210145 Bijlage 1. Artikelsgewijze toelichting Wijzigingsverordening Referendumverordening 2008
Tekst van het document
BIJLAGE 1. Artikelsgewijze toelichting wijzigingsverordening A De aanpassing van artikel 3, lid 2 onder f is een technische wijziging. Oude terminologie is vervangen door de hedendaagse equivalenten waarbij gebruik is gemaakt van de VNG-modelverordening.
B De aanpassing van artikel 3, lid 2 onder i is een voornamelijk technische wijziging. De oude terminologie is vervangen door de hedendaagse equivalenten waarbij gebruik is gemaakt van de VNG-modelverordening. Structuurplanwijzigingen en planologische kernbeslissingen bestaan niet meer. Bovendien wordt voorgesorteerd op de inwerkingtreding van de Omgevingswet (waardoor het bestemmingsplan verdwijnt). De nieuwe formulering is algemener waardoor duidelijk wordt dat het bij dit soort besluiten (ongeacht de naam) gaat om besluiten waarbij de gemeenteraad geen enkele beleidsvrijheid heeft. Het gaat dan om het één op één vertalen van besluitvorming van een hoger bestuursorgaan (Rijk of Provincie) of de wetgever. Daarbij kan gedacht worden aan een reactieve aanwijzing op basis van de Wet op de ruimtelijke ordening of een besluit tot indeplaatsstelling op basis van de Gemeentewet.
C Artikel 5 wordt geredigeerd zodat de reeds bestaande taken van de Referendumkamer duidelijker worden geordend en hier en daar duidelijker worden geformuleerd. Daarbij is zoveel mogelijk aangesloten bij de ordening en formulering uit de modelverordening van de VNG. In het eerste lid onder a.is vastgelegd dat de Referendumkamer formulieren vaststelt en vertrekt voor het indienen van de ondersteuningsverklaringen voor het inleidend referendumverzoek. Dit is conform de evaluaties van de Referendumkamer over LEAD (aanbeveling 2) en WSPR (aanbeveling 1) en de evaluatie van de griffie / presidium. In het eerste lid onder b en c staat de advisering aan respectievelijk de raad en het college. Op basis van de aanbeveling (nummer 11) van de Referendumkamer over het Referendum WSPR is hier (bij c1) de expliciete adviserende taak in de verordening toegevoegd waar het gaat om het ontwerp van de stempas en het stembiljet voor een referendum. Ook is hier (bij b3) toegevoegd dat de referendumkamer adviseert over de datum van een te houden referendum. Tijdens de afgelopen initiatieven is ook zo gehandeld en voor de duidelijkheid is ervoor gekozen dat in dit artikel te vermelden (in combinatie met de verduidelijkende aanpassing in artikel 11 (zie toelichting bij O)).
Hetzelfde geldt voor de toevoeging (bij b4) dat de referendumkamer de raad adviseert over het papieren en digitale formulier voor de ondersteuningsverklaringen voor een definitief referendumverzoek. Dit hangt samen met de verduidelijkende aanpassing van artikel 10, lid 1 (zie toelichting bij J. t/m N.). Dit is nu dus expliciet als taak vermeld in dit artikel. De Referendumkamer heeft een adviserende rol bij diverse stappen in het referendumproces die gevoelig kunnen liggen of voor discussie kunnen zorgen. Onder d is de rol van de referendumkamer als toezichthouder op het hele referendumproces vastgelegd. Een uitvloeisel van die rol is de behandeling door de referendumkamer van klachten over het referendumproces (onder e). Klachten kunnen over uiteenlopende zaken gaan, bijvoorbeeld het afkeuren van een aantal ondersteunende handtekeningen, het aantal stembureaus of een campagne uiting van een organisatie. Wellicht ten overvloede: de taak die de Referendumkamer heeft ten aanzien van klachten over het referendumproces heeft niet te maken met het klachtrecht dat wordt geregeld in hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb); dat klachtrecht gaat immers alleen over gedragingen van bestuursorganen en personen die daarbij werkzaam zijn. De afdoening daarvan is een taak van het bestuursorgaan zelf. Dit is overigens niet gewijzigd ten opzichte van de oude verordening.
Pagina 1 van 6
D De aanpassing van artikel 6, lid 1 is een technische aanpassing. Op advies van de Referendumkamer is een minimumaantal leden opgenomen. Dit is nodig in verband met het in het tweede lid van dit artikel bepaalde quorum van drie leden. Dat wordt immers niet gehaald in het geval de Referendumkamer uit minder dan drie leden zou bestaan.
