CConstaterende datLeiden
Koppel je AI →
Document · PDF

210072 Bijlage 1b. Toelichting

Gemeenteraad 9 november 2021, gemeente LeidenBij agendapunt: 21.0072 Bestemmingsplan Groenoordbedrijven15.753 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Het plangebied Uit een berekening met de NIBM-tool (2019) op basis van de verkeersgegevens (zie paragraaf 2.2) blijkt dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Op basis van de Atlas leefomgeving kan geconstateerd worden dat de concentratie NO2 langs de Gabriël Metzustraat 27,0 µg/m3 en de jaargemiddelde concentra-tie PM10 26,2 µg/m3 bedraagt. De concentraties voldoen hiermee aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Bovenstaande houdt in dat de luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de realisatie van het plan. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de nieuwe bedrijfsunits in het plangebied.

4.7

Bodem

Wettelijk kader De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen regels stellen voor een goede ruimtelijke ordening. Dit betekent voor de bodem (grond en grondwater) dat de bodemkwaliteit en de voorgenomen bestemming met elkaar in overeenstemming dienen te zijn. Of de bodem een planontwikkeling in de weg staat, wordt middels een historisch onderzoek eventueel aangevuld met een bodemonderzoek bepaald. De resultaten van het historisch onderzoek, het bodemonderzoek en de conclusie met eventuele saneringsadviezen worden in het bestemmingsplan vermeld. Beoordeling Ter plaatse van de ontwikkelingslocatie heeft in 1999 een bodemsanering plaatsgevonden. Het

32

bestemmingsplan "Groenoordbedrijven" (vastgesteld)

bestemmingsplan Groenoordbedrijven voornemen was om de achtergebleven verontreinigingen (zware metalen, PAK en minerale olie) boven de interventiewaarde af te dekken. Deze werkzaamheden hebben echter niet plaatsgevonden. Op de locatie is een milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd door Adverbo (kenmerk 16.10.0533-0447-1, d.d. 2 september 2016). Uit de resultaten blijkt dat: De (boven)grond op meerdere locaties matig tot sterk is verontreinigd met zware metalen. Ter plaatse van de voormalige stortplaats van slakken en sintels een puinlaag aanwezig is. De dikte van deze laag is niet vastgesteld. De boringen zijn op een diepte van 2,0 m-mv gestaakt. In 1996 is de omvang ingeschat op 3.000 m3. Plaatselijk is een puinlaag aanwezig met een dikte van 0,9 meter. De omvang wordt ingeschat op 350 m3. Tijdens de werkzaamheden is visueel en analytisch geen asbest aangetoond. Het grondwater is niet of licht verontreinigd met de onderzochte parameters. Conclusie Geconcludeerd wordt dat op basis van de resultaten van het onderzoek uit 2016 de bodem nog sterk is verontreinigd. Met behulp van dit onderzoek dient beoordeeld te worden welke sanerende werkzaamheden noodzakelijk zijn om de locatie geschikt te maken voor de beoogde bestemming. Vermoedelijk zal die sanering pas in een later stadium (voorafgaand aan de verlening van de omgevingsvergunning bouwen) worden uitgevoerd.

De omgevingsvergunning kan pas in werking treden als door het bevoegd gezag is ingestemd met het saneringsplan of BUS-melding (artikel 6.2c Wabo).

4.8

Molenbiotoop

Wettelijk kader In de op 2 juli 2010 door Provinciale Staten vastgestelde Verordening Ruimte is in artikel 13 regelgeving opgenomen voor de omgeving van traditionele molens. Het gaat in dit kader om het garanderen van de vrije windvang en het zicht op de molen. Dit betekent dat beperkingen moeten worden gesteld aan de hoogte van bebouwing en beplanting. Onderscheid wordt in de verordening gemaakt tussen molens met een normale molenbiotoop en molens met een bijzondere molenbiotoop. De categorie 'molens met een bijzondere molenbiotoop' omvat enkele incomplete molens, opnieuw opgebouwde molens en verplaatste molens. Hier-voor hebben gemeenten meer beleidsvrijheid om af te wijken van de provinciale regels. De molenbiotoop van gewone molens heeft een omvang van 400 meter, gerekend vanuit het middelpunt van de molen. In de verordening is bepaald waaraan bestemmingsplannen moeten voldaan voor wat betreft de maximale hoogte van nieuwe bebouwing en beplanting. Voor het bepalen van de maximale bouwhoogte is onderscheid gemaakt in molens die binnen de bebouwingscontour van het stedelijk gebied zijn gelegen en molens die daarbuiten zijn gelegen. Beoordeling

bestemmingsplan "Groenoordbedrijven" (vastgesteld) 33

bestemmingsplan Groenoordbedrijven

Afbeelding 4.4 - Slaaghmolen Het plangebied valt voor een heel klein deel in beschermingszone Stadsmolen. Het plangebied ligt volledig in de beschermingszones van de twee molens de Herder en de Kikkermolen, gelegen ten westen van de ontwikkeling. Deze zones bepalen de hoogte in het betreffende gebied. De molenbeschermingszone is op de plankaart van het bestemmingsplan Leiden Noord opgenomen. Binnen een straal van 400 meter vanuit de molen gelden beperkingen voor de bouwhoogte. Op deze

34

bestemmingsplan "Groenoordbedrijven" (vastgesteld)

bestemmingsplan Groenoordbedrijven manier wordt het zicht en de windvang van de molen beschermd. De planlocatie ligt binnen een afstand van 100 m tot 400 m vanaf de molen, tussen de op de kaart aangegeven eerste en tweede beschermingszone. Vanaf de voet van de molen mogen geen bouwwerken worden opgericht met een grotere hoogte dan 1/30 van de afstand, gemeten tussen het bouwwerk en het onderste punt van de verticaal staande wieken van de molen. Op basis van de afstand van de planlocatie tot de molens mag de maximale bouwhoogte voor het plangebied niet meer bedragen dan ca. 8 meter aan de noordwestzijde, oplopend naar ca. 10 meter aan de oostzijde. De maximale bouwhoogte in dit bestemmingsplan is grotendeels maximaal 9 meter en aan de westzijde maximaal 8 meter. De windvang van de molen zal niet beïnvloed worden. Conclusie De windvang van de molens zal niet wijzigen door de komst van de bedrijfsunits. De bouwhoogte van de bedrijfsunits zal niet hoger worden dan is toegestaan op grond van de maximale hoogte die mogelijk is in verband met de nabijgelegen molens.

