inspanningsverplichting. Bij een faciliterende rol kan de gemeente de eisen aan de warmte in een warmtekavel niet reguleren en op die manier alleen met het middel ‘landelijke wetgeving’ optreden. Bij een regisserende rol stelt de gemeente eisen aan deze aspecten; het is aan de gemeente om de juiste eisen te stellen om publiek belang op de juiste manier te borgen.
Er worden eisen gesteld aan het eindproduct van het warmtesysteem, de technisch inhoudelijke keuzes en optimalisaties zijn aan de warmteleverancier die verplicht is te voldoen aan de eisen van de gemeente. Die worden dan onderdeel van de voorwaarden voor een aanwijzing, waarmee de warmteleverancier verplicht is passende warmte in te kopen. Daarbij gaan duurzaam en betaalbaar overigens wellicht niet altijd hand in hand. XV. Op welke manier kunnen wij de eerder door de raad vastgestelde randvoorwaarden preciseren dat we hier in Leiden op kunnen sturen? Zijn hier goede voorbeelden van? Tenslotte kan de gemeente ook een participerende rol aannemen en zelf nieuw te ontwikkelen warmteneten aanleggen en op die manier invloed uitoefenen op aspecten als duurzaamheid, betaalbaarheid en betrouwbaarheid. Ook het instrument warmtekavels komt terug in de notitie die het college dit jaar aanbiedt aan de gemeenteraad. Overigens betekent een duurzame bron niet altijd dat dit ook de goedkoopste bron is. Zo is bijvoorbeeld aquathermie een relatief dure basislastbron in vergelijking met warmte uit een afvalverbrandingsinstallatie terwijl op de korte termijn de duurzaamheid gelijk is. XVI.
Is dit gebaseerd op de NTA 8800 of op de werkelijke primaire uitstoot? Bij verduurzaming van de landelijke elektriciteitsmix zal er een andere verhouding met betrekking tot duurzaamheid ontstaan, dan wordt aquathermie iets duurzamer maar nog niet persé goedkoper. XVII. Klopt het dat aquathermie dan juist interessant is voor de basislast zodat zoveel mogelijk uren per jaar geproduceerd wordt? XVIII. Uit deze antwoorden blijkt, anders dan eerder, grofweg twee derde van de door de WLQ+ te vervoeren warmte uit afvalverbranding zal komen ipv onvermijdelijke restwarmte vanuit raffinage. Afvalverbrandingswarmte eindig aangezien er door Europa en Rijk sinds kort veel sterker gestuurd wordt op hergebruik ipv verbranding. Als de WLQ+ grotendeels wordt aangelegd met als doel om afvalverbrandingswarmte te vervoeren ipv onvermijdelijke restwarmte vanuit industriele processen, gaan eerdere redenaties tav de duurzaamheids-winst t.o.v. b.v. lokale STEG uitkoppelwarmte, aqua- of geothermie of WKO’s nog op?