CConstaterende datLeiden
Koppel je AI →
Document · PDF

RV 21.0026 Samenwerking warmtetransitie Leidse regio en restwarmte via WarmtelinQ+

raadscommissie Stedelijke Ontwikkeling 18 mei 2021, gemeente LeidenBij agendapunt: RV 21.0026 Samenwerking warmtetransitie Leidse regio en restwarmte via WarmtelinQ+5.391 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

RAADSVOORSTEL

Rv. nr.: 21.0026

B en W-besluit d.d.: 6-4-2021 B en W-besluit nr.: 21.0189

*Z1EAC5F3296*

Naam programma: 06 Stedelijke ontwikkeling Onderwerp: Raadsvoorstel samenwerking warmtetransitie Leidse regio en restwarmte via WarmtelinQ+ Aanleiding: restwarmte beschikbaar als gevolg van contract tussen Warmtebedrijf Rotterdam en Vattenfall, via aan te leggen WarmtelinQ+ Samenvatting: De aanleiding om samen te werken is hert benutten van betaalbare en duurzame warmte uit de Rotterdamse haven via het transportnetwerk WarmtelinQ+. De samenwerking tussen de zes gemeenten is noodzakelijk om als regio effectief te kunnen optrekken met Gasunie, het ministerie van EZK en de provincie Zuid-Holland. Het mogelijk maken van de realisatie van het open bovenregionaal transportnetwerk WarmtelinQ+ in de Leidse regio zal zowel strategisch als tactisch en operationeel een behoorlijke inspanning vergen op diverse dimensies (publiekrechtelijk, ruimtelijke inpassing, beheer en onderhoud openbare ruimte ondergronds en bovengronds). Daar bovenop is de constatering gekomen dat naar verwachting ook geothermie beschikbaar is voor de Leidse regio. Ook hierop is gecoördineerde samenwerking met bovenregionale partijen zoals Energiebeheer Nederland, netbeheerders en marktpartijen naar verwachting noodzakelijk. Dit versterkt ook de noodzaak om samen te werken op de regionale warmteketen.

Restwarmte via WarmtelinQ+ als gevolg van contract Warmtebedrijf Rotterdam (WbR)-Vattenfall In regionaal verband is het afgelopen jaar hard gewerkt om met bovenregionale partners zoals Gasunie, het ministerie van EZK, de provincie Zuid-Holland de randvoorwaarden te scheppen voor de totstandkoming van een warmtetransportnet tussen Rijswijk en de Leidse regio (WarmtelinQ+). De aanleiding hiertoe is het contract tussen Warmtebedrijf Rotterdam en Vattenfall. Deze situatie schetsen we hieronder. Vattenfall heeft een bestaand gasgestookt warmtenet (40 MW) in de Leidse regio, dat warmte levert aan Leiden, Leiderdorp en Oegstgeest. Gasunie heeft een opdracht van het Ministerie van EZK om een transportnetwerk restwarmte in Zuid-Holland te realiseren. De aandeelhouders van Warmtebedrijf Rotterdam (WbR) - Rotterdam en de Provincie Zuid-Holland - hebben zich verplicht tot het leveren van duurzame warmte aan Vattenfall. Het college van B&W Rotterdam en Gedeputeerde Staten van de Provincie Zuid-Holland (PZH) hebben tot april mandaat om tot overeenstemming te komen met WbR-Gasunie-Vattenfall over een bijdrage aan de business case WarmtelinQ+ als alternatief voor afkopen leveringsverplichting van WbR aan Vattenfall.

Gasunie wil in juni in de Raad van Bestuur een investeringsbesluit nemen om per 2026 een transportnet te hebben gerealiseerd waarmee Rotterdamse restwarmte kan worden geleverd aan het warmtenet van Vattenfall. Dit hangt samen met het investeringsbesluit inzake de warmteleiding naar Den Haag. De potentie van het warmtenet zal naar verwachting ruim 100MW zijn. Hiervan wordt 40MW als vanouds geleverd aan het bestaande net, voor de resterende 60MW geldt niet dat deze automatisch door Vattenfall benut hoeft te worden. Voor het bepalen van de parameters van de WarmtelinQ+ en het investeringsbesluit daarover heeft Gasunie voldoende comfort nodig vanuit 1/11

de Leidse regio. Dit comfort kan worden geboden door aan te geven welke inspanningen de regio bereid is te doen om wijken aan te sluiten op restwarmte via de WarmtelinQ+. Hiermee is het eerder afgegeven collegebesluit van juni 2020 voor het mogelijk aangaan van harde afnamegaranties achterhaald, met name omdat onze randvoorwaarden bij deze garanties niet konden worden geborgd. Verwachte beschikbaarheid van geothermie in Holland Rijnland Naast de beschikbaarheid van restwarmte is de verwachting dat geothermie ook in voldoende mate beschikbaar zal komen in de RES-regio Holland Rijnland om de vraag voor hoge- en middentemperatuur warmte in te vullen in ieder geval de Leidse regio en de Duin- en Bollenstreek. Dit biedt de mogelijkheid om op termijn geothermie te combineren met restwarmte in de energiemix van de Leidse regio en de Duin- en Bollenstreek. Gasunie en Energiebeheer Nederland (EBN, het adviesorgaan van de overheid in de warmtetransitie) hanteren als uitgangspunt dat de mix van restwarmte en geothermie een meer robuuste energiemix oplevert. Voor de Leidse regio geldt dan des te meer dat een open regionaal transport- en distributienet van belang is om meerdere (lokale en bovenlokale) bronnen van duurzame warmte aan te sluiten.

