Beantwoording technische vragen D66 bij RV Warmtelinq
Tekst van het document
Technische vragen naar aanleiding van RV 21. 0026 en webinar Warmtelinq 1. De Warmtelinq website spreekt van de mogelijkheid om 130,000 huishoudens aan te sluiten op 250MW vermogen. De wethouder stelde kort geleden in de webinar dat men daarbij uitgaat van 1kW per huishouden om op termijn 100,000 aansluitingen op de 100MW Warmtelinq te realiseren. Welke is juist? De Warmtelinq zal voorzien in basislastvermogen, het vermogen dat nodig is om het gehele jaar rond in de warmtevraag van huishoudens te voldoen. De totale warmtevraag per huishouden varieert tussen 6 en 10 kW, afhankelijk van de mate van isolatie van de woning. De bijbehorende basislast-vraag wordt over het algemeen geschat op 25%-33% van de totale warmtevraag en is dus ongeveer 1,25-3 kW. Om vervolgens tot benodigd basislast bronvermogen te komen (het vermogen dat geleverd gaat worden vanuit de Warmtelinq), dient rekening gehouden te worden met gelijktijdigheid en warmteverliezen in het net. Gelijktijdigheid wordt ingeschat voor huishouden op 50-60% en warmteverlies op 20%. De 1 kW per huishouden is dus de ondergrens en de 1,93 kW (250 MW / 130.000 huishoudens) bevindt zich aan de bovengrens. 2.
Klopt mijn onderstaande berekening dat nog voordat de WLQ+ in bedrijf is genomen, de capaciteit tijdens periodes van hogere vraag onvoldoende zal zijn om de volledige 100MW aan warmtevermogen te leveren? (zo niet: waarom?) Bijgaande bewering klopt niet en kan het best worden uitgelegd met enkele opmerkingen in relatie tot de onderwerpen die worden genoemd: - WLQ levert basislast aan het lokale warmtebedrijf die tezamen met aanvullende piek- en backupvoorzieningen de beschikbare totale warmtecapaciteit optimaliseert om aan de totale warmtevraag op enig moment te voldoen. In de berekening lijkt er geen brekening gehouden te worden met het onderscheid tussen basis- en pieklast. - In getallen: een woningequivalent (inschatting van de hoeveelheid warmte-energie nodig om een gemiddelde Nederlandse woning van ruimteverwarming en warm water te voorzien) is ongeveer 30 GJ (zie bijvoorbeeld warmtemonitor rvo). Enkel indien de warmtevraag het hele jaar constant zou zijn, zou er slechts 1 kW nodig zijn (30 GJ / 3.6 (omrekening naar MWh) / 8760 (24*365 uren) * 1000 (kW per MW) = 1 kW). In de aannames is hier mogelijk vanuit gegaan. In werkelijkheid is de vraag naar warmte seizoensgebonden.
In de winter is deze namelijk vele malen hoger dan in de zomer In een warmtesysteem is er, volgens de genoemde rekenregel, in de praktijk circa 5 kW per huishouden aan opgestelde vermogen (optimalisatie van basislast, pieklast en backup) nodig om 30GJ te kunnen leveren - Als het gaat om aan te sluiten woningen, hanteert WLQ altijd woningequivalenten, omdat huizen op het distributienet gebruik zullen maken tussen restwarmte (basislast) lokale bijstook (pieklast en reservevermogen) - Het aantal van 500.000 woningequivalenten wordt niet herkend i.r.t. de WLQ+. 500.000 woningen is in het verleden berekend op basis van het totale beschikbare restwarmte in de haven van Rotterdam, deze hoeveelheid warmte staat ongeveer gelijk aan 500.000 woningequivalenten die in potentie van warmte kunnen worden voorzien. - Zie bijgaand figuur voor een toelichting.
Bij de bestaande hoeveelheid aansluitingen valt er een getal uit te rekenen waarboven verbruik van invloed gaat zijn op de beschikbaarheid van restwarmte in Leiden. De rekenregel voor gelijktijdigheid is ongeveer 5kW. 550MW/5kW = 110000 aansluitingen Huidig: 97600 aansluitingen Verschil: 12400 woningen Benodigde aansluitingen per maand om rond 2050 de 500,000 aansluitingen te realiseren: ~1300 aansluitingen per maand Dat betekent in principe dat al in het voorjaar van 2022 regelmatig omstandigheden voorkomen waarin het benodigde vermogen boven de 5kW per aansluiting uit gaat komen, en de WL+ dus niet altijd meer in staat is om de gestelde 100MW te leveren. Naarmate er meer aansluitingen gerealiseerd worden, wordt dit probleem steeds groter. 3. Wat voor maatregelen worden er genomen om dit groeiende tekort aan piekvermogen te dekken? Zoals onder vraag 2 toegelicht zal het piekvermogen en reservevermogen voorzien worden door het lokale warmtebedrijf. De verhouding waarin er gebruik wordt gemaakt van basislast restwarmte via WLQ en piekvermogen is aan het warmtebedrijf om te bepalen en te optimaliseren. Mogelijkheden zijn bijvoorbeeld bovengrondse dag en nacht buffers, biomassa (“midden last”), waterstof voor pieklevering, electrode boiler etc. 4.