E en F Het eerste lid van artikel 9 wordt aangepast en er komt een nieuwe tweede en derde lid waardoor duidelijker dan voorheen duidelijker wordt wat de functie en inhoud is van de ondersteuningsverklaringen voor een inleidend referendumverzoek. In dit artikel wordt namelijk preciezer dan voorheen vastgelegd dat er ondersteuningsverklaringen zijn, waaruit die bestaan, dat de referendumkamer hiervoor een formulier maakt en verstrekt en dat de referendumkamer de raad informeert wanneer deze formulieren worden verstrekt. Verder wordt vastgelegd wanneer een Leidse inwoner in dit stadium als ‘kiesgerechtigd’ wordt beschouwd (namelijk op de datum waarop het verzoek voor een inleidend referendum bij de raad wordt ingediend). Deze aanpassing volgt de tijdens de initiatieven voor LEAD en WSPR gevormde praktijk en vloeit voort uit aanbeveling 1 en 2 uit de evaluatie LEAD van de Referendumkamer en aanbeveling 1 en 2 uit de evaluatie WSPR van de Referendumkamer, het advies van het college naar aanleiding van LEAD en de evaluaties van de griffie / presidium over zowel LEAD als WSPR. Waar mogelijk en nuttig, is gebruik gemaakt van de terminologie in de VNG-modelverordening. Tot slot is de periode uit artikel 9, lid 1 van de Referendumverordening verlengd waarvoor een inleidend referendumverzoek moet zijn ingediend. Dat was één week en wordt twee weken.
Voor de onderbouwing daarvoor wordt verwezen naar de toelichting in het raadsvoorstel.
G Artikel 9 wordt hier aangepast ter verduidelijking. Allereerst wordt vastgelegd wat precies wordt gecontroleerd wanneer een inleidend referendumverzoek is ontvangen (namelijk naam, adres, woonplaats, geboortedatum en kiesgerechtigdheid) om te bepalen hoeveel geldige ondersteuningsverklaringen zijn ingediend. Dit is niet nieuw, maar een codificering van de praktijk. Daarnaast wordt hier vastgelegd dat niet het college maar de burgemeester verantwoordelijk is voor de controle. Dit sluit aan bij de praktijk en is logisch vanwege de tijdsdruk (de besluitvorming loopt sneller) en om de schijn van belangenverstrengeling te voorkomen (het college is immers ook verantwoordelijk voor het raadsvoorstel waarover een inleidend referendumverzoek is ontvangen). Deze aanpassing vloeit voort uit de aanbeveling van het presidium / de griffie om de verordening te bekijken op mogelijke verbeteringen / verduidelijkingen van de bevoegdheden van de diverse actoren.
H Dit is een redactionele aanpassing. Een referendum kent slecht één (mogelijke) uitslag. Daarom is: ‘waarbij de raad vaststelt dat hij onvoldoende mogelijkheden ziet, dan wel niet bereid is, om te handelen conform een van de mogelijke uitslagen van het referendum’ aangepast in: ‘ waarbij de raad vaststelt dat hij onvoldoende mogelijkheden ziet, dan wel niet bereid is, te handelen conform de mogelijke uitslag van het referendum.
Pagina 2 van 6
I. De referendumkamer geeft de aanbeveling hetzij in de verordening, hetzij op de gemeentelijke website een nadere specificatie op te nemen welke personen of instituties worden uitgenodigd voor de consultatiebijeenkomst over de vraagstelling van het definitieve referendumverzoek, (aanbeveling 3 WSPR). In artikel 9, lid 8 van de huidige verordening staat dat daarover door de Referendumkamer wordt overlegd met vertegenwoordigers van de raad en van de initiatiefnemers. Zowel bij LEAD als bij WSPR werd ook het college als direct betrokkene (vergelijk het derde lid) voor dat overleg uitgenodigd. Om dit te formaliseren wordt het college aan dit lid toegevoegd. Daarnaast wordt geregeld dat ‘in ieder geval’ met deze betrokkenen wordt overlegd, zodat afhankelijk van de aard van verzoek ook met anderen kan worden overlegd over de vraagstelling. Het kan zijn dat ook andere (dan de in de verordening genoemde) belangstellenden hun mening over de vraagstelling bij de Referendumkamer kenbaar willen maken. De tijd tussen het overleg over de vraagstelling en het uitbrengen door de Referendumkamer van een advies is echter zeer kort (binnen twee weken). De groep andere belangstellenden kan afhankelijk van het onderwerp (zeer) groot zijn.
