CConstaterende datLeiden
Koppel je AI →
Document · PDF

HVOL inspreken RC SO 071221Hoogbouwkwaliteit RV 21-0132

raadscommissie Stedelijke Ontwikkeling 7 december 2021, gemeente LeidenBij agendapunt: Inspreekreacties877 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Inspreken Historische Vereniging Oud Leiden Raadscommissie Stedelijke Ontwikkeling 7/12/2021

RV 21-0132

Hoogbouwkwaliteit / Leidse Hoogte

1. Raadsvoorstel: wat wordt onder 1h bedoeld met zorgvuldige inpassing van hoogbouw in historisch en beschermd stadsgezicht? Wat is onder 4a bedoeld? Vanaf 50 m? De tekst onder 4b loopt niet. 2. Zoals wij eerder opmerkten in onze zienswijzen op de Omgevingsvisie en LEAD komt nieuw beleid te laat voor de belangrijkste hoogbouwgebieden. LEAD was al een gelopen opeenstapeling van afwijking van beleid, voor de Schipholweg en het Stationsgebied zijn al gebiedsvisies vastgesteld. De maximale bouwhoogten tot (incidenteel) 90 m voor de laatste twee gebieden liggen vast en zijn basis voor uitwerking in het Omgevingsplan. In die fase kan alleen nog een kleine verandering in de plaatsing van gebouwen worden opgenomen. Tot onze verbazing is de in het raadsvoorstel Stationsgebied (RV 21-0038) vastgelegde optie om op de Trafolocatie tot maximaal 90 m te kunnen bouwen in de nota plotseling opgehoogd tot 100 m. Van de mogelijke ophoging tot 90 m zo dicht bij de binnenstad waren wij al geen voorstander, laat staan van een mogelijke ophoging tot 100 m. Ook bij de incidentele ophogingen tot 90 m aan de Schipholweg (uitdrukkelijk buiten het gebied van de molenbiotopen) vrezen wij voor de invloed daarvan op de beleving vanuit de binnenstad en het visuele lot van Molen De Valk. 3.

De verstedelijkingsopgave en het verdichten en hoogbouwen leidt er toe dat de beleving vanuit de historische zichtlijnen onder druk komt te staan. De keuze valt daarbij, net als in de Omgevingsvisie, bij voorbaat uit in het voordeel van bouwen. De nota zegt het op pg. 12 klip en klaar: belangrijke zichtlijnen vanuit de historische binnenstad lopen dood op het Stationsgebied. De inspanningen zullen er dan op moeten worden gericht de hoogbouweffecten zoveel mogelijk te beperken. Daar kan het beschermd stadgezicht het dan mee doen. 4. Dan de molenbiotopen. Leiden houdt rekening met haar historische molens. Was het maar waar. Opgemerkt wordt dat molenbiotopen oorspronkelijk zijn bedoeld om voldoende windvang te kunnen garanderen. Nu is dat kennelijk minder van belang, want met de provincie (nb de vrijstellende autoriteit) is kennelijk een akkoord gesloten dat het nog altijd minder mag. De regels niet te strikt hanteren a.u.b. Maar windvang is en blijft ook noodzakelijk voor het behoud van het gaande molenwerk. Uit onderzoek is al gebleken dat De Valk en de (niet historische) De Put al zeer slecht scoren als het gaat om windvang. 5. Dan speelt bij de molens nog dat zij beginnen weg te vallen tegen een op de achtergrond oprijzend hoogbouwfront. Met De Valk als prominent visueel slachtoffer. Oplossing volgens de nota : het contrast niet wegmoffelen maar zorgvuldig vorm geven.

Hoe dan, als de ramp zich al heeft voltrokken? 6. Het silhouet e.d. In hoogte en beëindiging van gebouwen moet variatie zijn. Terecht stelt de nota dat wanneer je een plafond van 70 m voorschrijft elke bouwer die 70 m wil benutten. Maar als je dat niet wilt, dan moet je de variatie regelen in hoogtebepalingen, dan ligt de gewenste variatie van te voren duidelijk vast. Wat moeten we bij de beëindigingen overigens met opmerkingen als dat een gebouw zich wel mag profileren, maar het historisch

stadsgezicht niet mag overschreeuwen? Vaagheid troef en beschermd stadsgezicht op plaats twee. 7. Idem bij slankheid torens e.v.: vanuit het beschermd stadgezicht / binnenstad mag je niet de ervaring ondergaan tegen een muur aan te kijken. Uiteraard zal bij een handige plaatsing van slanke(re) gebouwen zo een effect verminderd kunnen worden. Maar het gevaar blijft altijd op de loer liggen. Hoe toets je dat? (zie ook onder 8). Op pg. 10 een schets bij het “verjongen” van hoge torens. De normen sluiten lomp uitvallende torens niet uit. Hier past maatwerk. 8. Windhinder. In de openbare ruimte vooral een onderwerp bij langdurig zitten, slemteren en doorlopen? Vergeet vooral (Leiden = Fietsstad) de fietser niet, dan wel alle gebruikers van fietspaden. Komen die uit balans dan is de kans op ongelukken groot. De combinatie Level – LUMC-Walenkamptunnel is berucht. 9. De visualisaties. Bij LEAD was het oncontroleerbaar knip- en plakwerk. Bij het Stationsgebied zag het er een stuk aannemelijker uit. Vandaar onze pleidooien bij de zienswijzen LEAD , Stationsgebied en Omgevingsvisie, om bij een kennelijk gebrek aan een vaste norm voor zichtlijnonderzoeken te streven naar een uniforme, controleerbare en waarheidsgetrouwe methode voor de visualisaties. Ook voor de stadsdelen buiten de singels die te maken gaan krijgen met visuele hoogbouweffecten.

De nota erkent dat de hoogbouweffecten in beeld moeten worden gebracht. Maar ook hier: hoe? Helaas vinden wij daarover in de nota niets terug. 10. De Hoogbouwadviescommissie. Beoogd onderdeel van de WML. Waarom geen gemengd ambtelijk/deskundigen/leken comité? Met een methodiek als hiervoor bedoeld een betere oplossing waarbij ook participatie van buurt en HVOL aan de orde kan komen. Laat de WML zich tot haar kerntaak beperken, al moeilijk genoeg. 11. Last but not least: “ook voor initiatieven die niet in de historische zichtlijnen liggen maar wel zichtbaar zijn vanuit het beschermd stadsgezicht, zal het effect in beeld moeten worden gebracht”. Dit is de kern: het gaat om de intentie. En De Methodiek. Een pluspunt!

Namens Het Bestuur van de Historische Vereniging Oud Leiden,

Bob Vink (coördinator HVOL Cie Historisch Karakter van de Stad).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10887354/1