Bijlage 1 bij inspreektekst mevrouw Kooi - Register bomen
Tekst van het document
Opmerkingen bij het Register Ecologische bomen Gemeente Leiden Het register bestaat uit een opsomming in alfabetische volgorde van de geslachtsnamen van bomen. Het is onduidelijk waar dit register precies op is gebaseerd en hoe compleet het is. Het lijkt geen inventarisatie te zijn van bomen die er nu in Leiden zijn, maar het is ook niet duidelijk of het gezien moet worden als een overzicht van bomen die op termijn zouden moeten worden geplant of juist moeten worden gekapt. Ik mis nogal wat bomen die in de literatuur of op bomenlijsten in andere gemeenten wel voorkomen. Kortom, het ontbreekt aan context en uitleg. Tenzij de context is dat het beoogt een lijst van bomen van inheemse of Europese afkomst te zijn die voor Leiden een grote toegevoegde waarde hebben. Maar dan bevat hij heel veel bomen die niet aan dat criterium voldoen en kunnen worden geschrapt. In het navolgende plaats ik opmerkingen en ook vragen bij de lijst die wordt aangeboden bij de concept Bomenverordening. De vraag is of bij het vaststellen van de Bomenverordening ook dit register wordt vastgesteld en welke status deze dan heeft. Struik of boom? Er zijn voorbeelden van bomen te noemen waarover discussie mogelijk is over de vraag of we het over een boom of over een struik hebben. Struiken kunnen uitgroeien tot bomen maar bomen kunnen ook teruggesnoeid worden tot struik.
In de lijst staan twee Eonymus soorten: Euonymus europaeus en alata. Ik heb ze vrijwel nooit als boom gezien maar wel als hoge struik. En hoe zit het met de Eenstijlige Meidoorn (Crataegus monogyna)? Hij is in Leiden vrijwel altijd als hele grote struik te zien en zelden als boom. Als volgens de boomverordening het opmeten van de stamomtrek van soorten moet worden gedaan is dat voor een struik natuurlijk niet te doen en het leidt zeker niet tot een bruikbaar criterium als beoordeeld moet worden of een boom wel of niet van waarde is.
Geslachtsnaam, soorten en ondersoorten In de Dendrologie van de Lage landen (J.de Koning en W. v.d. Broek) staan bomen met geslachtsnaam, soortnaam en eventueel ondersoorten. In het register zie ik van bomen in alfabetische volgorde de geslachtsnaam. Bij een aantal ervan wordt de soortnaam genoemd en vervolgens tussen aanhalingstekens de naam van de ondersoort, bijvoorbeeld bij een aantal bomen van het geslacht Acer. Bij de bomen van het geslacht Malus ontbreekt bij een aantal de soortnaam maar wordt wel de ondersoort vermeld. Ook bij de geslachten, Populus, Prunus en andere komt dit voor. Omgekeerd staan er ook ondersoorten in de lijst waarvan de oorspronkelijke soort ontbreekt. Populus simonii ‘Fastigata’ wordt wel genoemd en Populus simonii niet. De Taxus baccata bevat in de lijst slechts 1 ondersoort terwijl deze er volgens de Dendrologie van de Lage Landen 14 heeft. De Ilex aquifolium heeft er zelfs 15. Vergelijkbare of nog grotere verschillen zie ik bij de Noorse esdoorn en de Gewone es. Zo kan ik veel voorbeelden noemen waarbij een verklaring noodzakelijk is en de argumenten en criteria om bomen met geslachtsnaam, soortnaam of ondersoort wel of juist niet in het register op te nemen. Ook is soms niet aangegeven dat een soort uit een kruising bestaat, dus allerminst inheems. Inheemse bomen Van de in het register genoemde bomen behoren slechts 49 tot de inheemse soorten.