Wat is de laatste stand van zaken tav openhouden van de STEG centrale(zie eerdere vragen) aan de Langegracht? Zoals in het door de Raad vastgestelde Handelingsperspectief Energietransitie beschreven, wordt het bestaande warmtenet van Leiden geëxploiteerd door Vattenfall en gevoed door de warmtekrachtcentrale van Uniper op de Lange Gracht (STEG-centrale) en indien nodig, door de hulpketel in de wijk Stevenshof. Dit warmtenet voorziet zo’n 12.000 woningen van hoge temperatuurwarmte van minimaal 70°C. De STEG wordt in dit Handelingsperspectief van een jaar geleden omschreven als transitiemiddel richting een duurzame warmtevoorziening. De Gemeente Leiden is met Uniper in gesprek over verduurzaming van de centrale. Verder zijn er geen nieuwe ontwikkelingen rondom de toekomst van de Uniper-centrale sinds raadsbehandeling van dit voorstel medio 2020 5. Als de STEG de voorgestelde oplossing is: dit is een voorziening die in staat is op waterstof of biogas te draaien zodra dit in voldoende mate beschikbaar is, met een zeer hoge efficiëntie warmte kan leveren, en voorzien kan worden van een buffervat om deze efficiëntie te vergroten.
Is het dan niet zonde om ten voordeel van de Warmtelinq maar een fractie van de capaciteit hiervan in te zetten, als de voorziening toch in stand gehouden moet worden om het vermogenstekort van de WL+ af te dekken? De hierboven beschreven aanname is dat de Uniper-centrale wordt ingezet om het vermogenstekort van de WLQ+ te dekken. Dit is nog niet helder en zal afhangen van de contracten die de huidige leverancier van warmte (Vattenfall) en de toekomstige leverancier van warmte (nog onbekend) zullen aangaan. 6. Ik vraag mij af of in de eindsituatie überhaupt voldoende vermogen door de leiding past, om restwarmte te leveren in Leiden bij alles meer dan de basislast. Er zouden tegen die tijd 400,000 aansluitingen tot en met regio Den Haag gerealiseerd zijn stroomopwaarts van Leiden. Zie eerdere beantwoording over het aantal woningequivalenten waar WLQ+ in kan voorzien en de seizoensgebonden afhankelijkheid. Het aantal woningequivalenten waar WLQ+ op basis van een ca 100 MW leiding in kan voorzien ligt rond de 50.000. Een deel van deze capaciteit zal voor het bestaande net van Vattenfall in Leiden worden gecontracteerd. Op dit moment is tijdig gecontracteerde en beschikbare (first come first serve) transportcapaciteit op de WLQ+ door de Leidse regio het hele jaar beschikbaar voor de Leidse regio, ongeacht of er stroomopwaarts op de leiding ook andere afnemers zijn.
De transportcapaciteit van 248MW op het totale systeem is berekend op basis van een bepaalde uitkoeling van het water. Enkel bij verdere uitkoeling kan de totale capaciteit (in MW) verhoogd worden. 550MW/400000 = 1.375kW vermogen per aansluiting Boven dit gemiddelde vermogen is er onvoldoende restwarmte om de Warmtelinq naar Leiden van enige warmte te voorzien.
In de 5 koudste maanden per jaar, komt er dan toch helemaal geen restwarmte uit de Warmtelinq? Dit is het gevolg van de verhouding tussen WL(+) vermogen, het restwarmte aanbod en de voorgenomen aantal aansluitingen. Een groter aanbod aan restwarmte heeft hier maar beperkt invloed op. Zelfs als het restwarmte aanbod in Rotterdam oneindig groot zou zijn, dan geldt de beperking van het Warmtelinq tracédeel Rotterdam→Den Haag (250MW) als beperking. Voor de eindsituatie in Den Haag geldt dan: 250MW/150000 = 1.67kW per aansluiting Boven dit vermogen is er geen restwarmte meer over in Den Haag om naar Leiden te pompen. Deze situatie komt ca. 5 maanden per jaar voor. Van ca. oktober tot en met april moet in de eindsituatie het volledige vermogen van de Warmtelinq lokaal bijgestookt worden. In de overige maanden wordt het volledige vermogen niet behaald ofwel omdat er niet genoeg warmte over is in Den Haag, ofwel omdat er onvoldoende vraag naar warmte is in Leiden vanwege de zomer. 7. Is inmiddels al meer bekend over de volgens het CE-Delft rapport benodigde grootschalige transseizoenale opslag? Het rapport van CE Delft over oppervlaktewater wat ik eerder van het College heb ontvangen spreekt van de aanleg van grootschalige, trans-seizoenale warmteopslag als harde voorwaarde voor het inzetbaar maken van restwarmte. De bovenstaande analyse komt tot dezelfde conclusie als CE Delft.