4.9

Water

4.9.1

Beleidskader

Europees en nationaal beleid Europese kaderrichtlijn water (2000) De Kaderrichtlijn Water beoogt het instrumentarium te bieden om oppervlaktewater en grondwater in zowel kwalitatief als kwantitatief opzicht te beschermen en te verbeteren. Ook het bevorderen van een duurzaam watergebruik, op basis van bescherming van de beschikbare waterbronnen en de afzwakking van de gevolgen van overstromingen en perioden van droogte vormen belangrijke doelstellingen. Om deze doelen te realiseren, reikt de richtlijn diverse instrumenten aan zoals maatregelenprogramma's, stroomgebiedbeheersplannen, monitoringverplichtingen en economische analyses van het watergebruik inclusief de kostenterugwinning van waterdiensten. Nationaal Waterplan 2016 - 2021 Het 2e Nationaal Waterplan (NWP2) beschrijft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de periode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Hierin staat o.a. dat het rijk, provincies, gemeenten en waterschappen gezamenlijk de ambitie hebben gesteld dat Nederland in 2050 zo goed mogelijk klimaatbestendig en waterrobuust is. De looptijd van het Nationaal Waterplan 2016-2021 is van 22 december 2015 tot 22 december 2021. Het Nationaal Waterplan (en alle andere plannen op grond van de Waterwet) worden elke zes jaar herzien.

Beleid waterschap Waterbeheerplan 5 Voor de planperiode 2016-2021 zal het Waterbeheerplan 5 (WBP5) van het hoogheemraadschap van Rijnland van toepassing zijn. In dit plan geeft het hoogheemraadschap van Rijnland aan wat haar ambities voor de komende planperiode zijn en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen. In het WBP5 staat samen werken met de omgeving aan water centraal. Het hoogheemraadschap van Rijnland wil samen met zijn omgeving werken aan duurzaam en efficiënt waterbeheer. De vier hoofddoelen zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water, gezond water en de waterketen. Wat betreft veiligheid is cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Bij voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten, goed te beheren en goed te onderhouden. Daarbij wil het hoogheemraadschap van Rijnland dat het watersysteem op orde en toekomstvast wordt gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Immers, de verandering van het klimaat leidt naar verwachting tot meer lokale en heviger buien, perioden van langdurige droogte en zeespiegelrijzing. Het waterbeheerplan sorteert voor op deze ontwikkelingen. Gezond water is de zorgplicht om het water schoon zoals past bij de functie van het water te houden.

Wat betreft de waterketen, zijnde afvalwater, wordt dit optimaal gezuiverd en onttrokken grondstoffen bestemmingsplan "Groenoordbedrijven" (vastgesteld) 35

bestemmingsplan Groenoordbedrijven worden hergebruikt. Keur en uitvoeringsregels Per mei 2020 is een nieuwe Keur en de daarbij horende uitvoeringsregels in werking getreden. De Keur is benodigd vanuit de Waterwet. De Keur bevat verbodsbepalingen voor werken en werkzaamheden in of bij waterstaatswerken. Er kan een ontheffing worden aangevraagd om een bepaalde activiteit wel te mogen uitvoeren. Als het hoogheemraadschap van Rijnland daarin toestemt, dan wordt dat geregeld in een Keurvergunning. De Keur is daarmee een belangrijk middel om via vergunningverlening en handhaving het watersysteem op orde te houden of te krijgen. In de Uitvoeringsregels, die bij de Keur horen, is het beleid van het hoogheemraadschap van Rijnland nader uitgewerkt. Binnen het beheergebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland gelden strenge regels om onbebouwde grond te verharden. Bij toename van verharding van de onbebouwde gronden met meer dan 500m2 is compensatie van verharding door middel van extra te graven vierkante meters water verplicht. Gemeentelijk beleid Hemelwaterverordening (2020) De Hemelwaterverordening is op 23 oktober 2020 inwerking is getreden. De Hemelwaterverordening bevat verbodsbepalingen op het lozen van hemelwater en grondwater. De eigenaar van een perceel is primair verantwoordelijk voor het grondwater in of op zijn terrein.

Het is niet toegestaan om bij nieuwbouw en vernieuwbouw vanaf een nieuw bouwwerk of een nieuw verhard oppervlak hemelwater te lozen op de riolering of openbaar terrein. De eigenaar van een perceel is verplicht om, in aanvulling op de eisen vastgelegd in de Keur van het Hoogheemraadschap van Rijnland, hemelwater op zijn eigen terrein te verwerken. De eigenaar is vrij om te kiezen welke voorzieningen hij daarvoor gebruikt zolang deze voorziening maar minimaal 60 liter per m2 verhard oppervlak kan vasthouden of bergen. Watertoets Om problemen met wateroverlast te voorkomen, om een goede waterkwaliteit te waarborgen én om de beleving van water voor burgers te vergroten, is de watertoets in het leven geroepen. De watertoets is een sinds 2003 verplichte procedure die er voor zorgt dat water en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk moment bij de planvorming worden betrokken. De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. IWKP: integraal Waterketenplan (2018) Het integraal Waterketenplan Leidse regio vervangt het VGRP (Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan) . Het IWKp behandelt onder andere de zorgplichten van de gemeente op het gebied van afvalwater, hemelwater en grondwater.

Het beschrijft de beleidsuitgangspunten en de maatregelen die de komende planperiode genomen worden. Functionele doelen in het IWKP. Per doelstelling zijn de beleidsuitgangspunten uitgewerkt, maar te uitgebreid om hier allemaal op te nemen. Doelstelling

Verantwoordelijke partij Beschrijving

Veiligstelling van de drinkwatervoorziening

Drinkwaterbedrijven

Drinkwaterbedrijven dragen volgens de drinkwaterwet zorg voor een duurzame veiligstelling van de drinkwatervoorziening. De Drinkwaterwet vloeit voort uit de Europese-Drinkwaterrichtlijn, waarin kwaliteitseisen worden gesteld aan het drinkwater.

Duurzaam beschermen van de Volksgezondheid (schoon drinkwater en verwerken afvalwater)

Drinkwaterbedrijven, Gemeente en Hoogheemraadschap

Afvalwater wordt op een duurzame en efficiënte manier ingezameld, verwerkt en geloosd, zodat het geen bedreiging vormt voor de volksgezondheid. Kwaliteitseisen aan en beschikbaarheid van drinkwater

36

bestemmingsplan "Groenoordbedrijven" (vastgesteld)

bestemmingsplan Groenoordbedrijven

Op peil houden kwaliteit Gemeente en leefomgeving (hemelwater, hoogheemraadschap grondwater; droge voeten)

Regenwater wordt (deels) in de woonwijken opgeslagen en benut in en om de wijk. Afvoer van overtollig hemelwater en de regulering van grondwater hebben geen nadelige invloed op de verwerking van afvalwater of op de kwaliteit van het oppervlaktewater. Bij opslag en benutting van regenwater wordt rekening gehouden met eventuele risico's voor de volksgezondheid.

