CConstaterende datLeiden
Koppel je AI →
Document · PDF

Breedveld e.a. - Bedrijventerrein Rooseveltstraat 2017.32170 inspraakreactie Omgevingsvisie versie 1.1 FG 14 mei 2021

raadscommissie Stedelijke Ontwikkeling 31 augustus 2021, gemeente LeidenBij agendapunt: Inspraakreacties3.648 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Digitaal Gemeente Leiden College van burgemeester en wethouders De Gemeenteraad Postbus 9100 2300 PC LEIDEN

Behandeld door Telefoon Mobiel E-mail Onze referentie Uw referentie Plaats / Datum

Dhr. mr. F.P. van Galen, Advocaat, partner +31 71 535 80 50 +31 6 10 41 12 45 vangalen@tk.nl Breedveld e.a./Bedrijventerrein Rooseveltstraat, 2017.32170, FG 4135-7250-6669 Z/20/3247588 Leiden , 14 mei 2021

INSPRAAKREACTIE OMGEVINGSVISIE 2040 VERSIE 1.1

Geacht college, Geachte leden van de Raad, Tot mij wendden zich 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Breedveste B.V., gevestigd te Leiden, 2. de heer R.H. Breedveld sr., alsmede de heer R.H. Breedveld jr., beiden wonende te Leiden, en 3. de (rechts)personen genoemd op de bijlage bij deze inspraakreactie, hierna te noemen “de Ondernemers”, allen eigenaren/huurders van percelen op het bedrijventerrein Rooseveltstraat en Trekvliet respectievelijk ondernemers gevestigd op dat bedrijventerrein, met het verzoek om namens hen een inspraakreactie in te dienen op het concept Omgevingsvisie 2040 versie 1.1, zoals deze tot en met 14 mei 2021 voor inspraak ter inzage is gelegd. Opmerkingen vooraf De ondernemers stellen voorop dat zij menen dat zij niet worden vertegenwoordigd door het bestuur van de ondernemersvereniging Roosevelstraat/Trekvliet. De bestuursleden van de ondernemersvereniging zijn eigenaren van gronden in de transformatiegebieden en hebben dan ook een eigen belang bij transformatie. De ondernemers benadrukken ten tweede dat veel ondernemers huurders zijn. huurcontracten voor dergelijke bedrijfsruimten kunnen eenvoudig worden opgezegd zonder dat de verhuurder tot enige schadevergoeding gehouden is. Transformatie naar

Vondellaan 51 Postbus 201 2300 AE, Leiden

T +31 71 535 80 00 F +31 71 535 80 01 I www.tk.nl

KvK

woningen is voor de eigenaren lucratief. De hurende ondernemers dreigen daarmee van een dergelijke transformatie de dupe te worden. De ondernemers benadrukken ten derde dat als eenmaal transformatie naar woningbouw heeft plaatsgevonden, deze ruimte voor bedrijven onherroepelijk verloren zal zijn gegaan. Woningbouw brengt nu eenmaal meer op dan bedrijventerrein. Juist om die reden zijn de bedrijventerreinen beschermd in de provinciale ruimtelijke regels. Integraal Bedrijventerrein Rooseveltstraat en Trekvliet Ten onrechte wordt in de concept Omgevingsvisie 2040 1.1., onder ander op pagina 47, net als eerder in de Bedrijventerreinenstrategie is gebeurd, het bedrijventerrein Rooseveltstraat en Trekvliet opgeknipt in verschillende delen, te weten 1) Rooseveltstraat West; 2) Rooseveltstraat Trekvliet en 3) Rooseveltstraat. Daarmee wordt ten onrechte de indruk gewekt dat de beoogde transformaties geen betrekking hebben op bestaande bedrijventerreinen waar zwaardere milieu categorieën zijn toegestaan. De ondernemers wijzen er opnieuw op dat Rooseveltstraat West en Rooseveltstraat Trekvliet gewoon onderdeel zijn van het bedrijventerrein Rooseveltstraat en Trekvliet. Het betreft één aansluitend bedrijventerrein. Er is één ondernemersvereniging. Op het grootste gedeelte van het bedrijventerrein zijn categorie 3.2 bedrijven toegestaan.

