Inspraakreactie wijkvereniging Houtkwartier WarmtelinQ
Tekst van het document
Zienswijze 21.0189 Raadsvoorstel samenwerking warmtetransitie Leidse regio en restwarmte via WarmtelinQ+ Communicatie: Wim Scholten mobiel: 0651 137 163 Bankrekening NL29 INGB 0007612058 | www.houtkwartier.com | communicatie@houtkwartier.com | Twitter @Houtkwartier
__________________________________________________________________________ Aan:
Leden raadscie Stedelijke Ontwikkeling
Datum: 17 mei 2021 Betreft: Zienswijze 21.0189 Raadsvoorstel samenwerking warmtetransitie Leidse regio en restwarmte via WarmtelinQ+ Geachte leden van de raadscomissie Stedelijke Ontwikkeling Hierbij dient ondergetekende, namens de wijkvereniging Houtkwartier, zijn zienswijze in naar aanleiding van “21.0189 Raadsvoorstel samenwerking warmtetransitie Leidse regio en restwarmte via WarmtelinQ+”. Namens het bestuur van de wijkvereniging Houtkwartier vertegenwoordig ik het belang van de wijk Houtkwartier. Onze zienswijze: Voor de gemeente Leiden is het zaak lering te trekken uit de historie van het WBR. In het eindrapport van de Raadsenquête Warmtebedrijf Rotterdam zijn er grote vraagtekens geplaatst bij de kennis en competenties van de gemeente om grip te houden op een complex project als het WBR. Die zorg kan de gemeente Leiden zich ook aantrekken. Met de Leiding door het Midden zijn grote maatschappelijke en financiële belangen én risico’s gemoeid. De energietransitie steunt te sterk op gebruik van restwarmte en de aanpak daarvan is te risicovol Er bestaat een volstrekt incompleet beeld van de kosten van verschillende mogelijke oplossingen en de opbouw van deze kosten Een grootschalig warmtenet vraagt een grootschalig distributienet in de stad met hoge kosten, groot risico op kostenoverschrijdingen en vertragingen, langdurig afgesloten straten, graafwerkzaamheden etc.
Volg een meersporenbeleid voor de toekomstige energie infrastructuur. Het is noodzakelijk om de verschillende mogelijke oplossingen op een transparante manier tegen elkaar af te wegen. o Ontwikkel kleinschalige warmtenetten op het niveau van wooncomplexen, straten en buurten o Koester het bestaande gasnet totdat bewezen alternatieven beschikbaar komen en als reële optie voor een toekomstig waterstofnet (of andere klimaatneutrale, gasvormige energiedragers). Belangen van bewoners, eigenaren en huurders en de maatschappelijke acceptatie zijn onvoldoende geborgd (keuzevrijheid (wat en wanneer), duurzaamheid, betaalbaarheid, betrouwbaarheid) De energietransitie is een van de grootste projecten van na WOII en de rijksoverheid benadrukt keer op keer dat de participatie van de burgers essentieel is. Daarom dient in de 1
expliciet te worden gemaakt en onderbouwd hoe de participatie van bewoners, eigenaren en huurders wordt geborgd. Maak een pas op de plaats om een volledig beeld te krijgen van de toekomstige situatie met een bijbehorend transparant beeld van de kosten.
Ik verzoek u om met onze zienswijze rekening te houden bij de definitieve vaststelling van het “21.0189 Raadsvoorstel samenwerking warmtetransitie Leidse regio en restwarmte via WarmtelinQ+” Met vriendelijke groet,
Wim Scholten Voorzitter wijkvereniging Houtkwartier mob +31 651 137 163
2
Toelichting op onze zienswijze De aansluiting op restwarmte uit Rotterdam vraagt een enorme upfront investering met een groot lock-in risico. De upfront investering die nodig is voor het project moet over een termijn van circa 40 jaar worden terugverdiend. Daarover wordt al een besluit genomen op een moment dat er nog geen enkele zekerheid is over de beschikbaarheid, de technologie en de kosten van duurzame warmtebronnen in de toekomst, inclusief de kosten om woningen geschikt te maken, en over de toekomstige ontwikkeling van de vraag (qua kwantiteit, temperatuurniveaus en ruimtelijke distributie). Anders gezegd: de gemeente neemt een gigantische hypotheek op de toekomst en wentelt het risico daarvan af op haar burgers. In de situatie van gebruik van restwarmte vanuit Rotterdam is er niet alleen een grote warmwaterleiding nodig van Rotterdam naar Leiden en omgeving. Dan is er ook een grootschalig distributienet nodig in de stad. Op dit moment zijn in Leiden en omgeving een 12.000 adressen op een dergelijk distributienet aangesloten. Voor de toekomst wordt voorzien, dat in Leiden 36.000 adressen worden aangesloten. Dat is een grote uitbreiding. We hebben het dan over een grootschalige hoge temperatuur warmtenet. Alle nieuwe adressen moeten worden aangesloten. Dit vergt ook veranderingen binnenshuis. Dit brengt hoge kosten met zich mee. Het leidt tot grote overlast in de stad.