Duurzaam beschermen Drinkwaterbedrijven, Natuur en milieu (bodem, Gemeente en grond- en hoogheemraadschap oppervlaktewater)

Drinkwaterbedrijven zijn gebaat bij schone innamebronnen als grondstof voor hun drinkwaterproductie. Dunea is daarbij ook natuurbeheerder. Het verwerkingsproces van afvalwater, op de verschillend verwerkingslocaties, levert schoon water, grondstoffen en energie. Daar waar mogelijk worden kringlopen gesloten, om hiermee de waterketen een economische waarde te laten vertegenwoordigen.

Tabel 4.1: Functionele Doelstellingen en verantwoordelijkheden

4.9.2

Toekomstige situatie

Algemeen Water in Leiden Leiden bestaat uit een netwerk met doorgaande waterstructuren en verbindingen met de regio. Deze structuren hebben veelal de ruimtelijke structuur van de stad bepaald. De verschillende waterstructuren zijn opgebouwd uit verschillende elementen: de Rijn, stadsgrachten, singels, vaarten, kanalen en waterwegen. Functies water in de stad Het oppervlaktewater heeft tegenwoordig in het stedelijk gebied meerdere functies: de belangrijkste (fysieke) functie is de afvoer en berging van water en daarmee het voorkomen van wateroverlast in het stedelijk gebied. Dat is een waarborg voor een veilige woon- en werkomgeving. Andere functies zijn: de recreatieve functie: water zorgt voor beleving in de stad. Het is mogelijk om er op verschillende manieren op en langs te recreëren; de economische functie: water zorgt voor een hogere waardering van de omgeving, vastgoed in de nabijheid heeft bijvoorbeeld een hogere waarde; ecologische functie: water is een belangrijk onderdeel van de ecologische structuur van een stad; historische functie: Leiden is ontstaan door het water en dat is te zien aan de structuur. Water en ruimtelijke ordening Water en ruimtelijke ordening, het lijken twee werelden. Maar intussen weten we dat ze alles met elkaar te maken hebben.

Het aanwezige watersysteem vormt een belangrijke randvoorwaarde voor wat in een bepaald gebied wel of juist niet mogelijk is en stelt daarmee eisen aan de omgang en inrichting van de beperkte ruimte. Bouwen langs het water kan enorm bijdragen aan het woongenot. Bouwen op de verkeerde plek kan veel ellende geven door wateroverlast. Terecht wordt steeds meer erkend dat water mede sturend dient te zijn voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is inmiddels voor iedereen duidelijk dat het watersysteem meer ruimte nodig heeft om de effecten van klimaatverandering, zeespiegelrijzing en bodemdaling het hoofd te kunnen bieden. Een goede afstemming tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening is daarom noodzakelijk. Extra aandacht voor water in ruimtelijke plannen in een vroeg stadium van de planvorming is blijvend vereist met het oog op de toekomst en het naleven en uitvoering van de Watertoets, de Kaderrichtlijn Water (KRW), Waterplan Leiden en eisen vanuit waterbeheer. Watertoets bestemmingsplan "Groenoordbedrijven" (vastgesteld) 37

bestemmingsplan Groenoordbedrijven

De riolering binnen in Leiden Noord bestaat uit een gemengd stelsel. Een groot gedeelte van Leiden Noord ligt vrij laag ten opzichte van N.A.P. Ter voorkoming van wateroverlast (groot waterbezwaar) is voor een aantal plaatsen onderbemaling aangebracht. Dit gebeurt onder meer in Groenoord noord en zuid. Deze plaatsen liggen met N.A.P. -0.60 m het laagst ten opzichte van N.A.P. In het vigerende bestemmingsplan is reeds in ogenschouw genomen dat de planlocatie bebouwd en verhard zou worden. Aangezien het in die zin een voortzetting van het planologische regime is en er geen sprake is van een toename in de verharding, kan gesteld worden dat compensatie niet noodzakelijk is. In de waterparagraaf van het vigerende bestemmingsplan is reeds rekening gehouden met de bebouwing die gerealiseerd wordt. Daarnaast zal bij de ontwikkeling diffuse verontreinigingen worden voorkomen door het gebruik van duurzame, niet-uitloogbare materialen (geen zink, lood, koper en PAK's-houdende materialen), zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Conclusie De Groenoordhallen ontwikkeling is samen met de ontwikkeling van Nieuw Leyden en het Kooipleinproject onderdeel van het zogenaamde Wijkontwikkelingsplan Leiden-Noord (WOP Leiden-Noord).

Voor alle projecten die onderdeel uitmaken van het WOP-Noord is een gezamenlijke watervergunning (kenmerk V.45197) aangevraagd en verleend, waarbij de eindbalans van alle projecten tezamen tot een positief resultaat leidt. Deze ontwikkeling zorgt niet voor een toename van planologische verharding. Watercompensatie is daardoor niet nodig. Het wateraspect vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.

4.10

Ecologie

Wettelijk kader Per 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming van kracht. De Wet Natuurbescherming vervangt drie actuele wetten, te weten de Flora- en faunawet, de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998. Daarmee zijn gebiedsbescherming en soortbescherming bij elkaar gebracht in één Nederlandse wet. Deze wet beschermt de van nature in Nederland in het wild voorkomende planten en dieren en hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen. De Wet Natuurwetbescherming wijkt in een aantal opzichten af van de Flora- en faunawet; de strekking is echter hetzelfde. In de wet zijn algemene verbodsbepalingen opgenomen waarin onder meer is bepaald dat beschermde dieren niet opzettelijk gedood, gevangen of verontrust mogen worden en planten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. De bovengenoemde verboden zijn niet van toepassing wanneer Provinciale Staten in haar verordening een algemene vrijstelling heeft opgenomen voor de betreffende soorten of wanneer wordt gehandeld volgens een goedgekeurde gedragscode. Wanneer een activiteit ziet op een verbod uit de Wet natuurbescherming, niet wordt gehandeld volgens een goedgekeurde gedragscode én de betreffende activiteit niet is vrijgesteld op basis van de provinciale verordening, is een ontheffing van Gedeputeerde Staten vereist.