Dat aan de randen van het bedrijventerrein, zoals in het gedeelte aan de westzijde van de Rooseveltstraat en het gedeelte aan de overzijde van de Trekvliet, lichtere categorieën bedrijven zijn toegestaan spreekt voor zich. Dat is het resultaat van een zorgvuldige milieuzonering bij het ontwerp van het bedrijventerrein. Die bufferzones zijn nodig om het bedrijventerrein als geheel blijvend te laten functioneren. Indien in die randen van het bedrijventerrein woningen worden toegestaan, heeft dat direct ook effect op het ondernemersklimaat en de milieuruimte in de kern van het bedrijventerrein. Ambitie sluit niet aan bij beleidsuitspraken In de Omgevingsvisie wordt als ambitie geformuleerd (vgl. pagina 22): “In 2040 heeft Leiden een goed ondernemersklimaat, met bedrijvigheid die werk biedt op alle niveaus. De werkgelegenheid in de Leidse regio van 2040 past bij de diverse samenstelling van de beroepsbevolking.” De ondernemers juichen deze ambitie uiteraard toe. De bedrijventerreinen zijn goed voor tenminste 42.500 directe banen en 10.000 indirecte banen in de regio. Het gaat om lager, middelbaar en hoger opgeleiden, bijvoorbeeld in de maakindustrie of in de life sciences-sector. Voor deze mensen moet voldoende werkgelegenheid behouden blijven. De ondernemers constateren echter dat deze ambitie met de concept Omgevingsvisie 2040 niet waargemaakt wordt.

Uit de bedrijventerreinenstrategie en de rapporten van Stec Groep die daaraan ten grondslag liggen, blijkt dat grote behoefte bestaat aan bedrijventerreinen (47,2 tot 63,5 ha) en dat juist behoefte bestaat aan matig gedifferentieerde bedrijventerreinen (lees zwaardere industrie die zeker niet gemengd kan worden), te weten 26,7 – 33,7 ha (vgl. Figuur B1.3 Bedrijventerreinenstrategie). Desondanks is op pagina 49 van de concept Omgevingsvisie 2040 1.1 als beleidskeuze geformuleerd: “In de stad streven we naar menging van functies, tenzij dat niet wenselijk of niet mogelijk is. De bedrijventerreinen Rooseveltstraat Trekvliet, Rooseveltstraat West, 2

Werninkterrein, Veilingterrein en Lammenschans zijn aangewezen om in de periode tot 2030 te transformeren tot gemengde stedelijke woon-/werkgebieden, waar naast ruimte voor werken ook ruimte is voor wonen, bijbehorende voorzieningen en vergroening. Deze bedrijventerreinen liggen nabij de binnenstad en kunnen daardoor een bijdrage leveren aan de grote behoefte aan stedelijke woon- en werkmilieus. Voor de woningbouwopgave tot 2030 hebben we met de daarvoor aangewezen potentiegebieden en de voor woningbouw (of gemengd woon-werken) aangewezen gebieden voldoende locaties om de woningbouwopgave tot 2030 te realiseren. Voor de overige bedrijventerreinen houden we vast aan het profiel zoals vastgelegd in de Ruimtelijke strategie bedrijventerreinen. Bedrijven hebben investeringszekerheid nodig om te groeien.” De ondernemers hebben ernstige bezwaren tegen de beoogde transformatie van de genoemde bedrijventerreinen. De ruimte voor bedrijven zal afnemen. Het zal moeilijker zo niet onmogelijk zijn voor bedrijven om zich te vestigen en uit te breiden. De ondernemers roepen het college en de raad op om af te zien van de bedoelde transformatie van bedrijventerreinen. Beleidsuitspraak ‘transformatie bedrijventerreinen’ De betreffende beleidskeuze is vertaald naar één van de in het OmgevingsEffectRapport (OER) onderzochte beleidsuitspraken. Als (uiteindelijke) beleidsuitspraak 1 (vgl.

