210072 Bijlage 1b. Toelichting
Tekst van het document
Groenoordbedrijven
bestemmingsplan Groenoordbedrijven
Inhoudsopgave
Toelichting
3
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Begrenzing plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan
3 3 3 4
Hoofdstuk 2 Beschrijving van het bestemmingsplan 2.1 Beschrijving van het plangebied 2.2 Ontwikkelingen 2.3 Verkeer en parkeren 2.4 Stedenbouwkundige inpassing 2.5 Duurzaamheid
6 6 6 9 15 16
Hoofdstuk 3 Ruimtelijk beleidskader 3.1 Nationaal beleid 3.2 Provinciaal en regionaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid
18 18 20 22
Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten 4.1 Milieueffectrapportage 4.2 Geluid 4.3 Geurhinder 4.4 Bedrijven en milieuzonering 4.5 Externe veiligheid 4.6 Luchtkwaliteit 4.7 Bodem 4.8 Molenbiotoop 4.9 Water 4.10 Ecologie 4.11 Archeologie 4.12 Kabels en leidingen 4.13 Conclusie
26 26 27 29 30 31 32 32 33 35 38 42 43 43
Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving 5.1 Inleiding 5.2 Opzet en volgorde van de regels 5.3 Uitleg van de regels
44 44 44 45
Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
48 48 48
2
bestemmingsplan "Groenoordbedrijven" (vastgesteld)
bestemmingsplan Groenoordbedrijven
Toelichting Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Ten behoeve van de ontwikkeling van de gronden aan de Gabriël Metzustraat, ten zuiden van de Stinksloot is het noodzakelijk een ruimtelijke procedure te volgen om de ontwikkeling mogelijk te maken. Het betreft het ontwikkelen van bedrijfsunits waar naast bedrijfsfuncties ook ruimte is voor enkele aanvullende functies. Op grond van het vigerende bestemmingsplan rust er op deze gronden grotendeels een uit te werken bestemming met een bouwverbod. Het bouwplan en de gewenste functies past deels binnen de uitwerkingsregels van de geldende uit te werken bestemming van het vigerende bestemmingsplan 'Leiden Noord' (25 sept. 2007) . Een deel van de ontwikkeling valt binnen de bestemming 'Verblijfs gebied (Vb), daar zijn geen bedrijfsunits toegestaan. De voorgestelde ontwikkeling past niet volledig in het bestemmingsplan dat ruim 10 jaar geleden is vastgesteld. In deze periode is er sprake van nieuwe inzichten en nieuwe kaders. De beoogde ontwikkeling past hierin. Voorliggend postzegelplan maakt het mogelijk de beoogde ontwikkeling te realiseren.
1.2
Begrenzing plangebied
Het plangebied omvat de gronden gelegen ten noorden van de Gabriël Metzustraat. Het plangebied grenst aan de noordoost- en oostzijde aan de Stinksloot en aan de noordwest- en westzijde aan de Stadspolderweg.
Afbeelding 1.1 Globale ligging plangebied
bestemmingsplan "Groenoordbedrijven" (vastgesteld) 3
bestemmingsplan Groenoordbedrijven
1.3
Vigerend bestemmingsplan
Ter plaatse van het plangebied gelden de bestemmingsplannen Leiden Noord (vastgesteld op 25 september 2007 en op 27 mei 2008 goed gekeurd door Gedeputeerde Staten), de 1e herziening van het bestemmingsplan Leiden Noord (vastgesteld op 10 maart 2011 en op 10 mei 2011 onherroepelijk geworden), het bestemmingsplan Archeologie vastgesteld (dat op 2 december 2010 is vastgesteld en op 22 februari 2011 onherroepelijk is geworden) en het wijzigingsplan geurcontour RWZI (dat is vastgesteld op 4 maart 2014 en op 25 april 2014 onherroepelijk is geworden). Hieronder wordt kort op de vigerende bestemmingsplannen ingegaan. In het bestemmingsplan Leiden Noord (2007) en de 1e herziening (2011) heeft de locatie grotendeels de bestemming Uitwerkingsgebied Groenoordhallen e.o. (UW-GEO). Er geldt een bouwverbod. Ook heeft de locatie deels de bestemming Verblijfsgebied (Vb). Hier zijn uitsluitend bouwwerken passend bij de bestemming toegestaan. Ter plaatse van de beoogde bedrijfsunits geldt een aanduiding 'b' voor 'bedrijfsdoeleinden'. De maximum toegestane bouwhoogte is 9m. Voor de gronden aan de Gabriël Metzustraat met de aanduiding 'Bedrijfsdoeleinden' gelden de volgende specifieke uitwerkingsregels die relevant zijn voor het beoogde plan: a.
Op de gronden mogen uitsluitend worden gerealiseerd bedrijven, met de daarbij behorende bedrijfsgebouwen en kantoren, werkplaatsen, magazijnen, showrooms, gebouwde (eventueel ondergrondse ) parkeervoorzieningen, leidingen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, erf, parkeergelegenheid, groenvoorziening, water en toegangswegen. b. Uitsluitend toegestaan zijn bedrijven, die passen binnen de in categorieën 1, 2 en 3.1 van de bij deze voorschriften behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten. …… f. De op de kaart opgenomen hoogtematen, bebouwingspercentages en bebouwingsgrenzen dienen bij de uitwerking in acht te worden genomen; daar waar geen bebouwingspercentage is opgenomen mogen de gronden worden bebouwd tot 80 %. De beoogde bedrijfsunits ter plaatste van de bestemming UW-GEO passen binnen de in de uitwerkingsregels benoemde functies, bouwhoogte en bebouwingspercentage. Ook het parkeren past binnen de uitwerkingsregels. De gewenste functieverruiming op de locatie past niet binnen de uitwerkingsregels. Bovendien geldt er een bouwverbod. Voorliggend bestemmingsplan is nodig om de ontwikkeling mogelijk te kunnen maken. De bedrijfsunits ter plaatse van de bestemming Vb zijn niet toegestaan op basis van het geldende bestemmingsplan. In het bestemmingsplan Leiden Noord is de geurcontour van de RWZI weergegeven op de verbeelding. Deze contour loopt ook over dit plangebied.
Met het wijzigingsplan 'Geurcontour RWZI' (inwerking getreden op 25 april 2014) is de geurcontour rond de RWZI aangepast. De regeling van het moederplan 'Leiden Noord' blijft verder onverkort van kracht.
4
bestemmingsplan "Groenoordbedrijven" (vastgesteld)
bestemmingsplan Groenoordbedrijven
Afbeelding 1.2 Uitsnede bestemmingsplan Archeologie Uit bovenstaande afbeelding is af te lezen dat het plangebied binnen de bestemming Waarde Archeologie 5 en 6 valt. Voor de gronden binnen Waarde - Archeologie 5 geldt dat het Gebieden met een hoge archeologische verwachting buiten de singels zijn. Voor deze gronden is Aanlegvergunning vereist bij gebieden groter dan 250 m² en dieper dan 50 cm. Binnen Waarde - Archeologie 6 deze mogen werken en werkzaamheden zon-der vergunning worden uitgevoerd indien de werkzaamheden niet dieper reiken dan 75 cm en niet groter zijn dan 500 m2. Het onderhavige plan bevat een grotere oppervlakte en bouwdiepte. Er dient daarom voorafgaand aan de werkzaamheden een archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden om te bepalen of er ter plaatse archeologische waarden geschaad kunnen worden.
bestemmingsplan "Groenoordbedrijven" (vastgesteld) 5
bestemmingsplan Groenoordbedrijven
Hoofdstuk 2 2.1
Beschrijving van het bestemmingsplan
Beschrijving van het plangebied
De planlocatie ligt aan de Gabriel Metzustraat 6T te Leiden. De locatie maakt onderdeel uit van het terrein van de Groenoordhallen. Dit voormalige bedrijfsterrein wordt getransformeerd naar woon-werkgebied. Op dit moment ligt het plangebied braak. Er groeit gras en hier en daar is verharding aanwezig. Voor de ontwikkellocatie is een speelplek aanwezig. Ook zijn op de locatie diverse bomen aanwezig. Zie Bijlage 1 Bestaande bomen.