In de Nederlandse Oecologische Flora (Weeda –et al.) die natuurlijk over veel meer dan bomen gaat - staan echter bomen die ik in het register mis. Ik noem: Juniperus communis (Jeneverbes), Prunus armeniaca (Abrikoos), Prunus mahaleb (Weichselboom), Pseudotsuga menziesii (Douglasspar), Ulmus carpinifolia (Gladde iep) en Ulmus laevis (Fladderiep). Het versterkt mijn vragen over de lijst maar roept ook de vraag op naar de zin en betekenis van de ecologische waardering bij alle bomen. Speelt in die waardering ook de biodiversiteitswaarde een rol of alleen de leeftijd of de stamdiameter of misschien weer een andere factor of een ander criterium?
Ecologische waarde en biodiversiteit. Aan de ecologische waardering is een score toegekend tussen -1 en 4. Wat zijn de criteria voor de scores en welke betekenis hebben ze voor het beleid waarvoor de bomenverordening is opgesteld? Waardoor wordt de ecologische of biodiversiteitswaarde van een boom bepaald? Om dat te beoordelen dient bekeken te worden wat een boom betekent in relatie tot omliggende flora en fauna. Speelt daarin de hoogte of dikte van een boom ook een rol? Als dat soort aspecten niet meegewogen en toegelicht worden ontstaat er een nogal willekeurige rangorde. En dat zie ik in het register ook gebeuren. Opvallend is dat in het register de circa 49 inheemse soorten meestal een hoge score krijgen van 3 of 4. Elders in de stukken van de bomenverordening zie ik dat het dan zou moeten gaan om bomen die meer dan 70 jaar geleden geplant zijn of een stamdiameter hebben van 70 centimeter op 1,3 meter van het maaiveld. Betekent dat dat derhalve de meeste bomen daar niet aan voldoen en dus vogelvrij verklaard zijn? Zodra er een ondersoort aan te pas komt gaan die scores vaak naar beneden. Ik noem als voorbeeld de Ruwe berk (Betula pendula) die een score 4 krijgt, de ondersoorten slecht een 2. Een andere is de Gewone es (Fraxinus excelsior) met een 3, alle ondersoorten een 1. In andere gevallen houden ze hun hoge waarde.
Een voorbeeld van onduidelijkheid en willekeur: de Vogelkers (Prunus padus) krijgt een 3 en dat geldt ook voor de ondersoorten. Een relatief hoge score dus maar voldoet die aan de genoemde criteria? Terecht is de score wel want hij krijgt juist alle gelegenheid om insecten op bezoek te krijgen en heeft daarmee een hoge biodiversiteitswaarde. Helaas worden zijn bladeren en knoppen voor hij bloeit vaak opgegeten door vogelkersstippelmotten. Krijgt hij daarom een 3 en niet een hogere waarde? Maar dan de Sleedoorn (Prunus spinosa). Die wordt ook voor zijn bloei vaak al opgegeten door de meidoornstippelmot maar krijgt wel een 4! Waarom? De Wilde lijsterbes (Sorbus aucuparia) kan ook last hebben van stippelmotten en krijgt ook een 4, diens ondersoort slechts een 2, waarom?
Het zijn alleen inheemse soorten die een score 3 of 4 krijgen. De inheemse Gewone Kardinaalsmuts (Euonymus europaeus) – overigens een struik – krijgt echter slechts een score 2. Is dat omdat hij slechts voedsel levert aan de zwarte bonenluis en de kardinaalsmutsstippelmot? Kijk eens in het najaar in de duinen naar de poep van fazanten. Dat zit vol met oranje bessen van de kardinaalsmuts! Ik weet zeker dat ondanks het spinsel van de rupsen van de stippelmot enkele vogelsoorten die rupsen eten. En zelfs vossen vinden ze lekker! Is die 2 niet te laag ten opzichte van de hoge biodiversiteitswaarde? Of geldt die waarde niet? Overigens E. alata wordt ook aangevallen door de luizen en de stippelmotten. Die zou dan meer moeten hebben dan de score 0, al is het maar vanwege de biodiversiteitswaarde. Vraag aan de opstellers van het register: is er verschil tussen ecologische waarde en biodiversiteitswaarde? Hoe kan het dan dat de eerder behandelde Gele treurwilg als een kruising tussen de inlandse Schietwilg en een Chinese ook een score 4 krijgt? Stippelmotten bezoeken wel de schietwilg maar niet de Gele treurwilg. Zo zijn er nog veel meer vragen te stellen bij de scores, vooral ook bij de score 0 en 0,5. Vergelijkbare vragen en opmerkingen zijn te stellen en te maken bij de bomen met een negatieve ecologische waardering. Een paar voorbeelden.