tabel 9 bij OER) is daarin opgenomen: “Transformatie van bedrijventerreinen naar gemengde woon-werkgebieden met meer groen in openbare ruimte. Betreft tot 2030: Rooseveltstraat Trekvliet, Rooseveltstraat West, Werninkterrein, Veilingterrein, Lammenschans. Omvang bedrijven neemt daar af, er komen woningen bij. Woningen erbij (plm. 3.000) valt binnen de autonoom voorziene 8.900. Beoordeeld is de transformatie bedrijventerreinen naar gemengde woon-werkgebieden.” De ondernemers hebben ernstige bedenkingen bij de formulering van deze beleidsuitspraak, de wijze waarop de beleidsuitspraak is onderzocht en wat vervolgens met de conclusies van het OER is gedaan. Formulering beleidsuitspraak ten onrechte gewijzigd In figuur 1 op pagina 5 van de Notitie beoordeling voorkeursalternatief werden bij deze beleidsuitspraak slechts aanzienlijke risico’s vermeld en geen kansen.

Op pagina 6 van deze notitie staat letterlijk: “Bij [sic] transformatie bedrijventerreinen woon-werk is de enige uitspraak waar geen kansen op positieve effecten zijn geconstateerd.” Ten aanzien van de risico’s werd door Royal HaskoningDHV eveneens op pagina 6 van deze notitie opgemerkt: “Voor zowel de beleidsuitspraak die betrekking heeft op transformatie van bedrijventerreinen naar woon-werkgebieden als het mengen van woonmilieus geldt dat er risico’s zijn op afname van veiligheid, zowel sociale veiligheid doordat bedrijven gedurende de avond en nacht vaak leegstaan als verkeersveiligheid door toename zwaarder verkeer ten behoeve van transport van en naar bedrijven. 3

Aanwezigheid van transportbewegingen kan daarnaast leiden tot gezondheidseffecten als gevolg van lokaal slechtere luchtkwaliteit en geluidhinder door transport dan wel bedrijvigheid. Onderling verschillen deze twee beleidsuitspraken op het gebied van kwaliteit en kwantiteit werklocatie en werkgelegenheid. Waar er bij de transformatie van bedrijventerreinen met name een risico is op afname van oppervlakte voor bedrijvigheid en daarmee een risico vormt voor werkgelegenheid wordt er bij het mengen van woonmilieus met name ruimte gecreëerd voor bedrijvigheid en een kans voor werkgelegenheid.” Opvallend is dat de formulering van de betreffende beleidsuitspraak vervolgens is gewijzigd (vgl. tabel in document A6) en de woorden “met meer groen in openbare ruimte” zijn toegevoegd. Kennelijk was deze herformulering nodig om nog enig “positief effect” te vinden. De ondernemers menen dat daarmee dat daarmee de effecten positiever worden voorgesteld dan zij in werkelijkheid zijn en een onjuist beeld wordt geschetst. In document A7 is een tabel opgenomen met de beweerdelijke voor- en nadelen van de uiteindelijke beleidsuitspraken van het voorkeursalternatief. De ondernemers constateren dat ten aanzien van beleidsuitspraak transformatie van bedrijventerreinen vier beweerdelijke positieve effecten worden gevonden.

Alle vier deze effecten zien op de betreffende groenbeleving op de bedrijventerreinen, die na de herformulering beweerdelijk verbetert met de transformatie. De ondernemers menen echter dat de verbetering van de groenbeleving niet als een positief effect van deze beleidsuitspraak kan worden meegenomen. Als er niemand woont op deze bedrijventerreinen, dan hoeft er van groenbeleving ook geen sprake te zijn. Anders dan door het college mogelijk wordt gedacht hebben bedrijfshallen om praktische redenen over het algemeen geen ramen. Er valt dan ook weinig van het groen te beleven. Bovendien bevatten de bedrijventerreinen nauwelijks openbare ruimte. De hoofdwegen zijn de enige openbare ruimte die er is en die zijn over het algemeen al zo groen mogelijk ingericht. Er hoeft ook niet meer openbare ruimte te zijn op de bedrijventerreinen. Daar wordt immers gewerkt en niet gerecreëerd. Daarnaast zou het onderzoek zich moeten richten op negatieve effecten en kansen van de transformatie van bedrijventerreinen naar wonen en niet op het effect van het toevoegen van groen. De verbetering van het groen-blauwe netwerk is voorzien in beleidsuitspraken 8, 9, 12 en 16 en daar onderzocht.