Afbeelding 2.1 Huidige situatie plangebied (gezien vanuit de Gabriël Metzustraat)
2.2
Ontwikkelingen
In het plangebied worden nieuwe bedrijfsunits ontwikkeld of een combinatie van bedrijfsunits en een boulderhal. Voor de gebouwen zal gebruik gemaakt worden van hedendaagse materialen. De units worden via een ontsluitingsweg op de Gabriël Metzustraat ontsloten. Het parkeren wordt op eigen terrein opgelost. De bouwhoogte wordt deels 8m en deels maximaal 9m en het bebouwingspercentage maximaal 70%. Dit sluit aan bij de huidige uitwerkingsregels in het vigerende bestemmingsplan Leiden Noord uit 2007. Op het terrein zijn bedrijven in maximaal categorie 3.1 mogelijk. Er is daarbij rekening gehouden met een zonering vanuit de bestaande woningen aan de overzijde van de Gabriël Metzustraat. Naast bedrijven worden er aanvullende functies mogelijk gemaakt. Het gaat hierbij om niet-geluidgevoelige maatschappelijke functies, zoals een huisarts, tandarts of fysiotherapiepraktijk, wellness voorzieningen, sportvoorzieningen en particuliere en zakelijke dienstverlening. Deze functies sluiten goed aan bij de nabijgelegen woonfuncties en voorzien in een zekere behoefte vanuit de wijk. Er wordt in totaal maximaal 5.000 m2 bvo gerealiseerd, waarvan maximaal 2.000m2 is voorzien voor de boulderhal.
6
bestemmingsplan "Groenoordbedrijven" (vastgesteld)
bestemmingsplan Groenoordbedrijven
Afbeelding 2.2 Invulling met boulderhal
bestemmingsplan "Groenoordbedrijven" (vastgesteld) 7
bestemmingsplan Groenoordbedrijven
Afbeelding 2.3 Invulling zonder boulderhal Dit bestemmingsplan is opgesteld met de gedachte van duurzame stedenbouw, duurzaam bouwen en klimaatadaptie en groen. De basis voor de gemaakte keuzes wordt gevormd door de aspecten compact bouwen, functiemenging en transformatie in de bestaande stad en niet bouwen in het buitengebied (geen nieuw ruimtebeslag). Daarnaast wordt het nieuwe gebouw gasloos uitgevoerd, wordt er zoveel mogelijk gebruik gemaakt van natuurlijke materialen en duurzame energiebronnen. Met het oog op klimaatadaptatie en groen worden bestaande bomen zoveel mogelijk behouden en anders gecompenseerd, een gedeelte van de gevels wordt groen ingericht, de parkeerplaatsen worden uitgevoerd in semi-verharding, zodat het regenwater goed afgevoerd kan worden en er wordt onderzocht of het toepassen van sedum op de daken mogelijk is. Zie Bijlage 2 Te handhaven en te verwijderen bomen In overleg met de buurt zal het bestaande speelterrein worden heringericht waarbij ook gekeken wordt naar een goede inpassing van het trapveld. Beleid gemeente functiemenging In het beleid van de gemeente (Nota Werklandschappen) zijn drie verschillende soorten werklandschappen aangewezen. Voor bedrijventerrein De Hallen (waar de locatie onderdeel van uit maakt) is een 'verruimend profiel' van toepassing (zie paragraaf 3.2 en 3.3).
In het 'verruimend profiel' zijn naast traditionele bedrijvigheid ook andere economische functies en voorzieningen toegestaan. Hierdoor wordt meer flexibiliteit geboden. Kantoren en detailhandel zijn echter
8
bestemmingsplan "Groenoordbedrijven" (vastgesteld)
bestemmingsplan Groenoordbedrijven uitgesloten. Ook is het doel gesteld de werklandschappen in de stad intensiever te gebruiken. Beide gaan over intensiveren: in functies, gebruik en bebouwingsmogelijkheden. De beoogde ontwikkeling sluiten ook aan bij de uitgangspunten van de Ruimtelijke strategie bedrijventerreinen 2020-2030. Er komt een gemengd programma. Dit past bij het beoogde profiel (breed gedifferentieerd). In de Ruimtelijke strategie bedrijven terreinen is ook aangegeven dat er op Groenoord een leisurefunctie kan worden toegevoegd. Hierin wordt voorzien door ruimte te bieden voor de boulderhal. Dit streven naar een meer gemengd gebruik is ook voor deze locatie opgenomen in het Masterplan Groenoord 2016.
2.3
Verkeer en parkeren
Verkeer De locatie wordt ontsloten via de Gabriël Metzustraat en vervolgens via de Gooimeerlaan op de Willem de Zwijgerlaan. De verkeersaantrekkende werking is beperkt en kan goed afgewikkeld worden over het wegennet. Er zal maximaal 5.000 m2 bvo worden gerealiseerd voor bedrijfsfuncties, maatschappelijke functies, sportvoorzieningen, wellnessvoorzieningen en dienstverlening. Tevens is er ruimte om een boulderhal te realiseren. Uitgangspunt is de volgende verdeling van het programma: 1.500 m2 bedrijfsruimten 2.000 m2 boulderhal / sportvoorzieningen 1.200 m2 dienstverlening 300 m2 maatschappelijke voorzieningen Dat leidt tot de onderstaande verkeersbewegingen. Hierbij is uitgegaan van de CROW-kentallen van publicatie 381 voor een sterk stedelijk gebied. Ontwikkeling Gabriël Metzustraat Omvang beschrijving bestemming
categorie in CROWpublicatie
para- para- para- aantal verpl/ verpl/ meter meter meter weekdag werkdag hoog laag gemiddelde
1500 m2 bedrijfsruimten
bedrijfsverzamel- 4,6 gebouw
6,4
5,5
15,00
82,5
109,7
2000 m2 boulderhal/ sporthal sportvoorzieninge n
8,5
10,3
9,4
20,00
188,0
208,7
1200 m2 dienstverlening
commerciële dienstverlening (kantoor met baliefunctie)
6,5
8,8
7,65
12,00
91,8
122,1
maatschappelijke gezondheidsvoorzieningen centrum
12,3
16,5
14,4
3,00
43,2
57,5
405,5
498,0
300 m2 Totaal
Tabel 2.1 Verkeersbewegingen ontwikkeling Er worden geen problemen verwacht met de verkeersafwikkeling op de Gabriël Metzustraat. De nad ere uitwerking van de inrichting van het openbaar gebied zal bij de aanvraag voor de omgevingsvergunning bouwen plaatsvinden. Daarbij zal ook inzicht gegeven worden in de in-en uitritten, locatie laden- en lossen van de vrachtwagens, bereikbaarheid voor hulpdiensten, het stallen van fietsen en het inzamelen van afval. bestemmingsplan "Groenoordbedrijven" (vastgesteld) 9
bestemmingsplan Groenoordbedrijven
Parkeren auto Om de parkeerbehoefte in beeld te brengen is en een parkeeronderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 3). Op basis van de het beoogde programma is de parkeerbehoefte in beeld gebracht. De autoparkeernormen van Leiden zijn opgenomen in de Beleidsregels Parkeernormen Leiden 2020. In de Beleidsregels Parkeernormen Leiden wordt uitgegaan van een gebiedsindeling. De projectlocatie bevindt zich in het gebied III B ‘2e schil rond de binnenstad’.
Tabel 2.2 Parkeernormen auto gemeente Leiden De ongewogen parkeervraag voor de varianten zonder en met boulderhal is weergegeven in tabel 2.3 en 2.4. Voor de behandelkamer (maatschappelijk) is het uitgangspunt 43 m² per eenheid.