Samengevat, door de omstandigheid van de verplichting van het Warmtebedrijf Rotterdam om per medio 2026 duurzame warmte te leveren aan Vattenfall, de overcapaciteit die in de warmtetransportleiding van Rotterdam naar de Leidse regio zit en de verwachte beschikbaarheid van geothermie ontstaat een kans om de warmtetransitie regionaal, lokaal en op het niveau van de wijk te versnellen. 1. Leeswijzer Voor u ligt het raadsvoorstel dat gaat over de samenwerking in de warmtetransitie tussen de zes gemeenten in de Leidse regio en het benutten van restwarmte via WarmtelinQ+. In paragraaf 2 vindt u de kaders voor de warmtetransitie op de verschillende schaalniveaus en de noodzaak om samen te werken als één overheid en de keuze van gemeenten om daarin met andere partijen collectieve verantwoordelijkheid te nemen. In paragraaf 3 is de bestuurlijke keuze voor samenwerking tussen de 6 gemeenten geduid (beslispunt 1), met een analyse van de borging van sturing op publieke waarden. In paragraaf 4 is beschreven waarvoor een bijdrage aan het budget van 2 miljoen euro voor de periode tot eind 2022 benodigd is. In paragraaf 5 wordt de bestuurlijke intentie tot de vorming van een regionaal investeringsfonds geduid. In paragraaf 6 zijn de vier argumenten toegelicht waarom de bestuurlijke keuze wordt gemaakt voor restwarmte.

In paragraaf 7 wordt kort ingegaan op het mandaat dat nodig is voor het komen tot formele afspraken met Gasunie. In paragraaf 8 is benoemd dat uitvoering van de voorgestelde besluiten afhankelijk is van het nemen van collectieve verantwoordelijkheid van alle partners in de warmtetransitie. 2. Kaders voor de warmtetransitie op verschillende schaalniveaus vergen acteren als één overheid en het nemen van collectieve verantwoordelijkheid Samenvatting: Vanuit landelijke kaders (Klimaatakkoord), regionale kaders (RES Holland Rijnland), lokale kaders (coalitieakkoord, Handelingsperspectief energietransitie, transitievisie warmte) en de vertaling daarvan naar het wijkniveau (wijkuitvoeringsplannen) wordt de warmtetransitie vorm gegeven. Deze kaders en keuzes vertalen in uitvoering vergt acteren als één overheid en zo collectieve verantwoordelijkheid nemen voor de warmtetransitie.

Landelijke opgave Het landelijk kader voor de warmtetransitie is vastgelegd in de afspraken over het Klimaatakkoord. Daarin is afgesproken dat gemeenten verantwoordelijkheid nemen in de vormgeving van de warmtetransitie. Hierbij zijn de randvoorwaarden als benoemd in de VNG Ledenbrief van 17 juli 2019 leidend. Dit betekent dat haalbaarheid en betaalbaarheid voor de 2/11

inwoner, het krijgen van juiste bevoegdheden en een wettelijk instrumentarium en een vergoeding voor toename in uitvoeringslasten cruciaal zijn vanuit landelijk perspectief. De gemeenten in de Leidse regio dringen er op aan dat vanuit de rijksoverheid de systeemregie zo wordt vormgegeven dat de te nemen besluiten op elkaar aansluiten en zo samen de collectieve verantwoordelijkheid voor de warmtetransitie wordt vormgegeven. Regionale opgave In de RES Holland Rijnland is een regionaal kader geschetst, die dit voorjaar ter besluitvorming aan de raden wordt aangeboden. Op basis van het huidige warmteverbruik en de potentie van duurzame warmtebronnen is Leiden afhankelijk van de regio voor de levering van warmte om aan de vraag te voldoen. Dit leidt tot een afhankelijkheidsvraagstuk van levering van warmte door de regio en dilemma’s en bestuurlijke keuzes als het gaat om de verdeling van (mogelijk schaarse) duurzame warmte tussen gemeenten. Dit pakken we op via besluitvorming over de Regionale Energie Strategie Holland Rijnland in de zogenaamde Regionale Structuur Warmte. De regio Holland Rijnland is afhankelijk van restwarmte van buiten Holland Rijnland. Om die reden neemt restwarmte uit Rotterdam een belangrijke plaats in binnen de RES.