Een voorziening zoals een Warmtelinq inzetbaar maken is afhankelijk van het vermogen om in de zomer grootschalig restwarmte op te slaan. De verbruiksverdeling laat zien dat er maximaal 220GWh overaanbod in de zomer opgeslagen kan worden. In de winter zal dit volledig benut worden en voor het eind van December elk jaar op zijn. Dat is ongeveer 3.8 miljoen ton water bij de beoogde Delta-T van 50 graden. Daar zijn 10 voetbalvelden met een waterdiepte van 40m voor nodig, of een vierkante kilometer met een waterdiepte van 3.8m. Is al nagedacht over een locatie hiervoor? De benoemde benodigde seizoensopslag is door de Gemeente Leiden niet verder uitgezocht sinds de laatste vragen. Mede omdat ook dit onderdeel is van de contracten die de huidige leverancier van warmte (Vattenfall) en de toekomstige leverancier van warmte (nog onbekend) zullen aangaan rondom de levering van warmte in de Leidse regio. Dit thema wordt wel uitgewerkt in de op te richten regionale organisatie, die zich verder zal richten op het uitdenken van het wenselijke energiesysteem, waar seizoensopslag onderdeel van kan zijn. 8.
Wordt er door onze regio besproken wat de plannen voor opslag tussen hier en Rotterdam zijn? Als er niet ook grootschalige opslag in Den Haag en Rotterdam wordt gebouwd, stijgt de benuttingsgraad slechts marginaal, en zal het nog steeds niet mogelijk zijn een substantiële hoeveelheid restwarmte uit de Warmtelinq te ontvangen omdat de warmtevraag “linqopwaards” in de weg zit. Zoals in het voorgaande antwoord beschreven, is seizoensopslag één van de onderwerpen waar de regionale organisatie werk van gaat maken. Er is vanuit de regio nog geen onderzoek opgestart. WLQ+ verkoopt warmtetransportcapaciteit. Het optimaliseren van geboekte capaciteit is aan het warmtebedrijf. Daarvoor is het hebben van transportcapaciteit dus leidend, niet de locatie in het net. In de scope van WarmtelinQ is een dergelijke opslag niet voorzien en valt onder werkzaamheden van de warmte-leverancier. 9. Aangezien na +/-12 jaar de WL+ niet in staat zal zijn in de winter restwarmte te leveren, welke voorzieningen worden getroffen ten aanzien van de 100MW aan piekvermogen die dan wegvalt? De aanname dat WLQ+ na +/- 12 jaar niet in de capaciteit kan voorzien wordt niet herkend door de Gemeente Leiden en/of Gasunie. Zie de beantwoording op eerdere vragen over de rol van een piekvoorziening in het lokale warmtenet.
10. Om in de winter de restwarmte te kunnen gebruiken zal het niet mogelijk zijn een retourstroom van afgekoeld water naar Rotterdam te pompen. Op dat moment is immers het volledige debiet van de Warmtelinq nodig om in het theoretische geval dat er 100MW in de winter geleverd kan worden, die waterstroom weer terug naar Rotterdam te pompen. Dat betekent dat er in elke winterperiode 3.8 miljoen ton water met een temperatuur van rond de 40C geloosd moeten worden op het oppervlakte water. Stel dat het terug gemengd wordt, is het niet mogelijk om doorlopend HT te blijven leveren, en zou de temperatuur van het opgeslagen water naarmate de winter kouder wordt ook steeds kouder worden totdat het niet meer een HT warmtebron is. Is hierover nagedacht? Indien er voldoende transportcapaciteit gecontracteerd is om 100 MW te leveren (berekend op basis van een bepaalde uitkoeling van het water en bijbehorend debiet), kan die ook in de winter benut worden. Zie t.a.v. debiet en temperatuurverschil eerdere opmerkingen over de verhouding tussen piek- en basislast. Verder wordt het water noch de warmte uit WarmtelinQ niet geloosd op het oppervlaktewater. WLQ is een gesloten warmtetransportsysteem: het water wordt vanuit dit gesloten transportleidingsysteem via een warmtewisselaar overgedragen op het lokale distributiesysteem.
