CConstaterende datLeiden
Koppel je AI →
Document · PDF

210078 Bijlage 5 Reactie op het advies commissie-m.e.r

Gemeenteraad 7 oktober 2021, gemeente LeidenBij agendapunt: Bijlagen2.756 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Reactie advies Commissie-m.e.r.

Op 3 juni 2021 heeft de Commissie voor de m.e.r. het advies op het Omgevingseffectrapport (OER), dat uitgevoerd is ten behoeve van de Omgevingsvisie Leiden 2040 1.1-versie, gepubliceerd. In het OER zijn de omgevingseffecten en ambities uit de omgevingsvisie in beeld gebracht en onderzocht. De Commissie m.e.r. is een onafhankelijke commissie die bij wet is ingesteld en adviseert over de inhoud en de kwaliteit van milieu/omgevingseffectrapport. De gemeente Leiden heeft de Commissie-m.e.r. gevraagd om te adviseren over het OER bij de Omgevingsvisie Leiden 2040. Het advies van de Commissie m.e.r. is niet bindend. Het detail- en abstractieniveau van het OER wordt bepaald door het detail- en abstractieniveau van Omgevingsvisie (1.1-versie). De gemeente Leiden maakt – net als andere gemeenten - voor het eerst een Omgevingsvisie en OER, wat maakt dat het een pionierend leerproces is, zowel voor gemeenten, adviesbureaus als de Commissie voor de m.e.r. Gemeente Leiden is één van de voorlopers als het gaat om het opstellen van een omgevingsvisie. Het OER is opgesteld door een onafhankelijk, specialistisch adviesbureau op het gebied van milieueffecten. Bij de uitwerking van de Leidse Omgevingsvisie is ingezet op een proces met interactie tussen het uitwerken van de omgevingsvisie en het opstellen van het OER.

De omgevingsvisie beschrijft het beleid, de ambities en wat de gemeente op hoofdlijnen gaat doen (beleidskeuzes). Het OER beschrijft hoofdzakelijk de (1) kwaliteiten van de leefomgeving, nu en bij ongewijzigd beleid in de toekomst, (2) de gevolgen van het nieuwe omgevingsvisiebeleid op de leefomgeving en (3) de bijdrage van het nieuwe omgevingsvisiebeleid aan het halen van de gestelde ambities. De Commissie voor de m.e.r. geeft aan dat zij positief is over de bijdrage van het OER aan het vormgeven van de omgevingsvisie. De opzet van het OER is volgens hen helder en navolgbaar, waarbij duidelijk is dat de foto van de leefomgeving gebruikt is om de ambities aan te scherpen. Daarnaast is het Rad van de Leefomgeving, dat is gebruikt om beoordelingen uit te voeren, breed van opzet is en het brengt de veelheid aan effecten, kansen en risico’s in beeld. Verder geeft de Commissie aan dat het OER de zoektocht reflecteert naar een Omgevingsvisie die recht doet aan de gedachtegang van de in voorbereiding zijnde Omgevingswet. In algemene zin wordt geconcludeerd dat het OER de omgevingseffecten, van de in de omgevingsvisie benoemde ambities en doelstellingen, in beeld heeft gebracht en dat deze omgevingseffecten hebben geholpen om de inhoud van de omgevingsvisie aan te scherpen op basis van de gesignaleerde kansen en risico’s voor de leefomgeving.

Daarnaast geeft de Commissie aan dat zij in het OER op een aantal punten informatie missen en dat de omgevingsvisie soms concreter is dan het OER. Op deze punten geeft de Commissie adviezen voor aanvullingen. Deze adviezen ziet het college als waardevol en geven inzicht in hoe het OER nog meer informatie kan geven. Naar aanleiding van deze adviezen heeft het college het OER op meerdere onderdelen aangepast en aangevuld om het OER te verbeteren. De belangrijkste adviezen van de Commissie voor de m.e.r. zijn; •