Lokale opgave Het lokale kader wordt gevormd door de keuzes die de gemeenten Leiden, Leiderdorp, Katwijk, Oegstgeest, Voorschoten en Zoeterwoude in raden en colleges hebben gemaakt of dit jaar nog gaan maken als het gaat om duurzaamheid, de energietransitie of specifiek de warmtetransitie. Op lokaal niveau moet de schaarse warmte verdeeld worden en moeten keuzes gemaakt worden welke wijk en/of doelgroep wanneer van het aardgas gaat. Daarnaast is de energietransitie een maatschappelijke opgave, waar private en maatschappelijke partijen eigen verantwoordelijkheid hebben in de verduurzaming van de gebouwde omgeving. Het betrekken van deze partijen en het creëren van samenhang en verbinding is hierin de opgave. Dit wordt vormgegeven in de lokale transitievisies warmte. Deze worden eind 2021 aan alle gemeenteraden voorgelegd. Wijkniveau Op het niveau van de wijken gaat het om welk gebouw je wilt aansluiten op welke warmtevoorziening. Welke keuze moet hierin worden gemaakt en hoe ga je om met initiatieven van bewoners of organisaties die aan de slag willen met de energietransitie en het verduurzamen van hun wijk en/of bezit? Dit wordt uitgewerkt in de wijkuitvoeringsplannen vanaf 2022. 3. Bestuurlijke keuze voor samenwerking tussen de 6 gemeenten.

(beslispunt 1) Samenvatting: Voorgesteld wordt om de keuze te maken voor samenwerking op de warmtetransitie en de uitgangspunten, reikwijdte, te verkennen varianten van organisatie- en rechtsvorm en het proces van verkenning van de samenwerking vast te leggen in een samenwerkingsconvenant. De samenwerking tussen de zes gemeenten is nodig om zowel de warmteketen als het open energiesysteem (warmte, elektriciteit en gas) en de sturing op publieke waarden daarbinnen verder vorm te geven. Deze sturing op publieke waarden vergt een versterking van het acteren als lokale overheid, ook naar warmtebedrijven (zoals Vattenfall) en in samenwerking met lokaal en regionaal actieve woningcorporaties en met andere netbeheerders zoals Alliander en TenneT. Met dit raadsvoorstel geven wij invulling aan de randvoorwaarden die zijn uitgesproken in het Raadsvoorstel “Handelingsperspectief gemeente Leiden in de energietransitie”. Voor de gemeenten in de Leidse regio staat het realiseren van de doelstellingen uit de warmtetransitie (CO2-reductie) en daarmee borgen van een duurzame 1, betaalbare, haalbare, betrouwbare warmtevoorziening voor alle inwoners centraal. Deze publieke waarden vormen het vertrekpunt voor sturing en rolneming in de warmtetransitie.

De zes gemeenten erkennen de regionale afhankelijkheden in de warmteketen zoals hiervoor geschetst en beschouwen een daadkrachtige sturing op de warmteketen en rolneming van 1 Geen lock-in die een overschakeling naar meer duurzame bronnen tegenhoudt: bij gelijke geschiktheid

qua duurzaamheid en betaalbaarheid, worden lokale bronnen eerst ingezet. 3/11

gemeenten in relatie tot maatschappelijke partners en marktpartijen in de warmtetransitie als noodzakelijk om voldoende slagkracht te hebben als regisseur van de energietransitie. Deze constatering vormt de basis voor de keuze om als zes gemeenten samen te werken op de warmtetransitie en een gezamenlijke organisatie en passend financieel instrumentarium vorm te geven. In de gesprekken over de ambitie om een open regionale warmteketen vorm te geven is het onderstaande schema als referentiekader gehanteerd:

Als WarmtelinQ+ wordt gerealiseerd zal het bestaande warmtenet van Vattenfall in de Leidse regio (distributie en levering) door netbeheerder Gasunie via een de WarmtelinQ-leiding (transport) worden verbonden met de warmte uit bronnen (productie & opslag) van Warmtebedrijf Rotterdam. In de verhouding tussen overheden en marktpartijen is de inzet van de Leidse regio om een open regionale warmteketen mogelijk te maken, waarbij meerdere marktpartijen een bron van warmte kunnen aansluiten, bij voorkeur ook lokale bronnen van warmte. Daarnaast kunnen in een open warmteketen meerdere marktpartijen maar ook publiek-private samenwerkingsvormen en coöperatieve modellen de distributie en levering voor hun rekening kunnen nemen. Verder wordt overwogen of het model van een geïntegreerde rolneming op transport en distributie door een regionaal netbeheerder ook mogelijk gemaakt kan worden. Dit lijkt meer voor de hand te liggen als het netbeheer voor de combinatie van warmte, gas en elektriciteit (geïntegreerd energiesysteem) in de Leidse regio georganiseerd moet worden. De keuze voor samenwerking in de periode medio 2021 tot en met eind 2022 kan worden genomen zonder vooruit te lopen op de bestuurlijke en politieke keuzes over de lokale transitievisies warmte. Deze keuze kan worden gemaakt in aanvulling op de regionale structuur warmte (RSW) als onderdeel van de RES Holland Rijnland.