Beleidsuitspraak wordt gehandhaafd ondanks negatief advies in OmgevingsEffectRapport De ondernemers constateren dat het college in de concept Omgevingsvisie2040 1.1 tegen beter weten in vasthoudt aan de transformatieambitie. Op pagina v en pagina 42 van het OER is opgemerkt: “Voor de beleidsuitspraak ‘transformatie bedrijventerreinen naar woon-werk gebieden’ zijn zowel kansen als risico’s geconstateerd, waarbij er meer risico’s dan kansen voorzien zijn (vgl. pagina 42 OER).” De ondernemers constateerden hiervoor al dat deze conclusie zeer geflatteerd is en een onjuist beeld geeft van de werkelijke effecten en kansen. De gevonden positieve effecten zijn positieve effecten van andere beleidsuitspraken, die zien op het groenblauwe netwerk. De transformatie zelf heeft louter risico’s en negatieve effecten. Die negatieve effecten zijn naar de mening de ondernemers bovendien in tabel A7 4

Effectbeoordeling onjuist weergegeven. Zonder uitputten te willen zijn reageren de ondernemers op enkele aspecten van de beoordeling. Gezonde leefomgeving Zo valt op dat de effecten op de gezonde leefomgeving als neutraal beoordeeld worden. Dat bevreemdt. Wonen op een bedrijventerrein kan bezwaarlijk als een gezonde leefomgeving worden aangemerkt. De directe nabijheid van bedrijven, zeker in de hogere milieu categorieën, leidt nu eenmaal tot overlast en gezondheidsrisico’s. Externe veiligheid Even opvallend is dat bij de effecten op de externe veiligheid is vermeld “n.v.t.”. Juist op het gebied van externe veiligheid, als onderdeel van milieuzonering, zullen negatieve risico’s te verwachten zijn. Verkeersveiligheid De effecten op de verkeersveiligheid worden licht negatief beoordeeld. Naar de mening van de ondernemers worden de toename van de verkeersonveiligheid daarmee ernstig onderschat. Als er 3.000 woningen worden toegevoegd op en/of direct naast een bedrijventerrein met zwaardere milieucategorie bedrijven, dan zal dat ernstige en zeer onwenselijke gevolgen hebben voor de verkeersveiligheid. Kwaliteit en kwantiteit werklocaties De ondernemers menen dat ten onrechte de negatieve effecten op de kwaliteit en de kwantiteit van de werklocaties als licht negatief beoordeeld is.

Hiervoor werd al onderbouwd dat met name behoefte bestaat aan matig gedifferentieerde bedrijventerreinen. Uit niets blijkt dat behoefte bestaat aan extra gemengde woonwerkgebieden. Deze keuze wordt enkel ingegeven door de behoefte aan woningen. Bovendien is in feite het hele stadscentrum en het stationsgebied al zo’n gemengd woon-werkgebied. De negatieve effecten van een transformatie op het bedrijventerrein als werklocatie zijn evident. Stec-groep concludeerde in het rapport van 26 januari 2018, met betrekking tot de transformatie van bedrijventerrein Rooseveltstraat (vgl. pagina 17 van het rapport): "Het gaat soms ook om de ontwikkeling van woningen in de nabijheid of een ontwikkeling naar een gemengd programma op de locatie met lichtere bedrijfsfuncties. Voorbeelden zijn De Hallen en Rooseveltstraat in Leiden. Hierdoor is wel sprake van een wijziging van het bedrijfsprofiel van de terreinen. Bovendien worden de vestigings- en uitbreidingsmogelijkheden voor (hinder)gevende) bedrijven op deze locaties beperkt als woningen en andere hindergevoelige objecten in de nabijheid worden ontwikkeld. Planologisch kan er dan wel milieuruimte zijn, maar het bedrijf kan deze in de praktijk niet meer benutten bij een eventuele uitbreiding in omvang of bedrijfsactiviteiten.

Daarmee wordt het potentieel van de bedrijventerreinen uitgehold en zullen bedrijven eerder geneigd zijn te desinvesteren op de locatie, wat mogelijk ten koste gaat van arbeidsplaatsen aldaar."