Tabel 2.3 Parkeerbehoefte ontwikkeling zonder boulderhal
Tabel 2.4 Parkeerbehoefte ontwikkeling met boulderhal Niet op alle momenten van de week is de parkeervraag van bewoners en bezoekers even hoog. Om die reden wordt gebruik gemaakt van de aanwezigheidspercentages van de Beleidsregels Parkeernormen Leiden. In tabel 2.5 zijn de aanwezigheidspercentages weergegeven. Het gebruik maken van de aanwezigheidspercentages leidt tot een efficiënt gebruik van de ruimte.
10
bestemmingsplan "Groenoordbedrijven" (vastgesteld)
bestemmingsplan Groenoordbedrijven
Tabel 2.5 Aanwezigheidspercentages Parkeerbalans Uitgangspunt in het parkeeronderzoek is dat op eigen terrein in de variant zonder boulderhal tenminste 40 parkeerplaatsten worden gerealiseerd en in de variant met boulderhal tenminste 50 autoparkeerplaatsen worden aangelegd (zie tabel 2.6 en 2.7). Deze aantallen waren nog gebaseerd op een eerdere inrichtingstekening voor de locatie. Deze tekeningen zijn aangepast naar aanleiding van de zienswijzen, inmeting bomen en aanwezige gasleiding. Uit figuur 2.4 en 2.5 blijkt dat de parkeeraantallen volgens de huidig geschetste indeling ruimschoots mogelijk zijn. In de variant zonder boulderhal zijn nu 63 parkeerplaatsen getekend en in de variant met boulderhal 56 parkeerplaatsen. Er is sprake van een sluitende parkeerbalans.
bestemmingsplan "Groenoordbedrijven" (vastgesteld) 11
bestemmingsplan Groenoordbedrijven
Afbeelding 2.4 Parkeeroplossing in variant zonder boulderhal
Tabel 2.6 Parkeerbalans variant zonder boulderhal
12
bestemmingsplan "Groenoordbedrijven" (vastgesteld)
bestemmingsplan Groenoordbedrijven
Afbeelding 2.5 Parkeeroplossing in variant met boulderhal
Tabel 2.7 Parkeerbalans variant met boulderhal bestemmingsplan "Groenoordbedrijven" (vastgesteld) 13
bestemmingsplan Groenoordbedrijven
Hieruit blijkt dat in beide varianten voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn. Parkeren fiets Op basis van de Beleidsregel Parkeernomen Leiden 2020 zijn de volgende fietsparkeernormen van toepassing.
Tabel 2.8 Fietsparkeernormen gemeente Leiden De fietsparkeerbehoefte op basis van de gemeentelijke normen is weergegeven in tabel 2.9 (zonder boulderhal) en tabel 2.10 (met boulderhal).
Tabel 2.9 Fietsparkeerbehoefte variant zonder boulderhal Het fietsparkeeraanbod is in variant 1 als volgt: • 24 fietsleunhekken x 2 plekken = 48 • 16,5 meter lengte fietsparkeerplaats / 0,4 (hart-op-hart maat) = 41 • 16,3 meter lengte fietsparkeerplaats / 0,4 (hart-op-hart maat) = 41 • Totaal: 130 fietsparkeerplaatsen Er is daarmee sprake van een acceptabel fietsparkeeraanbod.
14
bestemmingsplan "Groenoordbedrijven" (vastgesteld)
bestemmingsplan Groenoordbedrijven
Tabel 2.10 Fietsparkeerbehoefte variant met boulderhal Het fietsparkeeraanbod is in variant 2 als volgt: • 8 fietsleunhekken x 2 plekken = 16 • 16,5 meter lengte fietsparkeerplaats / 0,4 (hart-op-hart maat) = 41 • 16,3 meter lengte fietsparkeerplaats / 0,4 (hart-op-hart maat) = 41 • Totaal: 98 fietsparkeerplaatsen Er is daarmee sprake van een acceptabel fietsparkeeraanbod.
2.4
Stedenbouwkundige inpassing
Door de gemeente is een Stedenbouwkundig Programma van Eisen gemaakt. Dit is het kader voor de stedenbouwkundige inpassing van de ontwikkeling. Voor de verdere ontwikkeling van het bedrijfsterrein worden de volgende uitgangspunten gehanteerd. 1. Langs de Saaghsloot is ooit een ecologische verbinding geprojecteerd. De ontwikkelingen worden aangegerepen deze op het terrein te realiseren. Leidraad is de notitie Advies noordrand Groenoord. 2. De beoogde groenstructuur wordt gehandhaafd en waar mogelijk versterkt. 3. Het bedrijfsterrein wordt afgeschermd van de woonwijk door middel van de groeninrichting. 4. De overgang van woonwijk naar bedrijfsterrein wordt gemaakt met kleinere bedrijfsunits, zoals die aan de Gabriel Metsustraat. De ontwikkeling van de bedrijfsunits past binnen de geformuleerde uitgangspunten.
bestemmingsplan "Groenoordbedrijven" (vastgesteld) 15
bestemmingsplan Groenoordbedrijven
Afbeelding 2.6 Stedenbouwkundige uitgangspunten
2.5
Duurzaamheid
Duurzaamheid staat in Leiden hoog in het vaandel. In het duurzaamheidsbeleid van gemeente Leiden (waaronder het Programma Leiden Duurzaam 2030) wordt er zoveel mogelijk toegewerkt naar integrale oplossingen. Hierin worden thema's per locatie geprioriteerd naar volgorde van belangrijkheid: 2.5.1
Duurzame stedenbouw
Dit bestemmingsplan is opgesteld met de gedachte van duurzame stedenbouw. De basis voor de gemaakte keuzes wordt gevormd door de volgende aspecten: compact bouwen; functiemenging; transformatie in de bestaande stad en niet bouwen in het buitengebied (geen nieuw ruimtebeslag). 2.5.2
Duurzaam bouwen
Het beoogde nieuwe gebouw zal op de volgende punten haar bijdrage leveren aan de duurzaamheidsambities: het gebouw wordt gasloos uitgevoerd; bij de bouw zal zo veel als mogelijk gebruik worden gemaakt van natuurlijke materialen die zoveel mogelijk herbruikbaar zijn; er wordt gestreefd naar het gebruik van duurzame energiebronnen, zoals zonne-energie; door de aanleg van fietsparkeerplaatsten wordt fietsgebruik gestimuleerd. 2.5.3
Klimaatadaptatie en groen
Met het oog op klimaatadaptatie en groen gelden de volgende uitgangspunten: bestaande bomen worden zoveel mogelijk behouden en gecompenseerd als deze niet op de huidige plek behouden kunnen blijven; een gedeelte van de gevels wordt groen ingericht; 16
bestemmingsplan "Groenoordbedrijven" (vastgesteld)
bestemmingsplan Groenoordbedrijven de parkeerplaatsen worden uitgevoerd in open verharding, zodat het regenwater goed afgevoerd kan worden; de ecologische zone aan de achterzijde wordt behouden; er wordt onderzocht of het toepassen van sedum op de daken mogelijk is.
bestemmingsplan "Groenoordbedrijven" (vastgesteld) 17
bestemmingsplan Groenoordbedrijven
Hoofdstuk 3
Ruimtelijk beleidskader
3.1
Nationaal beleid
3.1.1
Nationale omgevingsvisie (Novi)
Per 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld. Hierin zijn de kaders van het nieuwe rijksbeleid opgenomen. In het kader van de nahangprocedure kunnen in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) nog opmerkingen en wensen van de Tweede Kamer worden verwerkt. Deze Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012). De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de NOVI als structuurvisie uit onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. In de Nationale Omgevingsvisie wordt door het Rijk een langetermijnvisie gegeven op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De combinatie van deze drie documenten zorgt voor een toetsing die leidt tot nationale strategische keuzes en gebiedsgericht maatwerk. Er worden vier prioriteiten voor Nederland geformuleerd: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Om beleidskeuzes op een heldere en voorspelbare manier te maken, hanteert de NOVI drie afwegingsprincipes, die helpen bij het prioriteren en afwegen van de verschillende belangen en opgaven; 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Er wordt weer gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van ruimte 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: er moet altijd gekeken worden naar de context van het gebied. Keuzes in verschillende gebieden kunnen daarom verschillen. 3. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties. De ontwikkeling is niet in strijd met de Novi. 3.1.2
Besluit algemene regels omgevingsrecht (Barro)
Voor de doorwerking van de rijksbelangen in plannen van lagere overheden, is het Barro opgesteld. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 (grotendeels) in werking getreden en omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, bufferzones, de ecologische hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Ook de bescherming van erfgoed van uitzonderlijke universele waarden, zoals de Limes, is in het Barro vastgelegd. Dit is inmiddels vertaald in de provinciale structuurvisie en verordening. Het Barro bevat geen specifieke regels voor deze locatie.
