210088 Bijlage 2 Monitor Sociaal Domein 2021
Tekst van het document
Monitor Sociaal Domein 2021
Versie – 7 september 2021
INHOUDSOPGAVE 1
Inleiding ........................................................................................................................................... 4 1.1
Kaders ..................................................................................................................................... 4
1.2
Verantwoording opgenomen informatie .................................................................................. 7
1.3
Leeswijzer ................................................................................................................................ 8
Deel 1: Indicatoren gemeentelijke monitor sociaal domein .................................................................... 9 2
Uitgangspositie in Leiden (VNG indicatoren) ................................................................................ 10 2.1
Demografie ............................................................................................................................ 10
2.1.1
Leeftijdsopbouw ............................................................................................................. 10
2.1.2
Samenstelling huishoudens ........................................................................................... 11
2.2
Onderwijs ............................................................................................................................... 12
2.2.1 2.2.1.1 2.2.2 2.2.2.1 2.3
Toelichting VSV ......................................................................................................... 14 Leerlingen in speciaal onderwijs .................................................................................... 14 Toelichting speciaal onderwijs ................................................................................... 14
Beroepsbevolking .................................................................................................................. 15
2.3.1 2.3.1.1
Opleidingsniveau beroepsbevolking .............................................................................. 15 Toelichting opleidingsniveau beroepsbevolking ........................................................ 15
2.3.2
Werkzame beroepsbevolking ........................................................................................ 16
2.3.3
Sectoren waarin mensen werkzaam zijn ....................................................................... 17
2.3.3.1 3
Voortijdig schoolverlaters (VSV) .................................................................................... 12
Toelichting werkzame beroepsbevolking................................................................... 17
Gebruik van zorg en ondersteuning in Leiden .............................................................................. 18 3.1
Huishoudens met voorzieningen (VNG indicatoren) ............................................................. 18
3.1.1
Huishoudens met en zonder zorg en ondersteuning ..................................................... 18
3.1.2
Huishoudens met zorg en ondersteuning per domein ................................................... 19
3.1.3
Huishoudens met zorg en ondersteuning naar aantal voorzieningen ........................... 20
3.1.4
Toelichting ..................................................................................................................... 20
3.2
Jeugdzorg .............................................................................................................................. 21
3.2.1 3.2.1.1
Aantal jongeren met jeugdzorg .................................................................................. 21
3.2.1.2
Jongeren met beëindigde jeugdzorg naar reden beëindiging ................................... 22
3.2.1.3
Herhaald beroep Jeugdzorg ...................................................................................... 23
3.2.1.4
Kosten Jeugdzorg ...................................................................................................... 23
3.2.2
Extra indicatoren Jeugd ................................................................................................. 24
3.2.2.1
Type jeugdzorg in Leiden .......................................................................................... 24
3.2.2.2
In en uitstroom Jeugdzorg ......................................................................................... 24
3.2.2.3
Verwijzing zwaardere jeugdzorg ................................................................................ 24
3.2.3 3.3
VNG indicatoren ............................................................................................................ 21
Toelichting cijfers Jeugdzorg ......................................................................................... 25
Wmo ...................................................................................................................................... 27
3.3.1
VNG indicatoren ............................................................................................................ 27
3.3.1.1
Aantal inwoners met een Wmo-voorziening .............................................................. 27
3.3.1.2
Aantal inwoners Beschermd Wonen ......................................................................... 28
3.3.1.3
Aantal inwoners met beëindigde Wmo-voorzieningen .............................................. 29
3.3.1.4
Inwoners van 75 jaar en ouder die zelfstandig of in een zorginstelling wonen ......... 29
3.3.1.5
Kosten Wmo .............................................................................................................. 30
3.3.2
Ervaren effectiviteit Wmo-ondersteuning (CEO) ........................................................... 30
3.3.3
Toelichting cijfers Wmo.................................................................................................. 31
3.4
Participatiewet ....................................................................................................................... 32
3.4.1
VNG indicatoren ............................................................................................................ 32
3.4.1.1
Aantal inwoners met bijstandsuitkering ..................................................................... 32
3.4.1.2
Aantal inwoners met re-integratievoorziening ........................................................... 33
3.4.2
Extra indicatoren Participatiewet ................................................................................... 33
3.4.2.1
Samenstelling klanten Algemene Bijstand ................................................................ 34
3.4.2.2
Trajecten die helpen om mee te doen ....................................................................... 34
3.4.2.3
Armoede .................................................................................................................... 35
3.4.3
Toelichting cijfers Participatiewet .................................................................................. 36
Deel 2: Gebruik monitor sociaal domein als instrument en prioriteitstelling onderzoeksagenda ......... 37 4
Monitor als instrument................................................................................................................... 38
5
Prioriteitstelling onderzoeksagenda .............................................................................................. 39
Bijlage 1 - Motie: Leiden Global Goals Gemeente ................................................................................ 41 Bijlage 2 - Begrippen en definities ......................................................................................................... 42 1.
Onderwijsniveaus .................................................................................................................. 42
2.
Vormen van jeugdzorg .......................................................................................................... 42
3.
Maatwerkarrangementen WMO ............................................................................................ 43
1 Inleiding Voor u ligt de Monitor Sociaal Domein 2021. De monitor is ingericht op basis van een in september 2019 vastgesteld inrichtingsvoorstel (RV 19.0081). De VNG indicatoren over het sociaal domein zoals gepubliceerd op de site www.waarstaatjegemeente.nl (WSJG) vormen de basis van het inrichtingsvoorstel. De belangrijkste overweging om de gegevens van WSJG als uitgangspunt te nemen is dat daarmee een vergelijking met andere gemeenten mogelijk is. Voor WSJG vraagt de VNG gemeenten om informatie aan te leveren. De gegevens van een gemeente worden op WSJG vergeleken met gegevens van gemeenten die een vergelijkbare grootteklasse hebben. Er worden op WSJG vijf grootteklassen onderscheiden. De referentiegroep in de rapportage staat vast. Voor de gemeente Leiden geldt de grootteklasse 100.000 - 300.000 inwoners. Het duurt enige tijd voordat gegevens gepubliceerd kunnen worden. Dit om de betrouwbaarheid van de gegevens te verifiëren. In voorliggende monitor is informatie opgenomen tot en met het jaar 2020. Procedureel is door de VNG vastgelegd dat de gegevens over het jaar 2020 medio september 2021 definitief zijn. Daarom wordt net als voorgaande jaren de Monitor Sociaal Domein medio september opgeleverd. Naast de VNG indicatoren is de monitor uitgebreid met een aantal extra indicatoren die eveneens in het inrichtingsvoorstel zijn vastgelegd.
1.1
Kaders
De Monitor Sociaal Domein is in 2016 opgezet om de gevolgen van de decentralisatie van taken van het Rijk naar gemeenten per 1 januari 2015 in de gaten te houden. Na behandeling van de Monitor Sociaal Domein 2018 (commissie onderwijs en samenleving dd. 9 oktober 2018) is afgesproken de monitor door te ontwikkelen. De doorontwikkeling heeft geresulteerd in een kader voor de monitor, visie op het sociaal domein (RV 19.0029) en het inrichtingsvoorstel (RV 19.0081). Het kader, de Visie Sociaal Domein ‘Iedereen telt mee en doet mee’ biedt een kapstok en ordening voor de activiteiten in het sociaal domein als geheel en geeft richting aan te maken keuzes in het sociaal domein. De doelen uit de visie zijn opgenomen in Figuur 1
4
1)Alle Leidenaren voelen zich gezond en veilig a) Stadsklimaat •
Een stad waarin Leidenaren zich veilig voelen (voorbeelden: een fysiek en sociaal veilige openbare ruimte, veilige woningen, meten: ervaren veiligheid);
•
Een stad waarin Leidenaren zich gezond voelen: uitnodigen tot bewegen, gezond gedrag/sport, stimuleren acceptatie mensen die een ziekte hebben.
b) Collectief •
Ervaren gezondheid van bepaalde doelgroepen, jongeren, ouderen, gehandicapten.
c) Individueel •
Leidenaren in (potentieel) onveilige/ongezonde omstandigheden zijn in beeld en krijgen passende hulp (activiteiten bijv. Juiste Zorg op de Juiste Plek, Leidenaren voor wie het niet meer veilig is thuis te blijven wonen).
2)Alle Leidenaren nemen naar vermogen deel aan de samenleving a) Stadsklimaat •
Leiden is een stad waarin, er (spontaan) contacten ontstaan (op verenigingen, in de wijk), Leidenaren zich vrij voelen hulpvragen te stellen, er voldoende werkgelegenheid is voor iedereen
•
Leiden is een prettige stad om te wonen, werken en recreëren door de diversiteit aan Leidenaren en de openheid van Leidenaren om met iedereen samen te leven (inclusieve & toegankelijke stad)
b) Collectief •
Voldoende ondersteuning voor deelname voor groepen die daar extra ondersteuning bij nodig hebben, bijv. voor kinderen/jongeren met minder gelijke kansen obv hun gezinskenmerken, mensen met psychiatrische problematiek, nieuwkomers
c) Individueel •
Eerst inzetten op gezondheid & veiligheid, dan op deelnemen naar vermogen.