5

Mobiliteitseffecten De ondernemers constateren dat in de uiteindelijke effecten van beleidsuitspraak transformatie van bedrijventerreinen op de autobereikbaarheid als neutraal wordt beoordeeld. Dat bevreemdt. Immers, in de bedrijventerreinenstrategie (Vgl. pagina 8) werd nog geconcludeerd: “Tot slot zijn bedrijventerreinen van belang voor de regionale mobiliteitsopgave. De congestie in onze regio tijdens de spitsuren wordt voor een belangrijk deel veroorzaakt door woon-werkverkeer. Door dat autoverkeer te verminderen, dragen we eraan bij dat onze regio beter bereikbaar wordt.” In Leiden wonen vanwege hogere verstedelijkingsgraad ten opzichte van de randgemeenten relatief veel mensen. Een substantieel deel van die mensen werkt op de bedrijventerreinen. Leiden heeft al weinig bedrijventerreinen, maar door transformatie zullen dat er nog minder worden. Die banen zullen – zo is kennelijk de gedachte – moeten verhuizen naar bedrijventerreinen elders in de regio. Dat levert een negatief effect op de autobereikbaarheid op. Al met al zijn de nadelige effecten en de risico’s aanzienlijk groter dan de beweerdelijke kansen van deze beleidsuitspraak. Een deugdelijke onderbouwing voor het handhaven van deze beleidsuitspraak ontbreekt.

Onderzoek naar en visie op ruimtelijke effecten beleidsuitspraak op locatieniveau ontbreekt Hoewel de beleidsuitspraak transformatie van bedrijventerreinen uitdrukkelijk betrekking heeft op enkele met name genoemde bedrijventerreinen, ontbreekt een daadwerkelijke locatie-specifieke beoordeling van de ruimtelijke effecten en de mogelijkheden van een zodanige transformatie. Op deze wijze wordt ten onrechte de indruk gewekt dat de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de bedoelde transformaties al beoordeeld is. De raad dreigt op die manier in een fuik te lopen. De ondernemers wijzen op het feit dat in de bestaande situatie van de Rooseveltstraat sprake is van een aaneengesloten bedrijventerrein, waar ook het gebied aan de westzijde van de Rooseveltstraat deel van uitmaakt. Nota bene is in de toelichting op het vigerende bestemmingsplan “Zuidwest” met zoveel woorden opgemerkt: “Voor de bestaande situatie is te zien dat de zware categorie bedrijven zo ver mogelijk van de milieugevoelige functies zijn gesitueerd. Verder naar de buitenkant van het industrieterrein (en daarmee dichter naar de gevoelige functies) worden stapsgewijs telkens minder zware milieucategorieën toegestaan.” Met andere woorden, hier is bewust een bufferzone – met bedrijven uit categorie 2 en een enkel bedrijf uit categorie 3.2, zoals de naast de onderhavige locatie gelegen yoghurtfabriek – gepland, zonder wonen.

Voor categorie 3.1 bedrijven geldt een richtafstand van 50 meter. Voor categorie 3.2 bedrijven geldt een richtafstand van 100 meter. Op een groot deel van het bedrijventerrein Rooseveltstraat zijn categorie 3.1 bedrijven toegestaan en op enkele plekken verspreid over het gebied zijn nog zwaardere bedrijven toegestaan en gevestigd. De beoogde transformatielocaties vallen binnen de richtafstanden. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat de op het bedrijventerrein gevestigde bedrijven niet worden belemmerd in hun bedrijfsvoering, noch dat hun mogelijkheden tot uitbreiding van hun activiteiten niet worden beperkt door de beoogde transformatie. Van transformatie kan geen sprake zijn.

