220012 Bijlage 2.1 Ruimtelijke Onderbouwing Morsweg naast 60
Tekst van het document
Het beleidskader wordt in dit geval weergegeven door het vigerende bestemmingsplan Transvaal. Het plan wordt ingepast in de bestaande architectuur. De gebouwde poort tussen de panden met nummer 54 en nummer 60 aan de Morsweg geeft toegang tot een openbaar park, één van de weinige publieke plekken van deze aard aan de Rijn. De beoordeling of iets in strijd is met (redelijke) eisen van welstand en daarmee het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk wordt in het geval van de gemeente Leiden gedaan door WML Welstand. Deze commissie toetst nieuwe ruimtelijke ontwikkeling aan de Welstandsnota. Daarbij toetst de Welstandscommissie of de aanvraag ruimtelijk inpasbaar is.Zo wordt er onder andere gekeken naar het karakter van de bestaande bebouwing, openbare ruimte, het landschap, de stedenbouwkundige context, massa, structuur, maat en schaal, detaillering, materiaalkeuze en kleurstelling, samenhang van het bouwwerk en het plaatsen van zonnepanelen. Vanwege bovenstaande is derhalve ook een akkoord vanuit de Welstandcommissie.
4.7.2
Onderzoeksresultaten
Aan de Morsweg is de gevel van het appartementsgebouw Morsweg 60-70 doorgezet als poort, in eenzelfde materialen, met herkenbare sparingen, maar zonder achterliggende woningen. De woningen zijn op precieze wijze ingepast binnen de bestaande poort. Zo ook de entree van de nieuwbouw is op aanvaardbare wijze ingepast. Het publieke karakter van de poort blijft behouden. De variatie in terugleggen en uitsteken van het bouwvolume ten opzichte van de bestaande poort en gevelwand is contextueel van aard. De 'erker' ligt in lijn met de gevellijn van het aanliggend pand met huisnummer 54 en is daarmee stedenbouwkundig aanvaardbaar. Aan de achterzijde sluiten de nieuwe woningen ook aan bij de naastgelegen woningen. Om de privacy van bewoners van belendende panden te borgen is onder andere het balkon op de derde verdieping middels een vide/trapgat iets meer dan 2 meter teruggelegd ten opzichte van het belendende pand. Bij het lopen over de spiltrap is tevens de privacy geborgd door een rooster (louvres). Het zicht tussen bewoners van nieuwbouw en bewoners van het belendende pand is daarmee voldoende afgeschermd. De ruimtelijke ontwikkeling heeft geen onevenredige impact op de bezonning van de naastgelegen woningen of van de woningen aan de overzijde.
28
Ruimtelijke Onderbouwing Morsweg naast 60
4.8
Verkeer en vervoer
4.8.1
Beleidskader
4.8.1.1 Regionale mobiliteitsagenda De vigerende regionale ambities zijn vastgesteld in de 'Inhoudelijke Agenda 2016-2020' van Holland Rijnland (16 december 2015). Deze agenda benoemt de speerpunten die in verschillende coalities worden opgepakt. Holland Rijnland is een netwerkorganisatie en heeft als opdracht: “zorgdragen binnen de regio voor een optimale verbinding, ontmoeting en samenwerking op ruimtelijk, economisch en sociaal gebied”. Twee van de vier verwoorde ambities hebben een relatie met de opgaven voor mobiliteit namelijk “koploper in het toepassen van economische en technologische innovaties” en een “aantrekkelijke en vitale woon- en leefomgeving”. Enkele van de bijbehorende speerpunten van Holland Rijnland zijn het beter benutten van het regionaal mobiliteitsnetwerk en ondersteuning van de gemeenten bij het verwerven van subsidies (regionale projecten), strategische verkenningen en kennisdelen. Als uitwerking van het speerpunt mobiliteit heeft Holland Rijnland een knelpuntenanalyse uitgewerkt. Om goed voorbereid te zijn op de toekomst en om een robuust verkeer en vervoersysteem in de regio te garanderen zijn de (toekomstige) mobiliteitskansen en- knelpunten in beeld gebracht.