•

•

Het OER kan besluitvormers beter ondersteunen wanneer duidelijk is wat de belangrijkste aandachtspunten voor de gemeente Leiden zijn. Het gaat om het volgende: o Onderzoek naar het doelbereik en de omgevingseffecten van het voorkeursalternatief meer aansluitend op het detailniveau van de visie; o Een ruimtelijke bepaling van de kansen en risico’s, geënt op de ruimtelijke keuzes in de Omgevingsvisie; Foto van de leefomgeving: Een beter op de Leidse situatie toegespitste Foto van de leefomgeving, waar bij de beoordeling meer gebruik gemaakt wordt van Leidse informatie en die aangeeft waar de belangrijkste knelpunten en beperkingen zijn. Autonome ontwikkeling: Een helder onderscheid tussen de autonome ontwikkeling en ontwikkelingen die in de visie mogelijk worden gemaakt, specifiek voor woningbouw en de RijnlandRoute, zodat de effecten ervan goed bepaald kunnen worden.

• •

Vervolg: Welke vervolgbesluiten worden genomen en hoe wordt informatie over omgevingseffecten daarin verwerkt, zodat helder is hoe dit OER in het vervolg gebruikt wordt. Samenvatting: De samenvatting is niet toegankelijk voor bestuurders en belanghebbenden, onder andere omdat kaarten ontbreken.

Naar aanleiding van dit advies is er een aanvulling gedaan om het doelbereik en de omgevingseffecten van het voorkeursalternatief (de omgevingsvisie dus) meer op elkaar te laten aansluiten. Daarnaast zijn de kansen en risico’s ook meer ruimtelijk vertaald. Dit is gedaan in de tabel die opgenomen is in zowel de samenvatting als hoofdstuk 6 van het OER. De Foto van de Leefomgeving (bijlage 1 van het OER) is ook aangevuld met extra informatie over spoorlawaai en externe veiligheid. Paragraaf 5.1.3 (autonome ontwikkeling van het beoordelingsaspect ‘passend en toegankelijk woningaanbod’) is ook aangepast. De autonome ontwikkeling van dit beoordelingsaspect ziet nu enkel op het juridisch planologisch vastgelegde deel. Het resterende, nog juridisch planologisch vast te leggen, deel van de woningbouwambitie van 8500 wordt gezien als ‘nieuwe ontwikkeling’ en daar zijn dan ook de omgevingseffecten van in beeld gebracht. Dit is verwerkt in de uitsprakentabel van het OER en het uiteindelijke rad van de leefomgeving (figuur S2 uit het OER). Hoe de vervolgbesluiten worden genomen en hoe het OER daarvoor wordt gebruikt is iets wat na de vaststelling van deze Omgevingsvisie wordt bezien. Dit hangt namelijk ook samen met de verdere uitwerking van het Omgevingswet-instrumentarium. De samenvatting is tevens aangepast en aangevuld.

In onderstaande tabel (bijlage 1) zijn alle adviezen samengevat en van een inhoudelijk antwoord voorzien. Daarbij is soms ook aangegeven welke adviezen stapsgewijs kunnen worden meegenomen bij het vervolgproces van de omgevingsvisie en bijbehorend OER.

Bijlage 1 – Inhoudelijke reactie adviezen Commissie-m.e.r. 1

2

3

4

5

Advies m.e.r.-commissie In de visie zijn ruimtelijke keuzes gemaakt. De ambities zijn vertaald naar drie verschillende typologieën van gebieden en naar de stad als geheel. De visie geeft voor verschillende beleidsuitspraken aan wáár in de stad ontwikkelingen gaan plaatsvinden (figuur 1). Het OER brengt de risico’s en kansen op omgevingseffecten echter enkel voor de gemeente als geheel en op algemeen niveau in beeld (bijvoorbeeld meer verkeer, meer geluid). Als de locaties ook in het OER meegenomen worden, kan het waardevolle informatie geven over het daadwerkelijk optreden van de kansen en risico’s. De ruimtelijke beoordeling is ook van belang om de zwaarte aan te kunnen geven van de pijlen van kansen en risico’s in het Rad van de Leefomgeving. Nu zijn die pijlen enkel gebaseerd op het aantal kansen en risico's. Daarmee wordt het totaal van risico’s of kansen mogelijk onder- of overschat omdat vrijwel alle kansen en risico’s even zwaar worden beoordeeld.