Deze keuze kan de komende tijd verder worden geconcretiseerd voor de Leidse regio, waarbij voor de gemeente Leiden de keuzes uit het Handelingsperspectief Energietransitie leidend zijn. Juridische toets: Een waarschijnlijke samenwerkingsvorm is de “regeling zonder meer” en komt neer op een publiekrechtelijke afspraak tussen de samenwerkende bestuursorganen van gemeenten, zonder dat daarvoor een specifieke rechtsvorm wordt gekozen. Anders dan bij de wettelijk geregelde vormen (bijvoorbeeld gemeenschappelijk orgaan of openbaar lichaam) is het bij de regeling zonder meer dan ook niet mogelijk om bevoegdheden toe te delen. Als uitgangspunten voor de samenwerking worden in ieder geval slagvaardigheid, deskundigheid, democratische legitimiteit, doelmatigheid en flexibiliteit gehanteerd. Een eventuele aanvulling en nadere uitwerking van deze uitgangspunten volgt voor 1 augustus 2021. Als voorlopige reikwijdte van de samenwerking wordt voorgesteld om deze minimaal te omschrijven als de gezamenlijke voorbereiding van besluitvorming en juridische en planologische procedures nodig voor de operationalisering van de vormgeving van de warmteketen in ontwerp, totstandkoming en beheer. Verder om in deze samenwerking ook specifiek te kijken naar de samenwerking met woningcorporaties en andere relevante partners.

De komende 1,5 jaar zullen worden benut om te verkennen welke organisatie- en rechtsvorm benodigd en passend is om de warmtetransitie in de Leidse regio vanaf 1 januari 2023 te organiseren. Hiermee krijgt de organisatie de tijd om los van mogelijke onzekerheden rondom de aanstaande gemeenteraadsverkiezingen voldoende vorm te krijgen. In deze verkenningstijd is het nodig ook te kijken hoe dit zich verhoudt tot de bestaande lokale organisaties en samenwerkingsverbanden en mogelijke vormgeving van een regionale uitvoeringsorganisatie voor de energietransitie in Holland Rijnland (uitvoering RES 1.0 en doorontwikkeling naar RES 4/11

2.0). Daarbij wordt expliciet gekeken ook naar samenwerking met de Duin- en Bollenstreek, onder andere als het gaat om geothermie. Voorgesteld wordt om de samenwerking vast te leggen in een samenwerkingsconvenant. Hierbij raadplegen we de raden en informeren wij hen periodiek over het proces van verkenning van de samenwerking, te starten met de raad voor 1 augustus 2021 via een raadsinformatiebrief te informeren over een voorlopige processchets. Voor het aangaan van de Regeling zonder meer door het college is o.g.v. art. 1 lid 2 Wet gemeenschappelijke regelingen toestemming van de gemeenteraad nodig. De toestemming kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang. Voor komende tijd betekent dit een borging van de stabiele programma-organisatie tot eind 2022. 4. Bestuurlijk commitment van eenmalig maximaal 2 miljoen euro (beslispunt 2) Samenvatting: Het bestuurlijk commitment vanuit de Leidse regio betreft voor de zes gemeenten gezamenlijk in financieel opzicht een eenmalig bedrag van maximaal 2 miljoen euro voor de periode tot eind 2022. Op hoofdlijnen is er een beeld waarvoor deze 2 miljoen benodigd is. Dit wordt voor 1 augustus 2021 uitgewerkt in een plan van aanpak kwartiermaken. Voor het al dan niet voortzetten van deze samenwerking vanaf 1 januari 2023 wordt tijdig een voorstel aan de raden voorgelegd.

Voorgesteld wordt om de verdeling van de totale bijdrage aan de programma-organisatie van maximaal 2 miljoen euro te baseren op het inwonertal van de gemeenten. Dit vertaalt zich in de volgende incidentele bijdrage voor de zes gemeenten: Leiden Katwijk Leiderdorp Voorschoten Oegstgeest Zoeterwoude

€ 903.408 € 474.838 € 195.386 € 184.843 € 179.383 € 62.141 € 2.000.000

Voor 1 augustus 2021 wordt een plan van aanpak in de colleges vastgesteld waarin duidelijk wordt hoe de maximaal 2 miljoen euro wordt ingezet, welke afspraken worden vormgegeven over de sturing op effectieve inzet van deze middelen en welke verdeling van het budget over 2021 en 2022 wordt voorgesteld. De inzet van de 2 miljoen euro wordt onder andere verwacht op de volgende onderdelen: Pakken van rolneming als regisseur van de energietransitie, conform afspraken in Klimaatakkoord. Een samenwerkingsorganisatie op de warmtetransitie vormgegeven. Een team van professionals vormen in combinatie met de inzet van collega’s binnen de zes gemeenten. Duurzame competentie- en kennisontwikkeling vraagt hierbij aandacht. Het ontwerpen en ontwikkelen van een open regionale energie-infrastructuur (warmte, gas, elektriciteit) en energyhubs. Samenwerking met netbeheerders zoals Alliander, TenneT, Gasunie en andere relevante partijen zoals EBN en InvestNL hierop. Het in beeld krijgen van de investeringsbehoefte en een meerjarig beeld bij de mogelijke realisatie hiervan en de eerste stappen daarin te zetten. Het ontwerp van een financieel instrumentarium dat past bij de rolneming en borging van sturing op publieke waarden in de warmtetransitie. Dit betreft de uitwerking van de intentie van een regionaal investeringsfonds (waarover verderop in dit document meer).

5/11

-

De totstandkoming van een voorlopig ontwerp, de ruimtelijke inpassing (PIP) en de voorbereiding op aanleg van WarmtelinQ+ en aansluiting op het bestaande warmtenet. Samenwerking met Gasunie/WarmtelinQ, PZH en Vattenfall hierop. Regionaal kunnen afspraken worden gemaakt over welke gebieden en wijken in welke periode mee te nemen in de warmtetransitie. De benutting van restwarmte via WarmtelinQ+, het doen van een marktverkenning gericht op het ontwerp van mogelijke warmtekavels en te ontwikkelen distributienetten en de samenwerking met woningcorporaties, VVE’s en andere partijen hierop. Het stimuleren van initiatieven uit de samenleving en regionale verbindingen leggen tussen energie-coöperaties en buurtwarmte-initiatieven, als gevolg van een open regionale energieinfrastructuur. Naar verwachting wordt uiterlijk in de decembercirculaire 2021 van het Rijk duidelijkheid verschaft over de keuze van het nieuwe kabinet als het gaat om de vergoeding van uitvoeringslasten Klimaatakkoord. De Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) heeft hierover in het voorjaar 2021 het adviesrapport ‘Van Parijs naar praktijk’ uitgebracht, gebaseerd op onderzoek artikel 2 Wet financiële verhoudingen. Het advies luidde om 1,6 miljard euro beschikbaar te stellen voor de gemeenten voor de periode 2022-2024, waarbij het om een bedrag van 350 miljoen euro per jaar gaat voor de transitie in de gebouwde omgeving.

Voorgesteld wordt dat als de gemeenten uitvoeringsgelden Klimaatakkoord beschikbaar gesteld krijgen, er met terugwerkende kracht een herijking van de verdeelsleutel plaatsvindt met ingang van dit besluit op basis van de verdeelsleutel en spelregels van de totstandkoming van deze uitvoeringsgelden. Rond de zomer 2022 zal een voorstel worden ontwikkeld over het al dan niet vanaf 1 januari 2023 voortzetten van de regionale samenwerking. Voor een voortgezette samenwerking vanaf 1 januari 2023 zijn geen middelen begroot. Verwacht wordt dat dan wel duidelijkheid is over de beschikbaarheid van aanvullende middelen vanuit de rijksoverheid voor de energietransitie (uitvoering taken Klimaatakkoord). 5. Bestuurlijke intentie om te komen tot een regionaal investeringsfonds (beslispunt 3) Samenvatting: De bestuurlijke intentie is uitgesproken om een regionaal investeringsfonds in te richten en een verkennend onderzoek te doen naar de praktische vormgeving en te verwachten impact hiervan op de sturing op publieke waarden in de warmtetransitie. We streven er naar de investeringsbehoefte in de energie-infrastructuur van de Leidse regio en een eerste beeld van mogelijke financiële bijdragen van partners in deze investeringen helder te hebben per eind 1e kwartaal 2022.

De regie op de totstandkoming van een bovenlokale of regionale energie-infrastructuur beschouwen wij als een opgave waarop netbeheerders, gemeenten, woningcorporaties, provincie en marktpartijen met elkaar samenwerken. Met het uitspreken van deze bestuurlijke intentie is uiteraard nog geen concrete verbintenis aangegaan om middelen ergens voor in te zetten. Er volgen daarom uit deze intentieverklaring nog geen verbintenissen voor de gemeenten naar derden, anders dan de intentie naar elkaar toe. Voorgesteld wordt om een verkennend onderzoek te doen naar de praktische invulling en de verwachte impact van een dergelijk investeringsfonds. De bedoeling is dat het resultaat van dit onderzoek tijdig op tafel ligt zodat het kan worden verwerkt in een ontwerp van een regionaal investeringsfonds dat begin 2022 gereed is. De opzet van een regionaal investeringsfonds betekent dat er nog veel afspraken gemaakt moeten worden, zoals gemeentelijke versus regionale inzet van een investeringsfonds, de verbinding tussen de financiële bijdrage en bestuurlijke invloed (governance) bij investeringen. Dit zal in de opzet voor een investeringsfonds worden meegenomen. Financiële toets: Met dit besluit wordt geen financiële toezegging gedaan.

6/11

Juridische toets: Uit deze intentieverklaring volgen nog geen verbintenissen voor de gemeenten naar derden, anders dan de intentie naar elkaar toe. Bij niet nakoming hiervan resulteert dit ook niet tot causaal daaraan verbonden schade die de partners kunnen ervaren en bij elkaar gaan claimen. 6. Bestuurlijke keuze voor benutting restwarmte (beslispunt 4) Samenvatting: Het voorstel om restwarmte te benutten in de warmtetransitie in de Leidse regio. Deze keuze is gebaseerd op vier argumenten: voldoende vraag, best beschikbare duurzame warmte als basis in de energiemix, maatschappelijke kosten-batenafweging en een rol als startmotor voor de totstandkoming van de vraagontwikkeling en aanleg van distributienetten. Dit sluit aan bij de argumentatie uit het Raadsbesluit handelingsperspectief energietransitie van de Gemeente Leiden. De keuze om restwarmte te benutten is gebaseerd op een aantal argumenten. Ten eerste betreft dit de constatering van de opgave om in de regio 125.000 woningen te verduurzamen. In de regio kunnen naar inschatting zo’n 50.000 woningen – in aanvulling op het bestaande Vattenfall warmtenet – worden voorzien van hoge of midden temperatuur duurzame warmte. Dit kan om restwarmte gaan en in de Leidse regio naar verwachting ook om geothermie. Deze inschatting wordt hieronder geduid in de verdeling per gemeente:

Ten tweede wordt restwarmte via WarmtelinQ+ met de kennis van nu gezien als een vorm van duurzame warmte die het best beschikbaar is als bron van collectieve warmtevoorziening. Restwarmte vormt voorlopig in de energiemix de basis en is complementair aan andere vormen van duurzame warmte op een midden of lagere temperatuur naarmate de behoefte aan hoge temperatuur warmte als gevolg van meer isolatie afneemt. Restwarmte is een vorm van duurzame warmte.

In onderstaande tabel uit onderzoek door GreenVIS in opdracht van het ministerie EZK2 is te zien hoe duurzaam restwarmte scoort in vergelijking tot andere warmtetechnieken. Duurzaamheid wordt hier gemeten aan de hand van de CO2-uitstoot per GJ. In de tabel is te zien dat restwarmte op termijn steeds duurzamer wordt. Dit heeft te maken met twee ontwikkelingen: 1. De sector industrie, waar de restwarmte vandaan komt, verduurzaamt zelf ook. De industrie heeft een eigen opgave met doelen om te verduurzamen waardoor restwarmte als bron 2 ‘Inventarisatie duurzaamheid warmtenetten. Normstelling CO2-emissie Wet collectieve

Warmtevoorziening’, pag. 21 7/11

duurzamer wordt. Dat neemt niet weg dat restwarmte nu ook al als duurzaam wordt gezien omdat de warmte anders de lucht of het water in zou gaan in de Rotterdamse haven. Nu wordt deze warmte opnieuw benut. 2. Het systeem wordt efficiënter doordat de Piek- en Back-up voorzieningen op termijn meer gebruik zullen maken van hernieuwbare energie en door technologische ontwikkeling. Geothermie Restwarmte Aquathermie Aardgas (cv-ketel)

in 2019 14,3 kg CO2/GJ 18,6 kg CO2/GJ 33,6 kg CO2/GJ 58,5 kg CO2/GJ

in 2030 8,6 kg CO2/GJ 9,5 kg CO2/GJ 11,7 kg CO2/GJ 58,5 kg CO2/GJ

In de tabel is goed af te lezen dat de duurzame warmteoplossingen steeds duurzamer worden omdat de techniek in ontwikkeling is. Dit geldt niet voor aardgas. Restwarmte is ook duurzame warmte omdat die warmte anders de lucht of het water in zou gaan in de Rotterdamse haven. Nu wordt deze warmte opnieuw benut. CO2 uitstoot restwarmte haven Rotterdam wordt toegerekend aan industrie, met eigen opgave en doelen om te verduurzamen. Ten derde is een keuze voor restwarmte ook een keuze vanuit maatschappelijke kostenbatenperspectief. Alliander geeft aan dat voor de verzwaring van het elektriciteitsnet bij 100% elektrificatie van warmtevraag in Leidse regio (excl. kosten eindgebruikers, isolatie e.d.) een bedrag van 190 miljoen euro moet worden geïnvesteerd. Dit bedrag moet worden vergeleken met de investering voor de realisatie van transport- en distributienetten en de kosten voor eindgebruikers (aanpassing op woningniveau bij collectieve warmtevoorziening). Ook het ruimtebeslag van uitbreiding van de elektriciteitsinfrastructuur en opwek duurzame elektriciteit in vergelijking met het ruimtebeslag van warmtenetten en installaties (bovengronds en ondergronds) weegt daarin mee. Tenslotte wordt vanuit de RES Holland Rijnland ook een keuze voor restwarmte gemaakt, omdat de beschikbaarheid van HT-bronnen in de regio niet voldoende is en er dus bovenregionale bronnen moeten worden ingezet.

Over een meer precieze duiding of objectivering van deze maatschappelijke kosten en baten beschikken wij momenteel niet. Wij zien dit als een verantwoordelijkheid van de rijksoverheid en de provincie om dergelijke afwegingen te maken. De Provincie heeft hier al een zogenaamde warmteladder voor opgesteld, die ook in RES-verband is overgenomen. Wij beschouwen op basis van dit argument het benutten van restwarmte en andere duurzame bronnen van warmte als een inspanning van provincie, gemeenten en Alliander als partners in RES-regio Holland Rijnland. Ten vierde kan restwarmte via WarmtelinQ+ als startmotor een belangrijke rol vervullen in het op gang brengen van de warmtetransitie door vraagontwikkeling en de noodzakelijke aanleg van distributienetten. Deze distributienetten zijn ook nodig voor de benutting van andere duurzame bronnen zoals geothermie en aquathermie. De verantwoordelijkheid voor de daadwerkelijke benutting van restwarmte ligt niet bij gemeenten, met uitzondering van aansluiting van eigen vastgoed. Noodzakelijk is dat de betaalbaarheid door het rijk gefaciliteerd zal worden. De mogelijkheid om SDE++ subsidie beschikbaar te krijgen voor de benutting van duurzame warmtebronnen in de Leidse regio wordt de komende tijd verkend in samenwerking met de nationale partners.