Deze belangstellenden wordt daarom de mogelijkheid geboden hun visie op de vraagstelling (tijdig) schriftelijk bij de Referendumkamer kenbaar te maken, zodat daarmee rekening kan worden gehouden bij het opstellen van het advies. De informatie hierover wordt op de gemeentelijke website (van de Referendumkamer) verduidelijkt.
J. t/m N. Artikel 10 wordt op een aantal punten aangepast. Allereerst wordt in het eerste lid verduidelijkt wanneer iemand kiesgerechtigde is voor het zetten van een handtekening ter ondersteuning van een definitief verzoek (namelijk op de dag dat de termijn van zes weken start). Dit sluit aan bij de gevormde praktijk, gaat (binnen wat organisatorisch mogelijk is) uit van de voor de kiesgerechtigde meest ruime termijn (het VNG-model gaat uit van de dag dat de raad heeft besloten dat het inleidend verzoek wordt ingewilligd) en volgt het advies van de Referendumkamer (aanbeveling 1 LEAD). Verder wordt hier, ook volgens gevormde praktijk, nog eens expliciet bepaald dat de referendumkamer adviseert over de handtekeninglijsten en de inhoud van de bij de digitale ondersteuning te gebruiken internetpagina ten behoeve van het definitief referendumverzoek. Verder wordt in een nieuw tweede lid voor alle duidelijkheid vastgelegd wat een ondersteuningsverklaring voor een definitief referendumverzoek dient te bevatten. In het vijfde lid wordt verduidelijkt dat de burgemeester de ondersteuningsverklaringen controleert en waarop. Deze aanpassing vloeit voort uit de aanbeveling (nummer 10) van de referendumkamer over LEAD en die van het presidium / de griffie om de verordening te bekijken op mogelijke verbeteringen / verduidelijkingen van de bevoegdheden van de diverse actoren.
De mogelijkheid tot het indienen van een ondersteuningsverklaring bij een fysieke locatie blijft mogelijk. Wel wordt het aantal locaties teruggebracht van vijf naar drie (het Stadhuis en twee -in plaats van vier- andere locaties). Dit is in overeenstemming met het advies van de Referendumkamer (aanbeveling 7 evaluatie WSPR). Het gaat minder ver dan het advies van het college naar aanleiding van LEAD waarin werd geadviseerd te overwegen de ondersteuningsverklaringen alleen digitaal (eventueel met hulp) te kunnen indienen. Tot slot wordt vastgelegd dat de periode van zes weken waarin ondersteuningsverklaringen voor een definitief verzoek kunnen worden ingediend, eindigt op een door de raad vastgestelde dag en tijdstip. Het vastleggen van een tijdstip is nodig in verband met de mogelijkheid een digitale ondersteuning in te dienen en wordt aanbevolen door de Referendumkamer (aanbeveling 9 Evaluatie LEAD en aanbeveling 4 WSPR).
Pagina 3 van 6
De termijn van zes weken en het aantal ondersteuningsverklaringen (5.000) wordt niet aangepast, zoals geadviseerd door de Referendumkamer (aanbeveling 8 Evaluatie WSPR).
O. Toegevoegd aan artikel 11 is dat naast het college ook de Referendumkamer de raad adviseert over de datum van een referendum. Dit was bij LEAD en WSPR praktijk vanwege zorgvuldige besluitvorming op basis van de bevoegdheid van de referendumkamer ongevraagd advies te geven. Hiermee wordt deze adviesbevoegdheid expliciet vastgelegd. De formulering sluit aan op die in de VNG-modelverordening. Op advies van de Referendumkamer is een nieuw tweede lid opgenomen waarin een uiterste datum is opgenomen waarin het referendum moet worden gehouden. In de huidige verordening werd niet aangegeven, anders dan VNG-modelverordening en andere lokale referendumverordeningen, dat dit referendum binnen een bepaalde termijn dient te worden georganiseerd. Om eventueel lang uitstel te voorkomen, is conform VNG-model bepaald dat het referendum gehouden wordt uiterlijk vier maanden na de dag waarop besloten is tot het houden van een referendum. De raad kan deze termijn met ten hoogste twee maanden verlengen om het referendum te combineren met een reguliere verkiezing of om te voorkomen dat het referendum in een schoolvakantie voor het basis- en voortgezet onderwijs valt die voor de regio is aangewezen.