De visie heeft als doel om ‘meer samenhang in de diverse opgaven en beleid met betrekking tot de fysieke leefomgeving’ te bewerkstelligen. Soms kan één actie bijdragen aan het bereiken van meerdere doelen. Het is daarom nuttig om onderlinge verbanden tussen de thema’s aan te wijzen, zeker omdat de ruimte in de fysieke leefomgeving beperkt is. Het OER gaat hier nu in algemene termen op in. Hiermee wordt nog niet de vraag beantwoord of alle ambities uit de visie samen passen in de beschikbare ruimte of waar ze elkaar juist kunnen versterken. Daarvoor moet de samenhang niet alleen in algemene termen beschreven worden, maar juist een stap concreter en vooral ruimtelijker. De Foto van de leefomgeving is uitgebreid en voorzien van kaarten. Specifieke Leidse gegevens en ambities komen soms niet terug in de indicatoren en bij de beoordeling van de huidige situatie en de autonome ontwikkeling. Ook wordt niet duidelijk waar en hoe groot knelpunten zijn en waar dus het huidig beleid tekort schiet, beperkingen zijn of opgaven liggen. De Foto van de leefomgeving is daarmee deels onvolledig en sluit soms niet aan op de Leidse situatie.

Om de bodemkwaliteit te beoordelen zijn de saneringslocaties gebruikt, maar niet de Leidse bodemkwaliteitskaart uit 2012. Sanering is belangrijk waar het spoedlocaties betreft bij het huidige bodemgebruik. Veel vervuilde locaties zijn of worden daarom al gesaneerd. De bodemkwaliteitskaart gaat in op het gebruik van de bodem, bijvoorbeeld wanneer grond vrijkomt bij woningbouw en aanleg van wegen en beperkingen die daaraan worden gesteld en hoe zich dat verhoudt tot het toekomstige bodemgebruik. Dat kan daarom in de toekomst relevantere beslisinformatie opleveren.

Reactie Naar aanleiding van dit advies is het OER aangevuld met een nadere duiding op welke locaties de geconstateerde risico’s en kansen zich voor doen. De tabel met gebiedsgerichte duiding is terug te zien in het OER (in hoofdstuk 6 en de samenvatting).

In het OER is al een onderverdeling gemaakt in de zwaarte van het risico. Zo is er een onderscheid gemaakt in een +, +/0, 0, -/0 en -. De gecombineerde beoordeling (dus de +/0 en -/0 zijn nader geduid als minimale positieve kansen en minimale negatieve risico’s). De gemeente neemt het advies van de Commissie-m.e.r. ter harte om te bezien hoe dit in het vervolgproces verbeterd kan worden. Het OER is naar aanleiding van dit advies voorzien van een duiding op plekken waar ambities elkaar (kunnen) versterken of strijdig (kunnen) zijn (verwerkt in hoofdstuk zes en de samenvatting). Daarbij is een koppeling gemaakt met de overall conclusies uit het doelbereik in de samenvatting. Er is een nadere duiding gegeven welke gebieden bijdragen aan de ambities. De Foto van de leefomgeving is in een intensief traject tot stand gekomen. Informatie die over de Leidse leefomgeving op dat moment beschikbaar was, is gebruikt. Het bevat de belangrijkste informatie die nodig was voor de belangrijkste keuzes voor de Omgevingsvisie. De Foto maakte het mogelijk om afwegingen in de Omgevingsvisie te maken en keuzes verder aan te scherpen. Het betreft een nieuwe werkwijze en deze input is waardevol in het verbeteren ervan. Bij het vervolgproces is dit een punt van aandacht. Het college (en de Omgevingsdienst WestHolland) herkennen zich niet in dit advies.