•
Deelnemen is het hebben van voldoende sociaal contact, een zinvolle dagbesteding, het volgen van (passend) onderwijs, dit alles naar het vermogen van de persoon zelf.
3) Alle Leidenaren ontwikkelen zich, delen hun kennis en vormen hun eigen omgeving a) Stadsklimaat •
Leidenaren van alle leeftijden blijven leren (op school, op hun werk, in hun wijk) en delen hun kennis (via bijv. vrijwilligerswerk, jongerenparticipatie) en vormen daarmee hun eigen omgeving (ook actief burgerschap in de wijk)
•
Leiden Kennisstad
b) Collectief •
Gelijke kansen voor kinderen & jongeren mbt volgen onderwijs en talentontwikkeling
c) Individueel • Ontwikkeling via zo mogelijk werk en school/passend onderwijs
Figuur 1 - Doelen sociaal domein
Op 19 juli 2019 heeft de gemeenteraad van Leiden ook een motie aangenomen waarin het college wordt verzocht de gemeente Leiden aan te melden als Global Goals gemeente (zie bijlage 1). Op 25 september 2019 heeft Leiden zich bij de VNG aangemeld als Global Goals gemeente. Met het aansluiten van Leiden als Global Goals gemeente committeert Leiden zich aan de 17 doelstellingen voor duurzame ontwikkeling die zijn geformuleerd door de Verenigde Naties. De zogeheten sustainable development goals (SDG’s) leggen de ambities voor duurzame ontwikkeling van de aarde voor het jaar 2030 vast. De doelen zorgen voor het besef van verantwoordelijkheid voor een gezamenlijk doel en een gezamenlijke taal: het streven naar een eerlijke en duurzame wereld. Lokaal beleid draagt óók bij aan een duurzamere wereld. Acht van de zeventien SDG’s hebben het meest betrekking op het sociaal domein. In feite zijn het doelstellingen die vooraf gaan aan de doelstellingen uit de visie op het sociaal domein. In tabel 1
5
staan de doelen van de vijf SDG’s die betrekking hebben op het sociaal domein. Met de visie op het sociaal domein draagt de gemeente Leiden bij aan de SDG’s. Tabel 1 laat zien welke doelstellingen uit de visie bijdragen aan welke SDG’s. In Tabel 1 is ook de relatie met de indicatoren in voorliggende monitor opgenomen. Het is belangrijk om de verbindende kracht van de doelen op te merken. Bij SDG 2 is bijvoorbeeld te zien dat gebrek aan (gezonde) voeding invloed kan hebben op SDG 3, en omgekeerd. De doelen versterken elkaar als ze samen worden opgepakt.
SDG 1 legt het minimum bedrag vast dat nodig is om te kunnen leven. Sluit aan bij doel 1 van de visie sociaal domein, waarin het gaat om het creëren van een gezonde leefomgeving. Basis voor een gezonde leefomgeving is de beschikbaarheid van voldoende middelen. In de MSD 2020 is een indicator over armoede opgenomen. Het gaat om de indicator zoals gedefinieerd door het Sociaal Cultureel Planbureau. In deze definitie wordt gekeken naar het budget dat voor verschillende huishoudtypes nodig is om rond te kunnen komen. Het is de toegepaste indicator voor armoede voor het minimaal benodigd bedrag om te leven in Nederland.
SDG 2 gaat over het beëindigen van honger in de wereld. In Nederland komt (vergeleken met andere landen) ondervoeding door structureel tekort aan voedsel niet vaak voor. \ In Nederland is gebrek aan (gezonde) voeding vooral een sociaal-economisch probleem, van mensen die langdurig met (minder dan) een minimum-inkomen moeten rondkomen, onbekend zijn met een gezonde leefstijl en/of in sociaal isolement leven. SDG2 sluit aan bij doelstelling 1 uit de visie op het sociaal domein. In de MSD is opgenomen hoeveel mensen (langdurig) van een bijstandsuitkering leven. Door de VN is SDG 3 opgedeeld in vier pijlers: terugdringen van sterfte onder moeders en (met name pasgeboren) kinderen, epidemieën bestrijden, verkeersveiligheid vergroten en gezondheidszorg toegankelijk maken voor alle wereldburgers. In het sociaal domein speelt op dit moment vanzelfsprekend de bestrijding van het Corona Virus. Over de impact van de corona virus wordt buiten de MSD gerapporteerd. Van de vier pijlers van SDG 3 speelt in de visie sociaal domein alleen het toegankelijk maken van zorg en ondersteuning structureel. SDG 3 sluit aan bij doelstelling 1 en 2 uit de visie. De MSD draait hoofdzakelijk om het gebruik van voorzieningen die vallen onder de Wmo, Jeugdwet en Participatiewet. Met behulp van deze voorzieningen is het mogelijk dat mensen mee kunnen blijven doen.
SDG 4 gaat over het recht op goed onderwijs en het bestrijden van analfabetisme SDG 4 sluit aan bij doel 3 uit de visie op het sociaal domein. In de visie gaat het met name om het voorkomen van laaggeletterdheid, het zo optimaal benutten van de mogelijkheden van kinderen en het zoveel mogelijk creëren van gelijke kansen. In de MSD zijn indicatoren opgenomen over voortijdig schoolverlaten en het aantal leerlingen in het speciaal onderwijs.
Bij SDG 5 draait het om het creëren van gender gelijkheid en empowerment voor iedereen. SDG 5 sluit aan bij de tweede doelstelling van de visie op het sociaal domein. In de visie is gelijkheid breder getrokken tot de inclusie van de LHBTI gemeenschap. In de MSD zijn geen specifieke indicatoren opgenomen over gender gelijkheid en inclusie.
6
SDG 10 gaat over het verminderen van ongelijkheid binnen landen en tussen landen. De MSD streeft ernaar om ook ongelijkheid binnen Leiden te verminderen. Doel is om Leiden een toegankelijke en inclusieve stad voor iedereen te laten zijn. Dit door bijvoorbeeld het creëren van voldoende aanbod voor ondersteuning voor groepen die te maken hebben met minder gelijke kansen.
SDG 11 gaat over het doel om steden zo inclusief, veilig, veerkrachtig en duurzaam te maken. SDG 11 sluit aan bij de doelstelling om in Leiden voldoende werkgelegenheid te creëren en het doel uit de visie op het sociaal domein waarin Leidenaren van alle leeftijden blijven leren, kennis delen en de mogelijkheid hebben om hun eigen omgeving te vormen In de MSD zijn indicatoren opgenomen over de arbeidsmarkt en over participatie.
Om de Global Goals doelen te bereiken is samenwerking nodig. Gemeente, bedrijven, burgers en organisaties moeten elkaar kunnen vinden om de ambities uit de visie op het sociaal domein te kunnen realiseren. Gelijke kansen worden alleen gecreëerd als samenwerking plaatsvindt. Als Leidenaren onvoldoende mee kunnen doen of zich in een onveilige/ongezonde omgeving bevinden moet dat gesignaleerd worden en moeten zij gekoppeld worden aan de juiste hulp.
Tabel 1 - Relatie SDG's, visie sociaal domein en MSD
Voor de SDG’s die betrekking hebben op het fysiek domein is de bijdrage van Leiden aan de doelstelling opgenomen in de Omgevingsvisie (B&W 21.0156). Voor de Global Goals als geheel is in Leiden een uitvoeringsorganisatie opgezet en is de website Leiden4GlobalGoals gelanceerd (Leiden4GlobalGoals – Leiden op weg naar een duurzame wereld).
1.2
Verantwoording opgenomen informatie
Deze monitor geeft een beschrijving van de stand van zaken in het sociaal domein en geen oordeel. Dat is ook niet mogelijk omdat hiervoor geen normenkader bestaat. Is het bijvoorbeeld goed of slecht dat het gebruik van een bepaalde voorziening stijgt of daalt? Of hoger dan wel lager ligt dan in andere gemeenten? De gegevens zijn een vertrekpunt om in gesprek te gaan over normering en mogelijk bijsturen en aanscherpen van de doelen zoals vastgelegd in de visie op het sociaal domein (RV 19.0029) of specifieke beleidsnota’s. Voor zover mogelijk wordt wel een toelichting gegeven over opvallende ontwikkelingen in de cijfers. Te denken valt bijvoorbeeld aan een verandering in wettelijke kaders, waardoor het gebruik van voorzieningen aanzienlijk daalt of stijgt. Bij de berekening van het aantal inwoners dat gebruik maakt van een voorziening wordt in veel gevallen gekeken of iemand gebruik maakt van een voorziening gedurende een (half)jaar. De cijfers hebben dus niet betrekking op een peildatum, zoals bijvoorbeeld 1 januari van een jaar. Binnen de gemeente wordt doorgaans wel uitgegaan van aantallen op een bepaalde peildatum. Hierdoor kunnen de aantallen in deze monitor afwijken van de aantallen die binnen de gemeente gehanteerd worden. Naast kwantitatieve informatie is voor zover beschikbaar in de vorm van cliënt ervaringsonderzoek ook kwalitatieve informatie opgenomen.