Een dergelijke ontheffing wordt in de regel uitsluitend verleend wanneer de gunstige staat van instandhouding van de betreffende soort voldoende wordt geborgd door middel van mitigerende en compenserende maatregelen. Voorbeelden daarvan zijn het zoveel mogelijk buiten het broed- of slaapseizoen laten plaatsvinden van de verstoringen, en het tijdig beschikbaar stellen van alternatieve, gelijkwaardige habitats voor de betreffende soort. In de toelichting van bestemmingsplannen die ontwikkelingen planologisch toestaan moeten de gevolgen voor ecologische waarden in beeld worden gebracht, zodat aannemelijk kan worden gemaakt of de ontwikkeling voldoet aan de bovengenoemde regels. Als bij voorbaat vaststaat dat een ontwikkeling niet kan voldoen aan de Wet natuurbescherming en ook niet in aanmerking komt voor een ontheffing, kan die ontwikkeling ook niet worden bestemd. In dat geval is immers geen sprake van een uitvoerbaar bestemmingsplan.

38

bestemmingsplan "Groenoordbedrijven" (vastgesteld)

bestemmingsplan Groenoordbedrijven

Net als in de Flora- en faunawet is in de Wet Natuurbescherming een zorgplicht opgenomen, een algemeen geldende fatsoensnorm voor de omgang met flora en fauna. Deze zorgplicht houdt in dat menselijk handelen zo weinig mogelijk nadelige gevolgen voor flora en fauna mag hebben. Soortenbescherming is onder de nieuwe Wet natuurbescherming geregeld op basis van een drietal verschillende beschermingsregimes, namelijk voor vogelrichtlijnsoorten, habitatrichtlijnsoorten en overige soorten. De soortbeschermingsbepalingen uit de Europese richtlijnen Vogelrichtlijn (VR) en Habitatrichtlijn (HR) zijn in de Wet Natuurbescherming geïmplementeerd: soorten en vegetatietypen waarvoor Natura 2000-gebieden zijn aangewezen, worden beschermd onder de nieuwe Wet Natuurbescherming. Ongeveer 200 soorten verliezen hun bescherming in vergelijking met eerder vigerende Flora- en faunawet, voornamelijk soorten vaatplanten (muurplanten, orchideeën) en (zee)vissen. De bij de Flora- en faunawet gehanteerde gedragscodes blijven bestaan, zij het dat de lijsten met beschermde soorten wijzigen en aangepast moeten worden.

Voor soortbescherming in relatie tot ruimtelijke ingrepen is een aantal artikelen in de nieuwe Wet Natuurbescherming van belang: Zorgbeginsel: artikel 1.10 en 1.11: net als bij artikel 2 Flora- en faunawet is de intrinsieke waarde van soorten vastgesteld in een doelbepaling en geldt voor alle soorten, los van een beschermingsregime, een zorgplicht. Dit zorgbeginsel is vergelijkbaar met de zorgplicht in de Floraen faunawet. Actieve soortbescherming: artikel 1.12. Provincies moeten verplicht beleid opstellen voor de bescherming van soorten, specifiek in hun eigen provincie. Dit beleid is nog in ontwikkeling en de inhoud is nog niet bekend. Er worden in de Wet Natuurbescherming drie beschermingsregimes onderscheiden: 1. Soorten van Vogelrichtlijn: Bescherming van alle in het wild levende vogels in de EU, beschreven in artikel 3.1-3.4. Dit beleid verandert deels t.o.v. de. Flora- en faunawet. Het begrip "opzettelijk" is bij doden, vangen en verstoring van nesten etc. opgenomen. Hieronder valt ook het begrip "voorwaardelijke opzet". De grote verandering is dat verstoring onder de nieuwe wet is toegestaan, mits de staat van instandhouding van de soort maar niet in het geding komt. Degene die de verstoring begaat, moet dan aantonen dat er geen verstoring van wezenlijke invloed is. Verstoren van broedende vogels (op nest) en eieren blijft verboden.

De provincie kan hiervoor vrijstellingen maken en ontheffingen verlenen. 2. Soorten van Habitatrichtlijn: Bescherming van dier- en plantensoorten is omschreven in artikel 3.5-3.9 voor: soorten die strikt beschermd zijn op grond van Habitatrichtlijn bijlage IV, Verdrag van Bern bijlage I en II, Verdrag van Bonn bijlage I. In geval van ontheffing of vrijstelling moet aan drie voorwaarden voldaan worden: dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat, de handeling noodzakelijk is (diverse redenen mogelijk, waaronder die van groot openbaar belang met redenen van sociale en economische aard) en tot slot alleen wanneer er geen afbreuk gedaan wordt aan de gunstige staat van instandhouding van de soort in haar natuurlijke verspreidingsgebied. soorten die streng beschermd zijn Habitatrichtlijn bijlage V, Verdrag van Bern bijlage III, Verdrag van Bonn bijlage II, waarvoor maatregelen moeten worden getroffen indien de gunstige staat van instandhouding in het geding is. In geval van ontheffing of vrijstelling moet alleen voldaan worden aan de eis dat de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komt. Hiervoor zijn maatregelen verplicht. Ook hier is het opzetvereiste van toepassing, maar in tegenstelling tot vogels is er geen uitzondering dat 'verstoring toegestaan is zolang het niet van wezenlijke invloed is'. Via een AMvB kunnen nog nadere regels gesteld worden.

De provincie kan vrijstellingen maken en ontheffingen verlenen, met in achtneming van de belangen. 3. Andere soorten: Dit zijn de in de bijlage van bij artikel 3.10 van Wet natuurbescherming genoemde soorten. Op deze bijlage staan zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Onderdeel A bevat de fauna, onderdeel B de flora. Deze lijst is een nationale toevoeging en betreft bestemmingsplan "Groenoordbedrijven" (vastgesteld) 39

bestemmingsplan Groenoordbedrijven soorten die in principe een landelijke achteruitgang kennen. In praktijk is deze bescherming lichter en verwacht wordt dat ontheffingen vrij gemakkelijk verkregen kunnen worden, aangezien er niet de zwaardere belangen gelden voor de soorten van de Europese richtlijnen. Ruimtelijke ontwikkeling is een geldig belang voor een ontheffing (art 3.10.2 onderdeel a). Opzettelijk verstoren in algemene zin, wordt voor deze groep niet genoemd als verbod. De provincies kunnen voor deze lijst vrijstellingsbesluiten maken. Op dit moment staan ook zeer algemene soorten op deze lijst; mogelijk zal er een vrijstellingsbesluit of AMvB opgesteld worden hoe hier mee om te gaan. Gemeentelijk beleid Ecologisch beleidsplan Leiden (1998) Het uitgangspunt van het Ecologisch Beleidsplan Leiden (EBL) is om de natuur mee te laten tellen als bewoner van de stad. Hierbij moeten de kansen om de natuur de stad in te halen optimaal worden benut en bedreigingen voor die natuur zoveel mogelijk worden beperkt, rekening houdend met de multifunctionaliteit van de stad en haar stedelijk groen. De hoofddoelstellingen van het ecologisch beleidsplan zijn: Het complementeren dan wel opstellen van een gebiedsdekkend plan voor een duurzame ecologische groenstructuur van 'groene' en 'blauwe' verbindingen vanuit het buitengebied de stad in.