Leiden heeft een bodemkwaliteitskaart gehad, maar die is (inderdaad) van 2012 en een bodemkwaliteitskaart is maximaal 5 jaar geldig – daarna moet deze geëvalueerd worden en indien nodig opnieuw gemaakt. Dit is tot op heden niet gedaan, waardoor de bodemkwaliteitskaart van 2012 al meer dan vijf jaar niet meer geldig is en mag daarom niet als onderliggende informatie voor grondverzet gebruikt worden. Dit is de reden dat deze kaart niet is opgenomen in het OER.

In de foto van de leefomgeving is de ‘mate van verontreiniging (%) gebaseerd op het aantal humane spoedlocaties, aantal spoedlocaties met verspreidingsrisico en aantal ecologische spoedlocaties’ beoordeeld. Wanneer de gemeente Leiden een nieuwe bodemkwaliteitskaart gaat opstellen dan wordt deze bij het opstellen van een nieuwe omgevingsvisie ingevoegd in het OER. 6

Voor geluid en lucht wordt de omvang en ernst van knelpunten niet duidelijk terwijl er in de visie duidelijke ambities voor zijn geformuleerd. Het OER toont niet waar en hoe hoog de ‘hoogste’ concentratie is in de nabijheid van woningen. Voor geluid is wel een cumulatieve kaart opgenomen, maar het spoorgeluid is niet apart in beeld gebracht. Dit is een gemis omdat in Leiden veel woningbouw is (voorzien) langs het spoor. Voor externe veiligheid is onduidelijk hoever de risicocontouren in de nabijheid van woningen reiken als gevolg van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de rijkswegen en N206. Gegevens over aantallen en locaties van woningen die belast worden of risico lopen door de verschillende bronnen ontbreken.

Naar aanleiding van dit advies is er een kaart voor spoorgeluid en een kaart met risicocontouren voor externe veiligheid ingevoegd in de foto van de leefomgeving (bijlage 1 van het OER).

7

Mobiliteit gaat in op het aantal aansluitingen op het autowegennet, de nabijheid van een OV-halte en het aantal kilometer fietspad. Dit gaat niet in op de integratie van vervoersnetwerken en de mobiliteitstransitie, terwijl daar juist de grootste milieuwinst te verwachten is. Deze integratie had een plaats kunnen krijgen onder het kopje ‘slimme en duurzame mobiliteit’

Het college bedankt de Commissie-m.e.r. voor dit advies. Hoe de integratie van vervoersnetwerken en de mobiliteitstransitie kan plaatsvinden wordt meegenomen in het proces van de volgende omgevingsvisie.

8

Als referentiewaarde is meestal het gemiddelde (van de G30 of middelgrote gemeenten) gebruikt, maar de ambitie van de gemeente Leiden blijft buiten beschouwing. Zo scoort ‘Gezonde leefstijl en gezonde leefomgeving’ positief wanneer de kernindicator beweegvriendelijke omgeving boven het landelijke gemiddelde scoort. Hoe zich dit verhoudt tot de ambitie is niet duidelijk.

Als referentiewaarde is een zo objectief mogelijke waarde gehanteerd. Bij de meeste indicatoren (25 van 39) is de referentiewaarde gerelateerd aan wettelijke, beleidsmatige of gezondheidskundige normen of doelen die beschikbaar waren. Waar dat niet beschikbaar was is teruggevallen op een vergelijking met een landelijk gemiddelde. Uiteindelijk is bij 14 van de 39 indicatoren deels een referentiewaarde o.b.v. een gemiddelde gehanteerd (landelijk of G30). In hoofdstuk 9 van het OER is beoordeeld in hoeverre het nieuwe beleid bijdraagt aan het behalen van de gestelde ambities in de Omgevingsvisie, waaronder ambities gericht op gezonde leefstijl en leefomgeving.

9

Het Leidse beleid voor een gezonde leefstijl gaat in op het rookvrij maken van wijkparken, maar wordt in het OER uitsluitend beoordeeld op een beweegvriendelijke omgeving (in ‘gezonde leefstijl en gezonde leefomgeving’).

