CConstaterende datLeiden
Koppel je AI →
Document · PDF

Beantwoording technische vragen GroenLinks over Werninkterrein

raadscommissie Stedelijke Ontwikkeling 6 juli 2021, gemeente LeidenBij agendapunt: Technische vragen806 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Beantwoording technische vragen GroenLinks over Werninkterrein

1. Van hoeveel auto’s/parkeerplekken in het plangebied wordt op dit moment uitgegaan? Het exacte aantal parkeerplekken in het gebied is nog niet bepaald. Dit hangt af van het definitieve bouwprogramma dat gerealiseerd wordt. De ontwikkeling moet in principe voldoen aan het vigerende parkeerbeleid waarbij de gehele parkeeropgave binnen het plangebied moet worden opgelost. Met het Werninkterrein heeft de gemeente de ambitie om een autoluwe wijk te maken. Dit wordt in de gebiedsvisie gerealiseerd door het autoparkeren aan de rand van het gebied te organiseren waardoor het binnengebied een autoluwe karakter heeft. Een ander onderdeel van dit autoluwe karakter is om minder autobezit en minder gebruik van de auto te stimuleren. Onderdeel van de verkeersontsluiting is daarom de realisatie van goede fietsverbindingen. Een ander sturingsmiddel is het aantal parkeerplaatsen. Er is binnen het gemeentelijke beleid de mogelijkheid om minder parkeerplekken te realiseren dan de parkeernorm en dan kan bijvoorbeeld deelmobiliteit worden toegepast. Een voorwaarde voor minder parkeerplekken is dat er in het plangebied en in de omgeving gereguleerd parkeren met een parkeerregime is. De planning is dat er in de omliggende wijken in2023 een parkeerregime is ingevoerd. Het college neemt hierover in juli nog een aanwijzingsbesluit.

Indien dit parkeerregime is ingevoerd in 2023 zal er op het Werninkterrein gewerkt worden met minder parkeerplaatsen en deelmobiliteit. Ontwikkelaar ABB is voornemens om dan 0,7 parkeerplek per woning te realiseren en mogelijk nog lager. ABB onderzoekt bij het stedenbouwkundig plan hoeveel deelmobiliteit mogelijk is.

2. Is er voor de ontsluiting een variant mogelijk waarbij de tunnel wel in geval van nood autotoegankelijk is, maar waarbij de Amphoraweg functioneert als hoofdontsluiting voor auto’s en fietsers de tunnel en/of de fietsbrug gebruiken? Wat zouden voor- en nadelen hiervan zijn? Nee, voor het autoverkeer is de combinatie van de tunnel naar de Hoge Morsweg en een tweede ontsluitingsroute via het Amphorawegterrein noodzakelijk. Gelet op het aantal te verwachten verkeersbewegingen (auto’s) bij het beoogde bouwprogramma is zowel een keuze voor alleen een ontsluiting via het Amphorawegterrein of alleen via alleen een tunnel naar de Hoge Mors ongeschikt. Een ontsluiting via alleen de Amphoraweg zou leiden tot overbelasting van het kruispunt Amphoraweg/Dr Lelylaan, waardoor het verkeer op de Dr Lelylaan niet goed verwerkt kan worden én waardoor autoverkeer het nieuw te ontwikkelingen gebied niet goed kan verlaten en bereiken. Dit laatste geldt dan ook meteen de bereikbaarheid van het bedrijfsgebied. Met alleen de tunnel onder het spoor wordt de belasting op wegen in de Hoge Mors te groot.

3. Is er onderzocht of het mogelijk is een ontsluiting te maken door langs de waterkant van de Rijn onder de bestaande spoorbrug door een route aan de te leggen, bijvoorbeeld door de kade te verbreden, onder de brug door te gaan en vanaf daar parallel aan het spoor een route voor fietsers en/of calamaiteitenverkeer aan te laten sluiten op de Aquamarijnstraat? Ja deze route is bekeken maar kent nog veel uitzoekwerk en afhankelijkheden waaronder de medewerking van ProRail. In de gebiedsvisie is opgenomen (blz. 49) om deze route nader te zullen

onderzoeken als een extra optie. Ook is een brief aan ProRail verzocht om de mogelijkheid van deze route gezamenlijk te onderzoeken en verzocht om eventuele medewerking. 4. Zou een fietsbrug over de Rijn richting de Haagweg veel kostbaarder zijn dan de nu voorziene fietsbrug? Ja want deze kent een grote overspanning en het zal vanwege de scheepvaart een beweegbare brug moeten zijn.

5. Op p 12 lezen we de ambities op het gebied van duurzaamheid en dat een aantal energie- en warmteopties onderzocht gaan worden. In welke fase van de plan- en besluitvorming moet hier meer over duidelijk worden? De volgende stap in de planontwikkeling is het opstellen van een stedenbouwkundig plan door de ontwikkelaar. Mogelijk wordt hierin al meer duidelijk over de ambities op het gebied van duurzaamheid. In ieder geval voor de vergunningaanvraag zal dit bekend zijn. De gemeente verleent pas privaatrechtelijk toestemming (conversie van het erfpachtrecht) aan de ontwikkeling van het gebied (gefaseerd) op basis van een concrete bouwplannen. Dus voordat de gemeente toestemming verleend is bekend en kan getoetst worden welke duurzaamheidsambities bereikt worden en welke energie- en warmteopties uitgevoerd worden.

6. Het puntensysteem natuurinclusief bouwen wordt bij de planontwikkeling voor het Werninkterrein getest bij de planontwikkeling en het plan wordt volgens die systematiek getoetst. Hoe gaat dit in zijn werk? In de collegebrief van 21 januari jl. (kenmerk Z/20/607090) is de werking van het puntensysteem toegelicht en ook de juridische beperkingen om dit op te leggen aan bouwers en ontwikkelaars. Met de ontwikkelaar van het Werninkterrein is afgesproken dat het planvoorstel dat zij nu nader uitwerken getoetst wordt volgens de systematiek van het puntensysteem natuurinclusief bouwen. Het is daarna aan de gemeente welke consequenties er verbonden worden aan de score van het voorliggende plan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10372484/1