7
1.3
Leeswijzer
Deel 1 van voorliggende monitor sociaal domein 2021 bevat de indicatoren waarmee de ontwikkelingen in het sociaal domein kunnen worden gemonitord. Het zijn de indicatoren die zijn vastgesteld in het inrichtingsvoorstel (RV 19.0081). Deel 1 bestaat uit twee hoofdstukken. Hoofdstuk 2 gaat in op algemene uitganspunten die opgenomen zijn op WSJG en die van invloed zijn op het gebruik van voorzieningen die vallen onder de Jeugdwet, Wmo en Participatiewet. Als algemene uitganspunten zijn gegevens opgenomen over: demografie (§2.1), onderwijs (§2.2) en beroepsbevolking (§2.3). Hoofdstuk 3 gaat in op het gebruik van de voorzieningen die vallen onder de Jeugdwet (§3.2), Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) (§3.3) en Participatiewet (§3.4). Het hoofdstuk start met een overzicht van huishoudens die gebruik maken van de verschillende voorzieningen die vallen onder de Jeugdwet, Wmo en Participatiewet (§ 3.1) Paragraaf 3.2/ 3.3 en 3.4 zijn als volgt opgebouwd: • VNG indicatoren zoals opgenomen op waarstaatjegemeente.nl • Extra indicatoren zoals vastgelegd in het inrichtingsvoorstel (RV 19.0081). • Ervaring effectiviteit gebruik voorzieningen (voor zover beschikbaar) • Toelichting opvallende veranderingen in het gebruik van voorzieningen Deel 2 bestaat eveneens uit twee hoofdstukken.
Hoofdstuk4 gaat in op de mogelijkheden van het gebruik van de monitor als instrument om ontwikkelingen in het sociaal domein te kunnen volgen. Hoofdstuk 5 gaat in op de prioriteitstelling van de onderzoeksagenda die is vastgesteld bij de monitor sociaal domein 2020
8
Deel 1: Indicatoren gemeentelijke monitor sociaal domein
9
2 Uitgangspositie in Leiden (VNG indicatoren) In dit hoofdstuk is een aantal indicatoren opgenomen die van invloed kunnen zijn op de benodigde zorg en ondersteuning.
2.1
Demografie
Op 1 januari 2020 had Leiden 125.099 inwoners (volgens het CBS). Ten opzichte van 2015 zijn dat er 3.537 meer. Een stijging van bijna 3%. Eens in de drie jaar wordt er een nieuwe PEARL-prognose uitgebracht. Uit de meest recente bevolkingsprognoses van 2019 blijkt dat het aantal inwoners de komende jaren verder zal gaan stijgen. De verwachting is dat Leiden in 2025 circa 132.600 inwoners telt. Inmiddels is wel al bekend dat de cijfers van 2020 en 2021 lager liggen dan de prognose. De prognose is afhankelijk van het woningbouwprogramma. Met name het moment waarop woningen opgeleverd worden kan variëren. Waarschijnlijk hebben verschillen tussen de verwachte en gerealiseerde oplevering van woningen geresulteerd in het lagere aantal inwoners in 2020 en 2021. Immers als een woning niet is opgeleverd kunnen zich ook geen nieuwe inwoners vestigen. Een andere mogelijke verklaring voor de lagere cijfers in 2021 is de invloed van corona en dientengevolge minder buitenlandse studenten en expats.
2.1.1
Leeftijdsopbouw
De leeftijdsopbouw van Leiden wijkt af van het Nederlands gemiddelde en ook van het gemiddelde van de middelgrote steden. Duidelijk is te zien dat Leiden een studentenstad is. Het aandeel 18 tot 27jarigen is in Leiden duidelijk hoger. Er zijn in Leiden relatief weinig inwoners jonger dan 18 jaar. Als we kijken naar de prognose van het aantal inwoners van Leiden naar leeftijd dan zien we de komende jaren met name een stijging van het aantal 0-19 jarigen, het aantal 70-79 jarigen en het aantal inwoners van 80 jaar en ouder.
Leeftijdsopbouw Leiden vergeleken, 2020 35% 30% 25% 20% 15% 10% 5% 0% jonger dan 18 18 tot 23 jaar 23 tot 27 jaar 27 tot 50 jaar 50 tot 68 jaar 68 tot 75 jaar jaar Leiden
middelgrote steden
75 jaar en ouder
Nederland
Figuur 2 - Leeftijdsopbouw Leiden – Bron: WSJG, juli 2021
10
Prognose van de Leidse bevolking naar leeftijd (absolute aantallen)
Figuur 3 - Prognose Leidse bevolking - Bron: PEARL
2.1.2
Samenstelling huishoudens
In Leiden wonen relatief veel alleenstaanden in vergelijking met middelgrote steden en Nederland als geheel. Daarentegen heeft Leiden relatief minder meerpersoonshuishoudens en minder eenoudergezinnen. Als we kijken naar de prognose van het aantal huishoudens in Leiden, dan zien we dat het aantal eenpersoonshuishoudens de komende jaren zal toenemen. Samenstelling huishoudens, 2020 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% alleenstaand
samenwonend zonder kinderen Leiden
samenwonend met kind(eren)
middelgrote steden
1-ouder
Nederland
Figuur 4 - Samenstelling huishoudens 2020 - Bron: WSJG, juli 2021
11
Prognose van de Leidse bevolking naar samenstelling huishoudens (absolute aantallen)
Figuur 5 - Prognose Leidse bevolking naar samenstelling huishoudens - Bron: PEARL
2.2
Onderwijs
2.2.1
Voortijdig schoolverlaters (VSV)
Cijfers over voortijdig schoolverlaten worden door de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) geregistreerd in de landelijke VSV portal. (https://cijfers.duo.nl/ibi_apps/bip/portal/vsv_portal). DUO hanteerde altijd twee verschillende definities van VSV, een landelijke en een regionale. Per schooljaar 2019/2020 gebruikt DUO alleen nog maar de landelijke definitie. De definitie bepaalt dat VSV’ers jongeren zijn van 12 tot 23 jaar die zonder startkwalificatie het onderwijs verlaten. Een startkwalificatie is een havo of vwo diploma of minimaal een mbo-2 diploma. Het VSV-percentage staat voor het aantal VSV’ers als percentage van het aantal onderwijsdeelnemers die aan het begin van het schooljaar ingeschreven staan. In aansluiting op de landelijke definitie zijn in de monitor sociaal domein in onderstaande Tabel 2 de VSV cijfers van Leiden opgenomen en vergeleken met steden met vergelijkbare demografie. Het aantal VSV’ers in Leiden daalt sinds het cursusjaar 2017 / 2018. onderwijssector VAVO
MBO cursusjaar gemeente 2017/2018 2017/2018 2017/2018 2017/2018 2017/2018 2017/2018 2018/2019 2018/2019 2018/2019 2018/2019 2018/2019 2018/2019 2019/2020 2019/2020 2019/2020 2019/2020 2019/2020 2019/2020
deelnemers vsv'ers
vsv%
deelnemers vsv'ers
VO vsv%
deelnemers vsv'ers
vsv%
Delft Haarlem Leiden Maastricht Nijmegen
1.435 2.436 1.678 1.594 2.834
92 186 144 112 253
6,41% 7,64% 8,58% 7,03% 8,93%
47 100 60 77 60
6 11 10 14 12
12,77% 11,00% 16,67% 18,18% 20,00%
3.980 8.328 5.515 4.287 8.035
30 26 44 63 48
0,75% 0,31% 0,80% 1,47% 0,60%
Delft Haarlem Leiden Maastricht Nijmegen
1.488 2.481 1.728 1.591 2.739
89 214 149 107 199
5,98% 8,63% 8,62% 6,73% 7,27%
44 91 43 67 70
5 11 5 15 7
11,36% 12,09% 11,63% 22,39% 10,00%
3.983 8.347 5.387 4.032 7.906
22 41 30 52 44
0,55% 0,49% 0,56% 1,29% 0,56%
Delft Haarlem Leiden Maastricht Nijmegen
1.459 2.421 1.715 1.563 2.869
75 166 113 120 183
5,14% 6,86% 6,59% 7,68% 6,38%
31 102 48 77 76
1 9 6 16 8
3,23% 8,82% 12,50% 20,78% 10,53%
3.881 8.410 5.295 3.850 7.759
20 38 22 42 34
0,52% 0,45% 0,42% 1,09% 0,44%
Tabel 2 - VSV cijfers Leiden vergeleken met andere gemeenten
12
Leiden valt onder de RMC (Regionale Meld- en Coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten) regio Zuid-Holland-Noord. In onderstaande Tabel 3 zijn de regionale VSV cijfers opgenomen. rmc
2017-
2018-
2019-
2018
2019
2020
Achterhoek
1,40%
1,47%
1,87%
Agglomeratie Amsterdam
2,29%
2,44%
1,85%
Alkmaar
1,49%
1,87%
1,79%
Arnhem/Nijmegen
2,06%
2,02%
1,83%
Centraal en Westelijk Groningen
1,99%
2,17%
1,56%
Eem en Vallei
1,63%
1,75%
1,87%
Flevoland
2,38%
2,35%
1,64%
Friesland Noord
1,61%
2,07%
1,64%
Friesland-Oost (de Friese Wouden)
1,45%
1,69%
1,56%
Gewest Limburg-Noord
1,80%
1,75%
2,57%
Gewest Zuid-Limburg
2,22%
2,38%
1,28%
Gooi en Vechtstreek
1,57%
1,79%
1,97%
Haaglanden/Westland
2,30%
2,45%
1,44%
IJssel-Vecht
1,52%
1,62%
2,05%
Kop van Noord-Holland
2,46%
2,34%
1,86%
M idden-Brabant
2,16%
2,33%
1,41%
Noord- en M idden Drenthe
1,20%
1,50%
1,74%
Noord-Groningen-Eemsmond
1,69%
1,79%
1,59%
Noord-Oost-Brabant
1,68%
1,74%
1,43%
Noordwest-Veluwe
1,41%
1,46%
1,65%
Oost-Groningen
2,08%
2,29%
1,47%
Oosterschelde Regio
1,44%
1,42%
1,64%
Rijnmond
2,50%
2,54%
2,13%
Rivierenland
1,36%
1,52%
1,40%
Stedendriehoek
1,93%
2,19%
1,86%
Twente
1,58%
1,64%
1,51%
Utrecht
1,67%
1,87%
1,47%
Walcheren
2,08%
2,06%
1,88%
West-Brabant
1,75%
2,02%
1,74%
West-Friesland
1,78%
1,92%
1,86%
Zeeuwsch-Vlaanderen
2,14%
2,27%
1,83%
Zuid-Holland-Noord
1,80%
1,98%
1,54%
Zuid-Holland-Oost
1,62%
1,84%
1,40%
Zuid-Holland-Zuid
1,92%
1,97%
1,68%
Zuid-Kennemerland en IJmond
1,97%
2,23%
1,82%
Zuid-Oost Drenthe
2,02%
2,12%
1,90%
Zuid-West Drenthe
1,47%
1,86%
1,68%
Zuid-West Friesland
1,22%
1,44%
1,13%
Zuidoost-Brabant
1,96%
1,80%
1,66%
Tabel 3 - VSV cijfers RMC regio's
13
2.2.1.1
Toelichting VSV
Vertrekpunt van het VSV beleid is het stimuleren van jongeren om op school te blijven en hun startkwalificatie te behalen. De afgelopen schooljaren lag het percentage VSV’ers ongeveer op hetzelfde niveau, behalve afgelopen schooljaar waarin een aanzienlijke daling is op te merken. In vergelijking met het landelijke percentage van 1,72% liggen de cijfers in de Leidse RMC-regio daar met 1,54% ruim onder.