Het water in het transportleidingsysteem wordt terug gepompt naar de producent waar het water volgens een vooraf besproken stooklijn verwarmd wordt. 11. Het momentane vermogen dat benodigd is voor warmtenetten zit in de orde van 5kW per aansluiting. Dit is een vuistregel die aangehouden wordt bij het uitleggen van warmtesystemen. Dit betekent echter, dat het Leidse warmtenet voor de beoogde 100,000 aangesloten huishoudens, een kortstondig vermogen van 500MW moet hebben. Hoe wordt dit bereikt? Een warmtevraag wordt altijd geleverd vanuit een basislast bron, aangevuld met piek- en back-up vermogen. Om aan de warmtevraag per huishouden te voldoen, dient er rekening gehouden te worden met gelijktijdigheid en warmteverlies. Zie rekenvoorbeeld bij vraag 1. 12. In het raadsvoorstel wordt gesproken over kansen voor geothermie. Als het een ‘dure’ geothermie bron blijkt te zijn, gaat de geothermie bron dan voorrang krijgen boven de restwarmte uit de WL+ om het betaalbaar te houden? Geothermie is een goed betaalbare warmtebron; mits deze jaar rond benut kan worden. Als de voorziening slechts in tijden van hoge vraag benut kan worden (de koudere maanden), dan moeten nog steeds de kosten voor de overige maanden onderhoud van de bron gedragen worden. In de praktijk betekent dit dat een geothermie bron alleen voor pieklast gebruiken ongeveer drie keer zo duur is als jaar rond gebruik.
Aangezien de prijzen van geothermie- warmte variëren tussen de 3 en 12 euro per GJ bij jaar rond gebruik, betekent dit dat het onmogelijk is om voordat de put geslagen wordt te weten of er voor een pieklast scenario betaalbare warmte uit gaat komen. (ACM max prijs 2020 ~26,- inc BTW/GJ) De verhouding tussen inzet van geothermie als basisbron en WLQ+ als basisbron, is nog niet bepaald en wordt onderzocht zodra er meer duidelijkheid is over de zes opsporingsvergunningen die zijn aangevraagd bij het Ministerie van Economische Zaken in deze regio. 13. Zo niet, wie gaat de downtime van de geothermie bron bekostigen? Wordt dat een van de beoogde doelen van het op te richten regionale fonds? Deze vraag is nog niet te beantwoorden, aangezien de exacte kosten van geothermie pas berekend kunnen worden als het aanbod van aardwarmte duidelijk is. Hiervoor is het wachten op duidelijkheid over de zes opsporingsvergunningen die zijn aangevraagd bij het Ministerie van Economische Zaken in deze regio. 14. Als de geothermie voorrang krijgt om financiële redenen betekent dit dat bij 100,000 aansluitingen zes a zeven maanden per jaar er geen WL+ nodig is. De overige 5 maanden levert de WL+ sowieso geen restwarmte. De benodigde zomervraag kan dan gedekt worden met 100MW aan geothermie (die levert immers 100MW, ook in de winter, over de levensduur).
Is het dan niet verstandiger om in te zetten op geothermie voor de basislast, dan de Leidse regio afhankelijk te maken van de hoeveelheid gerealiseerde aansluitingen stroomopwaarts in Den Haag en Rotterdam? Deze vraag is nog niet te beantwoorden, aangezien de exacte kosten van geothermie pas berekend kunnen worden als het aanbod van aardwarmte duidelijk is. Hiervoor is het wachten op duidelijkheid over de zes opsporingsvergunningen die zijn aangevraagd bij het Ministerie van Economische Zaken in deze regio. Wat wel duidelijk is, is dat de inzet van geothermie kan zorgen voor een robuust energiesysteem, waarbij er in alle gevallen voldoende basislast aan het regionale systeem kan worden geleverd. Overigens is bij de antwoorden op voorgaande vragen uitgelegd dat de regio Leiden niet afhankelijk is van het aantal gerealiseerd aansluitingen “stroomopwaarts”.