De ervaring is dat dergelijke projecten moeilijk te beheersen zijn. Er is vaak sprake van grote tijdsoverschrijdingen en grote overschrijdingen van de begrote kosten. Bovendien is het resultaat vaak minder dan afgesproken. Complexiteit In meerdere opzichten is de energietransitie een bijzonder complexe operatie. Veel verschillende soorten betrokken partijen: o Rijk, provincie, regio, gemeente, wijk o Infrabeheerders (gasnet, warmtenet, elektriciteitsnet) o Leveranciers (gas, elektriciteit, warmte (met verschillende temperaturen) en waterstof) o Bewoners, eigenaren en huurder Veel verschillende mogelijke oplossingen (autonoom of collectief) Nieuwe ontwikkelingen Bewoners, eigenaren en huurders De gemeente dient de belangen van de bewoners, eigenaren en huurders te borgen. Het gaat daarbij om de beschikbaarheid van duurzame energie, de betrouwbaarheid van de levering en betaalbaarheid. Verder is keuzevrijheid een belangrijk item. Het gaat dan om 3 verschillende keuzes n.l. 1) de keuze van de leverancier van warmte, 2) transparantie bij en een vrije keuze uit toekomstige mogelijke oplossingen en 3) de tijdlijn voor het maken van stappen naar de toekomstige oplossing De energietransitie is een van de grootste projecten van na WOII en de rijksoverheid benadrukt keer op keer dat de participatie van de burgers essentieel is.
Daarom dient in het voorstel expliciet te worden vermeld en onderbouwd hoe de participatie van bewoners, eigenaren en huurders wordt geborgd. Restwarmte, warmtenetten en warmtewet Het gebruik van restwarmte uit Rotterdam is de hoeksteen van de Leidse energietransitie. De gemeente Leiden heeft zich daartoe gecommitteerd aan de zogenoemde Leiding door het Midden van WarmtelinQ+, die beheerd zal worden door Gasunie. Geconstateerd wordt dat de Gasunie nog geen enkele ervaring heeft met warmtetransport en –distributie. 3
We stellen vast dat de huidige bronnen van restwarmte in Rotterdam verre van duurzaam zijn en dat de duurzame beschikbaarheid van die restwarmte niet is gegarandeerd. Daarom is het zaak nieuwe, duurzame warmtebronnen te ontsluiten. In de Omgevingsvisie Leiden 2040 versie 1.1 wordt, vooruitlopend op de nieuwe warmtewet, alvast gemeld: “Het bestaande stadswarmtenet wordt verder uitgebreid en verduurzaamd. Doordat het stadswarmtenet open wordt gesteld voor meerdere bronnen, vormt het de ruggengraat van het duurzame energienetwerk.” Hoe meer bronnen en hoe diverser die bronnen, hoe beter voor de leverbetrouwbaarheid en voorzieningszekerheid. Dat is de theorie. In de praktijk ligt dat voor een warmtenet echter niet zo eenvoudig als voor een elektriciteits- of een gasnet. Bij warmtebronnen hebben we te maken met verschillende temperatuurniveaus en met veel hogere kosten voor het aankoppelen van nieuwe bronnen dan bij gas of elektriciteit. In vergelijking met een gasnet is de aanleg van een warmtenet per lengte-eenheid ten minste een factor 2 à 3 duurder en is een warmtenet niet flexibel. De warmtekavels die de gemeente wil aanwijzen zijn veel te groot en doen geen recht aan de heterogeniteit van de gebouwde omgeving in de meeste wijken.