2.2.2
Leerlingen in speciaal onderwijs
Het aantal Leidse leerlingen op speciale scholen is de afgelopen jaren toegenomen. Het aantal Leidse leerlingen op het speciaal basisonderwijs is nagenoeg gelijk gebleven. Het aantal leerlingen in het speciaal onderwijs per 1.000 leerlingen in de leeftijd van 4-12 jaar is in 2019 hoger dan het gemiddelde voor de middelgrote steden en ook hoger dan landelijk het geval is. Leerlingen speciaal onderwijs totaal per 1.000 inwoners, schooljaar 2019-2020 12 10 8 6 4 2 0 speciaal onderwijs Leiden
middelgrote steden
Nederland
Figuur 6 - Leerlingen speciaal onderwijs - Bron: DUO (WSJG, juli 2021)
Leerlingen op speciaal onderwijs – Leiden Aantal 2016-2017
2017-2018
2018-2019
2019-2020
speciaal basisonderwijs
144
152
142
141
speciale scholen
378
389
425
449
Tabel 4 - Leerlingen speciaal onderwijs - Bron: CBS (WSJG, juli 2021)
2.2.2.1
Toelichting speciaal onderwijs
Landelijk stijgt het deelnamepercentage speciaal onderwijs. Daarin is Leiden geen uitzondering. Een aantal Leidse speciaal onderwijsscholen, met name het Leo Kannercollege, heeft een regionale functie; er is niet direct een relatie tussen de groei en de stad Leiden. De gemeente Leiden heeft relatief veel onderwijsvoorzieningen, waardoor het cijfer hoger is dan andere middelgrote steden.
14
2.3
Beroepsbevolking
2.3.1
Opleidingsniveau beroepsbevolking
De beroepsbevolking in Leiden is, vergeleken met het gemiddelde van de middelgrote steden en het landelijk gemiddelde, duidelijk hoger opgeleid. Opleidingsniveau beroepsbevolking per 1.000 inwoners (15-74 jaar), 2020 450 400 350 300 250 200 150 100 50 0 laag onderwijsniveau
middelbaar onderwijsniveau Leiden
middelgrote steden
hoog onderwijsniveau
Nederland
Figuur 7 - Opleidingsniveau beroepsbevolking per 1.000 inwoners - Bron: CBS (WSJG, juli 2021)
Opleidingsniveau beroepsbevolking – Leiden Aantal (per 1.000 15-74 jaar) 2017
2018
2019
2020
laag onderwijsniveau
110
90
89
89
middelbaar onderwijsniveau
221
229
218
207
hoog onderwijsniveau
381
389
416
405
Tabel 5 - Opleidingsniveau beroepsbevolking - Bron: CBS (WSJG, juli 2021)
2.3.1.1
Toelichting opleidingsniveau beroepsbevolking
De reden dat de beroepsbevolking in Leiden hoger is opgeleid Figuur 7, is waarschijnlijk vanwege de aanwezigheid van sectoren waar relatief veel theoretisch geschoolde medewerkers werken. Hierbij kan gedacht worden aan het Leiden Bio Science Park en de aanwezigheid van hoogwaardige zorg- en kennisinstellingen. Studenten zitten niet in de hoogopgeleide beroepsbevolking.
15
2.3.2
Werkzame beroepsbevolking
Het aandeel van de Leidse beroepsbevolking (15–65 jaar) dat werkt is door de jaren heen licht toegenomen. En is vergelijkbaar met zowel het gemiddelde van de middelgrote steden als het landelijk gemiddelde. Werkzame beroepsbevolking per 1.000 inwoners 15-65 jaar, 2020 800 700 600 500 400 300 200 100 0 beroepsbevolking Leiden
middelgrote steden
Nederland
Figuur 8 - Werkzame beroepsbevolking per 1.000 inwoners - Bron: CBS (WSJG, juli 2021)
Werkzame beroepsbevolking – Leiden Aantal (per 1.000 inwoners 15-65 jaar) Werkzame beroepsbevolking
2017
2018
2019
673
678
684
2020 672
Tabel 6 - Werkzame beroepsbevolking - Bron: CBS (WSJG, juli 2021)
16
2.3.3
Sectoren waarin mensen werkzaam zijn
Bijna de helft van de werkende Leidenaren, werkt in de Collectieve Dienstverlening (o.a. openbaar bestuur, defensie, onderwijs, zorg, openbare orde en sociale zekerheid). De op één na grootste sector is de Zakelijke Dienstverlening. In de Landbouw en de Overige Dienstverlening werken relatief weinig Leidenaren. Dit beeld is door de jaren heen ongeveer hetzelfde gebleven. Werkende Leidenaren werken opvallend vaker in de Collectieve Dienstverlening dan gemiddeld in middelgrote steden en landelijk. Sectoren waarin mensen werkzaam zijn, 2020 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% Collectieve dienstverlening
Handel
Industrie Leiden
Landbouw
middelgrote steden
Overige dienstverlening
Zakelijke dienstverlening
Nederland
Figuur 9 - Sectoren waarin mensen werkzaam zijn - Bron: CBS (WSJG, juli 2021)
Werkzame beroepsbevolking – Leiden % 2017
2018
2019
2020
Collectieve dienstverlening
46,2%
46,9%
48,0%
48,2%
Handel
11,3%
11,6%
11,6%
11,4%
Industrie
11,9%
12,0%
11,7%
11,7%
Landbouw
0,1%
0,1%
0,1%
0,1%
Overige dienstverlening
1,7%
1,8%
1,8%
1,8%
Zakelijke dienstverlening
28,9%
27,6%
26,9%
26,8%
Tabel 7 - Werkzame beroepsbevolking - Bron: CBS (WSJG, juli 2021)
2.3.3.1
Toelichting werkzame beroepsbevolking
Het hogere opleidingsniveau van de beroepsbevolking in Leiden heeft te maken met de aanwezigheid van onderwijsinstellingen (o.a. Hogeschool Leiden en Universiteit: HSL en UL). Ook is in Leiden veel werkgelegenheid voor hoogopgeleiden (onder andere op het Leiden BioSciencePark, LUMC + Alrijne).
17
3 Gebruik van zorg en ondersteuning in Leiden In dit hoofdstuk zijn de indicatoren opgenomen met betrekking tot het gebruik van zorg en ondersteuning. Onder zorg en ondersteuning worden de individuele voorzieningen verstaan op grond van de Wmo, de Jeugdwet en/of de Participatiewet.