6

In dit verband benadrukken de ondernemers dat de Rooseveltstraat als hoofdontsluiting van het bedrijventerrein voortdurend wordt gebruikt door de vrachtwagens en bestelbussen, die komen van en gaan naar de bedrijven op het bedrijventerrein. Daarnaast staan voortdurend vrachtwagens langs de Rooseveltstraat om te laden en te lossen. Het mengen van dit verkeer met fietsers en voetgangers levert een uitermate gevaarlijke situatie op, met name bij het (achteruit) in- en uitrijden van de bedrijfskavels. Het toevoegen van woningen zal bovendien leiden tot een toename van de parkeerdruk. Met al deze ruimtelijke effecten is op geen enkele wijze rekening gehouden. Motivering strijd met provinciale ruimtelijke regels en beleid ontbreekt De Omgevingsvisie 2040 is aan te merken als een structuurvisie in de zin van de Wet ruimtelijke ordening. De ondernemers constateren echter dat in de concept Omgevingsvisie 2040 1.1 op geen enkele wijze wordt ingegaan op het geldende provinciale Omgevingsverordening en het ruimtelijke beleid van de provincie en het Rijk. Dat terwijl de Omgevingsverordening bindende regels bevat, waaraan de raad is gebonden, zoals de compensatieplicht bij transformatie. In de Omgevingsvisie 2040 dient op dit wettelijke kader te worden ingegaan.

Daarnaast dient rekening te worden gehouden met het ruimtelijke beleid van de provincie en het Rijk en te worden gemotiveerd in hoeverre de Omgevingsvisie al dan niet met dat beleid in overeenstemming is. Borgen compensatie In de tabel in document A6 bij het OER zijn de beleidsuitspraken opgenomen die zijn onderzocht. Bij de beleidsuitspraak transformatie van bedrijventerreinen is kennelijk op enig moment door het college opgemerkt dat: “Voorwaarde voor transformatie is dat er sprake is van voldoende verdichting vanuit het oogpunt van sociale veilige woongebieden. Als het bedrijvenarsenaal afneemt dan moet het gecompenseerd worden ergens anders in Leiden of de regio.” Op zich is dat natuurlijk terecht. Deze compensatieverplichting volgt uit de voormelde bindende provinciale Omgevingsverordening en het regioconvenant. Door Royal HaskoningDHV is vervolgens opgemerkt: “Als voldoende verdichting een voorwaarde is en als afnemend bedrijvenarsenaal ergens anders gecompenseerd moet worden, dan dat opnemen in de omgevingsvisie zodat die voorwaarden geborgd zijn.” De Ondernemers constateren dat desondanks het woord compensatie in de concept Omgevingsvisie niet voorkomt. Ook in de bedrijventerreinenstrategie is het compensatievraagstuk niet sluitend opgelost. De daarin gemaakte rekensom is afhankelijk van een groot aantal volstrekt onzekere factoren.

Al met al is onduidelijk op welke wijze compensatie zal kunnen plaatsvinden en of de in de concept Omgevingsvisie 2040 1.1 opgenomen beleidskeuze uitvoerbaar zijn. Beleidsuitspraak Fietsroutes Op pagina 55 van de concept Omgevingsvisie 2040 1.1 is als beleidskeuze geformuleerd: “Daarom werken we aan goede regionale verbindingen waarbij bijvoorbeeld de (elektrische) fiets […] steeds belangrijker rol spelen.” Verderop is 7

geformuleerd: “We realiseren een fijnmazig netwerk van fietsroutes binnen Leiden, met regionale fietsroutes, hoofdfietsroutes, wijkfietsroutes en recreatieve fietsroutes (bijvoorbeeld naar het omringende buitengebied).” Als beleidsuitspraak 6 is opgenomen in het OER: “Verder uitbreiden netwerk van regionale fietsroutes, voor doorfietsroutes voor woon-werkverkeer en voor recreatief fietsverkeer naar het omringende buitengebied (nieuwe verbinding richting Katwijk en naar Den Haag langs de A4). Voor zowel het stedelijke als regionale fietsnetwerk worden ontbrekende schakels aangelegd (o.a. drie nieuwe bruggen) en bestaande routes opgewaardeerd.” Op pagina 6 van de Notitie beoordeling voorkeursalternatief is opgemerkt: “Uitbreiden fietsroutes, ecologische routes en uitbouw groen en waterstructuren. Bij deze uitspraken zijn geen risico’s op negatieve effecten geconstateerd.”