15. Punt 6 “Bestuurlijke Keuze tot Benutting Restwarmte” In punt 4 van het raadsbesluit wordt gesproken van een ‘bestuurlijke keuze voor restwarmte’. Wat zijn de gevolgen van dit nu vastleggen? Kunnen wij als Raad nog terug wanneer vervolgonderzoek aantoont dat dit geen verantwoorde keuze is voor Leidenaren en voor het energiesysteem als geheel? Het klopt dat de Leidse regio niet vast zit aan de afname van een x-aantal MW vanuit WLQ+. Overigens heeft de Leidse gemeenteraad zich reeds meermaals positief heeft uitgesproken over de warmteleiding, bijvoorbeeld bij de behandeling van het Handelingsperspectief Energietransitie. De bestuurlijke keuze voor restwarmte is voor Leiden dus niet nieuw, die is al eerder gemaakt. Of en hoe restwarmte wordt ingezet in aanvullende warmtenetten, zal bepaald worden in de TVW, kavelstrategie en Wijk uitvoeringsplannen. Hier wordt ook de toets gedaan hoe restwarmte past binnen het kader van publieke waarden zoals geschetst in het specifieke raadsvoorstel. Denk hierbij aan duurzaam, betaalbaar en met voldoende bevoegdheden voor gemeenten in de warmtetransitie. Met deze publieke waarden in het achterhoofd kan de Gemeente Leiden sowieso aan de slag. 16. Er wordt in het RV voorgenomen om in de regio 2 miljoen euro uit te geven aan onderzoek naar gebruik van restwarmte.
Dit bedrag zou ook ingezet kunnen worden om het voor tussen de 2 en 4 duizend huishoudens financieel neutraal te maken om meer dan 300m3 gas per huishouden per jaar te besparen, dmv van PV/WP Boiler. Dit is een directe uitstootvermindering van tussen de 1000 en 2500 ton CO2 per jaar, en een vermindering van de aardgasvraag tussen de 600,000 en 1.2 miljoen m3. Is deze afweging gemaakt? Regionaal wordt maximaal 2 miljoen euro vrijgemaakt voor meer dan een onderzoek naar gebruik van restwarmte. De exacte verdeling van de middelen over diverse onderzoeken, procesgeld etc is nog niet bekend. In de zomer wordt een programmaplan verwacht waarin duidelijk wordt hoe de maximaal 2 miljoen euro wordt ingezet en welke verdeling van het budget over 2021 en 2022 wordt voorgesteld. Ook de inzet van de huidige medewerkers op het dossier van de regionale energietransitie binnen Leiden zal hierin een rol moeten krijgen. Het is nog onduidelijk of dit gehele bedrag uitgegeven zal worden. U wordt rond de zomer hierover geïnformeerd. Door de regionale component is in dit raadsvoorstel niet gedacht dit bedrag te besteden aan middelen als door u genoemd, overigens heeft het college wel deze afweging gemaakt (niet subsidiëren van maatregelen, maar eerder processen aanjagen) bij de nieuwste subsidieverordening voor ondersteuning van lokale initiatieven in de energietransitie. 17.
Komt onderstaande argumentatie overeen met de kengetallen die het college gebruikt? Belastingverlegging: Een huishouden met een HR ketel betaalt het hoogste energiebelastingtarief en duurzaamheidsopslag voor aardgas. Voor aardgas dat collectief gestookt wordt door de warmteleverancier de laagst mogelijke tarief en duurzaamheidsopslag betaald. Dit is voor het gemiddelde huishouden een verschil van € 561,71 per jaar voor 2020. Dit bedrag verdwijnt uit de kas van de rijksoverheid en gaat naar de warmteleverancier. Over het deel aardgas wat er in het warmtenet verstookt wordt, wordt in het geheel geen energiebelasting afgedragen. Rekenvoorbeeld: Over de levensduur van 40 jaar betaalt de particulier € 65.550,43 inc BTW(prijs 2020) per aansluiting. Er is op dat moment alleen nog maar geinvesteerd in een transportnetwerk, er is geen duurzame opwek gerealiseerd, geen WL+ aangelegd, geen netverzwaring voor de PV opgave en er is geen enkele efficientie verbeterende maatregel genomen.
Opbouw van dat bedrag, uitgaande van 40 jaar financieringstermijn: • €12,500 aansluitkosten per woning (uit andere casussen en overeenkomstig de antwoorden op mijn eerdere vragen) • vastrecht, huur afnameset en meettarief: € 630,97 inc BTW per jaar aan kosten voor een huishouden nog voordat er warmte is geleverd Met datzelfde geld zou de particulier ook de volgende maatregelen kunnen uitvoeren: Warmtepomp, Warmtepomp Boiler, Hotfill Close-in Boiler en buffervat Netverzwaring @€ 2500/kW, 5kW* 5kWp PV/ huishouden Isolatie
€ 20,000 € 12,500 € 7,500 € 25,550 Totaal
€ 65,550
* Netverzwaring is ook noodzakelijk als men een warmtenet aanlegt vanwege de PV opgave, elektrische voertuigen e.d. eigenlijk hoort het dus niet in dit rijtje thuis omdat het onvermijdelijke kosten zijn. Het totale budget is dus eigenlijk nog € 12,500 hoger. De berekeningen die u maakt zijn nog niet in deze mate gemaakt door het College. Wel is een onderzoek rondom dit thema in de afrondende fase, waarbij wordt gefocust op de totaalkosten voor de stad. U ontvangt deze resultaten zo spoedig mogelijk na oplevering. Een recent onderzoek van het Economische Instituut voor de Bouw heeft wel enkele onderdelen becijferd. Dit onderzoek is te benaderen via https://www.eib.nl/publicaties/proeftuinen-aardgasvrije-wijken/. Hierin staat bijvoorbeeld dat de totale investering voor een woning op het warmtenet uitkomst op ruim €38.000,-. Voor een all-electric investering kan dit oplopen van €27.400 tot €49.600,-. 18. Ten aanzien van de investering van 190 miljoen die nodig is om het electriciteitsnet te verzwaren: Volgens het CE Delft Rapport ‘net van de toekomst’ is dit voldoende voor een netverzwaring van 5kW voor ~15000 huishoudens. Dezelfde hoeveelheid huishoudens aansluiten op een warmtenet kost qua aansluitkosten hetzelfde.