Door middel van inrichting, communicatie en regelgeving de Leidse Ecologische Structuur (LES) versterken. Profielen, beheermethoden en sortimentskeuze koppelen aan de LES. Het Ecologisch Beleidsplan is al wat ouder maar vormt nog steeds de onderbouwing van het ecologisch beleid van de gemeente Leiden. Nota versterken en verbinden van het groen in Leiden (2013), Kadernota kwaliteit openbare ruimte (2015) & Uitwerkingsplan Groene Hoofdstructuur (2018) De Nota vertaalt de groene ambities uit de Ruimtelijke Structuurvisie voor Leiden tot 2025, en de 'Kadernota kwaliteit openbare ruimte' in concrete acties, gericht op het verbinden van het groene en blauwe netwerk in en rond de stad, opdat dit een meer robuust structuur krijgt. Dit wordt bereikt door o.a. de volgende doelstellingen: 1. Beschermen en zo mogelijk verbeteren van de Groene Hoofdstructuur in de stad; 2. Verbinden van groengebieden in de stad met elkaar en met de groengebieden buiten de stad met als resultaat een recreatief netwerk; 3. Bij het groenbeheer betrekken van externe partners (bijv. burgers, woningcorporaties) Op deze locatie is de Slaaghsloot/Stinksloot een belangrijke verbinding die de landgoederen zone ten westen van leiden verbind met het veenweide gebied ten oosten van Leiden. Versterking van deze schakel is van waarde voor o.a.

vleermuizen (Meervleermuis, Watervleermuis), grondgebonden zoogdieren (Waterspitsmuis, Dwergmuis) en amfibieën (Meerkikker, Kleine watersalamander) en vogels (Bosrietzanger en Tuinfluiter). In het advies rapport 'Ecologische kansen in de Gemeente Leiden' wordt een ecologische zone van 9 meter geadviseerd. Bij vaststelling van de Nota Versterken en verbinden van het groen in Leiden (2013) is tevens besloten dat ruimtelijke ontwikkelingsprojecten die ingrijpen in de Groene Hoofdstructuur voortaan een groenparagraaf moeten bevatten, die inhoudelijk en financieel onderbouwd wordt, en die ook inzicht geeft in de mate waarin het plan bijdraagt aan de gewenste kwaliteit (het referentiebeeld) van het betreffende deel van de Groene Hoofdstructuur. In de Nota Versterken en verbinden van het groen in Leiden (2013) is de Groene Hoofdstructuur aangekondigd. Het uitwerkingsplan hiervan is in 2018 vastgesteld. Bomenverordening 2015, Groene Kaart Leiden (2017) & Nadere regels bomenverordening (2018) De Bomenverordening 2015 is door de gemeenteraad op 11 februari 2016 vastgesteld en is op 10 maart 2016 in werking getreden. In 2017 heeft het college van burgemeester en wethouders de Groene Kaart (2017) vastgesteld. In 2018 zijn er nadere regels opgesteld voor de bomenverordening. De bestaande grotere bomen in de stad zijn geïnventariseerd en grotendeels opgenomen in de Groene

40

bestemmingsplan "Groenoordbedrijven" (vastgesteld)

bestemmingsplan Groenoordbedrijven kaart. Op grond van de verordening geldt er een plicht om bij werkzaamheden rekening te houden met de bomen die zijn opgenomen op de groene kaart (bomen, boomstructuren en boomgebieden). De bomenverordening voorziet in de bescherming van bomen (vallend binnen de hierin genoemde categorieën), of deze nu bovengronds (kap, snoei >25 %) of ondergronds (bijv. middels bodemverdichting of wijzigingen in hydrologie) beïnvloed worden. Bescherming van de waardevolle en monumentale bomen vindt plaats via de bomenverordening. Met de bomenverordening is de beschermde status van bomen voldoende geborgd. Het is daarom niet noodzakelijk om deze bomen in het bestemmingsplan van een beschermende regeling te voorzien. Beoordeling Gebiedsbescherming De afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide is ongeveer 5,5 km. De locatie ligt niet in het Natuurnetwerk Nederland en ook niet in een provinciaal beschermd weidevogelgebied of in de strategische reservering natuur. Ook liggen geen karakteristieke landschapselementen in het plangebied. De genoemde beschermde gebieden veroorzaken geen planologische belemmeringen voor het initiatief.

Uit het uitgevoerde stikstofonderzoek (zie Bijlage 5) blijkt dat zowel de aanlegfase als de gebruiksfase van het plan Groenoord niet leiden tot een toename van de stikstofdepositie ter hoogte van een Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitattypen, ook niet bij het dichtstbijzijnde en daardoor maatgevende, zijnde Meijendel & Berkheide. Hierdoor zijn op voorhand significant negatieve gevolgen gerelateerd aan stikstofdepositie voor de natuur uit te sluiten, en is ten aanzien van gebiedsbescherming een vergunningaanvraag in het kader van de Wet natuurbescherming voor ruimtelijke procedures en de bouwaanvraag niet aan de orde. Soortenbescherming Ten behoeve van dit bestemmingplan is door Bureau Waardenburg een quickscan Flora & Fauna uigevoerd (zie Bijlage 6). Hieronder is de conclusie daarvan beschreven. Het plangebied vormt leefgebied voor enkele algemeen voorkomende beschermde soorten grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Grond- en graafwerkzaamheden in het kader van de voorgenomen ingreep kunnen deze soorten treffen. Het gaat om soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt voor overtreding van verbodsbepalingen bij werkzaamheden in het kader van ruimtelijke ontwikkeling. Een ontheffing is dus niet nodig. Voor andere beschermde soorten heeft het plangebied geen betekenis of zijn negatieve effecten van de voorgenomen ingreep uitgesloten.