18
bestemmingsplan "Groenoordbedrijven" (vastgesteld)
bestemmingsplan Groenoordbedrijven
3.1.3
Ladder duurzame verstedelijking
De 'Ladder voor duurzame verstedelijking' is zoals hierboven aangegeven in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geïntroduceerd. Doel van de Ladder voor duurzame verstedelijking is een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, door een zorgvuldige afweging van de behoefte en locatiekeuze van nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Het Rijk wil met de introductie van de ladder vraaggerichte programmering bevorderen en overaanbod van plancapaciteit van nieuwe stedelijke ontwikkelingen voorkomen. In het kort komt het erop neer dat wordt gekeken naar de vervangings- en uitbreidingsvraag, de mogelijkheden voor herstructurering of intensivering van bestaande locaties en het benutten van ruimte op locaties elders in de regio. Op grond van het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling vereist dat wordt onderbouwd of en in hoeverre er sprake is van 'duurzaam ruimtegebruik'. Om dit duurzaam ruimtegebruik te garanderen moet de 'ladder voor duurzame verstedelijking' (zoals omschreven in artikel 3.1.6 lid 2 Bro) worden doorlopen. Voor binnenstedelijke projecten moet de behoefte in de relevante regio worden beschreven. Voor een stedelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied moet worden gemotiveerd waarom deze niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd.
Beoogde ontwikkeling De ontwikkeling is gelegen binnen stedelijk gebied. Aangezien de bebouwing en beoogde functies grotendeels reeds voorzien zijn in het vigerende bestemmingsplan via de uitwerkingsbevoegdheid, is er geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Er komt immers niet meer programma bij dan in het geldende bestemmingsplan reeds is beoogd. Binnen de bestemming Verblijfsgebied vindt wel nieuwe bebouwing plaats (ca. 550m2). De omvang van de bedrijfsunits is niet van zodanige omvang dat deze 'naar aard en omvang' gezien zou moeten worden als stedelijke ontwikkeling. Het is een kleinschalige ontwikkeling en het betreffen bedrijfsunits, waar mogelijk ook enkele andere functies gevestigd kunnen worden. De Ladder Duurzame Verstedelijking hoeft daarom formeel niet doorlopen te worden. De niet-bedrijfsfuncties die gerealiseerd kunnen, worden betreffen niet-geluidgevoelige maatschappelijke functies, zoals een huisarts, tandarts of fysiotherapiepraktijk, welness voorzieningen, sportvoorzieningen en particuliere en zakelijke dienstverlening. Deze functies sluiten goed aan bij de nabijgelegen woonfuncties en zullen voorzien in een behoefte in de directe omgeving. Doordat het aantal woningen hier toeneemt / de afgelopen jaren is toegenomen, ontstaat er ook meer behoefte aan deze functies. De functieverbreding sluit ook aan bij het gemeentelijk beleid.
In de Nota Werklandschappen zijn drie verschillende soorten werklandschappen aangewezen. Voor bedrijventerrein De Hallen (waar de locatie onderdeel van uit maakt) is een 'verruimend profiel' van toepassing. In het 'verruimend profiel' zijn naast traditionele bedrijvigheid ook andere economische functies en voorzieningen toegestaan. Hierdoor wordt meer flexibiliteit geboden. Dit streven naar een meer gemengd gebruik is ook opgenomen in het Masterplan Groenoord 2016. Conclusie Voorliggend bestemmingsplan is niet strijdig met het nationaal beleid.
bestemmingsplan "Groenoordbedrijven" (vastgesteld) 19
bestemmingsplan Groenoordbedrijven
3.2
Provinciaal en regionaal beleid
3.2.1
Omgevingsvisie Zuid-Holland
Door het samenvoegen van verschillende beleidsplannen voor de fysieke leefomgeving sorteert de provincie voor op de Omgevingswet. De Omgevingswet verplicht het Rijk, de provincies en gemeenten een omgevingsvisie te maken. De provincie Zuid-Holland sorteert alvast voor op de omgevingswet, die in 2021 in werking treedt en heeft per 20 april 2019 haar omgevingsvisie (1.0) vastgesteld. De provincie Zuid-Holland ziet zes richtinggevende ambities in de fysieke leef-omgeving: Naar een klimaatbestendige delta Naar een nieuwe economie: the next level Naar een levendige meerkernige metropool Energievernieuwing Best bereikbare provincie Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving Deze nevengeschikte ambities staan niet op zichzelf. Ze zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar deze regio voor staat. Deze ambities zijn de kaders waarbinnen de provincie ruimte geeft. Die ruimte kan per opgave verschillen. De beoogde ontwikkeling past binnen deze zes ambities met bijbehorende opgaven en past daarmee binnen de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland. 3.2.2
Omgevingsverordening Zuid-Holland
Deze verordening is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van de provincie en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang: a. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit; b. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften; c. zorgvuldig beheren, beschermen en ontwikkelen van de natuur, gelet op de intrinsieke waarde, dierenwelzijn, het behouden en herstellen van de biologische diversiteit, economische belangen, volksgezondheid en openbare veiligheid. De Omgevingsverordening bevat regels die de gemeenten in ruimtelijke plannen moeten overnemen en verplicht ook tot een nadere toelichting van bepaalde ontwikkelingen en situaties waarop het bestemmingsplan ziet. De provincie Zuid-Holland past de ladder voor duurzame verstedelijking uit het Bro toe en heeft deze in haar verordening aangevuld (Paragraaf 6.3.1, artikel 6.10, Omgevingsverordening Zuid-Holland): 1. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a. de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b.
indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte. 2. Gedeputeerde staten kunnen bij de aanvaarding van een regionale visie aangeven in hoeverre de ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen. In de toelichting van het bestemmingsplan kan in dat geval worden verwezen naar de regionale visie bij de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling, als bedoeld in artikel 3.1.6,
20
bestemmingsplan "Groenoordbedrijven" (vastgesteld)
bestemmingsplan Groenoordbedrijven tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. 3. Gedeputeerde staten kunnen een regionale visie voor wonen of bedrijventerreinen vaststellen. Een bestemmingsplan bevat geen bestemmingen die in strijd zijn met de door gedeputeerde staten vastgestelde regionale visie. De toets aan de Ladder duurzame verstedelijking is reeds toegelicht in paragraaf 3.1.3 van dit bestemmingsplan. De aanvullende eisen van de Provincie hebben betrekking op ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied. Daar is in dit geval geen sprake van. Verder zijn er voor dit plan geen specifieke eisen in de verordening opgenomen. 3.2.3
Regionale omgevingsvisie 2040 'Het hart van Holland'
In deze "regionale agenda omgevingsvisie 2040" voor het Hart van Holland beschrijven de gemeenten Kaag en Braassem, Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Noorwijk, Oegstgeest, Voorschoten, Teylingen, Wassenaar en Zoeterwoude hun ambities en hun gezamenlijke koers voor ontwikkeling van de leefomgeving op hun grondgebied. Voor realisatie van deze opgaven en ambities hebben de gemeenten een ruimtelijk kader opgesteld dat uit vijf elementen is opgebouwd: gezonde lucht verstedelijking rondom de Oude Rijn behoud en versterking van open, robuuste en onderling verbonden land-schappen die doorlopen tot aan de oevers van de Oude Rijn voortreffelijke bereikbaarheid, zonder dat de leefomgeving daaronder lijdt draagkrachtige bodem Als uitvloeisel van de regionale agenda werken de tien gemeenten toe naar vaststelling van een regionale strategie voor het maken van integrale afwegin-gen voor de ruimtelijke ontwikkeling van de leefomgeving. In die regionale strategie verwerken zij de uitkomsten van onderzoeken die sinds 2017 zijn uitgevoerd, over de volgende onderwerpen: groene leefomgeving energietransitie verstedelijking (wonen, bedrijfsterreinen) mobiliteit Het plangebied valt binnen het stedelijke gebied. Hiermee wordt binnen bestaand stedelijk gebied de stedelijke ontwikkeling verder geconcentreerd en wordt ook verder ingezet op functiemenging.