Hierbij is rekening gehouden met toekomstige ontwikkelingen, zowel ruimtelijk-economisch als infrastructureel evenals met diverse trends en ontwikkelingen die effect kunnen hebben op de knelpunten en kansen. Op basis van bovenstaande analyses en met het RVVP (inclusief uitvoeringsprogramma's) en het Regionaal InvesteringsFonds als kaders, is de Regionale Mobiliteitsagenda ontwikkeld. Op het moment van opstellen van deze bestemmingsplantoelichting, wordt er in Holland Rijnland verband door de gemeenten gewerkt aan een mobiliteitsagenda die de strategie (en daarmee de keuzes en uiteindelijk de uitvoeringsprojecten) voor de langere termijn vastgelegd. Daarnaast wordt gelijktijdig gewerkt aan een ruimtelijke en economische agenda, zodat een geïntegreerde totaal visie op Holland Rijnland schaal ontstaat.
4.8.1.2 Mobiliteitsnota 2020-2030 De Mobiliteitsnota 2020-2030 vastgesteld door de gemeenteraad op 16 juli 2020 is onderdeel van het integrale beleid zoals omschreven in de Omgevingsvisie. Vooruitlopend op de Omgevingsvisie is de noodzaak ontstaan om het huidige mobiliteitsbeleid te actualiseren omdat de gemeente Leiden aan de vooravond staat van belangrijke transities voor energie, klimaat en mobiliteit. De mobiliteitsnota beschrijft hoe we onze stad via een toekomstbestendig mobiliteitssysteem duurzaam bereikbaar maken. Vervoersvormen die zuinig omgaan met de ruimte en goed zijn voor de leefbaarheid en het milieu in de stad krijgen een hoofdrol. In een compacte, inclusieve, stad, die steeds drukker wordt, zijn de fiets, lopen en goed toegankelijk openbaar vervoer logische opties voor bewoners en bezoekers om zich te verplaatsen. Door het gegeven dat er woningen bijkomen, het aantal banen blijft groeien en de bezoekersstroom blijft toenemen, kan worden geconcludeerd dat die reizigers onmogelijk allemaal de auto kunnen gebruiken, omdat het autonetwerk dan ontoereikend is. Alleen met meer fiets- en OV-gebruik wordt de stad leefbaar en bereikbaar gehouden en de luchtkwaliteit op het gewenste niveau. Dit wordt modal shift genoemd. Hierdoor wordt gezorgd dat iedereen in de stad zich kan verplaatsen én kan meedoen.
Hoofdambitie van het mobiliteitsbeleid is het bereiken van een modal shift naar meer schone mobiliteit. De hoofdambitie is vervolgens onder te verdelen in negen deelambities die bijdragen aan een verschuiving van vervoerswijzen door te faciliteren, stimuleren en verleiden:
29
Ruimtelijke Onderbouwing Morsweg naast 60
1. Leiden als fietsstad 2. Lopen krijgt meer ruimte 3. Stimuleren Openbaar Vervoer 4. Versterken van de hoofdontsluitingsstructuur 5. Autoluwe binnenstad met meer autovrije straten 6. Een aantrekkelijke binnenstad maken door de aanwezigheid van een emissieloos stadsdistributiesysteem 7. De juiste parkeerder op de juiste plek 8. Ondersteunen deelconcepten 9. Gebruik maken van nieuwe technologie
Er gaat veel aandacht uit naar de duurzame mobiliteitsvormen lopen, fietsen en openbaar vervoer. En, hoewel het tegenstrijdig lijkt, is het noodzakelijk om de komende jaren te investeren in autobereikbaarheid. Niet alleen speelt de auto nog geruime tijd een rol bij verplaatsen van Leidenaren en bezoekers aan Leiden, maar door autoverkeer goed af te wikkelen op geschikte routes ontstaat elders tevens ruimte voor voetgangers, fietsers en het openbaar vervoer.