Wat betreft rookvrije locaties was op het moment van opstellen (en op dit moment ook) geen passende informatie beschikbaar voor de Foto van de leefomgeving, evenmin voor een objectieve referentiewaarde om een kwaliteitsniveau te duiden. In het OER is wat betreft gezondheid geconstateerd dat het nieuwe beleid vooral kansen biedt op positieve effecten. Parken rookvrij maken versterkt die conclusie.

10

In de visie wordt woningbouw als een belangrijke opgave genoemd. Het OER geeft aan dat de woningbouwopgave van 8.900 woningen tussen 2020 tot 2030 tot de autonome ontwikkeling behoort. Dit getal is gebaseerd op de woonvisie en daaraan is de conclusie verbonden dat 8.900 woningen gebouwd gaan worden. Dit is echter geen besluit of plan als bedoeld in het Besluit m.e.r., zodat de realisatie van 8.900 woningen niet tot de autonome ontwikkeling gerekend mag worden. Dit mag alleen voor het deel waar al concrete gebieds- of bestemmingsplannen voor zijn vastgesteld. Onduidelijk is om hoeveel woningen dit gaat. De Commissie adviseert om het verschil tussen de visie (wat is nieuw) en de autonome ontwikkeling (waarover is al besloten) scherper te duiden. Op die manier beschouwt het OER ook echt de effecten van de nieuwe ontwikkelingen.

Mocht er bij de volgende versie van de Omgevingsvisie wel meer data beschikbaar zijn op het thema ‘rookvrij’ dan wordt dit meegenomen in het proces. Ten eerste is het OER aangepast naar de ambitie die benoemd is in de omgevingsvisie, namelijk een woningbouwambitie van 8500 tussen 2017 en 2030. Naar aanleiding van dit advies is berekend (op basis van de Nieuwbouw Monitor; NBM) welke projecten planologisch belegd zijn. Tussen 2017 en heden zijn er 4452 woningen juridisch planologisch belegd (vastgelegd in een bestemmingsplan of omgevingsvergunning), waarvan 903 sociaal. Naast deze 4452 zijn er ook 1749 studentenwoningen juridisch planologisch belegd. Dit valt onder de autonome ontwikkeling. De resterende opgave (4048 van de 8500 (ambitie woningbouw) en 951 van de 2700 (ambitie studentenwoningen tot 2024) is meegenomen als ‘nieuwe ontwikkeling’. Hiervan zijn de omgevingseffecten met een aanpassing nog ingevoegd in het OER.

11

Ook zijn er in de directe omgeving belangrijke (infrastructurele) ontwikkelingen gaande die invloed hebben op Leiden. De RijnlandRoute wordt aangelegd tussen Katwijk en Leiden en moet de doorstroming verbeteren. Het OER classificeert deze ontwikkeling terecht als autonome ontwikkeling, maar gaat niet in op de mogelijke effecten ervan voor de visie. Tegelijkertijd is één van doelen van de visie ‘uitnodiging tot samenwerking met het rijk, provincie en regio’.

Er is een nadere duiding gegeven aan de effecten van de RijnlandRoute zijn, ondanks dat het geclassificeerd is als autonome ontwikkeling, toegevoegd in de foto van de leefomgeving

12

In het OER wordt goed beschreven hoe met monitoring en evaluatie de beleidscyclus gesloten kan worden. Wat het OER nog niet laat zien is hoe de informatie over omgevingseffecten uit het rapport gebruikt kan worden voor vervolgbesluiten en hoe informatie geactualiseerd gaat worden.

13

De samenvatting is niet toegankelijk voor bestuurders en belanghebbenden, onder andere omdat kaarten ontbreken.

Hoe de informatie uit het rapport gebruikt gaat worden is nog afhankelijk van de ontwikkeling van andere Omgevingswet instrumenten, zoals het programma of omgevingsplan. Voor Leiden is de omgevingsvisie, en het uitvoeren van het OER, het eerste instrument uit de Omgevingswet dat ter vaststelling aangeboden wordt. Tegelijkertijd is het college nog bezig om het gehele instrumentarium (ook wel raamwerk genoemd) verder uit te werken. De samenvatting is aangepast op onderdelen, en aangevuld met nieuwe informatie, zodat deze beter leesbaar is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10409190/1