De betaalbaarheid zal in grote mate het tempo van de transitie bepalen en kan met de SDE++ subsidie verbeteren. 7. Bestuurlijk mandaat gevraagd voor formele afspraken met Gasunie (beslispunt 5) Samenvatting: het college vraagt mandaat aan de raad om formele afspraken te maken met Gasunie en eventuele andere partijen binnen de gestelde kaders. Met de formulering van beslispunt 5 wordt ruimte gemaakt om formele afspraken te maken met Gasunie en eventuele andere partijen.

8/11

Juridische toets: Door te kiezen voor de formulering ‘formele afspraken’ hoeft de uitwerking niet altijd tot een overeenkomst beperkt te blijven. Doordat Gasunie of andere partijen uit hoofde van dit voorstel geen economisch voordeel ontvangen van de gemeenten in de Leidse regio is vooralsnog geen sprake van een risico op staatssteun. Dat risico dient telkens te worden getoetst bij het aangaan van samenwerkingen en bij het maken van nadere afspraken op basis van het bestuurlijke mandaat. 8. Ontbindende voorwaarde bij ontbreken besluiten en uitvoering van partners in de warmtetransitie (beslispunt 6) Samenvatting: De Leidse regio trekt met de voorliggende beslispunten haar eigen plan om vanuit haar eigen rol en verantwoordelijkheid gezamenlijk en voortvarend de warmtetransitie op te pakken. Echter, de zes gemeenten in de Leidse regio maken het voorbehoud dat als andere partners hun deel van de collectieve verantwoordelijkheid in besluiten en uitvoering niet pakken, ook de uitvoering van besluiten door de zes gemeenten kan worden gestopt. De warmtetransitie is een collectieve verantwoordelijkheid van overheden, marktpartijen, maatschappelijke partners en de samenleving. Het is niet alleen een opgave van de gemeenten.

Gemeenten werken lokaal en regionaal samen met woningcorporaties, regionaal en landelijk met netbeheerders en investeerders en beleidsmatig, juridisch, ruimtelijk, financieel en communicatief met de provincie en de rijksoverheid en diverse publieke uitvoeringsorganisaties of (overheids)bedrijven met een publieke taak zoals Gasunie. Besluiten die in de colleges en raden betrekking hebben op de benutting van restwarmte via de WarmteLinQ+ specifiek maar ook besluiten die betrekking hebben op de warmtetransitie in de regio in het algemeen hebben dus alleen zeggingskracht en zullen alleen voortvarend kunnen worden opgepakt door gemeenten als ook de noodzakelijke besluiten door de andere partijen genomen worden. Anders gezegd, de zes gemeenten in de Leidse regio zullen als andere partners hun deel van de collectieve verantwoordelijkheid in besluiten en uitvoering niet pakken, ook zelf een voorbehoud maken in de uitvoering van hun verantwoordelijkheid. 9. Financiën: Regionale bestuurlijk commitment van eenmalig maximaal 2 miljoen euro, voor Leiden 9 ton De verdeling van de bijdrage (max 2 miljoen euro) wordt gebaseerd op het inwonertal van de gemeenten. Dit betekent voor de zes gemeenten de volgende incidentele bijdrage: Leiden Katwijk Leiderdorp Voorschoten Oegstgeest Zoeterwoude

€ 903.408 € 474.838 € 195.386 € 184.843 € 179.383 € 62.141 € 2.000.000

Dekking De gemeente Leiden heeft voor de energietransitie en specifiek de aardgasvrije stad, reeds middelen beschikbaar gesteld en gereserveerd vanuit de reserve Duurzame Stad. De dekking wordt vanuit deze middelen gerealiseerd. Dit vergt wel een wijziging in de planning van het Financieel Perspectief Duurzame Stad. Door de gereserveerde investeringsruimte energietransitie voor de komende drie jaar in te zetten (420.000 euro) en voor de periode 2022 tot 2030 de beschikbare middelen voor de programmalijn aardgasvrije stad van 500.000 euro te laten dalen tot 440.000 euro, is in 2021 € 900.000 beschikbaar voor het Leidse deel van het regionale bestuurlijk commitment. Bij de actualisatie van het Financieel Perspectief Duurzame Stad wordt deze wijziging verwerkt. Voor dit budget wordt een samenwerkingsorganisatie opgericht. In de zomer wordt een programmaplan verwacht waarin duidelijk wordt hoe de maximaal 2 miljoen wordt ingezet. Ook 9/11