4.8.1.3 Gemeentelijk beleid Parkeervisie 2020-2030 Op 16 juli 2020 heeft de gemeenteraad (Rv.nr. 20.0038) de Parkeervisie 2020 – 2030 vastgesteld. Hierin is de visie op zowel autoparkeren als op fietsparkeren in de gemeente Leiden vastgelegd. Duurzame, schone vervoersvormen zoals het openbaar vervoer, de fiets en de voetganger krijgen voorrang, de auto krijgt een minder prominente rol in de stad. Met oog voor de verschillende leefgebieden in de stad is gekozen voor maatwerk bij autoparkeren. Nieuw is een flexibele parkeernorm voor de auto bij nieuwbouw of een nieuwe functie van een gebouw. Niet één parkeernorm voor heel Leiden, maar de mogelijkheid om per gebied, functie en doelgroep te differentiëren. De gemeente Leiden staat voor een verbetering van de kwaliteit van de openbare ruimte, waardoor aangestuurd wordt op minder geparkeerde auto's op straat. Bij nieuwbouw is parkeren op eigen terrein uitgangspunt. Een nieuw onderdeel in de vastgestelde parkeervisie is de fietsparkeernorm: bij nieuwbouw of een nieuwe functie van een bestaand gebouw is een aantal fietsparkeerplaatsen vereist. De fietsparkeernorm geeft de fietser garantie op voldoende en goede stallingsplaats. Het plangebied is gelegen in de 'eerste schil rond de binnenstad'.
De belangrijkste beleidsuitgangspunten van deze zone zijn: - Op basis van stresstesten – dat zijn onderzoeken naar wateroverlast, hitte, droogte en overstroming – heft de gemeente straatparkeerplaatsen op. In het beste geval gebeurt dit wanneer de parkeerdruk het toelaat, maar in gesprek met de buurt kan hiervan worden afgeweken. Leiden gaat parkeren door bewoners mogelijk meer op afstand invullen en liefst op eigen terrein of in gebouwde voorzieningen. - Overloop van bewonersparkeren vanuit de binnenstad blijft bestaan totdat vraag en aanbod in de binnenstad met elkaar in balans zijn. Aanpassing van het parkeerregime moet wijkvreemde parkeerders weren. - De kosten van het parkeren helpen het aantal interne autoverplaatsingen in de stad te verminderen.
30
Ruimtelijke Onderbouwing Morsweg naast 60
- In de omgeving van (H)OV-locaties krijgen nieuwbouw en gebouwen die een andere functie krijgen op een verantwoorde manier minder parkeerplaatsen. - Het aantal parkeervergunningen wordt beperkt. Bewoners mogen maximaal twee auto's in de openbare ruimte parkeren. De in de visie ter zake voorgeschreven maatregelen worden gefaseerd ingevoerd. Beleidsregels Parkeernormen Leiden (2020) In het bestemmingsplan dienen regels te worden opgenomen ten aanzien van parkeren en laden en lossen. Uitgangspunt is dat bij ontwikkelingen (nieuwbouw of functiewijziging) voldoende parkeerplaatsen en ruimte voor laden en lossen op eigen terrein beschikbaar moeten zijn. Hiermee wordt voorkomen dat een nieuwe ontwikkeling onevenredige gevolgen voor de omgeving oplevert. Om te beoordelen wat 'voldoende' parkeerplaatsen voor auto- en fietsparkeren zijn, heeft het college van B&W op 17 juli 2020 de 'Beleidsregels parkeernormen Leiden 2020' vastgesteld. De beleidsregels hebben ook betrekking op de wijze van bepalen van de hoeveelheid en de kwaliteit van benodigde parkeerplaatsen, in verband met aanvragen voor alle activiteiten, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid Wabo.
4.8.2
Onderzoeksresultaten
4.8.2.1 Ontsluiting De appartementen zijn gelegen aan de Morsweg, boven de bestaande onderdoorgang en is toegankelijk voor wandelaars, fietsers, (vracht)autoverkeer en hulpdiensten. Voorliggende ruimtelijke ontwikkeling belemmert de bereikbaarheid niet. Het overige verkeer wordt niet belemmerd door de komst van de appartementen, gezien de appartementen gestapeld boven de onderdoorgang gerealiseerd worden. Bij het opmaken van het bestemmingsplan Transvaal is rekening gehouden met de doorstroming van het verkeer en de toegang voor het overige verkeer door een deel van de straat te bestemmen als 'Verkeer'. Deze gronden zijn slechts bestemd voor voorzieningen ten behoeve van langzaam verkeer en gemotoriseerd verkeer met overwegend een wijk- buurtfunctie.
4.8.2.2 Parkeren De ruimtelijke ontwikkeling aan de Morsweg naast nummer 60 zorgt voor een (minimale) bezoekersparkeereis voor auto's. Voor wat betreft het bewonersaandeel van de parkeereis komen toekomstige bewoners niet in aanmerking voor een gemeentelijke parkeervergunning. Hiermee wordt voldaan aan de beleidsregels parkeernormen Leiden 2020. De bezoekersparkeereis is nihil, namelijk 0,3. Deze getallen worden altijd afgerond, waardoor er juridisch gezien geen bezoekersparkeereis is. Kortom: de nieuwe parkeereis die ontstaat door sec. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de beleidsregels parkeernormen Leiden 2020. Ondanks dat de parapluherzieing voor Fietsparkeren nog niet vigerend is ten tijden van de aanvraag is er wel conform de beleidsregels Parkeernormen Leiden 2020 in voldoende mate in ruimte voorzien voor fietsparkeren: er worden bergingen op de begane grond beoogd voor de bewoners conform de gelijkwaardigheidsbepaling van het Bouwbesluit. De bergingen zijn smaller maar wel hoger dan het Bouwbesluit voorschrijft. Dit is gedaan zodat de maximale ruimte onder door onderdoorgang geborgd blijft. Tevens is er voorzien in een fietsenrek voor bezoekers. Dit voorkomt verrommeling van de onderdoorgang en overige openbare ruimte.
31
Ruimtelijke Onderbouwing Morsweg naast 60
4.8.3
Conclusie
De ruimtelijke ontwikkeling levert geen belemmeringen op vanuit verkeerskundig oogpunt.
32
Ruimtelijke Onderbouwing Morsweg naast 60
Hoofdstuk 5 5.1
Procedurele aspecten
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
Op grond van artikel 2.10, lid 1 onder c Wabo dient een omgevingsvergunning geweigerd te worden voor aanvragen die in strijd zijn met het bestemmingsplan en er geen vergunningverlening mogelijk is met toepassing van artikel 2.12 Wabo. De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend na het voeren van een procedure tot afwijking van het bestemmingsplan. Hierbij gelden drie mogelijkheden: indien in het bestemmingsplan een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid wordt gegeven dan kan deze toegepast worden op grond van artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 1º van de Wabo; indien het bestemmingsplan geen binnenplanse afwijkingsmogelijkheid biedt, maar bij algemene maatregel van bestuur afgeweken kan worden dan kan deze toegepast worden op grond van artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 2º van de Wabo; indien aan geen van bovenstaande voldaan kan worden, de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat, dan kan de omgevinsgvergunning worden verleend met toepassing van artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 3º van de Wabo doorlopen worden. Dit is een procedure op grond van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.
5.2
Procedure
Het plan is strijdig met het bestemmingsplan. Voor dit bouwplan is in het Besluit omgevingsrecht geen mogelijkheid opgenomen voor een buitenplanse afwijking. Daarmee is de juiste juridisch-planologische procedure voor het mogelijk maken van het ingediende bouwplan, het verlenen van een omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3o Wabo. Het betreft een uitgebreide procedure. Dit houdt in dat het ontwerpbesluit met deze ruimtelijke onderbouwing zes weken ter inzage wordt gelegd voor het indienen van zienswijzen. Eenieder kan gedurende die termijn een zienswijze indienen. De zienswijzen worden beantwoord in een zienswijzennota. Als gevolg van ingediende zienswijzen kan een omgevingsvergunning worden geweigerd. De aanvrager kan dan een aangepaste aanvraag indienen. Geven de zienswijzen geen aanleiding de omgevingsvergunning te weigeren, dan kunnen de indieners van de zienswijzen door de raadscommissie worden gehoord. De raadscommissie neemt een besluit op de zienswijzen en in voorkomende gevallen over het afgeven van een verklaring van geen bedenkingen. Indien geen zienswijzen ingediend worden, kan direct na de ter inzage legging van het ontwerpbesluit een omgevingsvergunning verleend worden.