3.1
Huishoudens met voorzieningen (VNG indicatoren)
3.1.1
Huishoudens met en zonder zorg en ondersteuning
Van alle Leidse huishoudens in 2020 krijgt ruim 19% zorg en ondersteuning. Dit percentage is gestegen ten opzichte van voorgaande jaren. Vergeleken met het gemiddelde voor middelgrote steden (23,5%) en Nederland (23,5%) is het aandeel huishoudens met zorg en ondersteuning in Leiden kleiner (19%). Huishoudens met en zonder zorg en ondersteuning, 2020 100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% hh met voorziening Leiden
hh zonder voorziening middelgrote steden
Nederland
Figuur 10 - Huishoudens met en zonder zorg en ondersteuning - Bron: CBS (WSJG, juli 2021)
Huishoudens met en zonder zorg en ondersteuning - Leiden % 2017
2018
2019
2020
Huishoudens met een voorziening
16,5%
16,7%
16,8%
19,2%
Huishoudens zonder voorziening
83,5%
83,3%
83,2%
80,8%
totaal
100%
100%
100%
100%
Tabel 8 - Huishoudens met en zonder zorg en ondersteuning - Bron: CBS (WSJG, juli 2021)
18
3.1.2
Huishoudens met zorg en ondersteuning per domein
Het totaal aantal Leidse huishoudens met zorg en ondersteuning is in 2020, net als in andere middelgrote steden en Nederland, fors toegenomen. Van alle Leidse huishoudens in 2020 met zorg en ondersteuning, hebben de meesten (ruim 40%) alleen een Wmo-voorziening (zie tabel). Dit aandeel is afgenomen ten opzichte van het jaar ervoor, toen maakte bijna de helft van de huishoudens hier gebruik van. In absolute aantallen zien we hier wel een lichte stijging. Het aantal en aandeel huishoudens dat alleen ondersteuning vanuit de Participatiewet heeft, is in 2020 toegenomen: van 2.830 huishoudens (23,6%) in 2019 naar 4.560 huishoudens (32,7%) in 2020. Deze stijging zorgt voor een trendbreuk in de dalende trend die hieraan vooraf ging. Het aantal en aandeel huishoudens met alleen zorg vanuit de Jeugdzorg is het afgelopen jaar sterker gedaald dan in de jaren ervoor; van ruim 15% in 2019 naar bijna 12% in 2020. Ruim 9% van de huishoudens heeft zowel een voorziening vanuit de Participatiewet als vanuit de Wmo. Om deze gegevens van Leiden in perspectief te plaatsen, kijken we naar het aantal huishoudens met zorg en ondersteuning per 1000 huishoudens. We zien dat voor Leiden alle aantallen onder die van het gemiddelde van middelgrote steden en van Nederland liggen of hier vergelijkbaar mee zijn (zie Figuur 11).
Huishoudens met zorg en ondersteuning per domein per 1000 huishoudens, 2020 120 100 80 60 40 20 0 alleen Jeugd alleen P-wet alleen Wmo Leiden
Jeugd en Pwet
Jeugd en Wmo
100.000 - 300.000 inwoners
P-wet en Wmo
Jeugd, P-wet en Wmo
Nederland
Figuur 11 - Huishoudens met zorg en ondersteuning per domein - Bron: CBS (WSJG, juli 2021)
Huishoudens met zorg en ondersteuning per domein - Leiden Aantal
%
2017
2018
2019
2020
2017
2018
2019
2020
alleen Jeugd
1.875
1.820
1.810
1.640
16,6%
15,9%
15,1%
11,8%
alleen P-wet
3.225
3.005
2.830
4.560
28,5%
26,2%
23,6%
32,7%
alleen Wmo
4.680
5.000
5.640
5.865
41,3%
43,6%
47,0%
42,0%
Jeugd en P-wet
280
255
245
300
2,5%
2,2%
2,0%
2,1%
Jeugd en Wmo
200
205
205
205
1,8%
1,8%
1,7%
1,5%
P-wet en Wmo Jeugd, P-wet en Wmo totaal
950
1.070
1.160
1.265
8,4%
9,3%
9,7%
9,1%
110
120
105
120
1,0%
1,0%
0,9%
0,9%
11.320
11.475
11.995
13.955
100%
100%
100,0%
100,0%
Tabel 9 - Huishoudens met zorg en ondersteuning per domein - Bron: CBS (WSJG, juli 2021)
19
3.1.3
Huishoudens met zorg en ondersteuning naar aantal voorzieningen
Bijna 45% van de Leidse huishoudens met zorg en ondersteuning in 2020 heeft 1 voorziening en bijna een derde heeft 2 voorzieningen (zie tabel). Het aantal en het aandeel huishoudens met 1 voorziening zijn het afgelopen jaar toegenomen: van 5.115 (42,6%) in 2019 naar 6.200 (44,4%) in 2020. Ook het aantal en aandeel huishoudens met 2 voorzieningen is toegenomen. Deze toename komt deels doordat er in totaal meer huishoudens met zorg en ondersteuning zijn en deels doordat er minder huishoudens zijn met 3 of meer voorzieningen. Vooral het aantal en aandeel huishoudens met 6+ voorzieningen is het afgelopen jaar afgenomen; van 710 (5,9%) in 2019 naar 465 (3,3%) in 2020. Vergeleken met middelgrote steden en Nederland zien we dat het aantal huishoudens met zorg en ondersteuning per 1.000 huishoudens vergelijkbaar is of in Leiden lager ligt, ongeacht het aantal voorzieningen per huishouden (zie grafiek). Huishoudens met zorg en ondersteuning naar aantal voorzieningen per 1000 huishoudens, 2020 100 90 80 70 60 50 40 30 20 10 0 1 voorziening
2 3 4 5 6+ voorzieningen voorzieningen voorzieningen voorzieningen voorzieningen Leiden
100.000 - 300.000 inwoners
Nederland
Figuur 12 - Huishoudens met zorg en ondersteuning naar aantal voorzieningen - Bron: CBS (WSJG, juli 2021)
Huishoudens met zorg en ondersteuning naar aantal voorzieningen - Leiden Aantal
%
2017
2019
2020
2017
2019
2020
1 voorziening
5.015
5.115
6.200
44,3%
42,6%
44,4%
2 voorzieningen
2.915
3.275
4.390
25,8%
27,3%
31,5%
3 voorzieningen
1.445
1.575
1.645
12,8%
13,1%
11,8%
4 voorzieningen
880
890
885
7,8%
7,4%
6,3%
5 voorzieningen
420
435
370
3,7%
3,6%
2,7%
6+ voorzieningen
645
710
465
5,7%
5,9%
3,3%
11.320
12.000
13.955
100%
100,0%
100,0%
totaal
Tabel 10 - Huishoudens met zorg en ondersteuning naar aantal voorzieningen - Bron: CBS (WSJG, juli 2021)
3.1.4 Toelichting In 2020 zien we een toename van huishoudens met zorg en ondersteuning. De toename is met name te zien bij huishoudens die een voorziening hebben in het kader van de Participatiewet (Tabel 9). De cijfers zijn toegenomen vanwege de opname van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandige ondernemers (Tozo). De Tozo valt onder bijzondere bijstand en daardoor onder de participatiewet.