de inzet van de huidige medewerkers op het dossier van de regionale energietransitie binnen Leiden zal hierin een rol moeten krijgen. Uitvoeringsorganisatie en -middelen vanaf 2023 In dit voorstel wordt geen besluit genomen over de regionale samenwerking vanaf 2023, hiernaar wordt slechts een verkenning voorgesteld. Hiervoor is nog geen begroting of dekking beschikbaar. Leiden heeft echter een programmalijn aardgasvrije stad, waarin enige ruimte zit om deze ontwikkelingen vanuit te realiseren. Mogelijk komen er vanuit het onderzoek uitvoeringskosten klimaatakkoord aanvullend middelen naar de gemeente die ingezet kunnen worden hier voor. De intentie van een regionaal investeringsfonds. In deze nota wordt geen toezegging gedaan betreffende een regionaal investeringsfonds, maar wordt een onderzoek hiernaar voorgesteld. De resultaten uit dit onderzoek worden vertaald in een ontwerp van het investeringsfonds om te toetsen bij de raden en colleges zodat dit kan worden meegewogen in de voorbereiding op besluitvorming over de begroting 2023 en verder. Leiden heeft middelen beschikbaar voor investeringen in de energietransitie. In de reserve Duurzame Stad zijn kapitaallasten gereserveerd voor investeringen in de energietransitie ter hoogte van 22 miljoen euro. 10.

Inspraak/participatie Het voorstel is tot stand gekomen na een zeer intensieve voorbereiding door de zes gemeenten gezamenlijk. De landelijke partijen die betrokken zijn bij de realisatie van de WLQ+ (waaronder Ministerie EZK, Provincie Zuid-Holland, gemeente Rotterdam en Gasunie) zijn op de hoogte van de inhoud van het voorstel. Er heeft geen participatie met de Leidse inwoners plaatsgevonden. Dit hebben we al gedaan bij kaderstellende beleidsnota’s (zoals warmtevisie en handelingsperspectief). Het besluit van de Raad zal gecommuniceerd worden in onderlinge afstemming met de andere gemeenten.

10/11

RAADSBESLUIT: De raad van de gemeente Leiden: Gezien het voorstel van burgemeester en wethouders (Raadsvoorstel 21.0026 van 2021), mede gezien het advies van de commissie, BESLUIT 1. De keuze te maken voor samenwerking tussen de zes gemeenten Leiden, Leiderdorp, Katwijk, Oegstgeest, Voorschoten en Zoeterwoude om haar zuivere rolneming en sturing op publieke waarden in de warmtetransitie in de Leidse regio effectiever te kunnen vormgeven; de keuze voor samenwerking voor 1 augustus 2021 vast te leggen in een samenwerkingsconvenant voor de periode tot eind 2022 en af te spreken een verkenning te doen voor samenwerking in de periode vanaf 1 januari 2023. 2.

De regionale organisatie warmtetransitie Leidse regio in oprichting een budget mee te geven van maximaal € 903.408,-, met dekking uit budget reserve duurzame stad, programma energietransitie, voor de periode tot eind 2022 om de organisatie vorm te geven en in effectieve samenwerking met Gasunie, Alliander, woningcorporaties en andere partners eerste stappen te zetten in de totstandkoming van een open regionaal transport- en distributienetwerk, waarbij er vanuit gegaan wordt dat het Rijk daadwerkelijk de in het advies van de Raad voor het Openbaar Bestuur voorgerekende uitvoeringslasten van het Klimaatakkoord beschikbaar stelt.

3. De intentie uit te spreken om voor de periode vanaf 1 januari 2023 een regionaal te vormen investeringsfonds op te bouwen en hier verkennend onderzoek naar te doen. De resultaten uit dit onderzoek, bij een positief resultaat, te vertalen in een voorstel voor een investeringsfonds voor 2023 en verder waar uiterlijk bij de voorjaarsnota/kaderbrief in het voorjaar van 2022 door de raden een besluit over kan worden genomen.. 4. Een keuze te maken voor het benutten van restwarmte via vormen van collectieve warmtevoorziening, waarbij de eerder genoemde publieke waarden (betaalbaarheid en haalbaarheid, duurzaamheid, betrouwbaarheid) worden geborgd, conform de uitgangspunten uit raadsbesluit Handelingsperspectief Energietransitie (RV 20.0032). 5. Binnen de kaders van dit raadsbesluit het college te mandateren om ter uitvoering van dit raadsbesluit formele afspraken te maken met Gasunie en/of andere partijen om de ingezette koers te kunnen vervolgen. De inhoud en scope van dergelijke afspraken kunnen slechts gebaseerd zijn op de in dit document verwoorde beslispunten en toelichting en past daarmee binnen het mandaat zoals dat wordt vastgesteld in de raden. 6.

De realisatie van de beslispunten 4 en 5 afhankelijk te maken van de (tijdige) besluitvorming en uitvoering door andere partijen als het gaat om de WarmtelinQ+ en de beschikbaarheid van restwarmte voor de Leidse regio, waarbij de Leidse regio haar verantwoordelijkheid pakt om partners in de energietransitie aan te moedigen hun deel in de collectieve verantwoordelijkheid voor de warmtetransitie te nemen. Gedaan in de openbare raadsvergadering van, de Griffier,

de Voorzitter,

dhr. G.F.C. Van Leiden

drs. H.J.J. Lenferink 11/11

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9975258/1