P Artikel 12 wordt aangepast zodat duidelijk is dat het subsidiekader dat de raad heeft vastgelegd in de Algemene Subsidieverordening (ASV) ook van toepassing is op de verlening van subsidies voor de campagnevoering in het kader van een referendum. Dat betekent dat de subsidieregeling van het college ook aan die kaders moet voldoen. Dat was al het geval, maar is nu voor de duidelijkheid vastgelegd. Sommige kaders uit de ASV passen echter niet goed bij een referendum. Daarom zijn artikel 8, lid 3 en artikel 9, lid 2 ASV niet van toepassing omdat de daar genoemde aanvraagtermijnen van 13 weken te lang zijn in het geval van een referendum. Een kortere termijn is dan noodzakelijk. Verder kan worden afgeweken van de weigeringsgronden in artikel 10 ASV omdat deze in het geval van een subsidie voor een referendumcampagne te verstrekkend kunnen zijn.
Q. De aanpassing van artikel 13 is hoofdzakelijk technisch, ter verduidelijking. De titel wordt aangepast om de lading beter te dekken. Daarnaast wordt, conform de VNG-modelverordening duidelijk(er) verwezen naar de delen van de Kieswet die op het referendum van toepassing zijn. Het Kiesbesluit is gebaseerd op de Kieswet en daarmee ook van toepassing. Dat wordt niet (meer) apart vermeld. Het gaat om de volgende onderdelen: • Hoofdstuk B • hoofdstuk E, paragraaf 2: de instelling en bemensing van stembureaus door het college; • hoofdstuk E, paragraaf 4: de instelling van het centraal stembureau (bij een lokaal referendum is er geen taak voor een hoofdstembureau; paragraaf 3 van hoofdstuk E is hier daarom niet vermeld); • hoofdstuk J: de stemming (met onder andere de oproep, de inrichting van het stemlokaal, het uitbrengen van de stem); • hoofdstuk L: het stemmen bij volmacht; • hoofdstuk N, paragraaf 1: de telling van de stemmen; • hoofdstuk P, paragraaf 1: de werkzaamheden van het centraal stembureau ten behoeve van de vaststelling en de bekendmaking van de uitslag;
Pagina 4 van 6
• hoofdstuk P, paragraaf 4: de vaststelling en de bekendmaking van de uitslag in een openbare zitting van het centraal stembureau. Ook is hier geregeld dat er een proces-verbaal van de werkzaamheden wordt opgemaakt. Zie over de bekendmaking ook de toelichting bij artikel 14 (bij R). Daarnaast wordt vermeld op welke datum iemand als kiesgerechtigd wordt beschouwd (de datum van het referendum). Dit volgens het advies van de Referendumkamer (aanbeveling 1 uit de evaluatie LEAD) en de evaluaties van de griffie / presidium over zowel LEAD als WSPR. Voor het begrip ‘kiesgerechtigd’ is aangesloten bij degene die gerechtigd is deel te nemen aan de raadsverkiezingen. Dit is geregeld in artikel B3 van de Kieswet (op dag van stemming18 jaar of ouder, ingezetene van de gemeente op de dag van kandidaatstelling, Nederlander of EU-onderdaan of vijf jaar een verblijfsvergunning, of rechtmatig in Nederland verblijvend op grond van de Vreemdelingenwet 2000 of op grond van een verdrag tussen een internationale organisatie en de Staat der Nederlanden inzake de zetel van deze organisatie in Nederland). Iemand is kiesgerechtigd als hij (onder meer) woonachtig is in Leiden. Dit woonplaatscriterium wordt in de Kieswet bepaald aan de hand van de datum voor kandidaatstelling (hier: voor de gemeenteraadsverkiezingen). Dat is 44 dagen voor de dag waarop de gemeenteraadsverkiezing plaatsvindt.
Een referendum kent echter geen ‘dag van kandidaatstelling’; de 44 dagen worden hier gehanteerd analoog aan de bepalingen daarover voor gemeenteraadsverkiezingen in de Kieswet. Dit is overigens geen inhoudelijke wijziging maar een verduidelijking.