Het gebied kan gebruikt worden door algemene broedende vogels. Voer de (voorbereidende) (bouw) werkzaamheden buiten het broedseizoen uit. Het broedseizoen is globaal van half maart tot half augustus. Vogels kunnen echter ook buiten deze periode aan het broeden zijn en mogen ook dan niet verstoord worden. Voordat de werkzaamheden beginnen zal gecheckt worden op de aanwezigheid van broedende vogels. Er wordt rekening gehouden met de algemene zorgplicht (ook voor niet beschermde soorten), er zullen geen dieren gedood en beschadig/verwond worden. Bomen Het terrein zelf is voor een groot deel begroeid met een ruige, deels nog grazige begroeiing. Langs de noordzijde staan de restanten van een boomsingel Aan de westzijde is veel opslag van hout, braam en ruigte aanwezig. Verder staan er enkele solitaire bomen en een boomgroep aan de zijde van Gabriel Metzustraat. In de oude houtsingel langs de Stinksloot (noordzijde terrein) staan als boomvormers esdoorn, populier en berk (waarvan enkele dood of bijna dood), met in de ondergroei onder andere meidoorn, eik, vogelkers, bosrank, sneeuwbes, Spaanse aak en roos. De oevers van de nieuwe watergang aan de oostzijde zijn dicht begroeid met moerasvegetaties (riet, lisdodde). Tevens zijn daar recent enige jonge bestemmingsplan "Groenoordbedrijven" (vastgesteld) 41

bestemmingsplan Groenoordbedrijven knotwilgen aangeplant. De boomgroep aan de Gabriel Metzustraat bestaat uit populier en esdoorn en verder staat er midden op het terrein een solitaire wilg. Door de indeling van opzet van voorliggend plan worden de bestaande planten en bomen zo min mogelijk aangetast. Het bestaande groen wordt waar mogelijk dus ook allemaal behouden. De groenstrook langs de stinksloot, de stadspolderweg worden blijven zoveel mogelijk in stand. Conclusie De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor beschermde natuurgebieden en soorten in en nabij het plangebied.

4.11

Archeologie

Wettelijk kader Verdrag van Malta In 1992 heeft Nederland het Europese Verdrag van Malta ondertekend en in 1998 geratificeerd. Doel van dit verdrag is een betere bescherming van het Europese archeologische erfgoed door een structurele inpassing van de archeologie in ruimtelijke ordeningstrajecten. Eén van de belangrijkste uitgangspunten van het Verdrag van Malta is dat archeologische waarden zoveel mogelijk in situ in de bodem bewaard dienen te blijven. Alleen als behoud in situ niet mogelijk is, wordt overgegaan tot behoud van de archeologische informatie ex situ, door middel van opgraven en bewaren in depot. Een ander uitgangspunt is dat het onderzoek naar de aanwezigheid van archeologische waarden in een zo vroeg mogelijk stadium dient plaats te vinden, zodat hiermee bij de planontwikkeling rekening gehouden kan worden. Een derde uitgangspunt is het 'de verstoorder betaalt principe'. Alle kosten die samenhangen met archeologisch onderzoek dienen worden betaald door de initiatiefnemer van de geplande bodemingrepen. Ten slotte richt het Verdrag van Malta zich tevens op een toename van kennis, herkenbaarheid en beleefbaarheid van het archeologische erfgoed. Het Verdrag van Malta heeft in Nederland geresulteerd in een ingrijpende herziening van de Monumentenwet uit 1988, die op 1 september 2007 met de Wet op de Archeologische Monumentenzorg van kracht is geworden.

Hiermee zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Malta in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. In de nieuwe wetgeving is de bescherming van het archeologische erfgoed, de inpassing hiervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van het archeologische onderzoek geregeld. Op grond van artikel 38a van de Monumentenwet 1988 moet een bestemmingsplan rekening houden met de archeologische resten in de grond. Om te kunnen bepalen op welke wijze de bestemmingsregeling rekening moet houden met de archeologie (artikel 38a Monumentenwet 1988) moet onderzoek, veelal bureauonderzoek, worden gepleegd. De resultaten daarvan worden beschreven in de toelichting van het bestemmingsplan, waarbij wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan bij moet dragen aan de bescherming van de archeologie. Provinciaal beleid Het beleid van de Provincie Zuid-Holland richt zich, conform het Rijksbeleid en de WAMZ op het behouden van archeologische waarden op de plaats waar de waarden zijn aangetroffen. Bij het opstellen van een ruimtelijk plan dient onder-zoek te worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologische waarden in het plangebied. Gemeentelijk Het archeologisch beleid van de gemeente Leiden - vastgelegd in de Nota Cultureel Erfgoed, vastgesteld door de raad op 20 december 2005 - is er op gericht de in de grond aanwezige archeologische waarden zoveel mogelijk te behouden.

Wanneer dat niet mogelijk blijkt moet de aanwezige archeologie veilig worden gesteld door middel van opgravingen. De gemeente Leiden heeft een rijk bodemarchief. In de afgelopen decennia is bij tientallen opgravingen vastgesteld dat het onderzoek van de archeologische resten die in de bodem verborgen liggen, één van

42

bestemmingsplan "Groenoordbedrijven" (vastgesteld)

bestemmingsplan Groenoordbedrijven de belangrijkste bronnen van kennis over de bewoningsgeschiedenis van de regio rondom Leiden vormt. De doelstelling van het gemeentelijk archeologiebeleid is om de archeologische bronnen zo verantwoord mogelijk te beschermen. De erosie van het bodemarchief is ondanks alle inspanningen tot behoud van archeologische resten immers nog steeds erg groot. Dit betekent dat bij toekomstige ontwikkelingen verstoring van de diepere ondergrond uit archeologisch oogpunt zoveel mogelijk dient te worden vermeden. Waar dit niet mogelijk is, zal in de gebieden waar waardevolle, informatieve archeologische resten verloren dreigen te gaan, voorafgaand aan de geplande bodemingreep verantwoord onderzoek dienen plaats te vinden. Plangebied Het plan zal worden gerealiseerd in een zone waarvoor op grond van het Bestemmingsplan Archeologie gedeeltelijk de dubbelbestemming Waarde-Archeologie 5 (gebieden met een hoge archeologische verwachting buiten de singels) en gedeeltelijk de dubbelbestemming Waarde Archeologie 6 (gebieden met een middelhoge archeologische verwachting) geldt. De voor Waarde-Archeologie 5 en 6 aangewezen gronden zijn mede bestemd voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden.