20
3.2
Jeugdzorg
3.2.1
VNG indicatoren
Over de Jeugdzorg zijn vier indicatoren opgenomen op de site van Waarstaatjegemeente: aantal jongeren met jeugdzorg (paragraaf 3.2.1.1), jongeren met beëindigde jeugdzorg (paragraaf 3.2.1.2), herhaald beroep jeugdzorg (paragraaf 3.2.1.3) en kosten jeugdzorg (paragraaf 3.2.1.4). 3.2.1.1
Aantal jongeren met jeugdzorg
In 2020 is het totale aantal jongeren met jeugdzorg gestegen naar 2.875 jongeren ten opzichte van 2.820 jongeren in het jaar ervoor. Het totale aantal jongeren met jeugdbescherming is verder toegenomen van 170 jongeren in 2019 naar 200 in 2020. Het aantal jongeren in de jeugdreclassering is de afgelopen jaren gelijk gebleven. In vergelijking met andere middelgrote steden en Nederland heeft Leiden in verhouding meer jongeren met jeugdzorg zonder verblijf. Het aandeel jongeren met jeugdzorg met verblijf per 1.000 jongeren is in Leiden iets lager ten opzichte van andere middelgrote steden en Nederland. Het aandeel jongeren in de jeugdbescherming en jeugdreclassering is gelijk aan het aandeel in andere middelgrote steden en Nederland. Jongeren met jeugdzorgtrajecten per 1.000 jongeren, 2e halfjaar 2020 160 140 120 100 80 60 40 20 0 Jeugdhulp zonder verblijf
Jeugdhulp met verblijf Leiden
Jeugdbescherming
middelgrote steden
Jeugdreclassering
Nederland
Figuur 13 - Jongeren met jeugdzorg 2e halfjaar 2020 - Bron: CBS (WSJG, juli 2021)
Jongeren met jeugdzorg - Leiden Aantal 2e halfjaar 2018
2e halfjaar 2019
2e halfjaar 2020
Jeugdhulp zonder verblijf
2.795
2.690
2.730
Jeugdhulp met verblijf
140
130
150
Jeugdbescherming
155
170
200
Jeugdreclassering
35
35
35
Jeugdhulp totaal
2.935
2.820
2.875
Tabel 11 - Jongeren met jeugdzorg - Bron: CBS (WSJG, juli 2021)
21
3.2.1.2
Jongeren met beëindigde jeugdzorg naar reden beëindiging
Van alle jeugdzorgtrajecten die worden beëindigd, wordt het merendeel (bijna 82%) afgesloten volgens plan (zie tabel). Dit aandeel is de afgelopen jaren toegenomen. Bij ongeveer een vijfde worden de jeugdzorgtrajecten voortijdig afgesloten. Dit gebeurt meestal in overeenstemming tussen cliënt en aanbieder. Het beeld voor Leiden is vergelijkbaar met dat van middelgrote steden en Nederland. Jongeren met een beëindigd jeugdzorgtraject, 2020
Figuur 14 - Jongeren met een beëindigd jeugdzorgtraject 2020 - Bron: CBS (WSJG, juli 2021)
Jongeren met een beëindigd jeugdzorgtraject - Leiden Aantal beëindigd volgens plan voortijdig afgesloten totaal Voortijdig, waarvan: - in overeenstemming - eenzijdig door de cliënt - eenzijdig door aanbieder - externe omstandigheden Totaal beëindigd
%
2017
2018
2019
2020
2017
2018
2019
2020
1.600
1.285
1.645
1.370
77,1%
78,4%
79,9%
81,8%
475
355
415
305
22,9%
21,6%
20,1%
18,2%
225
185
170
135
10,8%
11,3%
8,3%
8,1%
95
85
75
90
4,6%
5,2%
3,6%
5,4%
35
40
35
30
1,7%
2,4%
1,7%
1,8%
125
50
130
50
6,0%
3,0%
6,3%
3,0%
2.075
1.640
2.060
1.675
100%
100%
100%
100%
Tabel 12 - Jongeren met een beëindigd jeugdzorgtraject - Bron: CBS (WSJG, juli 2021)
22
3.2.1.3
Herhaald beroep Jeugdzorg
Cijfers over herhaald beroep op de Jeugdzorg zijn er alleen op het niveau van de jeugdzorgregio1. Herhaald beroep betekent dat de desbetreffende jongere in de vijf jaar voorafgaand aan de verslagperiode dezelfde maatregel al eens eerder heeft ontvangen.
Herhaald beroep op de Jeugdzorg – Holland Rijnland Aantal 2016
2017
2018
2019
2020
Jeugdbeschermingstrajecten
25
15
35
20
40
Jeugdreclassering
10
20
10
10
10
Jeugdhulp met verblijf
45
60
30
-
-
Tabel 13 - Herhaald beroep op de jeugdzorg Holland Rijnland - Bron: CBS (WSJG, juli 2021)
3.2.1.4
Kosten Jeugdzorg
De kosten voor de Jeugdzorg zijn in 2018 en 2019 gestegen ten opzichte van 2017. Cijfers over 2020 zijn nog niet gepubliceerd op de site van waar staat je gemeente. Kosten Jeugdzorg - Leiden
Figuur 15 - Kosten Jeugdzorg - Bron: CBS (WSJG, juli 2021)
Kosten Jeugdzorg - Leiden Kosten (x 1.000 euro) Jeugdhulp totaal
2017
2018
2019
13.988
26.972
27.907
Tabel 14 - Kosten Jeugdzorg - Bron: CBS (WSJG, juli 2020)
1 Jeugdzorgregio Holland Rijnland, deelnemende gemeenten: Alphen aan den Rijn, Hillegom, Kaag en
Braassem, Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Lisse, Nieuwkoop, Noordwijk, Noordwijkerhout, Oegstgeest, Rijnwoude, Teylingen, Voorschoten en Zoeterwoude 23
3.2.2
Extra indicatoren Jeugd
In het inrichtingsvoorstel (RV 19.0081) is onder besluitpunt 2 vastgesteld de indicatorenlijst van de VNG uit te breiden met een aantal indicatoren. Voor de Jeugdwet te weten met: Type jeugdzorg (3.2.2.1), in- en uitstroom jeugdzorg (3.2.2.2) en verwijzing naar zwaardere jeugdzorg (3.2.2.3).
3.2.2.1
Type jeugdzorg in Leiden
Onderstaande tabel geeft inzicht in het aantal unieke cliënten per productcategorie (typen) jeugdzorg. Het totaal aantal cliënten is in de jaren 2018 t/m 2020 op hetzelfde niveau gebleven. Type Jeugdzorg aantal 2018
2019
2020
1950
2132
1994
Crisis
80
103
64
Dagbehandeling
199
186
196
EED
234
217
192
Jeugdbescherming
243
283
277
Jeugdreclassering
53
55
44
LTA
36
50
86
Pleegzorg
88
97
118
Verblijf
302
94
92
Ambulant
Vervoer
22
19
14
Eindtotaal
2387
2526
2412
Tabel 15 - Unieke cliënten typen jeugdzorg – Bron TWO Holland Rijnland, augustus 2021 3.2.2.2
In en uitstroom Jeugdzorg
Onderstaande tabel geeft inzicht in de in- en uitstroom van unieke clienten. De instroom is in de periode 2018- 2020 ongeveer gelijk gebleven. In de uitstroom zit een stijgende lijn instroom en uitstroom jeugdzorg aantal 2018
2019
2020
instroom
1978
2037
1979
uitstroom
1057
1259
1463
Tabel 16 - Instroom en uitstroom Jeugdzorg – Bron TWO Holland Rijnland, augustus 2021
3.2.2.3
Verwijzing zwaardere jeugdzorg
In 2020 zijn 80 cliënten verwezen naar zwaardere jeugdzorg (product verblijf). In onderstaande tabel staan de aantallen per verwijzer opgenomen voor de jaren 2018 t/m 2020. De meeste verwijzingen volgen via een gecertificeerde instelling of de gemeente.
24
Verwijzing naar verblijf Aantal 2018
2019
2020
(leeg) geen verwijzer geregistreerd
48
56
3
Gecertificeerde instelling
34
33
37
Geen verwijzer
51
0
1
Gemeentelijke toegang
103
33
38
Huisarts
20
1
2
Jeugdarts
1
0
0
Medisch specialist
13
6
10
Onbekend
1
0
0
Rechter Officier van Justitie functionaris Justitiële jeugdinrichting
1
0
2
Eindtotaal
234
94
80
Niet van toepassing
Tabel 17 - Verwijzingen zwaardere jeugdzorg – Bron TWO Holland Rijnland, augustus 2021
3.2.3
Toelichting cijfers Jeugdzorg
In de tabellen over het gebruik van de jeugdzorg zitten een aantal opvallende cijfers. Over de cijfers over het gebruik van jeugdzorg kan het volgende worden toegelicht: • Het aantal jongeren met jeugdzorg in Leiden is in de periode 2018 t/m 2020 gemiddeld genomen gelijk gebleven (Tabel 11). Het totaal aantal is gelijk gebleven omdat de instroom in 2020 beleidsmatig is gemaximaliseerd. • Het aantal jongeren met een beëindigd jeugdtraject in 2020 is gedaald in vergelijking met 2019 (Tabel 12). Vergelijkbaar met de landelijke trend is te zien dat trajecten langer duren (ook in verblijf). De effecten van de coronamaatregelen hebben hier waarschijnlijk nog een versterkende impact op gehad, doordat de uitstroom naar ambulante zorg werd bemoeilijkt. • In de tabel over herhaald beroep op de jeugdzorg (Tabel 13) zijn over 2019 en 2020 geen cijfers opgenomen over Jeugdhulp met verblijf. De streepjes betekenen dat het in deze jaren gaat om minder dan 10 casussen. Het CBS neemt dan geen waarde op in de rapportage. • In Tabel 13 is het cijfers van het aantal jeugdbeschermingstrajecten in 2020 hoog in vergelijking met 2019. Dit is ook te zien bij andere gemeenten.
Het beeld is dat naar aanleiding van de coronamaatregelen conflicten in gezinnen soms sneller escaleerden, waardoor meer jeugdbeschermingstrajecten werden ingezet, ook omdat preventieve of lichtere inzet door de maatregelen werd bemoeilijkt. • In Tabel 14 over de kosten in de jeugdzorg zijn de gerealiseerde kosten in 2017 opvallend lager. Dit heeft te maken met het gegeven dat in het cijfer van 2017 de gerealiseerde kosten voor jeugdzorg geleverd door het wijk of buurtteams niet zijn meegenomen. • Het verschil in cijfers tussen Tabel 11 (jongeren met jeugdzorg, jeugdbescherming) en Tabel 15 (unieke cliënten typen jeugdzorg - rij jeugdbescherming) is te verklaren doordat in Tabel 11 alleen een vergelijking is gemaakt met het tweede halfjaar. Tabel 15 gaat over het hele jaar. • In Tabel 15 is een stijging te zien van het aantal cliënten met pleegzorg. Dit is te verklaren doordat sinds medio 2018 cliënten tot hun 21e in pleegzorgtrajecten blijven en dat in 2020 vermoedelijk minder kinderen zijn uitgestroomd richting ambulante zorg vanwege de coronamaatregelen. • Tabel 15 laat voor het jaar 2018 een hoog aantal cliënten met verblijf zien (302). In de jaren daarna komen de getallen op respectievelijk 94 (2019) en 92 (2020) uit. De daling heeft te maken met een verschuiving in de productcodes waardoor een aantal producten dat in 2018
25
nog onder het verblijfscontract vielen nadien onder het ambulante contract gingen vallen en dus ook anders worden geregistreerd.