Hiermee past de ontwikkeling binnen de Regionale omgevingsvisie.
3.2.4 Ruimte voor bedrijven in de Economie071-gemeenten (Ruimtelijke strategie bedrijven 2020 - 2030 ) De ruimtelijke strategie bedrijventerreinen bevat de regionale, ruimtelijke afspraken over bedrijventerreinen in de regio 071. Aan de hand van deze strategie wordt gewerkt aan een sterk vestigingsklimaat voor bedrijven in de regio en krijgen ondernemers duidelijkheid over hun (toekomstige) bedrijfsomgeving. Samen slaan overheid en bedrijfsleven de handen ineen om het vestigingsklimaat in de regio te versterken en te werken aan toekomstbestendige bedrijventerreinen. De strategie kan worden gezien als nadere uitwerking van de ambities die gesteld zijn in de agenda voor de regionale omgevingsvisie ‘Hart van Holland’. Daarnaast dient de strategie als kader voor alle gemeentelijke beleidsdocumenten omtrent de ruimtelijke plannen over bedrijventerreinen die in de regio in ontwikkeling worden gebracht. Deze strategie vervangt de ruimtelijke component van de regionale visie werklocaties uit 2013: ‘Van bedrijventerreinen naar werklandschappen Leidse regio’. De bestemmingsplan "Groenoordbedrijven" (vastgesteld) 21
bestemmingsplan Groenoordbedrijven niet-ruimtelijke component van de visie werklocaties zal worden vervangen door een uitvoeringsprogramma, dat in 2020 zal worden afgerond. Voor de strategie zijn de agenda voor de regionale omgevingsvisie ‘Hart van Holland’ en het bestuursconvenant 2018-2022 de belangrijkste inhoudelijke kaders. De bedrijventerreinenstrategie bouwt op beide documenten voort. Voor bedrijventerrein De Hallen (waar dit plangebied (Groenoord) deel van uitmaakt) zijn de volgende uitgangspunten opgenomen: Beoogd profiel Een breed gedifferentieerd profiel; De Hallen is een geluid gezoneerd bedrijventerrein. Op basis van de wet geluidshinder moet de geluidsbelasting veroorzaakt door de gezamenlijke inrichtingen op een industrieterrein worden meegenomen bij de toetsing tot vestiging. We vinden het belangrijk dat bedrijven op De Hallen die enige hinder veroorzaken en /of een vrachtverkeer aantrekkende functie hebben de ruimte hebben en houden. Doelstellingen op korte termijn (0-2 jaar) Onderzoeken van mogelijkheden circulaire uitwisseling met de naastgelegen waterzuiveringscentrale. Stimuleren van een dynamisch, aantrekkelijk en duurzame locatie samen met gebruikers, eigenaren en andere stakeholders van de locatie. Het Masterplan Hallenweg ontwikkelen en tot uitvoering brengen.
Bij de realisatie van het masterplan zal de kwaliteit van dit deel van het bedrijventerrein verbeteren. Kansen Benutten duurzaamheidspotentieel (bijvoorbeeld door gebruik te maken van naastgelegen waterzuivering). Toevoegen van een leisurefunctie op het gedeelte Groenoord waardoor een functiemix ontstaat. Uitdagingen Parkeerruimte Molenbiotoop heeft invloed op bouwhoogte aan oostzijde. Vrachtwagenparkeren De beoogde ontwikkeling sluit aan bij de uitgangspunten van de ruimtelijke strategie. Er komt een gemengd programma en er is ruimte voor een leisurefunctie (de boulderhal). Er wordt bovendien voldoende parkeerruimte gerealiseerd en er is rekening gehouden met de molenbiotoop.
Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is in overeenstemming met het geldende provinciale en regionale beleid.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Omgevingsvisie Leiden 2040
De omgevingsvisie helpt om samenhang te brengen in de fysieke projecten in de stad, om deze "Leidser" te maken, om ze beter te laten aansluiten op sociale, maatschappelijke en economische doelen en om investeringen goed te richten. Daarbij gaat het niet alleen om woningbouw, maar nadrukkelijk ook om werklocaties, ontmoetingsplekken, vergroening, aanpassing aan klimaatverandering, aanleg van nieuwe verbindingen tussen buurten en wijken voor voetgangers en fietsers, om infrastructuur die nodig is voor gasvrije woonwijken, om openbare ruimte en nog veel meer. De Omgevingsvisie Leiden 2040 sluit aan op de Regionale agenda voor de omgevingsvisie 2040 "Hart van Holland". Zoals in vorige paragraaf beschreven. Deze is in 2017 opgesteld door Leiden en de
22
bestemmingsplan "Groenoordbedrijven" (vastgesteld)
bestemmingsplan Groenoordbedrijven omliggende gemeenten Leiderdorp, Oegstgeest, Voorschoten, Zoeterwoude, Noordwijk, Teylingen, Katwijk, Wassenaar en Kaag en Braassem. Samen omvatten deze gemeenten een aaneengesloten stedelijk gebied dat zich uitstrekt van het strand van Katwijk in het westen tot en met Zoeterwoude-Rijndijk in het oosten. De Leidse omgevingsvisie sluit ook aan bij de stadsvisie "Leiden, Stad van Ontdekkingen". De omgevingsvisie is geen vervanger daarvan. De stadsvisie blijft onveranderd de stadsvisie, met als pijlers "Internationale kennis" en "historische cultuur". Wel vervangt de omgevingsvisie de "ruimtelijke structuurvisie 2025" Nationale en internationale trends en ontwikkelingen gaan niet aan de gemeente Leiden voorbij. Deze trends en ontwikkelingen willen de tien gemeenten in hun leefomgeving inpassen. Hierbij gaat het onder meer om: de trek naar de stad veranderingen in demografie klimaatveranderingen behoefte aan nieuwe energiebronnen bodemdaling in veengebieden toenemende mobiliteit globalisering technologische innovatie flexibilisering en functievermenging Boogde ontwikkeling sluit aan bij de omgevingsvisie van de gemeente Leiden die zich nadrukkelijk ook richt op werklocaties. Daarnaast sluit beoogde ontwikkeling ook aan bij de visie op meer functievermenging. 3.3.2
Ontwikkelvisie Leiden 2030, 'Stad van Ontdekkingen'
In 2004 heeft de gemeenteraad de ontwikkelingsvisie "Leiden, Stad van Ontdekkingen" vastgesteld (RV 04.0097). In hetzelfde raadsbesluit heeft het college opdracht gekregen een cyclisch proces te ontwikkelen voor onderhoud van de ontwikkelingsvisie. De geactualiseerde uitgave van de ontwikkelingsvi-sie 2030 "Leiden, Stad van Ontdekkingen" is het resultaat van dat "onderhoud". Deze actualisering is op 13 september 2012 door de raad vastgesteld (RV 12.0044). De geactualiseerde uitgave van de visie vervangt hiermee de vorige versie uit 2004. De geactualiseerde uitgave van Leiden Stad van Ontdekkingen dient als leidraad voor beleidsontwikkeling en voor gesprekken over samenwerking in de stad en met de omgeving. Er was bij de vaststelling van de geactualiseerde visie geen behoefte aan een geheel nieuwe visie, maar de tijd was wel rijp voor een geactualiseerde uitgave die toekomstbestendig is. De kernpunten van de Ontwikkelingsvisie 2030 voldeden nog prima, maar de uitwerking daarvan is deels achterhaald door veranderde omstandigheden. Belangrijke ambities van de geactualiseerde visie 'Leiden, Stad van Ontdekkingen' zijn 'internationale kennis' en 'historische cultuur'. Kennis vindt zijn basis in de Universiteit van Leiden, het Leids Universitair Medisch Centrum en het Leiden Bio Science Park.