Voor het gedeelte met Waarde-Archeologie 5 gelden in dit gebied de volgende criteria: archeologisch onderzoek moet plaatsvinden, indien de bodem wordt verstoord over een oppervlakte van meer dan 250 m2 en dieper dan 50 cm. Voor het gedeelte met Waarde-Archeologie 6 gelden in dit gebied de volgende criteria: archeologisch onderzoek moet plaatsvinden, indien de bodem wordt verstoord over een oppervlakte van meer dan 500 m2 en dieper dan 75 cm. Bij doorgang van de plannen worden bovenstaande criteria overschreden. Onderzoek Op deze locatie is in 2010 reeds een archeologisch booronderzoek uitgevoerd door Becker & Van de Graaf: M. Berkhout MA, drs. S. Moerman, 2010. Inventariserend Veldonderzoek, karterende fase Hallenweg, Leiden, Gemeente Leiden, B&G rapport 959 Becker & Van de Graaf bv, Noordwijk. Op basis van de resultaten van dit onderzoek zullen aan de activiteit uitvoeren van een werk in de omgevingsvergunning geen voorwaarden worden gesteld. Dit karterend booronderzoek heeft aangetoond dat er in de bovengrond sprake is van grootschalige moderne bodemverstoringen. Ook in de ondergrond zijn in de klei en het veen geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische resten aangetroffen. Hierdoor is de verwachting op het aantreffen van archeologische resten zeer klein.

Onderzoek en conclusie Uit archeologisch onderzoek is gebleken dat de verwachting op het aantreffen van archeologische resten zeer klein is.

4.12

Kabels en leidingen

In en in de directe omgeving van het plangebied zijn geen planologisch relevante leidingen aanwezig. Ten aanzien van overige kabels- en leidingen die aanwezig zijn op de locatie zullen afspraken gemaakt worden met de kabel- en leidingbeheerders als de kabels of leidingen verlegd moeten worden.

4.13

Conclusie

De relevante onderzoeksaspecten zijn beoordeeld. Hieruit blijkt dat er geen belemmeringen zijn voor het mogelijk maken van de bedrijfsunits op de planlocatie.

bestemmingsplan "Groenoordbedrijven" (vastgesteld) 43

bestemmingsplan Groenoordbedrijven

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische planbeschrijving

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze waarop de bestaande situatie en nieuwe ontwikkelingen in het plangebied juridisch zijn vertaald. Het juridische deel van een bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en de regels. De regels bevatten regels voor het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking; de toelichting maakt juridisch gezien ook geen deel uit van het bestemmingsplan maar heeft wel een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels.

5.2

Opzet en volgorde van de regels

De regels van bestemmingsplan Groenoordbedrijven zijn op de volgende wijze opgebouwd. Hoofdstuk 1 Artikel 1 en 2 Inleidende regels: Begrippen Wijze van meten Hoofdstuk 2 Artikel 3 t/m 7 Bestemmingsregels: Gemengd Groen Waterstaat - Waterkering Hoofdstuk 3 Artikel 8 t/m 13 Algemene regels: Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene aanduidingsregels Algemene afwijkingssregels Voorwaardelijke verplichting parkeren Overige regels Hoofdstuk 4 Artikel 14 en 15 Overgangs- en slotregels: Overgangsrecht Slotregel

44

bestemmingsplan "Groenoordbedrijven" (vastgesteld)

bestemmingsplan Groenoordbedrijven

5.3

Uitleg van de regels

5.3.1

Inleiding

Bij het opstellen van het onderhavige bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Daarnaast is voor het bestemmingsplan aangesloten bij de landelijke standaard voor bestemmingsplannen: de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP2012).

5.3.2

Inleidende regels

Begripsbepalingen (artikel 1) In de begripsbepaling worden begrippen waarnodig beschreven om zodoende interpretatieproblemen te voorkomen. Veelal worden begrippen gedefinieerd die in de voorschriften worden gebruikt en daar een bijzondere betekenis hebben, die afwijkt van of niet dan wel niet vaak voorkomt in het “normale” spraakgebruik. Wanneer een begrip niet opgenomen is in de begripsomschrijvingen/-bepalingen en er ontstaat een interpretatieprobleem dan is het normale spraakgebruik richtinggevend. De begripsomschrijvingen/-bepalingen zijn niet uitputtend bedoeld. De belangrijkste en/of onduidelijke begrippen zijn opgenomen in dit artikel.

Wijze van meten (artikel 2) De wijze van meten beschrijft hoe de genoemde maatvoeringen in de diverse bestemmingsbepalingen gemeten dienen te worden.

5.3.3

Bestemmingsregels

Gemengd (artikel 3) De bestemming 'Gemengd' geldt voor alle bedrijfsunits. Deze gronden zijn onder meer bestemd voor bedrijven die zijn genoemd in bijlage 1 (Staat van bedrijfsactiviteiten) onder de milieucategorieën 1, 2 en 3.1, met uitzondering van zelfstandige kantoren en detailhandel. Daarnaast zijn niet-geluidgevoelige maatschappelijke voorzieningen, wellness voorzieningen, zakelijke en particuliere dienstverlening, sportvoorzieningen en een boulderhal toegestaan. Groen (artikel 4) De bestemming 'Groen' is voorbehouden aan structureel groen. Het gaat hierbij om groen en groenstructuren die van belang zijn voor de stedenbouwkundige opzet van het plangebied. Gronden met de bestemming 'Groen' zijn bedoeld voor het in stand houden van bestaande groenvoorzieningen en om nieuw geplande groenvoorzieningen mogelijk te maken. Binnen de bestemming 'Groen' is ruimte voor groenvoorzieningen, voorzieningen voor langzaam verkeer en verblijf, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, nutsvoorzieningen, speelvoorzieningen, in- en uitritten, kunstobjecten, oeververbindingen in de vorm van bruggen en vlonders. Het is niet toegestaan om gebouwen te bouwen binnen de bestemming groen.