26
3.3
Wmo
3.3.1
VNG indicatoren
Over de Wmo zijn vijf indicatoren opgenomen op de site van WaarStaatJeGemeente: aantal inwoners met een Wmo voorziening (paragraaf 3.3.1.1), aantal inwoners Beschermd Wonen (paragraaf 3.3.1.2), aantal inwoners met beëindigde Wmo voorziening (paragraaf 3.3.1.3), aantal inwoners van 75 jaar die zelfstandig of in een zorginstelling wonen (paragraaf 3.3.1.4) en kosten Wmo (paragraaf 3.3.1.5). 3.3.1.1
Aantal inwoners met een Wmo-voorziening
In 2020 hebben 8.660 Leidenaren een Maatwerkvoorziening vanuit de Wmo (zie Tabel 18). Bij bijna 60% van hen gaat het om een hulpmiddel en dienst. Bijna 30% van hen heeft ondersteuning thuis en ruim een derde heeft hulp bij het huishouden. Het aantal inwoners met een Maatwerkarrangement (zie toelichting Bijlage 2) is de laatste jaren gestegen. Binnen de groep Wmo-gebruikers zien we met name een toename van inwoners met hulp bij het huishouden. De stijging van hulp bij het huishouden en ondersteuning thuis is in 2020 minder groot dan voorgaande jaren. Bij hulpmiddelen en diensten is een daling te zien (Tabel 18). Leiden heeft vergeleken met middelgrote steden en Nederland een kleiner aantal inwoners per 1000 met huishoudelijke hulp en hulpmiddelen en diensten. Het aantal inwoners per 1000 met ondersteuning thuis is lager vergeleken met middelgrote steden en iets hoger vergeleken met Nederland. Het aantal inwoners per 1000 met verblijf en opvang is voor Leiden (en middelgrote steden) groter dan landelijk het geval is. Aantal inwoners met een Wmo-voorziening per 1000 inwoners, 2020
Figuur 16 - Aantal inwoners met een Wmo voorziening - Bron CBS (WSJG, juli 2021)
27
Inwoners met een Wmo-voorziening – Leiden Aantal
%
2017
2018
2019
2020
2017
2018
2019
2020
Ondersteuning thuis
1.980
2.265
2.475
2.555
26,1%
27,5%
28,8%
29,5%
Hulp bij het huishouden
1.615
2.760
3.005
3.170
21,3%
33,5%
35,0%
36,6%
Verblijf en opvang Hulpmiddelen en diensten Maatwerkarrangement totaal
845
920
880
930
11,1%
11,2%
10,2%
10,7%
5.130
5.200
5.355
5.135
67,5%
63,1%
62,3%
59,3%
7.600
8.235
8.590
8.660
100%
100%
100%
100,0%
Tabel 18 - Inwoners met een Wmo voorziening - Bron: CBS (WSJG, juli 2021)
3.3.1.2
Aantal inwoners Beschermd Wonen
In 2020 zijn 930 inwoners die een Beschermd Wonen voorzienig hebben. Dit zijn er meer dan in voorgaande jaren (zie tabel). Vergeleken met andere centrumgemeenten, zien we dat het aantal inwoners Beschermd Wonen per 1.000 inwoners in Leiden lager is dan gemiddeld. Aantal inwoners Beschermd Wonen per 1000 inwoners, 2020 3,0 2,5 2,0 1,5 1,0 0,5 0,0 Beschermd wonen Leiden
gemiddelde centrumgemeenten
Figuur 17 - Aantal inwoners Beschermd Wonen - Bron: CBS (WSJG, juli 2021)
Aantal inwoners Beschermd Wonen – Leiden Aantal Beschermd wonen
2017
2018
2019
2020
845
920
880
930
Tabel 19 - Aantal inwoners Beschermd Wonen - Bron: CBS (WSJG, juli 2021)
28
3.3.1.3
Aantal inwoners met beëindigde Wmo-voorzieningen
Het aantal inwoners met een beëindigde Wmo-voorziening is in 2020 hoger dan in eerdere jaren. Aantal inwoners met beëindigde Wmo-voorzieningen – Leiden Aantal Totaal beëindigd
2016
2017
2018
2019
2020
1.315
1.395
1.675
1.910
5.130
Tabel 20 - Aantal inwoners met beëindigde Wmo voorziening - Bron: CBS (WSJG, juli 2021)
3.3.1.4
Inwoners van 75 jaar en ouder die zelfstandig of in een zorginstelling wonen
Per 1.000 Leidse inwoners van 75 jaar en ouder, wonen er in 2020 71 in een instelling. Een jaar eerder waren dit er 73. Het aantal is dus iets gedaald. In Leiden woont ongeveer hetzelfde aantal 75-plussers in een instelling als het gemiddelde van andere middelgrote steden en het landelijk gemiddelde. Inwoners van 75 jaar en ouder die wel/niet zelfstandig wonen per 1.000 inwoners 75-plus, 2020 1000 900 800 700 600 500 400 300 200 100 0 zelfstandig wonend
wonend in instelling
Leiden
middelgrote steden
Nederland
Figuur 18 - Inwoners van 75 jaar en ouder die wel/niet zelfstandig wonen - Bron: CBS (WSJG, juli 2021)
Inwoners van 75 jaar en ouder die wel/niet zelfstandig wonen – Leiden Aantal (per 1.000 75-plussers) 2017
2018
2019
2020
Zelfstandig wonend
929
925
928
929
Wonend in instelling
71
75
73
71
Tabel 21 - Inwoners van 75 jaar en ouder die wel/niet zelfstandig wonen - Bron: CBS (WSJG, juli 2021)
29
3.3.1.5
Kosten Wmo
De kosten voor de Wmo zijn in 2019 gestegen ten opzichte van 2018. Met name voor Verblijf en opvang zijn de kosten gestegen. Kosten Wmo - Leiden 35.000 30.000 25.000 20.000 15.000 10.000 5.000 0 2017
2018
2019
Hulp bij het huishouden
Ondersteuning thuis
Hulpmiddelen en diensten
Verblijf en opvang
Figuur 19 - Kosten Wmo - Bron: CBS (WSJG, juli 2020)
Kosten Wmo - Leiden Kosten (x 1.000 euro) 2017
2018
2019
Hulp bij het huishouden
6.650
7.605
8.234
Ondersteuning thuis
8.821
10.634
10.792
Hulpmiddelen en diensten
3.794
3.849
4.513
Verblijf en opvang
27.510
28.635
31.236
Totaal
46.774
50.723
54.775
Tabel 22 - Kosten Wmo
3.3.2
Ervaren effectiviteit Wmo-ondersteuning (CEO)
In de verplichte jaarlijkse Wmo-cliëntervaringsonderzoeken geeft een viertal vragen een indruk van de ervaren effectiviteit van de ondersteuning: • Aansluiten op behoefte (De ondersteuning die ik krijg, past bij mijn hulpvraag) • Eigen regie (Door de ondersteuning die ik krijg, kan ik beter de dingen doen die ik wil) • Zelfredzaamheid (Door de ondersteuning die ik krijg, kan ik mij beter redden) • Kwaliteit van leven (Door de ondersteuning die ik krijg, heb ik een betere kwaliteit van leven) Leidse inwoners met een Wmo-voorziening zijn in het algemeen tevreden. Ruim 80% is het (helemaal) eens met alle voorgelegde stellingen. Vergeleken met het gemiddelde van alle middelgrote steden en met het landelijk gemiddelde ligt de ervaren effectiviteit in Leiden hoger.
30
Ervaren effectiviteit Wmo-ondersteuning, 2020 100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0%
% (helemaal) eens
aansluiting behoefte
eigen regie Leiden
zelfredzaamheid
middelgrote steden
kwaliteit van leven
Nederland
Figuur 20 - Ervaren effectiviteit Wmo ondersteuning - Bron: CBS (WSJG, juli 2021)
Ervaren effectiviteit Wmo-ondersteuning - Leiden (helemaal) mee eens
(helemaal) mee oneens
2017
2018
2019
2020
2017
2018
2019
2020
aansluiting behoefte
78%
85%
84%
89%
8%
6%
6%
3%
eigen regie
78%
83%
83%
84%
7%
4%
4%
3%
zelfredzaamheid
79%
87%
86%
85%
7%
3%
5%
4%
kwaliteit van leven
74%
82%
78%
82%
7%
4%
5%
4%
Tabel 23 - Ervaren effectiviteit Wmo ondersteuning - Bron: CBS (WSJG, juli 2021)
3.3.3
Toelichting cijfers Wmo
In Leiden en andere middelgrote steden is het aantal inwoners per 1000 met verblijf (Figuur 16) groter dan in Nederland als geheel. Dit heeft te maken dat Leiden en andere middelgrote steden fungeren als centrumgemeente. Hetgeen betekent dat veel mensen uit omliggende gemeenten gebruik maken van de voorzieningen die zich in de centrumgemeente bevinden. Een van de redenen voor de toename van het aantal cliënten en de kosten voor huishoudelijke ondersteuning (Tabel 18) is het abonnementstarief. De stijging in 2020 was wel lager dan in 2019. Ook de toename van het aantal inwoners met individuele begeleiding is iets kleiner dan in 2019. Mogelijk speelt corona hier een rol in. In 2020 werd vanwege de coronacrisis door de sociale wijkteams wel een toename gemeld van complexe casussen. Vergeleken met eerdere jaren was er in 2020 een grote toename in het aantal beëindigingen (Tabel 20). Dit aantal geeft echter een vertekend beeld. Om administratieve redenen zijn de indicaties voor inwoners met huishoudelijke ondersteuning, begeleiding individueel en dagbesteding per 31 december 2020 beëindigd en per 1 januari 2021 weer opgestart. Dit had geen gevolgen voor de inwoners.
