Antwoord technische vragen PvdA over Verordening Jeugdhulp gemeente Leiden 2022
Tekst van het document
Antwoord technische vragen Suzanne van der Jagt (PvdA) over Verordening Jeugdhulp gemeente Leiden 2022 t.b.v OS 7-12 - In artikel 4.3.a staat dat een individuele jeugdhulpvoorziening alleen kan worden verstrekt indien redelijkerwijs geen aanspraak kan worden gedaan op de 'eigen kracht' van de jeugdige en/of zijn ouder(s)/verzorgers(s) en dat draagkracht van de ouders wordt meegewogen. Vraag: wat wordt hier verstaan onder draagkracht? Gaat het o.a. om de financiële draagkracht (inkomen en/of vermogen) van ouders? Zo ja, kan het college hierop een nadere toelichting geven, hoe gaat dit in zijn werk? Antwoord: De integrale hulpvraag van het kind staat altijd centraal: Welk type hulp en welke vorm van ondersteuning heeft het kind nodig en in welke omvang en mate van frequentie dient die hulp en ondersteuning beschikbaar te zijn. Vervolgens wordt de eigen kracht van ouders onderzocht. Daaronder wordt niet het inkomen en vermogen van ouders verstaan. Wat onderzocht wordt, is in hoeverre ouders in staat zijn om hun kind de hulp en ondersteuning te geven, die het nodig heeft. Daarbij speelt het probleemoplossend vermogen van ouders een belangrijke rol en de mogelijkheden die zij hebben – indien nodig én mogelijk met hulp van het sociaal netwerk - om in te spelen op en aan te sluiten bij de specifieke behoeften van hun kind.
- Per Saldo heeft gevraagd of toegangsmedewerkers worden geschoold (bijlage 1). Het college geeft aan dat de jeugdteams geschoold gaan worden t.b.v. de uitvoering van het nieuwe PGB-beleid en dat scholing van medewerkers onderdeel is van de implementatie. Vraag: Welke periode wordt gezien als implementatieperiode? Hoe verhoudt dit zich tot het moment van inwerkingtreding van de verordening (per 1 januari 2022)? Indien dan nog niet alle toegangsmedewerkers geschoold zijn, is latere inwerkingtreding van de verordening een optie? Zo niet, waarom niet? Antwoord: Het nieuwe beleid per 1 januari 2022 geldt (alleen) voor nieuwe pgb-aanvragen. Voor de huidige pgbhouders geldt een overgangsrecht van maximaal 1 jaar na inwerking treden van de nieuwe regels, waardoor er voorzien wordt in een geleidelijke overgang. Vertegenwoordigers van de Jeugdteams zijn vanaf de start betrokken bij de voorbereiding van het nieuwe PGBbeleid. Om die reden zijn zij goed op de hoogte van de belangrijkste beleidswijzigingen. Samen met hen wordt de implementatie van het nieuwe beleid voorbereid. Belangrijk onderdeel daarin is het informeren en instrueren van alle toegangsmedewerkers, zodat zij kennis hebben van het nieuwe beleid, voordat de nieuwe regels per 1 januari van kracht zullen worden en zij ook vaardig zijn en worden in de uitvoering ervan.
Er wordt een gezamenlijke informatiebijeenkomst (in de eerste helft van december) voorbereid voor alle toegangsmedewerkers. Daarnaast is er een procesafspraak gemaakt om het komende jaar regelmatig casuïstiek met elkaar te bespreken. Die bespreking dient meerdere doelen. Het voorziet toegangsmedewerkers van handvatten voor de uitvoering, zodat zij per situatie een goede afweging leren maken. Daarnaast brengt het complexe casuïstiek in beeld, die om een uitzondering op de regels vragen. En tot slot geeft het de gemeente inzicht in de uitvoerbaarheid en mogelijke effecten van het nieuwe beleid. Met deze opzet gaan we ervan uit dat alle toegangsmedewerkers vanaf de inwerkingtreding per 1-1-22 voldoende handvatten hebben om hun taak goed uit te kunnen voeren. Van een latere inwerkingtreding is daarom geen sprake.
