CConstaterende datLeiden
Koppel je AI →
Document · PDF

RV 21.0145 Wijziging Referendumverordening 2008

Gemeenteraad 27 januari 2022, gemeente LeidenBij agendapunt: 21.0145 Wijziging Referendumverordening 20085.901 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

4 alinea's met “raadscommissie”: 16 25 28 34

RAADSVOORSTEL

Rv. nr.: 21.0145

Presidium d.d. 17 december 2021

Naam programma +onderdeel: Bestuur en Dienstverlening Onderwerp: Wijziging Referendumverordening 2008 Doel: Aanpassing door een wijzigingsverordening van de Leidse Referendumverordening 2008 naar aanleiding van aanbevelingen in de diverse evaluaties van het referenduminitiatief over het raadsvoorstel ‘Nota van Uitgangspunten LEAD’ en van het referendum over het raadsvoorstel ‘Inrichtingsvoorstel wijksportpark Roomburgerpark’ en de bespreking daarvan in de commissie Leefbaarheid en Bereikbaarheid (LB). Kader: Artikel 149 Gemeentewet Referendumverordening 2008 Kieswet en Kiesbesluit Tijdelijke wet verkiezingen covid-19 en het Tijdelijk besluit verkiezingen covid-19 Algemene Subsidieverordening gemeente Leiden Evaluaties Referendumkamer van LEAD dd. 3 september 2020 en van WSPR dd. 31 augustus 2021 Evaluaties college van LEAD dd. 25 september 2019 en van WSPR dd. 31 augustus 2021 Evaluaties presidium en griffie van LEAD van september 2019 en van WSPR dd. 9 juli 2021. De bespreking van de evaluaties in de commissie LB op 26 november 2020 en 30 september 2021. De wensen en bedenkingen van het college van 3 december 2021. Het advies van de Referendumkamer Leiden van 3 december 2021. Achtergrond In 1992 heeft de gemeenteraad van Leiden voor het eerst een verordening vastgesteld waarin algemene regels zijn opgenomen over het houden van een gemeentelijk referendum.

De verordening is sindsdien diverse keren gewijzigd. Op 11 november 2008 is een geheel herziene verordening vastgesteld: de Referendumverordening 2008. Deze verordening is sindsdien nog drie keer op een beperkt aantal onderdelen gewijzigd. Op 9 september 2010 is de mogelijkheid toegevoegd bij de ondersteuning van een referendumverzoek gebruik te maken van DigiD, op 16 oktober 2014 is het maximum aantal leden van de Referendumkamer gewijzigd en op 10 februari 2021 is een tijdelijke wijziging doorgevoerd om juridisch aan te haken bij de Tijdelijke wet verkiezingen covid-19. De afgelopen drie jaar zijn twee referendumverzoeken ingediend. Eén in 2019 voor een referendum over het raadsvoorstel ‘Nota van Uitgangspunten LEAD’ (verder: LEAD) en één in 2020 voor een referendum over het raadsvoorstel ‘Inrichtingsvoorstel wijksportpark Roomburgerpark’ (verder: WSPR). Het eerste initiatief haalde de ‘eindstreep’ niet omdat het (definitief) verzoek onvoldoende werd ondersteund door de Leidse kiesgerechtigden. Het tweede leidde in maart 2021 tot een referendum. Beide referendumtrajecten zijn door de Referendumkamer, het college en het presidium/griffie (apart) geëvalueerd. De Referendumkamer concludeerde over beide trajecten dat het proces rondom het Pagina 1 van 13

referendum formeel-organisatorisch op bevredigende wijze is verlopen, dat de Leidse Referendumverordening 2008 een hanteerbaar, bruikbaar routeschema voor het lokale referendum bevat en dat het feitelijke verloop van de beschreven referendumtrajecten geen dwingende redenen opleverden die met spoed tot fundamentele wijzigingen van de verordening noodzaken. Wel werd (ook door het college en de griffie) een aantal aandachtspunten benoemd die zouden kunnen worden bekeken op noodzaak en eventueel zouden kunnen leiden tot aanpassing van de referendumverordening. Daarbij werd ook de aanpassing in 2019 van de VNG-modelreferendumverordening genoemd. Daarin staan juridisch-technische verbeteringen die ook in de Leidse situatie van toepassing (kunnen) zijn. De evaluaties van LEAD zijn door de commissie LB besproken op 26 november 2020 en de evaluaties van WSPR op 30 september 2021. Uit deze besprekingen bleek de commissie LB de aanbevelingen uit de diverse evaluaties te steunen. In dit raadsvoorstel zijn deze aanbevelingen waar mogelijk vertaald naar aanpassing van de Referendumverordening via de vast te stellen verordening tot wijziging van de referendumverordening. Daarnaast wordt ingegaan op een aantal organisatorische leer- en aandachtspunten. Een daarvan betreft de collegeregeling ‘Nadere regels subsidieverstrekking referendum gemeente Leiden’.