De grootschalige top-down benadering van de Zuid-Hollandse warmterotonde, die door de provinciale en gemeentelijke bestuurders wordt omarmd, is een recept voor grootschalige verspilling, De warmteverliezen van een grootschalig hogetemperatuurwarmtenet zijn enorm (conservatieve schattingen gaan uit van 25 à 30%), wat noodzaakt tot bijplaatsen van (gasgestookte) boosters om de temperatuur onderweg op te vijzelen, en ook de energiebehoefte voor het verpompen van heet water over lange afstanden mag niet onderschat worden. Gezien het gebrek aan flexibiliteit van grootschalige warmtenetten, is het veel verstandiger warmtenetten kleinschalig te ontwikkelen, op het niveau van wooncomplexen, straten en buurten. Lagetemperatuurwarmtebronnen worden bij voorkeur lokaal benut met een lokaal warmtenet dat is ontworpen op de karakteristieken van de gebouwenvoorraad van de specifieke warmtekavel. Het besluit over die upfront investering wordt genomen op een moment dat het nog totaal onduidelijk is welke duurzame warmtebronnen op termijn de huidige niet-duurzame bronnen gaan vervangen en hoe de warmtevraag zich ontwikkelt. De gemeente doet er verstandiger aan eerst kleinschalige projecten te faciliteren en zo ervaring op te doen met verschillende warmtebronnen en verschillende typen distributienetten.
Op termijn kunnen die kleinschalige netten naar elkaar toegroeien en verbonden worden om meer leveringszekerheid te bieden voor alle gebruikers. “Het bedrag dat een gemiddeld Nederlands huishouden kwijt is aan stadswarmte voor verwarming en douchen is Euro 1141 per jaar. Dat is exclusief het huren van de afleverset, zoals de installatie bij stadswarmte heet. Volgens voorlichtingsorganisatie Milieu Centraal betalen Nederlanders, die stoken op aardgas, zo’n Euro 980 per jaar, waarbij het onderhoud van de cv-ketel niet wordt meegerekend”. (TNO onderzoek; FD 30 april). In Nederland zijn de huidige klanten van warmtenetten in elk geval veel duurder uit dan in andere landen. Voor dezelfde hoeveelheid warmte betalen Nederlandse warmtegebruikers 15% tot 55% meer dan in Duitsland en de Scandinavische landen. De tarieven in die andere landen zijn gebaseerd op de kostprijs: ze zijn transparant en er zijn benchmarks. Het niet-meer-dan-anders (NMDA) principe dat in Nederland wordt gehanteerd, met aardgas als referentie, is geen transparante basis voor de tarieven die warmteafnemers moeten betalen en de gasprijs is uiteraard geen houdbare referentie voor de warmtetarieven. Wat we ook kunnen leren van het buitenland is dat de tarieven in gebieden waar geen aansluitplicht geldt, lager zijn dan in gebieden waar aansluiting verplicht is.
Hoe ontevreden de Nederlandse klanten van warmtenetten ook zijn, zij kunnen geen kant op: zij zijn met huid en haar overgeleverd aan de lokale/regionale warmtemonopolies, die volgens de nieuwe warmtewet op een concessietermijn van 30 jaar mogen rekenen. In het Nederlandse systeem 4
ontbreekt het volkomen aan prikkels voor de warmtemonopolist om zijn kosteneffectiviteit te verbeteren. Het is de vraag welke rol de gemeente kan spelen in het beschermen van haar burgers als captive users van lokale/regionale warmtemonopolies. Gezien haar commitment aan WarmtelinQ+ besteedt de gemeente Leiden die verantwoordelijkheid maar al te graag uit aan een partij als Gasunie, die nog geen enkele ervaring heeft met warmtetransport. Binnen WarmtelinQ+ heeft de gemeente in elk geval geen regierol. Maar ook voor lokale warmtenetten geldt: heeft de gemeente wel voldoende kennis om de plannen van verschillende aanbieders te beoordelen en om, in een situatie van informatie-asymmetrie, effectief toezicht te houden op de concessiehouder? Wat gebeurt er als de concessiehouder failliet gaat? Hoe wordt de dienstverlening dan geborgd? Hoe worden andere publieke waarden geborgd? Behoud het aardgasnet totdat haalbare alternatieven beschikbaar zijn en als reële optie voor een toekomstig waterstofnet Pas op de plaats maken De gemeente zou er verstandig aan doen voorlopig een pas op de plaats te maken en af te wachten hoe de warmtemarkt zich ontwikkelt.
5