Het verschil is echter dat in het geval van een warmtenet aansluiting het vastrecht voor de particulier met het warmtenetvastrecht minus het gasvastrecht omhoog gaat, en met een electrisch net gaat het vastrecht met het gasvastrecht omlaag. Bij overschakelen naar electrisch treedt er enige belastingderving op. Die komt ten goede aan de burger (waar de overheid het in het ergste geval weer van kan heffen). Bij overstap naar een warmtenet is de belastingderving aanmerkelijk hoger, en gaat dat belastingbedrag naar de warmteleverancier, die het nodig heeft om de warmtenet technologie kostendekkend te maken. Zijn deze inzichten vanuit het CE Delft rapport meegenomen in de overweging waarom een investering van 190 miljoen in netverzwaring onwenselijk is? Navraag bij nebeheerder Alliander toon aan dat het bedrag van 190 mln aan transport en distributie kosten (dus ook een deel voor TenneT) is een inschatting is van de kosten voor het verzwaren van het transportnetwerk van elektriciteit, als er geen andere warmtebronnen zijn en de opgave aardgasloos voornamelijk d.m.v. elektrische systemen gerealiseerd kan worden in deze regio. Alleen is het in het door u aangehaalde document ietwat onhandig opgeschreven omdat ze kosten voor het netwerk in één zin noemen met kosten voor de eindgebruikers.
In het algemeen wordt gezien dat de woningen bij een warmtenet HT minder aanpassingen (radiatoren kunnen vaak dezelfde blijven) te worden dan een all-electric woning. 19. Kan het college uitleggen hoe de benodigde investering van 190 miljoen te vermijden is binnen de context van de geldende opgave voor de aanleg van PV installaties? Een veelheid aan onderzoeken toont al geruime tijd aan dat de piek van zonnepanelen in de zomer maatgevend is voor het benodigde netvermogen (en dus niet de warmtevraag zoals het RV aangeeft). Het bedrag van 190 mln aan transport en distributie kosten (dus ook een deel voor TenneT) is een inschatting is van de kosten voor het verzwaren van het transportnetwerk van elektriciteit, als er geen andere warmtebronnen zijn en de opgave aardgasloos voornamelijk d.m.v. elektrische systemen gerealiseerd kan worden in deze regio. 20. Q. Antje Jordan: Wie garandeert de "rest" factor van de restwarmte? en daarmee samenhangend: hoeveel gas wordt bijgestookt om de piekvraag in de koude periode te dekken? A. De term restwarmte heeft betrekking op de situatie aan de bron-kant, daar is warmte een consequentie van productieprocessen. Als het gaat om de levering van restwarmte in de toekomst is nu nog niet bekend hoeveel (en/of op basis van welke energiedrager) moet worden bijgestookt om in enige piekvraag te voorzien.
Reactie AJ Ik vind het vreemd dat wij een heel systeem ontwerpen met vergaande gevolgen voor tienduizenden huishoudens zonder dat de aanbodkant inzichtelijk is. Ergens(denk op rijksniveau) zou op gedetaileerd niveau getoetst moeten worden wat de noodzaakelijkheid is van uitstoot. Ik refereer bijvoorbeeld aan afval dat wordt ingekocht uit het buitenland om warmte te maken door verbranding... is dat dan rest-warmte die beter is dan restwarmte van de STEG die gas verbrandt om electriciteit te maken? De (proces)industrie zal nieuwe manieren moeten vinden om duurzame warmte op te wekken. Die plannen liggen onder meer vast in het Klimaatakkoord. Dat betekent dat industriële processen die nu aardgas als brandstof gebruiken, straks waarschijnlijk op bijvoorbeeld klimaatneutrale waterstof of groene elektrificatie draaien. Er zal naar verwachting ook meer warmte uit (duurzame) geothermie beschikbaar komen. Het onderscheid tussen restwarmte en warmte uit duurzame bronnen zoals geothermie zal op den duur verdwijnen.