Het college wordt verzocht deze te evalueren en daarbij de aanbevelingen van de Referendumkamer over die regeling te betrekken. Overwegingen aanpassing Referendumverordening: Op basis van de diverse evaluaties en de bespreking daarvan in de commissie LB, zijn de volgende zaken bekeken en waar nodig als aanpassing op de Referendumverordening voorgesteld. • In de huidige verordening is niet geregeld hoe een inleidend referendumverzoek kan worden ingediend. Bij zowel LEAD als bij WSPR zijn hiervoor formulieren ontwikkeld. Deze bleken nodig voor een goed verloop van het proces. Voorgesteld wordt het bestaan en het gebruik van deze formulieren voor het indienen van een inleidend referendumverzoek een formele basis te geven in de referendumverordening. • Voorgesteld wordt de peildatum voor kiesgerechtigdheid nader te bepalen in relatie tot de diverse fasen van het referendumproces (inleidend verzoek, definitief verzoek, referendum) en dit in de verordening vast te leggen. • Voorgesteld wordt de mogelijkheid om ondersteuningsverklaringen voor een definitief referendumverzoek in te dienen op een fysieke locatie niet te schrappen, maar het aantal locaties terug te brengen naar drie (Stadhuis en twee andere locaties) in plaats van de huidige vijf locaties.

• Over de termijn van het definitief ondersteuningsverzoek voor een referendum wordt het volgende voorgesteld: - de zes weken termijn voor het definitief ondersteunen van een referendum wordt gehandhaafd op (maximaal) zes weken. De verordening wordt op dat punt niet aangepast. - het einde van de termijn voor het ondersteunen van een definitief referendumverzoek wordt in de verordening vastgelegd, inclusief tijdstip. Dit in verband met het digitaal indienen van een ondersteuningsverklaring (waardoor het ook buiten openingstijd mogelijk werd ondersteuningsverklaringen in te dienen). • De drempel voor de ondersteuning van een definitief referendumverzoek blijft 5.000 ondersteuningsverklaringen. De verordening wordt op dit punt niet gewijzigd. • Over de rollen en bevoegdheden: - De verordening is bekeken op mogelijke verbeteringen / verduidelijkingen van de bevoegdheden van de diverse actoren. De rol van de burgemeester is verduidelijkt bij de controle van het aantal ingediende ondersteuningsverklaringen voor het inleidend en voor het definitief referendumverzoek. Daarnaast wordt voorgesteld expliciet in de verordening op te nemen dat vergelijkbaar met reguliere verkiezingen, na een gehouden referendum door de raad

Pagina 2 van 13

over rechtmatigheid van het referendum en de referendumuitslag wordt beslist op basis van het proces-verbaal van het centraal stembureau en het advies van de Commissie Geloofsbrieven. - In de verordening wordt toegevoegd dat de Referendumkamer (naast vertegenwoordigers van de raad en indieners van het referendumverzoek) ook met het college in overleg treedt over de vraagstelling. Daarnaast zal via de website duidelijker worden gemaakt dat eventuele andere belangstellenden hun zienswijze over het inwilligen van een inleidend verzoek en over de vraagstelling (bij het definitief verzoek) schriftelijk kenbaar kunnen maken bij de Referendumkamer, zodat daarmee rekening kan worden gehouden bij het opstellen van het advies. - In de verordening wordt vastgelegd dat de Referendumkamer de raad en het college informeert wanneer de formulieren voor een inleidend verzoek beschikbaar zijn gesteld aan een initiatiefnemer. - In de verordening wordt vastgelegd dat de Referendumkamer een expliciete adviserende taak heeft waar het gaat om inhoud en ontwerp van de stempas en het stembiljet. - Dit voorstel is naar aanleiding van het advies van de Referendumkamer en de wensen en bedenkingen van het college over een conceptversie van dit raadsvoorstel op een aantal punten aangepast.

Naast een aantal kleine verbeteringen wordt een termijn toegevoegd waarbinnen een referendum moet worden gehouden, wordt voor wat betreft de subsidieregeling een link gelegd met de Algemene Subsidieverordening en wordt voorgesteld uit te gaan van twee weken in plaats één week tussen het indienen van een inleidend referendumverzoek en de behandeling in de raad van het betreffende raadsvoorstel. Deze wijzigingen worden later in dit voorstel toegelicht bij paragraaf ‘Advisering’. • De verordening is op basis van de VNG-modelverordening bekeken op technisch juridische verbeteringen en verduidelijkingen. Waar nodig en mogelijk, is de referendumverordening daarop aangepast. • In geen van de evaluaties wordt aanbevolen te tornen aan het houden van een referendum over het gehele raadsvoorstel. Daarvoor bleek ook in de commissie LB van 30 september 2021 geen draagvlak. De verordening wordt op dit punt dan ook niet aangepast. Zie de evaluatie van de Referendumkamer over WSPR (‘box A’ op blz. 5 en 6) voor meer informatie over dit onderwerp en de mogelijkheden en de moeilijkheden daarvan. In de artikelsgewijze toelichting in bijlage 1 bij dit voorstel staat meer informatie over de diverse aanpassingen en de achtergrond ervan.