De omgevingsvergunning treedt in werking met ingang van de dag na afloop van de beroepstermijn van zes weken gerekend vanaf de dag na die waarop het besluit ter inzage is gelegd en nadat deze langs elektronische weg kenbaar is gemaakt. Tegen het besluit tot verlening van een omgevingsvergunning kan rechtstreeks beroep worden aangetekend bij de rechtbank gedurende een termijn van zes weken na publicatie van de vergunning.
33
Ruimtelijke Onderbouwing Morsweg naast 60
5.3
Verklaring van geen bedenkingen
Bij de toepassing van artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 3º is in sommige gevallen een verklaring van geen bedenkingen vereist. De Wabo biedt de raad op grond van artikel 6.5, derde lid Bor de mogelijkheid om een lijst van categorieën van gevallen vast te stellen, waarvoor een verklaring van geen bedenkingen van de raad niet is vereist. Met een dergelijke lijst kan de raad er voor zorgen dat het geen verklaring hoeft af te geven voor strijdige ruimtelijke activiteiten met een zeer beperkt planologisch belang, of activiteiten waarover de raad reeds eerder heeft besloten in de vorm van een gebiedsvisie, wijkontwikkelingsplan, stedenbouwkundig masterplan of soortgelijk ruimtelijk kader. In februari 2020 heeft de raad van Leiden besloten (RV 19.0008) een lijst met categorieën van gevallen vast te stellen waarvoor geen verklaring van geen bedenkingen is vereist. Deze lijst wordt periodiek herzien. Voorliggende ruimtelijke ontwikkeling voldoet aan categorie 3 uit de lijst van gevallen. Wanneer er geen zienswijzen binnenkomen in de zienswijzeperiode is er enkel een ontwerp-vvgb nodig en geen definitieve vvgb.
34
Ruimtelijke Onderbouwing Morsweg naast 60
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
In de ruimtelijke ordening is sprake van veel publiekelijke belangen. Het is dan ook noodzakelijk om aan te geven in hoeverre de voorgestane plannen financieel haalbaar zijn en wie de risicodragende partij is. Dit hoofdstuk geeft daarin inzage. De aanvrager draagt de kosten voor de realisering van het project. De gemeente Leiden doet geen investeringen. In artikel 6.12 lid 1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. Wat onder een bouwplan moet worden verstaan is opgenomen in artikel 6.2.1 Bro. Het plan is niet aan te merken als een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 Bro. Er hoeft derhalve geen exploitatieplan worden opgesteld. De plankosten worden in rekening gebracht op basis van de Legesverordening.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.2.1
Algemeen
Bij het opstellen van deze ontwerp omgevingsvergunning hoort een belangenafweging. In zo'n belangenafweging worden alle belangen tegen elkaar afgewogen om uiteindelijk tot een besluit te komen. Gedurende een zienswijzentermijn kan eenieder zijn of haar belang bij het college kenbaar maken alvorens de een besluit wordt genomen over verlening van de omgevingsvergunning.
6.2.2
Zienswijzen
Via publicaties in de Staatscourant en de Stadskrant zal de termijn van terinzage legging van de ontwerp omgevingsverguning worden aangekondigd. Een ieder wordt tijdens deze periode van zes weken in de gelegenheid gesteld om een zienswijze tegen het voorgenomen plan kenbaar te maken. De ontwerp omgevingsvergunning alsmede de ontwerp verklaring van geen bedenkingen zal gedurende een termijn van zes weken voor zienswijzen ter visie worden gelegd. In die termijn kan eenieder een zienswijze met betrekking tot het ontwerp indienen. Op deze manier kunnen belangen die bij de uiteindelijke besluitvorming betrokken moeten worden ingebracht worden. De beantwoording van eventuele zienswijzen vindt plaats in een zienswijzennota. Deze zienswijzennota vormt een onderdeel van het uiteindelijke besluit tot al dan niet verlening van de omgevingsvergunning.
35