Waterstaat - Waterkering (artikel 7) De gronden die een functie vervullen bij de waterkering hebben de dubbelbestemming Waterstaat Waterkering' gekregen, naast de enkelbestemming die is toegekend ingevolge het feitelijk gebruik ervan. Wanneer ten behoeve van de enkelbestemming bouwen is toegestaan, zal getoetst moeten worden of er uit een oogpunt van waterkeringsbelangen bezwaren tegen dit bouwen bestaan. De beheerder van de betreffende gronden dient hiertoe advies te worden gevraagd.

bestemmingsplan "Groenoordbedrijven" (vastgesteld) 45

bestemmingsplan Groenoordbedrijven

5.3.4

Algemene regels

De algemene regels bevatten de volgende artikelen: Antidubbeltelregel (artikel 8) De antidubbeltelregel bepaalt dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing blijft. De antidubbeltelregel is opgenomen in het Bro2008 met de verplichting deze over te nemen in het bestemmingsplan. De Wro bevat een algemeen verbod om de gronden en bebouwing in strijd met het bestemmingsplan te gebruiken. Dit hoeft dus niet in de regels te worden opgenomen. Hetzelfde geldt voor de strafbepaling. Algemene bouwregels (artikel 9) In de algemene bouwregels is aangegeven dat de bestaande maten die meer bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, als ten hoogste of ten minste toelaatbaar mogen worden aangehouden. In de algemene bouwregels zijn ook regels gegeven voor het ondergronds bouwen. De regels geven kort en bondig aan dat ondergronds bouwen is toegestaan, daar waar bovengronds bouwen is toegestaan. Algemene aanduidingsregels (artikel 10) Deze regels hebben betrekking op de vrijwaringszone van de gebiedsaanduiding molenbiotoop. In deze regels wordt bepaald dat een gebouw, bouwwerk of beplanting moet voldoen aan de molenbiotoopregeling van de province Zuid-Holland.

Algemene afwijkingsregels (artikel 11) Op grond van de algemene afwijkingssregels kan afgeweken worden van het bestemmingsplan in verschillende specifieke gevallen. In onderhavig bestemmingsplan gaat het om het afwijken van de maatvoering. Voorwaardelijke verplichting parkeren (artikel 12) Binnen deze voorwaardelijke verplichting parkeren is opgenomen dat er voldoende ruimte moet zijn op het terrein/perceel voor het parkeren van auto's, fietsen en laden en lossen. Om te bepalen of er voldoende ruimte is aangebracht wordt gebruik gemaakt van de Beleidsregels Parkeernormen van de gemeente Leiden. Tot slot is opgenomen dat bevoegd gezag eventueel kan afwijken van de opgenomen regels. Overige regels (artikel 13) De overige regels hebben betrekking op verwijzingen naar andere wetgeving.

5.3.5

Overgangs- en slotregels

Overgangsregels (artikel 14) Het overgangsrecht is opgenomen in het Bro2008 met de verplichting deze over te nemen in het bestemmingsplan. De overgangsregels bevatten bepalingen omtrent het voortzetten van gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is. Eenzelfde regeling is opgenomen voor bouwwerken die op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering zijn, dan wel gebouwd kunnen worden krachtens een bouwvergunning. Indien zo'n bouwwerk afwijkt van dit plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, het bouwwerk

46

bestemmingsplan "Groenoordbedrijven" (vastgesteld)

bestemmingsplan Groenoordbedrijven

1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de bouwvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. Slotregels (artikel 15) In de slotregels worden de regels van dit bestemmingsplan aangehaald.

bestemmingsplan "Groenoordbedrijven" (vastgesteld) 47

bestemmingsplan Groenoordbedrijven

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

De initiatiefnemer draagt de kosten voor de realisering van het project. In artikel 6.12 lid 1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. Geen exploitatieplan hoeft te worden vastgesteld als het verhalen van kosten anderszins is verzekerd, bijvoorbeeld doordat de gemeente hierover overeenkomsten heeft gesloten met de eigenaren van de binnen het exploitatiegebied gelegen gronden. In onderhavig geval zijn de kosten anderszins geregeld middels een overeenkomst gesloten tussen de gemeente en de initiatiefnemer. In deze overeenkomst zijn eveneens de kosten opgenomen van eventuele planschadeclaims.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1

Algemeen

Een bestemmingsplan dient maatschappelijk uitvoerbaar te zijn. Dat wil zeggen dat de voorgenomen ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt in het bestemmingsplan zijn besproken met belanghebbenden. Het is vrijwel niet mogelijk iedereen tevreden te stemmen: bij het tegen elkaar afwegen van de diverse belangen kan het altijd mogelijk zijn dat één belang minder gewicht wordt toegekend dan het ander. 6.2.2

Vooraankondiging

Overeenkomstig het gestelde in artikel 1.3.1 Bro is in week 3 van 2021 een vooraankondiging van dit bestemmingsplan gedaan. 6.2.3

Vooroverleg

Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgemeester en wethouders overleg met de besturen van bij het plan betrokken waterschappen plegen. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie, de inspecteur voor de ruimtelijke ordening en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. De instanties die in kennis gesteld moeten worden van dit bestemmingsplan zijn geinformeerd. Gedurende de termijn van inzage legging zijn deze instanties in de gelegenheid gesteld te reageren op het bestemmingsplan. Er zijn twee overlegreacties binnengekomen van de Veiligheidsregio Hollands Midden en het Hoogheemraadschap van Rijnland. Hun reacties hebben betrekking op de uitvoering en hebben geen consequenties voor het bestemmingsplan. 6.2.4

Inspraak

Op basis van de Leidse participatie en inspraakverordening (in H3 Artikel 6 onder 5 b) is er voor dit bestemmingsplan afgezien van een inspraakprocedure. De ontwikkeling past voldoende in de eerdere beleidsstukken waar al participatie voor heeft plaatsgevonden (Masterplan, Werklandschappen, Strategie bedrijventerreinen). 6.2.5

Participatie

De ontwikkeling van de bedrijfsunits en boulderhal in het plangebied en de groenzone met speelvoorzieningen aan de voorzijde zijn op 26 maart 2020 en 21 september 2020 besproken met de voorzitters van de wijkverenigingen. Zij hebben hun opmerkingen en wensen kenbaar gemaakt en bij de uitwerking van de inrichtingsplannen wordt hiermee (voorzover mogelijk) rekening gehouden.

48

bestemmingsplan "Groenoordbedrijven" (vastgesteld)

bestemmingsplan Groenoordbedrijven

6.2.6

Zienswijzen

Het ontwerp bestemmingsplan Groenoordbedrijven heeft voor zes weken ter inzage gelegen in de periode van 5 februari 2021 tot 19 maart 2021. Er zijn 2 zienswijzen ingediend. Deze zijn samengevat opgenomen en beantwoord in een zogenaamde 'zienswijzennota' (zie bijlage PM). Onder andere naar aanleiding van de zienswijzen is het bestemmingsvlak Gemengd aangepast.

bestemmingsplan "Groenoordbedrijven" (vastgesteld) 49

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10723694/1