Antwoord op technische vragen VVD over RV21.0109 Verordening Jeugdhulp
Tekst van het document
Antwoord op technische vragen VVD (Alyssa Voorwald) over RV21.0109 Verordening Jeugdhulp In de stukken van de verordening jeugdhulp staat dat bij jeugdhulp rekening wordt gehouden met de godsdienstige gezindheid, levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en/of de ouders. 1. Op welke wijze wordt er in dergelijke gevallen rekening houden; kunnen hier enkele illustratieve voorbeelden worden gegeven? Betreft dit bijvoorbeeld de keuze voor juist een vrouw of man bij het gesprek? Antwoord: De medewerkers van de Jeugdteams houden op diverse manieren rekening met persoonlijke omstandigheden, voorkeur en afkomst van jeugdigen en/of hun ouders. Zij doen wat nodig is én in hun vermogen ligt om aansluiting bij hun client te zoeken ten einde een goede samenwerkingsrelatie op te kunnen bouwen. Mocht dit onverhoopt niet lukken, dan wordt er altijd iemand anders gezocht bij wie dit wel haalbaar is. In de Jeugdteams werken vooral vrouwen. De voorkeur voor een man of vrouw kan wel onderwerp van gesprek zijn en dan is het aan de Jeugdteammedewerker om een eventuele barrière weg te nemen. Als dit niet lukt, dan kan een van de (schaarse) mannen worden ingezet. De Jeugdteams hebben geïnvesteerd in de omgang met cliënten met diverse culturele achtergronden; een aantal collega’s heeft hier ook scholing in gevolgd.
Bij gezinnen met een andere culturele achtergrond en/of godsdienstige overtuiging wordt uitgevraagd welke normen, waarden of overtuigingen een rol spelen bij de opvoeding en de manier waarop met problemen omgegaan wordt. Een ander voorbeeld van rekening houden met gezinnen is bijvoorbeeld heel praktisch je schoenen uitdoen bij een huisbezoek en/of gepaste kleding aantrekken. Ook bij doorverwijzing houden de Jeugdteams rekening met persoonlijke omstandigheden, voorkeur en afkomst van jeugdigen en/of hun ouders. Bijvoorbeeld wanneer een gezin streng gereformeerd is, wordt een jeugdhulpaanbieder gezocht, die hierbij past. Daarnaast wordt bijvoorbeeld rekening gehouden met de taal. Bij een hulpverlener, die de taal van de cliënt spreekt, zal een cliënt zich immers beter en makkelijker open kunnen stellen.
2. Kan een van bovenstaande overtuigingen/achtergronden de keuze voor een behandeling beïnvloeden? Antwoord: Ja zeker, bovengenoemde zaken en omstandigheden (voorkeur man/vrouw; taal; culturele achtergrond; geloofsovertuiging e.d.) spelen een rol bij de zoektocht naar de best passende hulp. Uiteraard gaat dit altijd in overleg met de client. Meestal lukt het om passende hulp te vinden in aansluiting op de behoeften en voorkeuren van een client. Consequentie daarvan kan zijn dat ouders bijvoorbeeld verder moeten reizen, omdat er minder keuze aan organisaties is en de best passende organisatie niet in de buurt is.
3. Wordt in het geval van botsende belangen tussen deze overtuigingen/achtergronden van de ouders en de beste zorg voor het kind, altijd gekozen voor de beste zorg voor het kind? Antwoord: Het belang van het kind staat altijd voorop. Wel is het ook in het belang van het kind én komt het de hulpverlening ten goede als ouders achter een behandeling staan. Uitgangspunt is om hen mee te krijgen en zo nodig te kijken waar hun angst en/of belemmeringen zitten. Tegelijkertijd wordt in casuïstiek binnen de Teams besproken of de belangen van het kind hierdoor niet in de knel komen. Een verwijzing naar speciaal onderwijs kan zodoende wel een kleine vertraging oplopen om ouders mee te nemen in het proces, maar zal in het belang van het kind wel worden doorgezet. Dit geldt ook voor andere noodzakelijke behandelingen.