Historische cultuur is overal in de stad terug te vinden in de vorm van monumenten, musea en een ruim cultureel aanbod. Als Leiden deze ambities wil waarmaken moet de bereikbaarheid op orde zijn en wil de gemeente meer gebruik maken van 'de kracht van de stad'. De meest opvallende opgaven van de toekomst die in de ontwikkelingsvisie worden genoemd, zijn: Bieden van aantrekkelijke woonmilieus. Versterken van de historische binnenstad (de acties om dit te bereiken staan in het programma binnenstad, dat beschreven is in paragraaf 4.3.4). Inzet op cultuuraanbod en innovatieve cultuur in de stad. Hierbij worden grote kansen gezien voor cultureel en creatief ondernemerschap in de Meelfabriek en in het cultuurkwartier. Meer bezoekers en meer bestedingen trekken naar de historische binnenstad (o.a. verbreding en verbetering aanbod winkels, horeca en congres-voorzieningen en een verbetering van de kwaliteit en het beheer van openbare ruimte en de gebouwde omgeving. bestemmingsplan "Groenoordbedrijven" (vastgesteld) 23
bestemmingsplan Groenoordbedrijven De noordelijke singelrand wordt een stadsdeel met architectuur, innovatie en creativiteit, met de Meelfabriek als icoon. Verbeteren van de bereikbaarheid van Leiden. Voorgenomen ontwikkeling voldoet hiermee aan de ontwikkelvisie Leiden 2030, Stad van Ontdekkingen.
3.3.3
Beleidsvisie Werklandschappen
De gezamenlijk gemeenten in de Leidse regio hebben de beleidsvisie werklandschappen opgesteld. Deze visie is in de gemeente Leiden op 9 december 2013 vastgesteld. De overige gemeenten die meegewerkt hebben aan deze visie hebben de visie nog niet vastgesteld. Bedrijventerreinen bieden ruimte aan ondernemers om te ondernemen. Dat is goed voor de Leidse ondernemers en goed voor de stad: goed voor de werkgelegenheid, goed voor de economie en goed voor het voorzieningenniveau. De regio wil zorgen dat bedrijventerreinen ook in de toekomst aantrekkelijk blijven, zodat ze bij kunnen blijven dragen aan de werkgelegenheid, economie en voorzieningenniveau van Leiden. Drie werk landschapprofielen Er zijn drie werklandschapprofielen opgesteld met daarbij de volgende toewijzing aan de bedrijventerreinen: 1. Consoliderend profiel (in basis huidige typen bedrijven behouden, matige verruiming): voor de bedrijventerreinen Westwal (Kenauweg), Rooseveltstraat en Merenwijk; 2. Verruimend profiel (ook andere economische functies en voorzieningen toestaan): voor bedrijventerreinen De Hallen en Roomburg; 3. Profiel menging met wonen en verruimend (menging met wonen en andere economische functies en voorzieningen toestaan): voor bedrijventerreinen Lammenschansweg / Veilingterrein, De Waard, Trekvliet en Tussen Rijn & Rail (Amphoraweg).
Wat is het doel van de werklandschappen? De werklandschappen dienen meer flexibiliteit te bieden. Dat wordt bereikt door meer economische functies op werklandschappen toe te staan dan alleen de traditionele functies. Ook is het doel gesteld de werklandschappen in de stad intensiever te gebruiken. Beide gaan over intensiveren: in functies, gebruik en bebouwingsmogelijkheden. Met de werklandschappen dient de stadsverzorgende bedrijvigheid versterkt te worden. Dit draagt bij aan het voorzieningenniveau van de stad. De focus op stadsverzorgende bedrijvigheid wil echter niet zeggen dat stuwende bedrijvigheid wordt uitgesloten. Er wordt gestreefd naar een grotere tevredenheid bij gebruikers van de openbare ruimte bij de werklandschappen. Dit draagt bij aan de aantrekkelijkheid van deze werklandschappen. Daarnaast wil de gemeente Leiden de behoefte aan leisurefuncties in de stad accommoderen stelt zij in deze visie. Het realiseren van bedrijfsunits waar naast bedrijven ook sportvoorzieningen of dienstverlenende functies mogelijk zijn, past binnen de beleidsvisie werklandschappen en de Ruimtelijke strategie bedrijven 2020-2030.
24
bestemmingsplan "Groenoordbedrijven" (vastgesteld)
bestemmingsplan Groenoordbedrijven
3.3.4
Masterplan Leiden Groenoord 2016
Met het nieuwe Masterplan uit 2016 is het oude Masterplan Groenoord en Omgeving (GEO) 2006 geactualiseerd, met behulp van een participatieproces met bewoners en ondernemers uit Groenoord. Het nieuwe Masterplan Groenoord 2016 biedt de gemeente een ontwikkelkader voor de volgende fasen in de transformatie van het bedrijventerrein Gabriël Metzustraat en de randen van de stadswijk Groenoord Noord. Binnen het Masterplan Leiden Groenoord 2016 wordt het ontwikkelgebied Gabriël Metzustraat - Stadspolderweg aangewezen als ontwikkelloactie voor bedrijven, en groen met speelvoorzieningen waardoor een multifunctioneel gevarieerd gebied onstaat dat tevens aansluit bij de groen-blauwe structuur van het gebied. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is in overeenstemming met het geldende gemeentelijk beleid.
bestemmingsplan "Groenoordbedrijven" (vastgesteld) 25
bestemmingsplan Groenoordbedrijven
Hoofdstuk 4
Omgevingsaspecten
In dit hoofdstuk worden de relevante omgevingsaspecten toegelicht.
4.1
Milieueffectrapportage
Beleid en regelgeving Voor plannen en activiteiten, die mogelijk belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu, kan het noodzakelijk zijn dat een milieueffectrapport wordt opgesteld. Dit is geregeld in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 7), het Besluit milieueffectrapportage en de Wet natuurbescherming 2017 (Wnb). Er is een m.e.r.plicht voor plannen (planMER) en een m.e.r.plicht voor besluiten. Een plan is planm.e.r.plichtig als het plan kaders stelt voor m.e.r.plichtige activiteiten. Een bestemmingplan (of wijzigingsplan) kan plan m.e.r.plichtig zijn. Dit is het geval als het plan kaders stelt voor latere m.e.r.plichtige activiteiten en/of als voor het plan een passende beoordeling nodig is vanwege de Wnb. Daarnaast kan een plan ook m.e.r.plichtig zijn als er een concreet (bouw)plan ter uitvoering ligt. Natura 2000 Voor het uitvoeren van projecten en handelingen die negatieve effecten kunnen hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied en die niet nodig zijn voor het beheer van het Natura 2000-gebied, is een vergunning nodig. Bij besluiten om een plan (bijvoorbeeld een bestemmingsplan) vast te stellen moet op grond van artikel 2.8 van de Wnb rekening worden gehouden met de effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebieden en het beheerplan.
Ook activiteiten buiten het Natura 2000-gebied kunnen negatieve effecten op het Natura 2000-gebied hebben. Dit wordt 'externe werking' genoemd. Beoordeling De nieuwbouw van enkele bedrijfsunits, zoals in de voorgaande paragrafen beschreven, kan worden gekwalificeerd als "de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcen-tra of parkeerterreinen", zoals bedoeld in onderdeel D.11.2 van bijlage van het Besluit m.e.r. Bij die activiteit zijn drie relevante indicatieve drempelwaarden opgenomen, namelijk: een oppervlakte van 100 hectare of meer; een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen; een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Het plan valt ruimschoots binnen de gestelde drempelwaarden. Het bevoegd gezag moet nagaan of er zodanige belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn te verwachten dat er een m.e.r.-beoordeling of m.e.r. noodzakelijk is. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteit (kleinschalige bedrijfsunits) en de ligging van het plangebied binnen de bebouwde kom van Leiden worden er geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu verwacht. Een nadere m.e.r.-beoordeling is niet noodzakelijk. De milieuaspecten worden in de toelichting van het bestemmingsplan voldoende afgewogen.
Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide ligt op een afstand van ongeveer 5,5 tot 6 kilometer. Uit het uitgevoerde stikstofonderzoek blijkt dat de ontwikkeling niet leidt tot een toename van de stikstofdpositie op deze natuurgebieden (zie paragraaf 4.10). Conclusie Vanwege die beperkte omvang van het plan, acht de gemeente de afweging van de afzonderlijke milieuaspecten in de volgende paragrafen voldoende en wordt het opstellen van een MER niet noodzakelijk geacht.
26
bestemmingsplan "Groenoordbedrijven" (vastgesteld)
bestemmingsplan Groenoordbedrijven
4.2
Geluid
4.2.1
Wegverkeerslawaai
Wettelijk kader De Wet geluidhinder (Wgh) biedt het wettelijk kader voor de toegestane geluidsbelasting vanwege een weg bij geluidsgevoelige bestemmingen, waaronder woningen. De Wet geluidhinder heeft betrekking op wegen met een zone (met uitzondering van wegen met 30 km/uur regime). Beoordeling Binnen het plangebied worden bedrijfsunits mogelijk gemaakt. Geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn binnen het plangebied niet toegestaan. De nieuwe aan te leggen 30 km/u weg loopt wel langs een kinderdagverblijf. Echter, de etmaalintensiteit is dermate laag (< 500 mvt/etm) dat de nieuwe weg leidt tot een geluidblootstelling die lager zal zijn dan de voorkeursgrenswaarde (maar die is dus niet van toepassing), zodat verkeerslawaai geen knelpunt vormt ten aanzien van een goed ruimtelijke ordening Conclusie In het kader van wegverkeerslawaai is er geen onderzoek noodzakelijk. 4.2.2
Spoorweglawaai
Wettelijk kader In hoofdstuk VII "Zones langs spoorwegen" Wgh en in hoofdstuk 4 Bgh is de zonering van spoorwegen (en ook van tram en metro) en het daarbij behorende normenstelsel geregeld. Bij spoorweglawaai is de breedte van de zone onder andere afhankelijk van het aantal sporen en de verkeersintensiteit. In de Regeling Zonekaart spoorwegen is per spoortraject de zonebreedte vastgesteld. Deze zonebreedte varieert van 100 tot maximaal 1300 meter. Binnen deze zone is de Wgh van toepassing. Wanneer een nieuwe geluidsgevoelige bestemming in de zone van een spoorweg via een ruimtelijk besluit mogelijk wordt gemaakt geldt (via art. 107 Wgh) hoofdstuk vier van het Besluit geluidhinder. Bij deze besluiten moeten voor geluidsgevoelige bestemmingen de hoogst toelaatbare geluidsbelasting in acht worden genomen. Het beschermingsniveau voor nieuw te realiseren geluidsgevoelige bestemmingen in de zone van een spoorweg is vastgelegd in art. 4.9 Bgh (voorkeursgrenswaarde) en artikelen 4.10 t/m 4.12 (hoogst toelaatbare geluidsbelasting). Beoordeling Het plangebied ligt in de zone van het spoor. De breedte van de zone wordt bepaald op grond van de vastgestelde geluidproductieplafonds (GPP's). Op de hoogte van het plangebied zijn de vastgestelde waarden van GPP's hoger dan 60 dB. Dat betekent een zone met de breedte van 300 meter. Dit plan maakt geen geluidgevoelige bestemmingen mogelijk.
Nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect Spoorweglawaai vormt geen belemmering voor het plangebied. 4.2.3
Industrielawaai
Wettelijk kader Indien op een bedrijventerrein bedrijven gevestigd zijn of zich mogen vestigen zoals bedoeld in onderdeel D van Bijlage I Bor, wordt in het kader van de Wet geluidhinder gesproken van een "industrieterrein". Industrieterreinen hebben een geluidszone. Een geluidszone is een gebied rond een industrieterrein waarbuiten de gecumuleerde geluidsbelasting van alle daarop gevestigde bedrijven niet hoger mag zijn bestemmingsplan "Groenoordbedrijven" (vastgesteld) 27
bestemmingsplan Groenoordbedrijven dan 50 dB(A). Woningen (evenals overigens andere geluidsgevoelige bestemmingen) die binnen de zone liggen, kunnen een geluidsbelasting hebben die hoger is dan 50 dB(A).
Afbeelding 4.1 - Contour Industrielawaai Nieuwe woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen worden bij voorkeur niet binnen een geluidszone geprojecteerd. Wil men toch bouwen binnen deze zone, dan moet de initiatiefnemer onderzoek doen naar de geluidsbelasting. Blijkt hieruit dat het geluidsniveau hoger is dan 50 dB(A), dan moeten extra maatregelen ervoor zorgen dat het geluidsniveau binnen niet meer bedraagt dan 35 dB(A). Voor zulke woningen moeten hogere waarden worden vastgesteld. Op basis van de artikelen 45 Wgh en 110a Wgh kan de gemeente (B&W) voor de woningen die binnen de zonegrens liggen, hogere waarden verlenen. De geluidsbelasting op de gevel van deze woningen (door het industrieterrein) mag meer bedragen dan 50 dB(A). Het maximum voor reeds aanwezige of in aanbouw zijnde woningen is 60 dB(A) en voor geprojecteerde woningen bedraagt de maximale waarde 55 dB(A). Beoordeling Er is onderzoek gedaan naar de gevolgen van de ontwikkeling in het plangebied op het gezoneerde terrein (Zie Bijlage 4). In het betreffende plangebied zijn bedrijvenunits en voorzieningen gepland. Het plangebied bevindt zich op het gezoneerde industrieterrein Hallen-Merenwijk, waardoor akoestisch onderzoek nodig is. De geluidbelasting van de maximaal voorziene milieucategorie op deze locatie is onderzocht. Dit betreft categorie 3.
Hierbij is getoetst of de te verwachten geluidbelasting van deze categorie inrichtingen gelijk of lager is dan de reserveringbronnen die zijn opgenomen binnen het plangebied in het zonebewakingsmodel. Uit het onderzoek blijkt dat categorie 3.1 inpasbaar is op het plangebied. En mogelijk op een deel van het terrein categorie 3.2. Conclusie Voorliggend plan past binnen de vastgestelde geluidszone. Geluid vormt hiermee geen belemmering voor dit bestemmingplan.
28
bestemmingsplan "Groenoordbedrijven" (vastgesteld)
bestemmingsplan Groenoordbedrijven
4.3
Geurhinder
Beleid en regelgeving Op 1 januari 2008 is het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer, ofwel het Activiteitenbesluit in werking getreden. Met de wijziging van het Activiteitenbesluit per 1 januari 2011 is een wijziging van het Activiteitenbesluit in werking getreden. Met deze 2e tranche van het Activiteitenbesluit komt een groot deel van het zuiveringsproces van de communale RWZI's onder het Activiteitenbesluit te vallen. De normen voor geur zijn opgenomen in artikel 3.5b van het Activiteitenbesluit. De geurbelasting als gevolg van een zuiveringtechnisch werk kan ter plaatse van geurgevoelige objecten niet meer dan 0.5 OUe/m3 als 98 percentielcontour zijn. Indien het gaat om geurgevoelige objecten gelegen op een gezoneerd industrieterrein, een bedrijventerrein danwel buiten de bebouwde kom, kan de geurbelasting niet meer zijn dan 1 odour unit per kubieke meter lucht als 98-percentiel. Beoordeling Het plangebied ligt deels binnen de geurcontour van de RWZI. Middels een wijzigingsplan is deze contour verkleind, waardoor een klein deel van het gebied niet meer in de geurcontour valt (blauwe lijn).