Overwegingen van organisatorische aard: Naast de bovenstaande zaken die tot aanpassing van de Referendumverordening leiden, komt in de verschillende evaluaties een aantal zaken van procesmatige / organisatorische aard aan de orde waarmee bij toekomstige referenda rekening moet worden gehouden. Deze zaken leiden niet tot aanpassing van de verordening, maar vanwege het belang ervan worden ze hier wel vermeld. Het betreft de volgende organisatorische aandachtspunten. 1. De (dubbele rol) van het college gedurende het referendumproces Het college beschrijft in zijn evaluatie over WSPR de dubbele rol van het college tijdens het referendumproces. Het college is verantwoordelijk voor het ingediende inrichtingsvoorstel en daarnaast verantwoordelijk voor een ordentelijk verloop van een referendum met een ‘fair level playing field’ voor voor- en tegenstanders van het voorstel. Het college geeft aan die dubbele rol als ongemakkelijk / een dilemma te hebben ervaren en adviseert dit dilemma nadrukkelijk aandacht te geven bij de organisatie van een volgend referendum. In de evaluatie van de Referendumkamer over WSPR wordt ook ingegaan op deze rollen (zie Box B op bladzijde 7 en 8) en tijdens de vergadering van de commissie LB op 30 september 2021 kwam dit onderwerp uitgebreid aan bod. Zie daarvoor [ link ] . Pagina 3 van 13

2.

3.

4.

Bij toekomstige initiatieven zal dit onderwerp nadrukkelijk en tijdig aan de orde moeten komen. Wanneer een verzoek leidt tot een definitief referendum, bespreekt de commissie LB de rolverdeling, met inachtneming van de specifieke omstandigheden van dat referendum, met het college en de Referendumkamer als onderdeel van de besluitvorming over een referendum. Scheiding inhoudelijke en procedurele behandeling in raadscommissie: Bij het referendum WSPR is gekozen voor behandeling van het referendumverzoek in de commissie Leefbaarheid en Bereikbaarheid (LB), naast de inhoudelijke behandeling van het raadsvoorstel in de commissie Onderwijs en Samenleving (OS). Daarbij is aangesloten bij de goede ervaring op dit punt met het referenduminitiatief LEAD. De Commissie LB ‘gaat’ immers over bestuurlijke aangelegenheden als deze, terwijl de onderwerpen inhoudelijk behoorden tot het werkveld van respectievelijk de commissie SO en de commissie OS. Het Presidium geeft aan dat dit zowel bij LEAD als bij WSPR goed is bevallen. Het gaf een duidelijke scheiding tussen de inhoudelijke behandeling van het betreffende dossier en de behandeling van de procedure rond het referendumverzoek.

Conform het advies van het Presidium zal ook bij toekomstige referendumverzoeken de scheiding tussen commissies worden toegepast met het bestuurlijke proces rond het referendum in de commissie LB en behandeling van het inhoudelijke raadsvoorstel in de betreffende vakcommissie. Wanneer het een referendumverzoek betreft over een ‘LB-onderwerp’ zal op dat moment worden gekeken of het mogelijk is een scheiding tussen inhoud en proces aan te brengen, bijvoorbeeld door de inhoudelijke behandeling van het betreffende raadsvoorstel bij een andere commissie te laten plaatsvinden. Mogelijke rol van de plaatsvervangend voorzitter van de raad Het presidium heeft de taak de besluitvorming voor de raad in het kader van een referendum(verzoek) voor te bereiden. Deze rol is vastgelegd in de verordening. Verder heeft het presidium de raad steeds tijdig en uitgebreid geïnformeerd over tussentijdse stappen in het referendumproces. Dit heeft geholpen bij het voorspoedig verlopen van de besluitvorming. Het Presidium geeft als aandachtspunt mee dat de plaatsvervangend voorzitter van de raad een volgende keer een grotere rol kan krijgen tijdens het bestuurlijk besluitvormingsproces, doordat de plaatsvervangend voorzitter namens de raad een inleidend referendumverzoek formeel in ontvangst neemt. (pagina 4, evaluatie presidium en griffie).

Bij een volgend verzoek wordt hiermee zo veel als mogelijk is rekening gehouden. Subsidieregeling: Het college heeft op basis van (artikel 12 van) de Referendumverordening een subsidieregeling vastgesteld (‘Nadere regels subsidieverstrekking referendum gemeente Leiden’). Deze regeling bevat de voorwaarden waaraan moet worden voldaan om in aanmerking te komen voor een bijdrage in de kosten van campagneactiviteiten in het kader van een referendum. De regeling is bij het referendum over WSPR voor het eerst gebruikt. Het is daarom raadzaam dat het college deze regeling evalueert op basis van deze eerste ervaringen en daarbij de aanbevelingen van de Referendumkamer betrekt. Het gaat dan om het advies van de Referendumkamer de door het college vastgestelde subsidieregeling aan te passen om subsidieverlening mogelijk te maken aan rechtspersonen en collectieven van ten minste vier kiesgerechtigde burgers (aanbeveling 9, evaluatie WSPR Referendumkamer) en de aanbeveling na toekenning van referendumcampagnesubsidies bekend te maken aan welke aanvrager/actor voor welke activiteit (neutraal/voor/tegen) subsidie zal worden verleend (aanbeveling 10, evaluatie WSPR Referendumkamer). Daarom wordt voorgesteld het college te verzoeken deze regeling te evalueren, daarbij deze aanbevelingen mee te nemen en de raad over het resultaat te informeren.

Pagina 4 van 13

Advisering Een conceptversie van dit raadsvoorstel is ter advisering voorgelegd aan de Referendumkamer (op basis van artikel 5, lid 2 van de Referendumverordening) en voor wensen en bedenkingen aan het college (op basis van artikel 147a, lid 4 Gemeentewet). Referendumkamer en college hebben beide geageerd (bijlage 4 en 5). Met het advies en de wensen en bedenkingen is op de volgende manier rekening gehouden in dit voorstel: Referendumkamer Naar de mening van de Referendumkamer betekenen de wijzigingen een verdere aanscherping en verheldering en aldus verbetering van de regels en procedures met betrekking tot het lokale referendum in de gemeente Leiden. Op enkele punten geeft de Referendumkamer verbetersuggesties mee. Deze suggesties zijn voor wat betreft artikel 5 (eerste punt), 9 en de toelichting bij wijziging artikel 13 overgenomen. Het voorliggend raadsvoorstel is op die onderdelen aangepast zoals door de Referendumkamer geadviseerd. Ook de opmerking bij de tweede punt over artikel 5 heeft geleid tot aanpassing. Zie voor de uitleg daarvan de toelichting bij de wensen en bedenkingen van het college. Daarnaast vraag de Referendumkamer in zijn advies, bij ander inzien en los van de in het raadsvoorstel opgenomen wijzigingen, aandacht voor een drietal zaken. Dit heeft geleid tot een tweetal aanpassingen in dit voorstel ten opzichte van de conceptversie.

Ten eerste is in artikel 6 is een ondergrens opgenomen aan het aantal leden van de referendumkamer. Ten tweede is in artikel 11, conform het VNG-model een tweede lid toegevoegd waarin een termijn wordt gegeven waarbinnen een referendum moet worden gehouden. De Referendumkamer constateert tot slot dat de regeling aangaande subsidieverlening (aan campagne voerende partijen) niet als zodanig in de referendumverordening is opgenomen, waar dit in sommige andere lokale referendumverordeningen alsook in de VNG-modelverordening wel het geval is. De Referendumkamer geeft mee dat het, om de voornaamste regels betreffende het lokale referendum in een enkel document bijeen te brengen, te overwegen valt om deze subsidieregeling integraal onderdeel te maken van de Referendumverordening Leiden. In Leiden wordt (net als in veel andere gemeenten) gewerkt met een subsidieregeling die door het college wordt vastgesteld, op basis van de kaders die de raad in de Referendumverordening heeft gesteld. Het referendum heeft geen aanleiding gegeven de verordening hierop aan te passen. In de evaluaties en ook in de commissiebehandeling is dit niet als aandachtspunt genoemd. De regeling voldeed in principe goed. Wel is er door de Referendumkamer een aantal aandachtspunten meegegeven dat door het college bij de evaluatie van de regeling wordt meegenomen.

Dat is opgenomen in besluitpunt I van het raadsvoorstel. De reden voor de in de Referendumverordening 2008 gekozen ‘getrapte’ constructie is dat de subsidieregeling een vrij gedetailleerde regeling is op basis waarvan burgers of organisaties onder daar vastgelegde voorwaarden voor subsidie in aanmerking komen wanneer zij een campagne willen voeren in het kader van een referendum. Personen of organisaties kunnen een aanvraag indienen bij het college, dat deze aanvraag beoordeelt en de aangevraagde subsidie al dan niet (of gedeeltelijk) verstrekt. De Referendumkamer adviseert het college over de verlening van deze subsidies. Daarbij gaat het om een zwaarwegend advies, waarvan het college alleen gemotiveerd kan afwijken. Dat is overigens in geen van de gevallen in het kader van het Referendum WSPR gebeurd. Na afloop van het referendum zorgt het college ook voor de definitieve afrekening. De raad vond in 2008 dat de aard van deze regeling beter past op het uitvoerend niveau van het college dan het (algemeen) kaderstellend niveau van de raad. Daarbij komt dat de periode tussen het besluit van de raad tot het houden van een referendum en het referendum kort is en in die periode zeer veel geregeld moet worden. Het college is beter dan de raad in staat om snel te reageren op de

Pagina 5 van 13

omstandigheden. Dat betekent dat de subsidieregeling in korte tijd kan worden aangepast als dat nodig blijkt. Het aanpassen van een verordening door de raad neemt veel meer tijd in beslag. De belangrijkste reden om de subsidieregels niet in de Referendumverordening op te nemen is echter dat de regels over het verlenen van subsidie al door de raad zijn vastgelegd in de Algemene Subsidieverordening (ASV). De ASV is begin 2021 herzien en biedt kaders aan het college voor het verstrekken van subsidies. Om te verduidelijken dat deze ook van toepassing zijn bij de verstrekking van subsidies voor een referendumcampagne, is dat nu expliciet in artikel 12 van de Referendumverordening opgenomen. Wel wordt daarbij afgeweken van de artikel 8, lid 3 en artikel 9, lid 2 ASV omdat de daar genoemde aanvraagtermijnen van 13 weken te lang zijn in het geval van een referendum. Een kortere termijn is dan noodzakelijk. Aan besluitpunt I is verder toegevoegd het verzoek aan het college bij de evaluatie van de subsidieregeling de samenloop met de ASV te bezien. De Referendumkamer adviseert het college over de subsidieregeling. Dit stond en staat in artikel 12 van de Referendumverordening en wordt nu ook expliciet vermeld in artikel 5 Referendumverordening (bij de taken van de Referendumkamer).

College Het college vindt de juridische en technische aanpassingen van de referendumverordening voorstelbaar en akkoord. Wel geeft het college een drietal wensen en bedenkingen mee. Allereerst adviseert het college de raad de overwegingen te beperken tot de wijzigingen van de verordening. Het is onzeker wanneer een volgend referendumverzoek wordt ingediend. Als een nieuw referendumverzoek wordt ingediend, dat uiteindelijk ook tot een definitief referendum leidt, wordt door het college voorgesteld om op dát moment in de raadscommissie - samen met College en Referendumkamer - de discussie te voeren over de verschillende rollen en spelregels, aldus het college. Onder de paragraaf ‘overwegingen van organisatorische aard’ in dit voorstel is een viertal onderwerpen genoemd die in de diverse evaluaties als aandachtspunt zijn genoemd maar die niet hebben geleid tot aanpassing van de Referendumverordening. Een daarvan betreft de (dubbele rol) van het college gedurende het referendumproces. Omdat het lastig is de standpunten en genuanceerde discussie goed samen te vatten, is de toelichting bij dat onderwerp nu beperkt tot de constatering dat dit een belangrijk onderwerp is dat bij toekomstige initiatieven nadrukkelijk en tijdig aan de orde moet komen.

Dat betekent dat in het geval een verzoek leidt tot een definitief referendum, de commissie LB de rolverdeling bespreekt met het college en de Referendumkamer, met inachtneming van de specifieke omstandigheden van dat referendum. Verder wordt daar verwezen naar de plek waar die standpunten te vinden en bediscussieerd zijn. Ten tweede wijst het college op de risico’s in het tijdpad bij het inleidend verzoek tussen het moment van indiening van de (minimaal) 750 handtekeningen en de plenaire behandeling van het conceptraadsbesluit. Die periode is slechts een week, waardoor het een grote druk legt op de controle op de kiesgerechtigheid van ondertekenaars van de ondersteuningsverklaringen en daarmee leidt tot een risico voor tijdige en zorgvuldige besluitvorming door de raad. Het college stelt daarom voor deze periode te verlengen tot twee weken. Deze periode (uit artikel 9, lid 1 van de Referendumverordening) is inderdaad heel kort. In die periode moeten niet alleen de ondersteuningsverklaringen worden gecontroleerd, ook dient de Referendumkamer de raad te adviseren over de toelaatbaarheid van het onderwerp. Daarvoor worden de meest betrokkenen (raadsleden, indieners verzoek en college) via een consultatiebijeenkomst in de gelegenheid gesteld hun opvattingen hierover nader toe te lichten (artikel 9, lid 5 Referendumverordening).

Op basis daarvan maakt het Presidium vervolgens een raadsvoorstel. Bij het opnemen in 2008 van deze termijn in de Referendumverordening is uitgegaan van de destijds gebruikelijke gang van zaken waarbij de agenda van de gemeenteraad en de te behandelen voorstellen uiterlijk 10 dagen van tevoren bekend zijn. Dat betekent dat er dan drie dagen beschikbaar zijn de 750 benodigde handtekeningen voor een inleidend verzoek te verzamelen. In de huidige Pagina 6 van 13

praktijk is deze periode veel langer omdat bijna alle raadsvoorstellen eerst in één van de raadscommissies worden besproken. Volgens de Verordening op de raadscommissies Leiden dient een in een commissie te bespreken raadsvoorstel uiterlijk twee weken voor de betreffende vergadering bekend te zijn. Bovendien verschijnen sinds dit jaar raadsvoorstellen kort na ontvangst op de voor iedereen zichtbare Lijst met Ingekomen stukken (LIS) voor de raad. Dit betekent dat een raadsvoorstel niet tien dagen maar reeds uiterlijk drie weken voor een raadsvergadering bekend is (en vaak nog eerder omdat kadervoorstellen (zoals de voorstellen voor LEAD en WSPR) twee keer in de commissie voorbij komen: voor insprekers en voor de inhoudelijke behandeling). Gelet op de zorgvuldige behandeling van inleidende referendumverzoeken wordt daarom voorgesteld het advies van het college over te nemen en uit te gaan van een periode van veertien dagen. In het uiterste geval hebben initiatiefnemers dan één week om de benodigde ondersteuningsverklaringen te bemachtigen. Artikel 9. Lid 1 is daarop aangepast. Daarbij word wel aangetekend dat zich in uitzonderlijke gevallen situaties kunnen voordoen waarbij een raadsvoorstel aanzienlijk later aan de agenda wordt toegevoegd, zodat het erg moeilijk of zelfs onmogelijk wordt om het inleidende verzoek binnen de gestelde termijn in te dienen.

Als dan blijkt dat er toch een breed levende behoefte is aan het indienen van een referendumverzoek, zou de raad kunnen besluiten om de behandeling van het raadsvoorstel uit te stellen, waardoor alsnog de gelegenheid ontstaat om tijdig een verzoek in te dienen. De raad is daar echter niet toe verplicht. Dit is overigens niet anders dan voor deze wijziging. Het derde en laatste punt betreft de artikelsgewijze toelichting bij C. over de wijziging van artikel 5 met betrekking tot de advisering van de Referendumkamer over de te vertrekken voorlichting. Het college zag graag in de toelichting toegevoegd dat de rol van de Referendumkamer als toezichthouder betrekking heeft op de technische kant van de voorlichting over het referendum (artikel 5c), omdat anders een voorschot wordt genomen op de toekomstige keuzes rond de rol van het College. De in het concept-raadsvoorstel voorgestelde wijziging was geen inhoudelijke aanpassing. Deze vloeide niet voort uit de evaluaties maar betrof een aanpassing ter verduidelijking op basis van de VNG-modelverordening. Zowel de Referendumkamer als het college hebben opmerkingen bij deze aanpassing gemaakt. Om onbedoelde verwarring te voorkomen is deze wijziging teruggedraaid. De tekst uit de huidige verordening blijft dus hetzelfde, namelijk dat de referendumkamer adviseert over de te verstrekken voorlichting over referenda.

Overgangsrecht: De wijziging treedt op de dag na publicatie in werking en is vanaf dat moment van toepassing op de gang van zaken bij een referendum, dus op initiatieven die na die datum worden ingediend. Op verzoeken voor een referendum die voor die datum zijn ingediend, gelden de regels uit de oude verordening. Verder wordt geregeld dat zolang de Tijdelijke wet verkiezingen covid-19 van kracht is, deze ook geldt voor het Leidse Referendum. Hiermee wordt het raadsbesluit van 28 januari 2021 (RV.20.0141) ook na deze wijziging van de Referendumverordening formeel geborgd. Financiën: Geen financiële gevolgen. Evaluatie: Deze aanpassing van de Referendumverordening 2008 vond plaats naar aanleiding van de evaluaties van het referenduminitiatief rondom LEAD en het referendum WSPR. Een nieuw initiatief zal na afloop ervan door de Referendumkamer worden geëvalueerd, zoals bepaald in de Referendumverordening. Dit kan vervolgens leiden tot aanpassing van de Referendumverordening.

Pagina 7 van 13

Bijlagen: Een artikelsgewijze toelichting Een overzicht van wijzigingen De geconsolideerde tekst van de gewijzigde verordening (inclusief wijzigingen) Het advies van de Referendumkamer op het conceptvoorstel De reactie (‘wensen en bedenkingen’) van het college op het conceptvoorstel

Pagina 8 van 13

RAADSBESLUIT De raad van de gemeente Leiden; gezien het voorstel van het presidium (raadsvoorstel 21.0145); gezien het advies van de Referendumkamer Leiden gezien de wensen en bedenkingen van het College van Burgemeester en Wethouders; gezien het advies van de Raadscommissie Leefbaarheid en Bereikbaarheid;

BESLUIT: I

Het college te verzoeken de collegeregeling ‘Nadere regels subsidieverstrekking referendum gemeente Leiden’ op korte termijn te evalueren en indien mogelijk te herzien. Daarbij dient in ieder geval te worden gekeken naar de samenhang met de Algemene Subsidieverordening Leiden en naar de aanbevelingen van de Referendumkamer over de mogelijkheid subsidie te verlenen aan rechtspersonen en collectieven van ten minste vier kiesgerechtigde burgers en over de optie na toekenning van referendumcampagnesubsidies bekend te maken aan welke aanvrager/actor voor welke activiteit (neutraal/voor/tegen) subsidie zal worden verleend en de raad over deze evaluatie en mogelijke aanpassing van deze regeling te informeren;

II

de Referendumverordening te wijzigen, conform deze wijzigingsverordening.

Artikel I De Referendumverordening 2008 wordt als volgt gewijzigd: A Artikel 3, eerste lid onder f. komt te luiden: f. besluiten over de vaststelling van de gemeentelijke begroting, rekening, Kadernota en voortgangsrapportage; B Artikel 3, eerste lid onder i. komt te luiden: i. besluiten ter uitvoering van een besluit van een hoger bestuursorgaan of de wetgever waaromtrent de raad geen enkele beleidsvrijheid heeft. C Artikel 5 komt te luiden: Artikel 5 Taken van de referendumkamer 1. Er is een referendumkamer. De referendumkamer heeft tot taak: a. het vaststellen en verstrekken van het formulier voor het indienen van de ondersteuningsverklaringen voor een inleidend referendumverzoek. b. de raad te adviseren over: 1°. de raad te adviseren over de toelaatbaarheid van een onderwerp waarover is voorgesteld of verzocht om een referendum te houden, 2°. de vraagstelling van een referendum, 3°. de datum van het te houden referendum, 4°. het papieren en digitale formulier voor de ondersteuningsverklaringen voor een definitief referendumverzoek, en 5° de evaluatie van gehouden referenda en van voorstellen en verzoeken die niet tot een referendum hebben geleid. c. burgemeester en wethouders te adviseren over: 1°. inhoud en ontwerp van de stempas en het stembiljet voor het referendum, 2°. de subsidieregeling en de verstrekking van subsidies als bedoeld in artikel 12, en 3°.

de te verstrekken voorlichting over referenda. Pagina 9 van 13

d. toezicht te houden op: de uitvoering van deze verordening, en e. klachten te behandelen in het kader van de toezichttaak, genoemd onder d. 2. De referendumkamer kan gevraagd en op eigen initiatief advies uitbrengen over aanpassingen van deze verordening, over de bij referenda en referendumverzoeken te volgen procedure en over alle overige zaken die het referendum betreffen en die zij van belang acht. 3. De adviezen van de referendumkamer zijn openbaar. D Artikel 6, eerste lid komt te luiden: 1. De referendumkamer bestaat uit minimaal drie en maximaal vijf leden. E Artikel 9, eerste lid komt te luiden: 1. Een verzoek van kiesgerechtigden om een referendum te houden dient uiterlijk twee weken voor de plenaire behandeling van het conceptraadsbesluit bij de raad te worden ingediend. Het verzoek moet zijn voorzien van 750 kiesgerechtigden ondersteuningsverklaringen. . F In artikel 9 worden een tweede en derde lid ingevoegd, onder vernummering van het bestaande tweede tot en met negende lid naar lid vier tot en met elf. Deze nieuwe leden luiden als volgt: 2. Een ondersteuningsverklaring voor een inleidend referendumverzoek bestaat uit de handtekening met de daarbij behorende naam, adres [straat, huisnummer, woonplaats] en geboortedatum van een kiesgerechtigde. Voor het bepalen van de kiesgerechtigdheid geldt de datum waarop het verzoek bij de raad wordt ingediend. 3.

Ondersteuningsverklaringen worden geplaatst op een daartoe door de referendumkamer vastgesteld formulier waarop in ieder geval de titel van het ontwerp raadsbesluit is opgenomen. De referendumkamer informeert de raad en het college wanneer een dergelijk formulier wordt verstrekt. G In artikel 9 komt het (vernummerde) zesde lid (was het vierde lid) als volgt te luiden: 6. Zo spoedig mogelijk na binnenkomst van een verzoek als bedoeld in het eerste lid verzoekt de griffier de burgemeester te onderzoeken of het verzoek door een voldoende aantal kiezers is gedaan. Daartoe controleert de burgemeester de ondersteuningsverklaringen kiesgerechtigdheid als bedoeld in het tweede lid. H In artikel 9 komt het (vernummerde) achtste lid (was het zesde lid) als volgt te luiden: 8. Indien het verzoek betrekking heeft op een onderwerp zoals bedoeld in artikel 3, tweede lid, wijst de raad het verzoek af. De raad kan het verzoek eveneens, met redenen omkleed, afwijzen indien het verzoek betrekking heeft op een onderwerp waarvoor de primaire verantwoordelijkheid bij een andere overheid ligt, dat een bovenlokaal karakter heeft, of waarbij de raad vaststelt dat hij onvoldoende mogelijkheden ziet, dan wel niet bereid is, te handelen conform de mogelijke uitslag van het referendum. I In artikel 9 komt het (vernummerde) tiende lid (was het achtste lid) als volgt te luiden: 10.

Zo spoedig mogelijk na het besluit om de kiesgerechtigden in de gelegenheid te stellen een definitief verzoek in te dienen, treedt de referendumkamer in overleg met in ieder geval vertegenwoordigers van de raad, van de indieners en het college over de vraagstelling. Tenzij het presidium instemt met een andere periode, brengt de referendumkamer binnen twee weken na het genoemde besluit advies uit over de vraagstelling.

Pagina 10 van 13

J Artikel 10, eerste lid komt als volgt te luiden: 1. Een definitief verzoek tot het houden van een referendum kan worden ingediend door ten minste 5.000 personen die kiesgerechtigd zijn op de dag dat de in het vierde lid bepaalde termijn van zes weken begint. Dit gebeurt door het plaatsen van hun handtekening op een handtekeninglijst of via het inzenden van een ondersteuningsverklaring met gebruikmaking van DigiD. De handtekeninglijsten en de inhoud van de bij de digitale ondersteuning te gebruiken internetpagina worden na advies van de referendumkamer vastgesteld door het presidium en zijn voorzien van de door de raad vastgestelde vraagstelling. K In artikel 10 wordt een tweede lid ingevoegd, onder vernummering van het bestaande tweede tot en met achtste lid naar lid drie tot en met negen. Dit nieuwe lid luidt als volgt: 2. Een ondersteuningsverklaring voor het definitief verzoek bestaat uit een handtekening met de daarbij behorende naam, adres [straat, huisnummer, woonplaats] en geboortedatum. L In artikel 10, (vernummerde) derde lid wordt in de eerste zin ‘vier’ vervangen door: ‘twee’. M In artikel 10, komt het (vernummerde) vierde lid als volgt te luiden: De in het vorige lid genoemde termijn van zes weken vangt aan en eindigt op een door het college, in overeenstemming met de raad, bekend te maken dag en tijdstip.

In de bekendmaking wordt aangegeven op welke locaties en gedurende welke tijdstippen de handtekeninglijsten beschikbaar zijn en via welke internetpagina digitale ondersteuning mogelijk is. Indien het benodigde aantal geldige handtekeningen of digitale ondersteuningen eerder dan na zes weken is verkregen, kan de mogelijkheid tot het plaatsen van een handtekening en het inzenden van een digitale ondersteuning worden beëindigd. N In artikel 10 komt het (vernummerde) zesde lid (was het vijfde lid) als volgt te luiden: 6. In overleg met het presidium wordt door de burgemeester periodiek onderzocht in hoeverre de geplaatste handtekeningen en ingezonden ondersteuningsverklaringen geldig zijn. De burgemeester controleert de ondersteuningsverklaringen daartoe op kiesgerechtigdheid als bedoeld in het eerste lid. O Artikel 11 komt als volgt te luiden: 1. Tegelijk met een besluit om een referendum te houden of zo spoedig mogelijk daarna bepaalt de raad met inachtneming van een advies van het college en van de referendumkamer de datum van het referendum. 2. Het referendum vindt plaats uiterlijk vier maanden na de dag waarop besloten is tot het houden van een referendum.