De hemelboom (Ailanthus altissima) kreeg een -1. Hij kan vreselijk gaan woekeren en tot een plaag leiden. Hij staat op de Europese lijst van verboden bomen. Ik begrijp dat we hem niet meer moeten aanplanten. Hij heeft echter wel een biodiversiteitswaarde! De Fluweelboom (Rhus typhina) is een struik (ondanks zijn Nederlandse naam) dus waarom op de lijst en waarom met een score van -1? De Gewone acacia (Robinia pseudoacacia) werd ca. 40 jaar geleden veel aangeplant als vervanger van tropisch hardhout. Als straat - en parkboom was hij ook populair. Dat de boom kon uitgroeien tot een plaag was toen veelal nog onbekend. Hij woekert oppervlakkig en is moeilijk te bestrijden. Ook nu nog mag hij worden aangeplant en net als de hemelboom wordt hij tijdens de bloei omringd door insecten, en heeft dus wel een zekere biodiversiteitswaarde. Waarom dan een score van -1? De Amerikaanse eik (Quercus rubra) is een hele snelle groeier en kan in een bos andere soorten verdringen. Inmiddels is hij al zo
lang in Nederland dat de eerste insecten hem ook al hebben ontdekt als voedselbron. Maar een score van -1? De Amerikaanse vogelkers (Prunus serotina) kiemt overal waar hij de kans krijgt en is daarom een plaag. Rukt op maar inmiddels begint hij ook al aangetast te worden door de Vogelkersstippelmot. Rupsen eten ervan voordat hij bloeit en dus bessen kan produceren. Dat geeft hoop! Maar waarom dan een negatieve waardering? Krijgt de Chinese peer (Pyrus callyana) een -1 omdat hij kan stinken. Hij vormt in Nederland kleine zure peertjes. Er komen dus insecten langs die op grond van de lucht een andere beleving hebben dan mensen. Moet hij daarom een -1 hebben? Zo kan ik nog wel even doorgaan. De ecologische waardering – zowel positief als negatief – is niet onderbouwd en niet consequent toegepast. Tenslotte Natuurlijk zijn er veel meer vragen te stellen bij de lijst. Waarom krijgen de bomen op deze lijst geen score als ze een Europese boom zijn, toekomstbestendig zijn en van waarde zijn in een opwarmend klimaat. Ik denk aan het vastleggen van fijnstof en CO2, een boom voor schaduw of tegen verkeerslawaai enz.? Heeft b.v. de plataan geen waarde als schaduwboom? Hij komt in het register voor met een 0. Het register roept dus heel veel vragen op.
Daarom zou het goed zijn als – eventueel met terzake deskundigen en misschien met gebruikmaking van registers die in andere gemeenten gebruikt worden – opnieuw gekeken wordt naar het opstellen naar een register als deze, met een goede en ook wetenschappelijk verantwoorde uitleg. Koppeling aan de bomenverordening is volgens mij ook niet nodig omdat zonder twijfel voortdurende actualisering en aanpassing aan klimatologische veranderingen en nieuwe wetenschappelijke kennis voortdurende aandacht vergt. Rinny E Kooi