Gerelateerd aan de toename van het gebruik van voorzieningen na introductie van het abonnementstarief in 2019 en het gegeven van Leiden als centrumgemeente voor verblijf en opvang is in Tabel 22 in 2019 een stijging van de kosten te zien. Hierbij is het van belang te realiseren dat de toename van een relatief klein aantal mensen in verblijf en opvang relatief grote veranderingen in de kosten met zich meebrengt.
31
3.4
Participatiewet
3.4.1
VNG indicatoren
Over de Participatiewet zijn twee indicatoren opgenomen op de site van WaarStaatJeGemeente: aantal inwoners met een bijstandsuitkering (paragraaf 3.4.1.1) en aantal inwoners met een reintegratievoorziening (paragraaf 3.4.1.2). 3.4.1.1
Aantal inwoners met bijstandsuitkering
We zien in Leiden in 2020 een stijging het aantal inwoners met een bijstandsuitkering per 1.000 inwoners van 18 jaar en ouder. Vergeleken met het gemiddelde voor alle middelgrote steden en Nederland ligt het aantal bijstandsuitkeringen per 1.000 in Leiden lager. Het aantal bijstandsuitkeringen per 1.000 tot de AOWleeftijd ligt in Leiden ook lager dan het gemiddelde voor alle middelgrote steden en Nederland. Het aantal bijstandsuitkeringen per 1.000 vanaf de AOW-leeftijd is in Leiden hoger dan we zien in middelgrote steden bij elkaar en voor heel Nederland. Aantal inwoners met bijstandsuitkering per 1.000, 2020 60 50 40 30 20 10 0 bijstandsuitkeringen - totaal *
tot AOW-leeftijd **
Leiden
middelgrote steden
vanaf AOW-leeftijd *** Nederland
Figuur 21 - Aantal inwoners met bijstandsuitkering - Bron: CBS (WSJG, juli 2021) * per 1.000 inwoners van 18 jaar en ouder ** per 1.000 inwoners tussen 18-65 jaar ** per 1.000 inwoners van 65 jaar en ouder
Aantal inwoners met bijstandsuitkering – Leiden 2e halfjaar 2016 4.610
2e halfjaar 2017 4.540
Aantal 2e halfjaar 2018 4.400
Tot AOW-leeftijd
4.230
4.140
3.970
3.710
4.470
Vanaf AOW-leeftijd
380
410
430
440
480
Bijstandsuitkeringen – totaal2
2e halfjaar 2019 4.150
2e halfjaar 2020 4.950
Tabel 24 - Aantal inwoners met bijstandsuitkering - Bron: CBS (WSJG, juli 2021)
2 Bijstand gerelateerde uitkeringen tot de AOW-leeftijd zijn bijvoorbeeld de bijstandsuitkering voor oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en/of - gewezen zelfstandigen (IOAZ). Bijstand gerelateerde uitkeringen vanaf de AOW-leeftijd is bijvoorbeeld de aanvullende inkomensvoorziening voor ouderen (AIO). 32
3.4.1.2
Aantal inwoners met re-integratievoorziening
Het aantal inwoners met een re-integratievoorziening is in 2020, na een piek in 2018, verder gedaald tot 1420. Het aantal re-integratievoorzieningen per 1.000 inwoners van 15-74 jaar in Leiden is de afgelopen jaren ook gedaald. Dit aantal ligt in Leiden tevens lager vergeleken met middelgrote steden en Nederland. Aantal inwoners met re-integratievoorziening per 1.000 inwoners (15-74 jaar), 2020 20 18 16 14 12 10 8 6 4 2 0 re-integratievoorziening Leiden
middelgrote steden
Nederland
Figuur 22 - Aantal inwoners met re-integratievoorziening - Bron: CBS (WSJG, juli 2021)
Aantal inwoners met re-integratievoorziening – Leiden
re-integratievoorziening
2e halfjaar 2016 1.500
2e halfjaar 2017 1.840
Aantal 2e halfjaar 2018 2.360
2e halfjaar 2019 1.540
2e halfjaar 2020 1.420
Tabel 25 - Aantal inwoners met re-integratievoorziening - Bron: CBS (WSJG, juli 2021)
3.4.2
Extra indicatoren Participatiewet
In het inrichtingsvoorstel (RV 19.0081) is onder besluitpunt 2 vastgesteld de indicatorenlijst van de VNG uit te breiden met een aantal indicatoren. Voor de participatiewet te weten met: uitgebreidere informatie over de groep die langdurig gebruik maakt van de bijstand paragraaf 3.4.2.1 / trajecten die helpen om mee te doen (paragraaf 3.4.2.2) en armoede (paragraaf 3.4.2.3).
33
3.4.2.1
Samenstelling klanten Algemene Bijstand
Samenstelling klanten Algemene Bijstand
2020
Totaal gebaseerd op aantal klanten
31 - 3
30 - 6
30 - 9
31 - 12
Aantal klanten = aantal uitkeringen + aantal partners
3385
3468
3416
3444
<27 jaar
215
259
237
246
27- 39 jaar
811
842
822
831
40- 54 jaar
1314
1307
1293
1299
55- pensioen
1045
1060
1064
1068
M
1520
1559
1534
1548
V
1865
1909
1882
1896
Samenwonend/ echtpaar
834
832
836
846
Eenoudergezin
515
519
507
505
Alleenstaande
2036
2117
2073
2093
Nederlandse
2710
2796
2764
2771
Niet Nederlandse
675
672
652
673
0- 6 maanden
378
463
408
424
6- 12 maanden
269
261
272
308
1- 2 jaar
413
418
406
396
Leeftijd
Geslacht
Leefvorm
Nationaliteit
Uitkeringsduur
2- 4 jaar
609
580
578
548
4+ jaar
1716
1746
1752
1768
Tabel 26 - Samenstelling klanten Participatiewet - Bron: Gemeente Leiden, juli 2021
3.4.2.2
Trajecten die helpen om mee te doen Aantal gestarte trajecten in 2020 31-mrt
30-jun
30-sep
31-dec
Totaal
Aanmelding Participatiecentrum
77
69
70
85
301
Traject Participatiecentrum
14
6
11
29
60
Traject Leidse Kracht
0
0
1
0
1
Banenafspraak / LKS / JC
7
5
7
5
24
Loonkostensubsidie
3
2
0
0
5
Traject Werk en Inkomen
2
1
0
0
3
Traject Activering naar werk
2
1
0
4
7
Versnelde aanmelding DZB
0
1
2
1
4
Project JA
39
39
27
35
140
Project JA +
8
1
3
0
12
Traject Statushouder (JAS)
10
12
11
30
63
Totaal
162
137
132
189
620
Tabel 27 - Trajecten die helpen om mee te doen - Bron: gemeente Leiden, juli 2021
34
3.4.2.3
Armoede
Opgenomen zijn gegevens over armoede conform de definitie van het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP). In de definitie van het SCP wordt niet alleen gekeken naar het inkomen, maar wordt het inkomen gerelateerd aan uitgaven. Het SCP stelt: “Iemand is arm als hij/zij consistent niet over de middelen beschikt om te bemachtigen wat in zijn gemeenschap minimaal noodzakelijk is”. Dat is uitgewerkt in het zogenoemde ‘niet-veelmaar-toereikend criterium’ (NVMT- criterium) voor armoede. Voor uiteenlopende typen huishoudens is een bedrag vastgesteld dat voldoende is voor onvermijdbare, basale zaken (voedsel, kleding, wonen, transport, verzekeringen, persoonlijke verzorging en dergelijke) met daaraan toegevoegd een bescheiden bedrag voor sociale participatie (op visite gaan, een korte vakantie, lidmaatschap van een sport- of hobbyclub). In het meest recente meetjaar (2017) bedroeg het niet-veel-maar toereikend criterium voor bijvoorbeeld een alleenwonende 1135 euro per maand (waarvan 1039 euro in het basisbudget en 96 euro voor sociale participatie) De uitgaven zijn genormeerd door het NIBUD (basisbehoeften budget). De SCP definitie geeft een beter beeld dan de CBS definitie die alleen kijkt naar het inkomen. In de statistiek over armoede van het CBS gaat het om huishoudens met een inkomen lager dan120% van het sociaal minimum.