De raad kan deze termijn met ten hoogste twee maanden verlengen om het referendum te combineren met een reguliere verkiezing of om te voorkomen dat het referendum in een schoolvakantie voor het basis- en voortgezet onderwijs valt die voor de regio is aangewezen. P In artikel 12 komt het tweede lid als volgt te luiden: 2. Het college stelt met inachtneming van de Algemene Subsidieverordening gemeente Leiden (ASV) en een advies van de referendumkamer nadere regels vast met de voorwaarden waaraan moet worden voldaan om in aanmerking te komen voor een bijdrage in de kosten van de campagneactiviteiten. Daarbij zijn de aanvraagtermijn in artikel 8, lid 3 en de beslistermijn in artikel 9, lid 2 ASV niet van toepassing en kan worden afgeweken van de weigeringsgronden in artikel 10 ASV.

Pagina 11 van 13

Q Artikel 13 komt als volgt te luiden: Artikel 13 Procedure voorbereiding, stemming, uitslagbepaling en bekendmaking 1. De kiesgerechtigden ontvangen voor het referendum een afzonderlijke oproepingskaart of stempas. Voor het bepalen van de kiesgerechtigdheid geldt de datum van het referendum conform artikel 11. 2. Op de procedure ter voorbereiding, stemming, en de vaststelling en bekendmaking van de uitslag van het referendum zijn de hoofdstukken B, E, paragrafen 2 en 4, J, L, N, paragraaf 1, en P, paragrafen 1 en 4, van de Kieswet van overeenkomstige toepassing, voor zover bij deze verordening niet anders is bepaald. R Artikel 14 komt als volgt te luiden: Artikel 14 De geldigheid van een referendum 1. Het referendum is geldig indien het aantal uitgebrachte geldige stemmen meer bedraagt dan 30% van het aantal kiesgerechtigden. 2. Indien het referendum geldig is, wordt de uitslag bepaald door de keuzemogelijkheid waarop de meeste geldige stemmen zijn uitgebracht. 3. Het centraal stembureau berekent de uitslag van het referendum en geeft aan hoeveel stemmen voor en tegen het ontwerp raadsbesluit zijn uitgebracht alsmede het aantal blanco en ongeldige stemmen en het aantal stemmen bij volmacht. Het centraal stembureau stelt vast of een meerderheid voor dan wel tegen het ontwerp raadsbesluit heeft gestemd, waarbij blanco en ongeldige stemmen buiten beschouwing worden gelaten. 4.

Het centraal stembureau brengt de uitslag over aan de raad, vergezeld van het proces-verbaal, en maakt beide onverwijld bekend op een algemeen toegankelijke wijze. 5. De raad doet op basis van het door het centraal stembureau vastgestelde proces-verbaal en het advies van de Commissie Geloofsbrieven een uitspraak over of de stemming op wettige wijze is geschied. S Artikel 16 komt als volgt te luiden: Artikel 16 Strafbepaling Met een hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie wordt gestraft degene die: a. stembiljetten, volmachtbewijzen of stempassen namaakt of vervalst met het oogmerk deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken; b. stembiljetten, volmachtbewijzen of stempassen die hij zelf heeft nagemaakt of vervalst of waarvan de valsheid of vervalsing hem, toen hij deze ontving, bekend was, opzettelijk als echt en onvervalst gebruikt of door anderen doet gebruiken; c. stembiljetten, volmachtbewijzen of stempassen voorhanden heeft met het oogmerk om deze wederrechtelijk te gebruiken of door anderen te doen gebruiken; d. als gemachtigde stemt voor een persoon, wetende dat deze is overleden; e. bij een referendum door gift of belofte een kiesgerechtigde omkoopt om volmacht te geven tot het uitbrengen van zijn stem; f.

stelselmatig personen aanspreekt of anderszins persoonlijk benadert ten einde hen te bewegen het formulier op hun oproepingskaart, bestemd voor het stemmen bij volmacht, te ondertekenen en deze kaart af te geven.

Artikel II Overgangsrecht Op Referendumverzoeken die zijn ingediend voor inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening, gelden de bepalingen uit de oude verordening. Hetzelfde geldt voor Referenda die zijn of worden gehouden voor inwerkingtreding van deze verordening.

Pagina 12 van 13

Op de gang van zaken bij het referendum is de Tijdelijke wet verkiezingen covid-19 en het Tijdelijk besluit verkiezingen covid-19 (in aanvulling op hetgeen geregeld is in artikel 13 van de verordening) van overeenkomstige toepassing, zolang deze tijdelijke wet van kracht is.

Artikel III Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op de dag na de bekendmaking ervan.

Artikel IV Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als Wijzigingsverordening Referendumverordening Leiden 2008

Gedaan in de openbare raadsvergadering van,

De Griffier,

De Voorzitter,

dhr. G.F.C. van Leiden

drs. H.J.J. Lenferink

Pagina 13 van 13

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10972320/1