Kaart pagina 53 concept Omgevingsvisie 2040 1.1

Hoewel dat uit de tekst niet is op te maken blijkt uit de nauwelijks zichtbare aanduiding op de kaart op pagina 53 van de concept Omgevingsvisie 2040 1.1 dat – ondanks de herhaaldelijk daartegen gerichte bezwaren van de ondernemers en anderen, nog altijd de ambitie bestaat om een fietsroute aan te leggen over het bedrijventerrein Rooseveltstraat. De ondernemers hebben daartegen ernstige bezwaren. Zoals hiervoor al aangegeven leidt het mengen van verkeersstromen op het bedrijventerrein tot verkeersonveilige situaties. In dit verband valt op dat in de tabel A7 Effectbeoordeling bij het OER de effecten op de verkeersveiligheid van deze beleidsuitspraak als positief worden ervaren. Dat moge zo zijn voor fietspaden buiten de bedrijventerreinen. Dat geldt echter niet voor fietspaden over bedrijventerreinen. De Rooseveltstraat is in de huidige situatie geen doorgaande fietsroute. Er is immers geen brug over de Trekvliet. Naar de mening van de ondernemers zou het fietsverkeer juist rond het bedrijventerrein moeten worden geleid. Overslagpunten en mobiliteit rond Lammenschansplein Op pagina 56 van de concept Omgevingsvisie 2040 1.1 wordt ingegaan op de inrichting van overslagpunten voor goederen: “Bij overslagpunten (of stadsdistributiepunten) worden goederen overgeslagen van grote vrachtwagens naar kleinere elektrische 8

voertuigen en bakfietsen om de stad te bevoorraden en pakketjes op hun plek van bestemming of bij ‘pick up points’ te krijgen.” Op pagina 57 van de concept Omgevingsvisie 2040 1.1. wordt ingegaan op het vervoer over water. Daar wordt terecht opgemerkt: “Distributie van grondstoffen en bevoorrading van bedrijven zijn mogelijkheden die in de toekomst wellicht ook efficiënter, schoner of rendabeler gemaakt kunnen worden over water. Nader onderzoek moet dit uitwijzen, waarbij gekeken moet worden naar de plek van specifieke overstap- of overslaghubs.” De ondernemers ondersteunen deze ambitie. Zij wijzen er echter op dat het van groot belang is dat het overslagpunt van water naar land is gelegen langs de Trekvliet aan de noordzijde van de Trekvlietbrug. Immers, als een dergelijk overslagpunt gelegen is aan de zuidzijde van de Trekvlietbrug, dan zal vervolgens om het bedrijventerrein Rooseveltstraat of andere plekken in de stad te bereiken het Lammenschansplein overgestoken moeten worden en de Voorschoterweg of de Lammenschansweg gebruikt moeten worden. De wegen rond het Lammenschansplein zijn in de huidige situatie el ernstig overbelast en ook in de toekomst wordt een toename van het verkeer op de Churchilllaan, de Voorschoterweg en het Lammenschansplein verwacht.

De ondernemers menen dat in de Omgevingsvisie aan dit knelpunt en de relatie tot de overslagpunten aandacht besteed moet worden. Het Lammenschansplein wordt in de concept Omgevingsvisie 2040 1.1 echter in het geheel niet genoemd. Doorvaarthoogte en breedte Trekvlietbrug en Lammebrug De ondernemers constateren dat in de concept Omgevingsvisie 2040 1.1 niet wordt ingegaan op de doorvaarthoogte van de Trekvlietbrug. De ondernemers zijn ermee bekend dat de gemeente plannen heeft om de doorvaarthoogte van de Trekvlietbrug te verlagen en hebben daartegen ernstige bezwaren. Verschillende ondernemers zijn afhankelijk van de goede bereikbaarheid van de Trekvliet over het water, ook met hogere schepen en ladingen. Dat betekent overigens dat ook de Lammebrug voldoende hoog en breed moet blijven. Bovendien is deze doorvaarthoogte en breedte essentieel om de hierboven besproken hubs/overslagpunten langs het water te kunnen realiseren. Andere geschikte locaties voor een overslagpunt aan het water zijn er in Leiden niet. Het is van belang dat een en ander in samenhang wordt beschouwd. Conclusie De ondernemers verzoeken het college deze inspraakreactie bij de verdere voorbereiding van de Omgevingsvisie te betrekken. Zij sturen de inspraakreactie tevens rechtstreeks aan de leden van de raad. Hoogachtend,

F.P. van Galen Bijlage(n) Kopie

TeekensKarstens advocaten notarissen

9

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10138331/1