R. Aan artikel 14 worden drie nieuwe leden toegevoegd waarmee duidelijk wordt vastgelegd hoe de procedure eruit ziet voor het bepalen van de uitslag van een referendum en voor het bepalen of dit op wettige wijze is gebeurd. Hier wordt de evaluatie WSPR van de Referendumkamer (aanbeveling 12) gevolgd. Deze procedure vloeit voort uit diverse bepalingen in de Kieswet en het Reglement van Orde van de gemeenteraad Leiden. Bij het referendum WSPR is die procedure ook gevolgd (zie RV21.0017). Dit is nu expliciet geregeld in de Referendumverordening zodat daarover geen onduidelijkheid kan ontstaan en de uitslag op een juiste wijze wordt bepaald. De formulering sluit aan bij de VNG-modelverordening. Zoals uit de toelichting uit het vorige artikel (Q over wijziging artikel 13) blijkt, is onder andere artikel P23 van de Kieswet (onderdeel van paragraaf 4) van overeenkomstige toepassing verklaard. Daarin is geregeld dat het centraal stembureau zijn proces-verbaal met weglating van de ondertekening onverwijld op een algemeen toegankelijke wijze elektronisch openbaar maakt. In het vierde lid van artikel 14 is verder bepaald dat het centraal stembureau de uitslag aan de raad overbrengt. Het vijfde lid regelt dat de raad een uitspraak doet over de wettigheid van de stemming. Die uitspraak doet de raad op basis van het advies van de Commissie Geloofsbrieven.
Dit is conform artikel 4 van het Reglement van orde van de gemeenteraad Leiden. De commissie onderzoek geloofsbrieven adviseert de raad over het verloop van het referendum (of dit op wettige wijze is gebeurd) en het vaststellen van de uitslag (of deze juist is vastgesteld) (vgl. artikel 4A en 4B RvO). Zij doet dit op basis van het proces-verbaal van het centraal stembureau.
S. Dit is een technische aanpassing op basis van de VNG-modelverordening. Op grond van artikel 154, eerste lid, van de Gemeentewet kan de raad op overtreding van een verordening een straf stellen van ten hoogste drie maanden hechtenis of een geldboete van de tweede categorie (€ 4.150,- in 2019). Daarnaast moet dit zo expliciet mogelijk zijn (welke wettelijke bepalingen, welke straf en voor welk delict). Voor het bepalen van wat strafbaar is, is aangesloten bij hoofdstuk Z, paragraaf 1, van de Kieswet. Pagina 5 van 6
Artikel II De wijziging treedt op de dag na publicatie in werking en is vanaf dat moment van toepassing op de gang van zaken bij een referendum, dus op initiatieven die na die datum worden ingediend. Op verzoeken voor een referendum die voor die datum zijn ingediend, gelden de regels uit de oude verordening. Daarnaast is hier vast gelegd dat op de gang van zaken bij het referendum de Tijdelijke wet verkiezingen covid-19 (hierna: tijdelijke Wet) en het Tijdelijk besluit verkiezingen covid-19 (hierna: tijdelijk Besluit), in aanvulling op hetgeen geregeld is in artikel 13 van de verordening, van overeenkomstige toepassing is, zolang deze tijdelijke wet van kracht is. Op 7 november 2020 is (een groot deel van) de tijdelijke Wet en het Tijdelijk Besluit verkiezingen covid-19 in werking getreden. De tijdelijke Wet (en het tijdelijk Besluit beogen maatregelen te treffen om de volksgezondheid bij de organisatie en de uitvoering van verkiezingen te beschermen en een goed verloop van het verkiezingsproces te waarborgen. De tijdelijke Wet is een op zichzelf staande wet, die de Kieswet op bepaalde onderdelen aanvult (maar dus niet wijzigt). Het gaat daarbij vooral om maatregelen met betrekking tot de veiligheid van de stemlocatie en het materiaal, maar ook om het bij volmacht uitbrengen van 3 (i.p.v. 2) stemmen.
Ook is het mogelijk gemaakt dat kiesgerechtigden van 70 jaar of ouder per brief kunnen stemmen en dat enkele stembureaus al voor 17 maart 2021 open zijn. De tijdelijke Wet verviel oorspronkelijk op 1 juli 2021, maar is verlengd. De tijdelijke Wet kan namelijk (steeds met zes maanden) worden verlengd als dat nodig is. In de (gewijzigde) (Leidse) Referendumverordening 2008 staat in artikel 13 dat op de gang van zaken bij het referendum (kort gezegd) het bepaalde in de Kieswet en het Kiesbesluit van overeenkomstige toepassing is. Door dit overgangsrecht wordt geregeld dat zolang de tijdelijke wet van kracht is, deze ook geldt voor het Leidse Referendum. Hiermee wordt het raadsbesluit van 28 januari 2021 (RV.20.0141) ook na deze wijziging van de Referendumverordening formeel geborgd.
Pagina 6 van 6