Bepaalde processen worden wellicht helemaal vervangen door andere processen: in plaats van afvalverbranding komt er bijvoorbeeld wellicht meer recycling. Ook bij dat soort processen komt warmte vrij die kan worden ingezet. Zo verduurzaamt ook de geleverde restwarmte voortdurend. Zie ook de tabel uit het raadsvoorstel. Geothermie Restwarmte Aquathermie Aardgas (cv-ketel)
in 2019 14,3 kg CO2/GJ 18,6 kg CO2/GJ 33,6 kg CO2/GJ 58,5 kg CO2/GJ
in 2030 8,6 kg CO2/GJ 9,5 kg CO2/GJ 11,7 kg CO2/GJ 58,5 kg CO2/GJ
21. Q. Antje Jordan: De warmtenet vermogens zijn gek genoeg gedimensioneerd op basislast (~1kW/huishouden), niet op pieklast (~5kW/huishouden). Dat betekent echter dat als in Rotterdam in een koude periode 5kW/huishouden aan gelijktijdigheid benodigd is, dat alle restwarmte die beschikbaar is, veel dichterbij Rotterdam nodig is. Het is dan natuurkundig onmogelijk om enige warmte in Leiden uit de WarmtelinQ te krijgen zonder dat je in Rotterdam bijstookt. Dat is dus geen restwarmte. Sterker nog, zodra het een beetje koud is, komt er dus geen restwarmte uit de WarmtelinQ, maar juist bijgestookte warmte. Maar dan veel minder efficiënt dan als je het in Leiden had opgewekt (pompenergie, warmteverlies over 40km). Als het koud is, is het dus niet restwarmte, klopt dat? A. De aanname dat warmte zal moeten worden bijgestookt op de koudste dagen van het jaar, strookt met het voorlopige beeld dat in de nabije toekomst ook nog gas (of een andere energiebron) nodig is voor de piekvraag. Dit zal volgens aannames en ervaringen met het huidige net slechts enkele dagen per jaar zijn in koude winters. Deze bijstook kan worden ingevuld door bijvoorbeeld een Energiehub in de Leidse regio, eventueel in combinatie met aardwarmte. Om de energievraag (en dus ook bijstook) zo laag mogelijk te maken, zetten de gemeenten ook flink in op isolerende maatregelen in de gebouwde omgeving.
Daarmee kunnen ook de stooklijnen van het huidige net in de toekomst naar beneden komen, wordt de piekvraag van de gebouwde omgeving op koude dagen aanzienlijk gereduceerd en wordt de bijstook nog kleiner. Als de bijstook in de toekomst laag genoeg is, kan worden overgeschakeld op groene stroom in plaats van aardgas. Reactie AJ De stelling dat ‘slechts enkele dagen per jaar’ bijstook noodzaak is voor zover ik nu kan overzien onjuist. Zie ook de technische vragen met uitleg hierboven. Voor de liefhebber zie bijlage 1, waarvoor ik ook de hulp van een ingenieur moest inroepen. 1 Ik vrees dat we “enkele dagen” moeten vervangen met <150 dagen per jaar. Als er andere berekeningen bekend zijn, ontvang ik die graag. Zie eerdere beantwoording op de rol van een piekvoorziening in het lokale warmtesysteem. De benodigde piekvraag hangt sterk af van de buitentemperatuur waarbij over het algemeen gesteld kan worden dat het piekvermogen nodig is gedurende meerdere dagen in de winter, de bijbehorende levering in GJ is echter op jaarbasis zeer laag in verhouding tot de basislast levering. Vanwege het feit dat een piekbron niet het gehele jaar nodig is, zal deze vanuit economisch perspectief altijd lokaal in het warmtenet worden geplaatst.
De stelling dat warmtevraag in Rotterdam de warmtevraag in Leiden zou bijten en dat er vervolgens bijgestookte warmte vanuit de Warmtelinq geleverd zal gaan worden klopt dus niet. 22. Q. Antje Jordan: klopt het niet dat de 190 miljoen sowieso geïnvesteerd moeten worden om de piek in juli van pv op te vangen Dit betreft een inschatting en doorrekening van Alliander. Reactie AJ Waarop is deze inschatting van Alliander gebaseerd? Kan ik de onderliggende berekening ontvangen? Navraag bij nebeheerder Alliander toon aan dat het bedrag van 190 mln aan transport en distributie kosten (dus ook een deel voor TenneT) is een inschatting is van de kosten voor het verzwaren van het transportnetwerk van elektriciteit, als er geen andere warmtebronnen zijn en de opgave aardgasloos voornamelijk d.m.v. elektrische systemen gerealiseerd kan worden in deze regio. Niet meer dan een indicatie. Hier liggen op dit moment geen concrete plannen aan ten grond slag.
1Bij een opstelling met een benodigde gelijktijdigheid van 6kW (een conservatieve schatting gezien de koudeperiode afgelopen jaar), en een vermogen van 1kW vertegenwoordigt dat vermogen een beta van 0.16667 (ISSO Publicatie 72). Bij de jaarbelastingduurzaamheidskromme van een normaal huishouden is met veel optimisme er van te maken dat misschien 45% van de tijd het vermogen met 1kW gedekt kan worden. Een jaarbelastingsduurzaamheidskormme houdt echt geen rekening met de extra beperkingen die het verlies en pompenergie van 80km warmteleiding en het knelpunt en de tussenliggende verbruikers in Rotterdam in Den Haag. Die betekenen dat je in werkelijkheid lager uitkomt, zoals ook uit mijn vorige vragen blijkt. Daaruit blijkt ook dat in de eindsituatie er helemaal geen piekvermogen van 1kW/huishouden beschikbaar kan zijn.
23. Q. Antje Jordan: hoe gaan we voorkomen dat we niet 2 netten (elektrisch en warmte) naast elkaar hebben met elk voldoende vermogen voor de warmtevraag? (gezien pv opgave) Het ontwerpen van een duurzame energie-infrastructuur met voorkomen van onnodige maatschappelijke investeringen zien we als één van de belangrijkste opgaven van de gemeenten voor de komende jaren. Reactie AJ Dit is helaas geen antwoord op mijn vraag. Ik ben blij dat we het doel delen, maar ik ben benieuwd hoe we dat moeten bereiken. Het College heeft opdracht gegeven aan drie onderzoeksbureaus voor het schrijven van een zogenaamd Grand Design ondergrond. Daarin komen diverse disciplines samen om er voor te zorgen dat uw zorg in de praktijk niet zal voorvallen. Vervolgens leggen we in de TVW vast welke infra voor verwarming van de gebouwde omgeving nodig gaat zijn, passend binnen een publiek kader (als betaalbaarheid voor maatschappij). Dit moeten leiden tot keuzes die uitvoerbaar zijn. 24. Q. Antje Jordan: ik maak mij grote zorgen om hoeveelheid bomen die gekapt moeten worden en niet terug kunnen komen voor de leiding. We hebben ook een biodiversiteits- en klimaatadaptatie opgave A. Dit is een zorg waarvoor we oog zullen hebben bij de ruimtelijke inpassing van het tracé.
Reactie AJ Het lijkt mij verstandig om de kosten en baten integraal af te wegen zodra ze bekend zijn en niet pas bij de ruimtelijke inpassing. Dat sluit overigens ook aan bij de eisen van de omgevingswet. Als we nu al weten dat 10 meter links en rechts van een leiding geen boom mag staan, kunnen we al een inschatting maken. Zie het antwoord op vraag 23. Bij de ontwikkeling van het tracé wordt vanzelfsprekend meegewogen dat bomen een grote waarde hebben en zal er bezien worden dat er een tracé wordt gekozen met zo min mogelijk impact op het bomenbestand. 26. Q. Mathieu Paardekooper: Wordt de aansluiting op het warmtenet vrijwillig of verplicht? A. De aansluiting op een warmtenet is geen verplichting vanuit de concept Wet collectieve warmtevoorziening. Er is de mogelijkheid tot opt-out. Volgens de huidige vorm van het wetsvoorstel mag iedereen kiezen voor een andere oplossing, mits die tenminste net zo weinig CO 2 produceert als de oplossing die de gemeente aanbiedt. Q. Antje Jordan: hoe zorgen we ervoor dat er niet alleen nog maar arme mensen in tochtige corporatiewoningen overblijven? A. Onderdeel van de warmtetransitie is de aanpak van energiearmoede en een belangrijke publieke waarde is de haalbaarheid van de transitie voor alle inwoners. Dit is vooralsnog benoemd als een lokale opgave waar elke gemeente zelf haar aanpak op ontwikkelt.
Reactie AJ Mede als reactie op vraag 34 hierboven: mogen sociale huurders ook voor een opt out kiezen? Op het moment dat de corporatie van warmtebron verandert is geen toestemming nodig van huurders (uitgaande dat deze huurders al warmte afnemen van een centrale bron via stadswarmte). Indien sprake is van verandering van bron, en daarmee verandering van warmtelevering, dan wel. Zoals bijvoorbeeld het overstappen van het gebruik van een CV ketel naar stadsverwarming. De corporatie kan een sociale huurder daar niet toe dwingen. Er is draagvlak voornodig. Ofwel individueel (EGW), ofwel complexmatig (MGW).