- In de reacties op de verordening (bijlage 1) staat bij 25 dat het uitsluiten van informele zorg door ouders onwenselijk is. De gemeente geeft aan het uitgangspunt te behouden. Vraag: Kan hierop een iets uitgebreidere toelichting worden gegeven? Kan dit volgens het college leiden tot het sneller inzetten van professionele hulp? En kan het college voorbeelden geven van de uitzonderingssituaties? Antwoord: De beleidskeuze om de inzet van ouders voor zorg en ondersteuning aan hun kind niet langer vanuit een pgb te vergoeden sluit aan bij de vastgestelde visie “Samen sterk voor de toekomst van de Jeugd(hulp)” (RV 19.0089). De verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen ligt allereerst bij de ouders.
Dat ouders hulp en ondersteuning geven aan hun kind wordt in lijn met deze visie als eigen kracht van ouders gezien. In het verlengde hiervan worden ouders hier niet (langer) voor betaald vanuit een pgb. Als een kind meer hulp en ondersteuning nodig heeft dan ouders – eventueel met hulp van het sociaal netwerk – kunnen bieden en de zorgbehoefte van het kind dus de draagkracht van ouders te boven gaat, dan wordt voorzien in aanvullende hulp en ondersteuning in de vorm van zorg in natura (ZIN) of een persoonsgebonden budget (pgb). Indien een pgb toegekend wordt, kunnen ouders ervoor kiezen om met het pgb de extra benodigde zorg bij iemand anders uit het sociaal netwerk (informele zorg) of bij een jeugdhulpaanbieder (professionele zorg) in te kopen. Het is niet goed in te schatten welke keuze ouders gaan maken: informele zorg bij derden inkopen of professionele hulp inschakelen of wellicht een combinatie van beide. Om schrijnende situaties te voorkomen, is het mogelijk om af te wijken van de regels en ouders bij uitzondering toch voor de hulp en ondersteuning aan hun kind te vergoeden. Het is aan het Jeugdteam om hier een zorgvuldige afweging in te maken en te komen tot een maatwerkoplossing, die recht doet aan deze specifieke situatie. Het is niet mogelijk om op voorhand voorbeelden te noemen van uitzonderingssituaties.
Gaandeweg zal er een beeld ontstaan van complexe casuïstiek, die om een uitzondering op de regels vraagt. - Vraag: Waarom is de (rol van de) vertrouwenspersoon wel opgenomen in de verordening en de (rol van de) onafhankelijke cliëntondersteuner niet? Antwoord: De onafhankelijke cliëntondersteuner valt onder de WMO en de Vertrouwenspersoon onder de Jeugdwet. Vandaar dat de cliëntondersteuner niet in de Verordening staat en de vertrouwenspersoon wel. Overigens wijst het college in artikel 2.2 lid3 van de nadere regels de jeugdige en ouders wel op de mogelijkheid om gebruik te maken van gratis onafhankelijke clientondersteuning. De clientondersteuner heeft een begeleidende rol: inwoners wegwijs maken in het complexe zorglandschap. In 2015 is ervoor gekozen om de verplichting voor gemeenten om in cliëntondersteuning te voorzien voor alle cliënten (van alle leeftijden en over alle levensdomeinen) in één wet te regelen: de nieuwe WMO. De cliëntondersteuning voor Jeugd (en gezin) is dus ook in de WMO 2015 geregeld en niet in de Jeugdwet. De WMO 2015 bepaalt dat gemeenten onafhankelijke cliëntondersteuning moeten bieden. Deze is belegd bij MEE. De vertrouwenspersoon is beschikbaar op momenten dat het niet goed gaat met de hulpverlening en bij calamiteiten. Als er zaken in de hulpverlening niet goed lopen, kan de vertrouwenspersoon daarbij helpen.
Niet door het zelf op te lossen, maar door samen met het kind, de jongere of de ouder de oplossing te vinden.