Afbeelding 4.2 - Geurcontour Uit jurisprudentie blijkt dat gebouwen op een bedrijventerrein als geurgevoelig object kunnen worden aangemerkt. Dit is het geval als gebouwen 'geschikt zijn voor langdurig menselijk verblijf'. Hierbij geldt een maximale geurnorm van 1 odour unit per kubieke meter lucht als 98-percentiel. De in afbeelding 4.2 weergegeven rode contour is de norm van 1 ouE/m3 als 98-percentiel voor geurgevoelige objecten op een bedrijventerrein. In figuur 4.3 is de geurcontour over de ontwikkelingslocatie geprojecteerd. Hieruit blijkt dat de beoogde bedrijfsunits grotendeels buiten de rode contour liggen. Alleen het meest noordoostelijke puntje van het plangebied, naar verwachting de helft van één bedrijfunit ligt binnen de geurcontour. De geurcontour is op de verbeelding opgenomen. Binnen de geurcontour is in de regels 'langdurig menselijk verblijf' uitgesloten. Hierdoor is in dit deel van het plangebied beperkt gebruik toegestaan, maar functies zoals bijvoorbeeld opslag of andere functies waar geen langdurig verblijf plaatsvindt zijn wel mogelijk. bestemmingsplan "Groenoordbedrijven" (vastgesteld) 29
bestemmingsplan Groenoordbedrijven
Afbeelding 4.3 - Plangebied met geurcontour Conclusie De beoogde bedrijfsunits liggen vrijwel geheel buiten de geurcontour. Alleen het meest noordoostelijke puntje van het plangebied, naar verwachting een klein deel van één bedrijfunit ligt binnen de geurcontour. De geurcontour is op de verbeelding opgenomen. Binnen de geurcontour is in de regels 'langdurig menselijk verblijf' uitgesloten. Het milieuaspect geur en de geurcontour vormen hiermee geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.4
Bedrijven en milieuzonering
Beleid en regelgeving In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet worden beoordeeld of bedrijven in de omgeving
30
bestemmingsplan "Groenoordbedrijven" (vastgesteld)
bestemmingsplan Groenoordbedrijven onevenredig worden belemmerd door de ontwikkeling van het plan en of ter plaatse van gevoelige functies, zoals woningen, sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor de beoordeling is gebruik gemaakt van de Handreiking Bedrijven en milieu-zonering (VNG, editie 2009). Per milieucategorie geldt een minimaal gewenste afstand, de richtafstand. Deze richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds als uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. De in de handreiking opgenomen afstanden zijn indicatief en kunnen per gebiedstype, waarin de ontwikkeling zal plaatsvinden, verschillen. Hierbij is het uitgangspunt dat deze afstanden gemotiveerd worden toegepast. Beoordeling Het plangebied is gelegen op een afstand van circa 65 meter van de dichtst bij gelegen woningen aan Gabriël Metzustraat in Leiden. Deze woningen liggen in een rustige woonwijk binnen de 50 dB(A) geluidszone van het industrieterrein de Hallen. Aan de hand van de richtafstanden per milieucategorie op het milieuaspect geluid kan worden vastgesteld dat op een afstand van ten minste 30 en 50 m van de dichtst bij gelegen woningen, bedrijven in respectievelijk milieucategorie 2 en 3.1 toelaatbaar zijn.
Indien wordt voldaan aan deze richtafstanden op het milieu-aspect geluid, worden bedrijven op het te ontwikkelen bedrijventerrein niet onevenredig belemmerd door het plan en is ter plaatse van de woningen in de omgeving van het bedrijventerrein in principe sprake van een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat. Onder de paragrafen geluid en geur wordt nog specifiek ingegaan op deze aspecten. Wet milieubeheer/ Activiteitenbesluit milieubeheer Op het bedrijventerrein worden bedrijven opgericht die waarschijnlijk inrichtingen zijn op grond van de Wet milieubeheer (Wm) en die zijn ingedeeld in een categorie van bijlage I van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Voor de oprichting van deze inrichtingen moet een melding op grond van het Activiteitenbesluit worden gedaan. De melding wordt elektronisch gedaan via http://aimonline.nl. Conclusie Zodra een bedrijf zich ter plaatse vestigt zal een melding moeten worden gedaan op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Uitgaande van een zonering waarbij de bedrijven met de hoogste milieucategorie op de grootse afstand van de woningen worden gesitueerd, worden er geen belemmeringen verwacht om het plan te realiseren. Voor wat betreft specifiek de aspecten geluid en geur wordt verwezen naar de betreffende paragrafen.
4.5
Externe veiligheid
Wettelijk kader Voor het milieuaspect externe veiligheid zijn een aantal bronnen van belang, namelijk het vervoer van gevaarlijke stoffen via de weg, het spoor of het water, het transport door ondergrondse leidingen en de opslag van gevaarlijke stoffen. De normen voor het externe veiligheidsbeleid hebben een wettelijke status. Deze normen zijn een wettelijke verplichte toetsingsgrond bij besluiten op grond van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Woningwet. Beoordeling Het plangebied ligt niet in het effectgebied van een bedrijf waar gevaarlijke stoffen worden opgeslagen of geproduceerd. Ook ligt het niet in een effectgebied van een spoorlijn, waterweg of buisleiding die wordt gebruikt voor het transport van gevaarlijke stoffen. De locatie ligt in het effectgebied van de A4, maar wel een op ruime afstand van 3 kilometer. Vanwege het transport van toxische vloeistoffen van categorie LT3 heeft de A4 een effectgebied van meer dan 4 kilometer. Een nieuwe risicoberekening is niet nodig omdat de afstand tot de transportroute A4 meer dan 200 meter bedraagt (Besluit externe veiligheid transportroutes, art 8). Aan de mogelijkheden tot bestemmingsplan "Groenoordbedrijven" (vastgesteld) 31
bestemmingsplan Groenoordbedrijven voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen moet wel aandacht worden besteed (Bevt, art 7). Bij een incident met toxische stoffen op de A4 kan een giftige gaswolk ontstaan die de locatie kan bereiken. Bij een dergelijke calamiteit zijn geen bijzondere voorzieningen nodig om de omvang van een ramp te beperken en om de aanwe-zige personen veiligheid te bieden. Het sluiten van ramen, deuren en ventilatie-roosters, en zoveel mogelijk uitschakelen van ventilatiesystemen na alarmering door de Veiligheidsregio of een bericht van NL-Alert, is daarvoor voldoende." Conclusie Gelet op het voorgaande kan gesteld worden dan het aspect externe veiligheid geen belemmering is voor het realiseren van het plan.
4.6
Luchtkwaliteit
Wettelijk kader Sinds 15 november 2007 zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen in de Wet milieubeheer, titel 5.2 van hoofdstuk 5. In dit hoofd-stuk zijn onder andere de kaders vastgelegd voor projecten die niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, voor projectsaldering, voor het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit en voor het toetsen aan grenswaarden. Het luchtkwaliteitsonderzoek dient als basis voor het gebruik van één van deze wettelijke onderdelen (indien het programma overeenkomt met hetgeen is aangegeven in het NSL is geen onderzoek noodzakelijk). Indien het programma wel afwijkt zal dit nader bekeken moeten worden. Het luchtkwaliteitsonderzoek moet uitgevoerd zijn voor de vaststelling van een bestemmingsplan. In het Besluit Niet In Betekenende Mate en de daarop gebaseerde Regeling Niet In Betekenende Mate (luchtkwaliteitseisen) is geregeld welke projecten niet meer getoetst hoeven te worden aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Projecten, die maximaal 3% van de grenswaarde (= 1,2 µg/m3 voor zowel NO2 als PM10) bijdragen aan de lokale luchtkwaliteit vallen onder de definitie van NIBM en hoeven niet meer getoetst te worden aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer.