210021 Bijlage 1. Toelichting op de Verordening fysieke leefomgeving
Tekst van het document
Artikel 3.5.1.4 Intrekken van de vergunning voor sloop in gemeentelijk beschermd stadsgezicht Dit artikel regelt de mogelijkheid tot het intrekken van de vergunning voor sloop, onder bepaalde omstandigheden. Artikel 3.6.1.1 Mededelingsplicht rechthebbende beschermde houtopstand Boombedreigende situaties en handelingen of tenietgaan van de houtopstand door natuurgeweld moeten door de rechthebbende worden gemeld bij het college. Ook eigendomsoverdracht moet worden gemeld. Deze plicht van de rechthebbenden draagt bij aan het inzetten van instandhoudingsmaatregelen en om het illegaal teloorgaan van beschermde houtopstanden te voorkomen of te beperken. Bovendien kan snel beoordeeld worden welke handhavingsmaatregelen geboden zijn, zoals het stilleggen van ondeskundige en niet vergunde handelingen.
66
Artikel 3.6.1.3 Kapverbod voor houtopstand binnen beschermde boomstructuur, boomgebied en voorbomen in de openbare ruimte met een stamomtrek van 45 centimeter of meer, gemeten op 130 cm Artikel 3.6.1.3 bevat de tweede hoofdregel van het vergunningstelsel: het is verboden zonder vergunning een houtopstand in beschermde boomstructuren en boomgebieden en een houtopstand in de openbare ruimte met een stamomtrek van 45 cm of meer te vellen. Ook hier gelden vrijstellingen van de vergunningplicht: kap in verband met tegengaan verspreiding plantenziekten en bomen binnen beschermde boomstructuren of beschermde boomgebieden met een stamomtrek kleiner dan 30 cm. Om de reikwijdte van het begrip een houtopstand in de openbare ruimte duidelijker te maken is het begrip openbare ruimte uitgebreid. Onder openbare ruimte vallen nu erven en terreinen die niet kenbaar ten opzichte van de openbare weg zijn begrensd of afgescheiden door inrichting, beplanting of begroeiing. Het kan hier bijvoorbeeld gaan om terreinen van onderwijsinstellingen, bedrijvenparken of maatschappelijke instellingen. Bomen die daarop staan en door natuurlijke omstandigheden een stam omtrek van 45 cm of meer bereiken, vallen onder de vergunningplicht.
Houtopstanden op terreinen, erven en tuinen, die niet onder het begrip openbare ruimte vallen en niet zijn opgenomen op de Groene Kaart en het bijbehorende register zijn dus niet vergunningplichtig. Artikel 3.6.1.4 Indienen aanvraag kapvergunning voor een beschermde houtopstand en voor een boom in de openbare ruimte met een stamomtrek van 45 centimeter of meer De procedure voor de behandeling van de aanvraag verloopt volgens de voorschriften van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Artikel 3.6.1.5 Criteria voor vergunningverlening vellen beschermde houtopstanden en bomen in de openbare ruimte met een stamomtrek van 45 centimeter of meer Bij de behandeling van een kapvergunning aanvraag betreffende een beschermde houtopstand, wordt bij de verlening nagegaan welk door de aanvrager aangegeven maatschappelijk belang het instandhouden van de houtopstand of boom overstijgt. Bij die belangen inventarisatie en afweging moeten ook de waarden aan de orde komen die in de redengeving voor de aanwijzing als beschermde houtopstand en voor opname op de Groene Kaart zijn genoemd.
Artikel 3.6.1.6 Criteria voor weigering vergunning vellen houtopstanden binnen aangewezen boomstructuren en boomgebieden en voor bomen die zich bevinden in de openbare ruimte met een stamomtrek van 45 centimeter of meer weigering nagegaan welk door de aanvrager aangegeven maatschappelijk belang het instandhouden van de houtopstand of boom al dan niet overstijgt. Bij die belangen inventarisatie en afweging moeten ook de waarden aan de orde komen die in de redengeving voor de aanwijzing als beschermde houtopstand en voor opname op de Groene Kaart zijn genoemd. Dit artikel verwijst bij behandeling en beoordeling van de aanvraag vellen van een houtopstand in de openbare ruimte met een stamomvang van 45 centimeter of meer, naar toetsing aan de waarden die gelden voor een beschermde houtopstand op de Groene Kaart. Daarmee wordt bereikt dat alle aanvragen aan de zelfde criteria worden getoetst. Artikel 3.6.1.7 Bijzondere vergunningvoorschriften; herplanten, storting Bomenfonds In deze verordening worden de onderwerpen herplanten, feitelijke compensatie, financiële compensatie, boombeschermingsplan en bescherming flora en fauna uitgewerkt aan de hand van bestaande praktijk.
67
Artikel 3.6.2.1 Loslopende honden Artikel 3.6.2.1 beperkt het loslopen van honden, zonder dat de hond aangelijnd is, binnen bepaalde gebieden. Tevens wordt bepaald dat een hond die zich op de weg bevindt een halsband of ander identificatiemiddel moet hebben, zodat de identiteit van de eigenaar of houder van de hond kan worden vastgesteld. Aan dit artikel ligt in zijn algemeenheid het motief van de voorkoming en bestrijding van overlast ten grondslag. In het bijzonder heeft dit artikel de volgende bedoelingen: - de bescherming van de verkeersveiligheid, die door loslopende honden in gevaar kan worden gebracht; - het voorkomen van beschadiging aan eigendommen van derden; - het voorkomen van hinder voor voetgangers; - het bestrijden van verontreiniging (bijvoorbeeld van speelweiden, zandbakken, e.d.); - het voorkomen van schade en dierenleed, die worden veroorzaakt doordat loslopende honden andere dieren en wel met name schapen en kippen naar het leven staan. Er kunnen zich echter situaties voordoen waarin de belangen van de hondenbezitter zich tegen een strikte toepassing van het aanlijngebod verzetten. Het betreft hier onder andere de eigenaren van blindengeleidehonden en andere sociale hulphonden. Voor deze categorie is in het derde lid een voorziening getroffen.
Het eerste lid, onder c, maakt het mogelijk om ook buiten de bebouwde kom plaatsen aan te wijzen waar honden moeten worden aangelijnd. Als in strijd met het in dit artikel neergelegde verbod honden loslopend worden aangetroffen, kunnen de honden op basis van artikel 125 van de Gemeentewet (bestuursdwang) gevangen worden genomen en overgedragen aan een door het college aangewezen asiel. Dit vindt uiteraard niet plaats wanneer de eigenaar direct te achterhalen is. Het BW geeft in boek 5 een regeling voor gevonden dieren. De vinder van een hond kan het dier bij de gemeente in bewaring geven. De gemeente moet op basis van Boek 5, artikel 8, derde lid, van het BW vervolgens ten minste twee weken de verzorging van het dier op zich nemen. In de praktijk wordt hieraan meestal vorm gegeven door het dier onder te brengen bij een dierenasiel, waarbij de gemeente de kosten voor het verblijf, de voeding en de verzorging betaalt. Na twee weken is de burgemeester bevoegd het dier te verkopen of weg te geven. Als deze mogelijkheden zijn uitgesloten dan kan de burgemeester het dier laten afmaken. De termijn van twee weken kan worden bekort als de kosten voor de verzorging onevenredig hoog zullen zijn of als het afmaken van het dier om geneeskundige redenen is vereist. Deze regeling geldt alleen voor gevonden dieren.
Wanneer de eigenaar het dier niet is verloren, bijvoorbeeld omdat duidelijk is dat het dier slechts even verwijderd is van eigenaar of erf, is geen sprake van een ‘gevonden dier’. De regeling over het doden van dieren is uitputtend bedoeld. De gemeentelijke wetgever mag derhalve het doden van loslopende honden in het geheel niet regelen. Jurisprudentie Vz. ARRS 20-07-1993, JG 94.0055, AB 1994, 454. Het college dient het onaangelijnd zijn van de hond te gedogen in verband met de functie van de hond als signaal- of dovengeleidehond. Vz. ABRvS 13-12-1996, JG 97.0050. Aanwijzing hondenuitlaatzone. Betrokkenen zijn belanghebbenden, gelet op de geringe afstand tussen de woningen en de uitlaatzone. Vz. ABRvS 09-08-2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX4643. Bij een besluit tot aanwijzing van een hondenuitlaatterrein komt aan het college beleidsvrijheid toe. De rechterlijke toets beperkt zich in deze zaak tot de vraag of het college in redelijkheid de bedoelde locatie als hondenuitlaatterrein heeft kunnen aanwijzen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het aanwijzingsbesluit de rechterlijke toets doorstaat.
68
Rb. Overijssel 26-01-2015, ECLI:NL:RBOVE:2015:440. De kantonrechter is van oordeel dat een ‘electronisch aangelijnde’ hond, geen hond is die aangelijnd is zoals bedoeld in de APV. Het achterliggende doel van de bepaling, handhaving van de openbare orde, wordt met de Petsafe volstrekt niet gelijkwaardig gediend als met een fysieke aanlijning het geval is. Artikel 3.6.2.2 Bijen Het vliegen van bijen kan, als de kasten of korven dicht aan de weg geplaatst zijn en op zodanige wijze dat de ‘aanvliegbanen’ hiervan over de weg lopen, gevaar voor de veiligheid van de weg opleveren. Dit gevaar kan meestal met eenvoudige middelen, zoals het verleggen van de aanvliegroute door het plaatsen van een afscheiding, worden teruggebracht. Het zal echter kunnen voorkomen dat omwonenden op hun erf of zelfs in huis van de bijen overlast ondervinden, waartegen minder gemakkelijk maatregelen zijn te treffen. Vooral in de bebouwde kom van een gemeente kan in sommige gevallen het houden van bijen daarom onaanvaardbaar zijn. Hoewel in dit geval geen gedraging of toestand “op de openbare weg of op een andere voor het publiek toegankelijke plaats” valt aan te wijzen, kan men toch van oordeel zijn dat de gewraakte situatie haar terugslag kan hebben op ‘openbare belangen’. Voor de ontheffing van het vierde lid is gekozen voor het van toepassing verklaren van de lex silencio positivo.
Overwegingen daarbij zijn dat, hoewel overlast mogelijk is, het artikel al bepaalde eisen aan de bijenhouder stelt, waaraan in het gros van de gevallen wordt voldaan. De enkele keer dat van die eisen ontheffing wordt gevraagd zal daar tijdig op kunnen worden beslist. Ook het belang van de bijenhouderij en de moeilijke situatie waarin zij verkeert zijn een afweging. Het staat de raad vrij om daar anders over te oordelen en de lex silencio positivo hier niet van toepassing te laten zijn. Jurisprudentie ARRS 17-07-1993, ECLI:NL:RVS:1993:AN3738. Weigering ontheffing voor het houden van bijenvolken. Begrip ‘overlast’ heeft geen betrekking op schade aan verder afgelegen tuinbouwkassen. ABRvS 25 07 1994, JG 95.0210. Weigering toepassing bestuursdwang tot verwijdering van de bijenkasten. Imker is verhuisd. Mogelijkheid toepassing bestuursdwang voor toekomstige gevallen. ABRvS 02-06-1997, JG 10 (1999). Artikel 2:60 (artikel 2.4.20 oud) en 2.64 (artikel 2.4.24 oud) kunnen in sommige situaties beide worden toegepast. Artikel 2:60 fungeert niet als lex specialis ten opzichte van artikel 2.4.20. ABRvS 26-09-2000, ECLI:NL:RVS:2000:AA8223. Overlast bijen. Voldaan aan de criteria van het tweede lid. Het college heeft zich terecht niet bevoegd tot bestuursdwang geacht. Rb. Noord-Nederland 12-12-2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:5058.
De rechtbank stelt vast dat op basis van de stukken niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat eisers in strijd met het bepaalde in artikel 2.64 van de APV bijen hielden. Het bestreden besluit (last onder bestuursdwang om bijenkasten te verwijderen) berust niet op een deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten en omstandigheden.] Artikel 3.7.1.1 Handboek Leidingen Dit artikel biedt de grondslag voor het college om ter uitvoering van de Leidingenverordening nadere regels te stellen. Deze nadere regels zullen worden vervat in het Handboek Leidingen. Door vaststelling van het Handboek Leidingen (hierna ook te noemen: “Handboek”) krijgen de daarin neergelegde normen een publiekrechtelijk karakter. In de overige artikelen van de Leidingenverordening wordt verwezen naar het op basis van dit artikel vast te stellen Handboek. Beoogd is hierin voornamelijk voorschriften op te nemen op het gebied van de uitvoering van werkzaamheden. Ook zal in het Handboek worden opgenomen welke informatie moet worden aangeleverd bij het indienen van een aanvraag.
69
Het Handboek zal beschikbaar komen voor belangstellenden en betrokkenen en tevens zal het Handboek op internet worden geplaatst. Artikel 3.7.2.1 Verbodsbepaling Dit artikel vormt de kern van het vergunningenstelsel. Het is verboden om een leiding aan te leggen, te (onder)houden, te wijzigen, te verplaatsen (waaronder verticale verplaatsingen), een andere functie te geven of te verwijderen, tenzij de leidingexploitant in het bezit is van een vergunning. Normaliter zullen in een vergunning ten behoeve van aanleg alleen voorwaarden worden opgenomen die betrekking hebben op die handelingen. Voor de verwijdering van een leiding zal een afzonderlijke vergunning (of een wijziging van de bestaande vergunning) benodigd zijn. Zie voor de verwijdering van leidingen ook de toelichting bij artikel 17. Artikel 3.7.2.2 Aanvragen vergunning Dit artikel bepaalt dat de vergunning wordt verleend indien wordt voldaan aan de voorschriften in deze verordening en het Handboek. De vergunningverlenende bevoegdheid wordt gemandateerd aan de Algemeen directeur (eerste functionaris), de Afdelingsmanager Service & Informatie (tweede functionaris) en de Teamleider Ondernemen, Wonen & Recreëren + Unitleider Parkeren, Markt en Water (derde functionaris). Degene die een leiding wenst aan te leggen (of te wijzigen of verwijderen etcetera) dient daartoe digitaal een aanvraag in bij het college.
De voor de aanvraag benodigde documenten worden opgesomd in het Handboek. In het vierde en zesde lid van dit artikel is expliciet opgenomen dat voor reparaties over een traject van minder dan 25 meter en voor huisaansluitingen een sterk vereenvoudigde procedure geldt. Twee werkdagen vóór aanvang van de werkzaamheden dient, door middel van een speciaal formulier welke gepubliceerd is op de website van de gemeente Leiden, melding gemaakt te worden waarna een marginale toetsing door het college plaatsvindt en toestemming verleend wordt. In de toestemming kunnen voorwaarden worden neergelegd. In gevallen van storingen waar reparatie geen uitstel kan lijden en in geval van calamiteiten geldt de meldtermijn van twee werkdagen niet, maar reparaties dienen in ieder geval binnen een week na aanvang van de reparatiewerkzaamheden digitaal te zijn gemeld. Op grond van het vijfde lid geldt de verkorte procedure evenmin voor werkzaamheden aan hoogspanningskabels en leidingen ten behoeve van de stadsverwarming. Artikel 3.7.2.3 Naleven vergunningvoorschriften Deze bepaling brengt tot uitdrukking dat in geval van overdracht (bijvoorbeeld verkoop) van een leiding de vergunning die op die leiding betrekking heeft, inclusief alle rechten en plichten, overgaat op de nieuwe leidingexploitant. De vergunning is zaaksgebonden en ‘volgt’ het object.
Uiteraard dient de nieuwe leidingexploitant zich volledig te houden aan de in de vergunning vermelde voorschriften. Indien wijziging van leidingexploitant plaatsvindt (bij overdracht, maar ook ingeval de rechtspersoonlijkheid wijzigt) moeten zowel de oude als de nieuwe leidingexploitant hiervan melding maken aan het college. Het niet voldoen aan deze meldplicht levert een overtreding op. Op grond van het derde lid kan het college in bijzondere gevallen bepalen dat de vergunning persoonsgebonden is en daarmee niet overdraagbaar is. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij leidingen die gebruikt worden voor zeer gevaarlijke stoffen. Zie hierover overigens ook de toelichting bij artikel 10. Het vierde lid bevat een samenloopbepaling: indien een leidingvergunning is verleend, geldt deze tevens als een vergunning op grond van de APV om een weg open te breken indien dit voor de aanleg of verwijdering van een leiding noodzakelijk is. Artikel 3.7.2.4 Beslistermijn
70
Dit artikel regelt de beslistermijn voor het college. Tevens wordt in dit artikel de verhouding weergegeven met andere vergunningen. De beslissing op een aanvraag voor een leidingenvergunning wordt aangehouden zolang geen omgevingsvergunning of een vergunning op grond van de APV verstrekt is en deze vergunningen formele rechtskracht hebben. Dit geldt uiteraard alleen indien een dergelijke vergunning vereist is. Zie voor de samenloop met een vergunning om de weg open te breken de toelichting bij artikel 6. Artikel 3.7.2.5 Vergunningvoorschriften Dit artikel biedt de basis om aan de vergunning voorwaarden en beperkingen te verbinden. De Leidingenverordening en het Handboek vormen daarvoor gezamenlijk het kader. In het tweede lid staat een limitatieve lijst van belangen waartoe de voorwaarden en beperkingen kunnen strekken. Van belang is ook de bevoegdheid om aan de vergunning een beperkte tijdsduur te verbinden. Zodra die termijn afloopt, zal de leidingexploitant de leiding in beginsel moeten verwijderen. Vanzelfsprekend kan de leidingexploitant afspreken dat de leiding wordt overgedragen of op een later tijdstip wordt verwijderd. Zie ook de toelichting bij artikel 17. Het derde lid biedt de basis voor het college om na afgifte uit eigen beweging een vergunning te wijzigen of aan te vullen.
Vanzelfsprekend dient het college daarbij de belangen, genoemd in het tweede lid, algemene beginselen van behoorlijk bestuur en de Algemene wet bestuursrecht in acht te nemen. Artikel 3.7.2.6 Wijzigings- en intrekkingsgronden Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om een vergunning in te trekken of te wijzigen indien sprake is van één of meer van de in het artikel genoemde gronden. De belangrijkste grond betreft het intrekken indien de leidingexploitant de voorschriften van de Leidingenverordening, het Handboek of de vergunning niet naleeft. Onderdeel f betreft het geval indien er werken ter plaatse van de vergunde leiding moeten worden uitgevoerd, waardoor deze leiding niet kan blijven liggen of moet worden aangepast. Artikel 3.7.2.7 Intrekken vergunning In geval de leidingexploitant niet langer van een vergunning gebruik wenst te maken, kan hij hiervan schriftelijk mededeling doen aan het college. Met het afstand doen van de vergunning vervallen alle rechten die met de vergunning gepaard gaan. De leidingexploitant is vervolgens verplicht de leiding te verwijderen (artikel 17). Om te voorkomen dat een leidingexploitant door het afstand doen van een vergunning niet langer aanspreekbaar zou kunnen zijn, is in het tweede lid aangegeven dat de opzegger nog steeds wordt beschouwd als leidingexploitant in de zin van deze Leidingenverordening.
De verwijderingsplicht rust dan ook op hem. Dit geldt niet indien de leiding is overgedragen aan een andere (rechts)persoon. In dat geval wordt haast vanzelfsprekend de nieuwe eigenaar als leidingexploitant beschouwd. Uit oogpunt van een effectieve handhaving is het derde lid opgenomen waarin staat aangegeven dat in geval van een persoonsgebonden vergunning (zie artikel 6 lid 3) de vergunninghouder te allen tijde als leidingexploitant wordt beschouwd, ook al heeft hij de leiding in eigendom overgedragen. Dit is alleen anders wanneer hij schriftelijk verklaart van de vergunning geen gebruik meer te maken en de exploitatie van de leiding staakt of schriftelijk en (indien het college daarom verzoekt) ondersteund met bewijsstukken melding maakt van de overdracht van de betreffende leiding. Artikel 3.7.2.8 De aanleg Nadat door het college de vergunning is verleend, kunnen de feitelijke werkzaamheden een aanvang nemen. Dit artikel geeft het college de mogelijkheid om te eisen dat bouwtechnische tekeningen en andere documenten worden overgelegd. Waar mogelijk wordt in het Handboek opgenomen welke documenten in ieder geval overgelegd dienen te worden.
71
Artikel 3.7.2.9 Oplevering Uit beheersmatige overwegingen zullen enkele feitelijke werkzaamheden worden verricht door het college. De leidingexploitant draagt zorg voor een goede en zorgvuldige aanleg van de leiding en zorgt vervolgens dat de grond of bodem weer in de oorspronkelijke wijze wordt teruggebracht, tenzij in de vergunningvoorwaarden anders is bepaald. Het tweede lid bevat een regeling voor vergoeding van de kosten die gepaard gaan met de bestrating en herstel door de gemeente van de openbare ruimte die een direct gevolg zijn van werkzaamheden aan leidingen. Artikel 3.7.2.10 Ondergrondse obstakels Dit artikel heeft betrekking op het aantreffen van bodemverontreiniging en andere ondergrondse obstakels bij de aanleg van een leiding. De term 'bodemverontreiniging' is in deze Leidingenverordening breder dan de terminologie in de Wet bodembescherming. Aan het college moeten alle stoffen en obstakels gemeld worden, die een nadelige invloed kunnen hebben op de staat of aanleg van de leiding. Hiermee wordt duidelijk wat de kritieke plaatsen in een leidingtracé zijn. Deze verplichting staat los van de plichten die reeds gelden op grond van de Wet bodembescherming (die is opgesteld vanuit milieubeschermingoptiek). Dit artikel is aanvullend ten opzichte van het in voornoemde wet neergelegde regime.
In geval dergelijke verontreiniging of obstakels worden aangetroffen dat aanleg van een leiding niet verantwoord of uitvoerbaar is als de verontreiniging of obstakels niet eerst zijn opgeruimd, kan het college de leidingexploitant opdragen bepaalde maatregelen te treffen. De kosten voor deze maatregelen komen ten laste van de leidingexploitant zelf, behalve indien de verontreiniging is gelegen in openbare ruimte welke in eigendom is van de gemeente Leiden èn een spoedlocatie betreft. Als sluitstuk kan het college opschorting van de werkzaamheden vorderen. Bij het opleggen van dergelijke maatregelen vormen de belangen die beschermd worden met deze Leidingenverordening het beoordelings- en beslissingskader. Artikel 3.7.2.11 Ter beschikking stellen tekeningen Dit artikel stelt het college in staat om te allen tijde zonder daarvoor een vergoeding verschuldigd te zijn zogeheten ‘as built’- en/of revisietekeningen op te vragen. Normaliter zullen deze tekeningen zo spoedig mogelijk na voltooiing van de werkzaamheden opgevraagd worden, maar dit artikel biedt tevens de mogelijkheid om in een later stadium de stand van zaken te verifiëren. Artikel 3.7.2.12 Verontreiniging, gevaar en hinder Dit artikel betreft een incidentenregeling en behelst verplichtingen voor de leidingexploitant in geval van storingen en incidenten waarbij gevaar, hinder of verontreiniging plaatsvindt.
Overigens zal bij de toepassing van deze bevoegdheden zoveel mogelijk gebruik gemaakt worden van bestaande incidentenregelingen. Artikel 3.7.2.13 Verwijderen van leidingen Na afloop van de geldigheidsduur van de vergunning, bij intrekking door het college en bij opzegging door de leidingexploitant moet de leiding worden verwijderd. Het ligt voor de hand om in de vergunning zelf voorwaarden op te nemen met betrekking tot het verwijderen van leidingen, maar zulks kan ook na afloop, intrekking of opzegging geschieden. De laatste exploitant of beheerder van de leiding is verplicht om voor verwijdering zorg te dragen. Mocht het om bepaalde redenen noodzakelijk of wenselijk zijn om de betreffende leiding te laten liggen, dan kan wijziging van de bestaande vergunning of een nieuwe vergunning aangevraagd worden. Artikel 3.7.3.1 De aanvraag voor een aansluiting Lid 1 bepaalt dat de rechthebbende de vergunning aanvraagt. Om dit te vereenvoudigen, moet de aanvraag worden gedaan met een daartoe bestemd formulier. Dit formulier en nadere informatie is te vinden op de website van de gemeente www.leiden.nl.
72
In lid 2 wordt bepaald dat de aanleg van de perceelaansluiting geschiedt door of namens de gemeente. Er wordt pas aangesloten als de rechthebbende het particulier riool tot aan de perceelgrens heeft aangelegd. De technische eisen waaraan moet worden voldaan zijn opgenomen in het Bouwbesluit 2012. Lid 4, 5 en 6 beschrijven hoe met de kosten van de aansluiting wordt omgegaan. Voor aanleg van een rioolaansluiting moet door de rechthebbende worden betaald. De kosten variëren van geval tot geval. Bij aanvraag wordt door de gemeente in ieder geval de hoogte van de aansluitkosten en de manier van uitvoering aan rechthebbende aangegeven. Als de rechthebbende daarmee akkoord is en de aansluitkosten heeft betaald, wordt door de gemeente de rioolaansluiting gemaakt. Hiermee wordt tussen gemeente en rechthebbende een privaatrechtelijke overeenkomst aangegaan. Omdat bij de graafwerkzaamheden de werkelijke situatie pas bekend wordt en daardoor tijdens de uitvoering onvoorziene werkzaamheden kunnen optreden wordt nadat de werkzaamheden zijn afgerond op basis van de werkelijke kosten een definitieve afrekening gemaakt. Er vindt verrekening met de reeds betaalde kosten plaats.
Artikel 3.7.3.2 (Sloop)werkzaamheden, verwijdering aansluiting In dit artikel zijn bepalingen opgenomen over de zorg die de rechthebbende moet betrachten bij werkzaamheden op zijn perceel die schade kunnen veroorzaken aan het openbaar riool. De zorg richt zich op het treffen van voorzieningen ter voorkoming van verzanding of verstopping van de perceel aansluitleiding en / of het openbaar riool. Bij sloopwerkzaamheden op het particulier perceel waar de afvoer van afvalwater tijdelijk onderbroken wordt, moet de rechthebbende op het aansluitpunt de riolering afblinden of afstoppen. Dit aansluitpunt meet de rechthebbende in aan de nieuwe situatie zodat het bij het opnieuw in gebruik nemen er van gemakkelijk is terug te vinden. Lid 3 en 4 regelen de definitieve beëindiging van de aansluiting. De rechthebbende is verplicht de gemeente in kennis te stellen van beëindiging van het gebruik van de aansluitleiding. In overleg met de gemeente wordt de gehele aansluitleiding verwijderd. De riool aansluitvergunning vervalt dan en de kosten voor het verwijderen van de perceel aansluitleiding worden in rekening gebracht bij de rechthebbende. Artikel 3.7.3.3 Storingen Wanneer er een verstopping of storing zich voordoet in de aansluitleiding dan moet de rechthebbende of gebruiker eerst onderzoek doen in welk deel van de aansluitleiding de verstopping of storing zich voordoet.
De rechthebbende doet dit door de ontstoppingsstuk op te graven. Wanneer bij het open maken van de ontstoppingsstuk water in staat dan is de perceelaansluitleiding verstopt en moet de gemeente de perceel aansluitleiding reinigen en eventueel de oorzaak van de storing verhelpen. Wanneer het ontstoppingstuk droog staat dan bevindt de verstopping/storing zich op particuliere grond en moet de rechthebbende of gebruiker het voor eigen rekening herstellen. Als achteraf vast staat dat de oorzaak van de verstopping in het particulier riool een gevolg is van het falen van het openbaar riool of de perceel aansluitleiding dan heeft de rechthebbende recht op schadevergoeding. Als het aannemelijk is dat de verstopping in de perceel aansluitleiding een gevolg is van onjuist gebruik door het lozen van afvalstoffen die niet in het riool thuis horen of dat hierdoor onderhouds- of herstelwerkzaamheden moeten worden uitgevoerd. Dan kan de gemeente de kosten verhalen op de rechthebbende. Indien de rechthebbende verzuimd om de gemeente te waarschuwen, en heeft de gemeente de oorzaak voorafgaand aan de verstopping of storing niet vast kunnen stellen dan bestaat er geen recht op schadevergoeding.
73
Hoofdstuk 4 Beheer en onderhoud Artikel 4.2.1.1 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen Dit artikel betreft een samenvoeging van de in de VNG Model Bouwverordening geschrapte artikelen 334 en 336. Aangezien het hier om bepalingen gaat die niet direct het bouwwerk maar meer de omgeving betreffen, is tot onderbrenging in deze verordening besloten. Artikel 4.2.1.2 Beheer, onderhoud, renovatie en vervanging Artikel 2 beschrijft wie verantwoordelijk is voor het beheer en onderhoud van de aansluitleiding en wie de kosten voor zijn rekening neemt. In de meeste gevallen is de gemeente degene die de werkzaamheden aan de perceelaansluitleiding uitvoert en voor haar rekening neemt. Indien het echter aannemelijk is dat de werkzaamheden uitgevoerd moeten worden en veroorzaakt worden omdat in het particuliere riool onjuist gebruik heeft plaatsgevonden, is de rechthebbende of veroorzaker degene die de kosten van de werkzaamheden voor zijn rekening neemt. Wanneer er een verstopping of storing zich voordoet in de aansluitleiding dan moet de rechthebbende of gebruiker eerst onderzoek doen in welk deel van de aansluitleiding de verstopping of storing zich voordoet. De rechthebbende doet dit door de ontstoppingsstuk op te graven.
Wanneer bij het open maken van de ontstoppingsstuk water in staat dan is de perceelaansluitleiding verstopt en moet de gemeente de perceel aansluitleiding reinigen en eventueel de oorzaak van de storing verhelpen. Wanneer het ontstoppingstuk droog staat dan bevindt de verstopping/storing zich op particuliere grond en moet de rechthebbende of gebruiker het voor eigen rekening herstellen. Als achteraf vast staat dat de oorzaak van de verstopping in het particulier riool een gevolg is van het falen van het openbaar riool of de perceel aansluitleiding dan heeft de rechthebbende recht op schadevergoeding. Als het aannemelijk is dat de verstopping in de perceel aansluitleiding een gevolg is van onjuist gebruik door het lozen van afvalstoffen die niet in het riool thuis horen of dat hierdoor onderhouds- of herstelwerkzaamheden moeten worden uitgevoerd. Dan kan de gemeente de kosten verhalen op de rechthebbende. Indien de rechthebbende verzuimd om de gemeente te waarschuwen, en heeft de gemeente de oorzaak voorafgaand aan de verstopping of storing niet vast kunnen stellen dan bestaat er geen recht op schadevergoeding. Wat in ieder geval onder onjuist gebruik wordt verstaan is weergegeven in lid 2. Voorbeelden van stoffen die verstoppingen veroorzaken zijn vetten en doekjes. Bij stoffen die het riool aantasten kan bijvoorbeeld gedacht worden aan zuren en zand.
Het is daarnaast belangrijk dat rechthebbenden of gebruikers die aangesloten zijn op een drukriolering geen hemelwater en/of drainagewater lozen op de drukriolering. Hierdoor ontstaan storingen in de installatie die verholpen moeten worden en ook dan zijn de kosten van herstel voor de rechthebbende of veroorzaker. Wanneer de gemeente de hoogteligging van het aansluitpunt wijzigt moet de rechthebbende ervoor zorgen dat de particuliere afvoerleiding hierop kan worden aangesloten. Dit moet op een zodanige wijze dat de afvoer vanuit het perceel ongehinderd kan plaatsvinden. De kosten die hieraan zijn verbonden blijven voor rekening van de rechthebbende, tenzij het aansluitpunt hoger komt te liggen dan de hoogte ten tijde van de aansluiting. Bij een wijziging van de kadastrale grens dient de ontstoppingsvoorziening op kosten van de rechthebbende verplaatst te worden. Hoofdstuk 5 Financiële bepalingen Artikel 5.1.1.1 Bomenfonds Het Bomenfonds is te beschouwen als een voorziening voor de compensatie van met vergunning gekapte of illegaal gevelde houtopstanden. Burgemeester en wethouders beheren dit fonds. Zij besluiten bij de vergunningaanvraag of bij de handhavingsmaatregelen over de compensatie.
74
Artikel 5.3.1.1 Nadeelcompensatie Het college kan besluiten in de openbare ruimte werken te verrichten die van invloed kunnen zijn op de reeds aanwezige leidingen en kan op grond van dit artikel bepalen dat een leiding verlegd of aangepast moet worden. Daartoe zal het college op basis van artikel 9 onderdeel f een bestaande vergunning wijzigen of intrekken. Voor zover de leidingexploitant daarbij schade lijdt die niet tot het normale bedrijfsrisico behoort, zal het college hem een redelijke en billijke schadevergoeding toekennen (nadeelcompensatie), zulks zolang op grond van artikel 228 Gemeentewet de gemeente precario kan heffen. De criteria voor het vaststellen van een vergoeding worden neergelegd in beleidsregels (Verlegregeling gemeente Leiden 2012). Hoofdstuk 6 Procesregels Artikel 6.1.2.1 De aanwijzing tot beschermd gemeentelijk monument Dit onderdeel is vooral van toepassing indien het een verzoek tot aanwijzing van een gemeentelijk monument betreft. Een nader waardestellend onderzoek kan bijvoorbeeld een bouwhistorisch onderzoek betreffen. De informatie over de bouwhistorische waarde van een gebouw kan van invloed zijn op de beslissing van het college om de zaak al dan niet als beschermd gemeentelijk monument aan te wijzen en op de wijze waarop het in de registers wordt ingeschreven. De mogelijkheden om onderzoek te doen kunnen in de praktijk verschillen.
Dit vindt onder meer zijn oorzaak in wiens belang het verzoek tot aanwijzing (of intrekking van de aanwijzing) als gemeentelijk monument wordt gedaan. In die gevallen dat een ander dan de eigenaar van een pand een verzoek tot aanwijzing indient, dan wel de gemeente ambtshalve aanwijzingsvoorstellen doet, kan de gemeente de eigenaar niet verplichten nader waardestellend onderzoek uit te (laten) voeren. Artikel 6.2.1.1 Termijn advies en aanwijzingsbesluit Lid 1 De ACL is een onafhankelijke commissie, bestaande uit deskundigen op het gebied van erfgoed. Op grond van het Reglement voor de Adviescommissie Cultuurhistorie Leiden geeft deze commissie advies aan het college. Lid 2 Het besluit tot aanwijzing van een beschermd gemeentelijk monument is een bevoegdheid van het college. De adviescommissie is door het college ingesteld, op grond van het Reglement voor de Adviescommissie Cultuurhistorie Leiden. Dit artikel betreft de adviestermijn van de Adviescommissie Cultuurhistorie Leiden en de beslistermijn van het college. Wat betreft de termijn van 26 weken is aangesloten bij de termijn die gehanteerd wordt in de Erfgoedwet (artikel 3.2, derde lid).
Artikel 6.2.2.1 Advies bij aanwijzen gemeentelijk beschermd stadsgezicht Lid 1 Bescherming van een individueel pand is soms niet afdoende, omdat het waardevolle nu juist is gelegen in het geheel / ensemble van met elkaar samenhangende delen. Dit artikel geeft de mogelijkheid aan de gemeenteraad om beschermde gemeentelijke stadsgezichten aan te wijzen. Voordat hiertoe wordt besloten, vraagt het college advies aan de Adviescommissie Cultuurhistorie Leiden, tenzij het een spoedeisend geval betreft. Gebieden die op grond van de Erfgoedwet dan wel een provinciale monumentenverordening zijn aangewezen als beschermd stadsgezicht kunnen niet door de gemeenteraad als zodanig worden aangewezen. Lid 2 De termijn voor het inwinnen van advies en het aanwijzingsbesluit komt overeen met die voor het besluit tot het aanwijzen tot beschermd gemeentelijk monument. Beschermde gemeentelijke stadsgezichten worden geregistreerd in het gemeentelijk Erfgoedregister.
75
Artikel 6.2.3.1 Advies van de Welstands- en Monumentencommissie Leiden Het college vraagt advies aan de Welstands- en Monumentencommissie Leiden over de aanvraag van de omgevingsvergunning voor een beschermd gemeentelijk monument. Betreft het een beschermd gemeentelijk archeologisch monument dan wordt deze deskundigheid in de vorm van een deskundig senior archeoloog bij het advies betrokken. Het begrip senior archeoloog komt voort uit de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. Artikel 6.2.3.2 Advies omgevingsvergunning beschermd rijksmonument De term rijksmonument is gedefinieerd in artikel 1.1 van de Wabo (op grond van artikel 10.9 van de Erfgoedwet). De procedure inzake deze omgevingsvergunning is geregeld in de Wabo. De gemeenteraad is verplicht om de inschakeling van een commissie die adviseert over omgevingsvergunningen bij rijksmonumenten te regelen bij verordening (artikel 15 van de Monumentenwet 1988). In Leiden is de commissie gecombineerd met de adviestaak op het gebied van ruimtelijke kwaliteit (welstand). Het college vraagt binnen deze procedure advies aan de Welstands- en Monumentencommissie Leiden (WML) over de aanvraag dan wel het ontwerpbesluit, voordat zij beslist op de aanvraag van de vergunning.
In bepaalde gevallen adviseert ook de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, zoals bij: volledige afbraak van een monument of een overwegend deel daarvan, reconstructie van een monument of een overwegend deel daarvan, wijziging van een monument of een overwegend deel daarvan als gevolg van functiewijziging. In dat geval is de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing. Hoofdstuk 7 Handhaving, overgangs- en slotbepalingen Artikel 7.1.1.2 Marktmeester Dit artikel regelt het aanstellen van de marktmeester en zorgt ervoor dat een beschrijving van zijn of haar werkzaamheden wordt opgesteld. Artikel 7.1.1.4 Onmiddellijke verwijdering In artikel 125 van de Gemeentewet is bepaald dat onder andere ter uitvoering van gemeentelijke verordeningen het gemeentebestuur de bevoegdheid heeft om een last onder bestuursdwang op te leggen. Artikel 24 van de verordening bevat vervolgens voor het college de bevoegdheidsgrondslag om een specifieke vorm van bestuursdwang (verwijdering) toe te passen als een vergunninghouder zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog op de markt of bij andere overtredingen van de marktverordening. Afdeling 5.3.1 van de Awb bevat regels over de besluitvorming inzake het opleggen van een last onder bestuursdwang.
Daarnaast is afdeling 5.3.2 van de Awb van belang; een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, kan in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen (artikel 5:32 van de Awb). De in artikel 24 geregelde onmiddellijke verwijdering is een vorm van last onder bestuursdwang, waarbij de spoedeisendheid als bedoeld in artikel 5:31, eerste lid, van de Awb wordt verondersteld. In dergelijke gevallen kan besloten worden bestuursdwang toe te passen zonder voorafgaande last. Bij zéér spoedeisende gevallen, waarbij een besluit niet kan worden afgewacht, kan bestuursdwang onmiddellijk worden toegepast (artikel 5:31, tweede lid, van de Awb). Daarnaast is het volgens artikel 4:11 van de Awb niet nodig om in spoedeisende situaties belanghebbende overeenkomstig artikel 4:8 van de Awb in gelegenheid te stellen hun zienswijze (mondeling dan wel schriftelijk) kenbaar te maken. Wel dient het besluit in dat geval achteraf alsnog bekendgemaakt te worden overeenkomstig artikel 5:31, tweede lid, jo. artikel 5:24, derde lid, van de Awb. Het hangt van de omstandigheid van het geval af of er sprake is van een (zéér) spoedeisend geval. Artikel 7.1.2.4 Strafbepaling markten In deze verordening is een strafbepaling opgenomen, zodat overtredingen naast bestuursrechtelijke maatregelen ook strafrechtelijk kunnen worden bestraft.
76
Artikel 7.1.2.5 Bestuurlijke boete Algemeen Deze bepaling is een uitwerking van artikel 35 van de wet, waarin is bepaald dat de gemeenteraad in de huisvestingsverordening kan bepalen dat een bestuurlijke boete kan worden opgelegd ter zake van de overtreding van de verboden bedoeld in de artikelen 8, 21 of 22, of van het handelen in strijd met de voorwaarden of voorschriften, bedoeld in artikel 26 van de wet. Naast het bepalen dat de bestuurlijke boete kan worden opgelegd, bepaalt de raad in de verordening ook de hoogte van de boete die voor verschillende overtredingen kan worden opgelegd. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd tot het daadwerkelijk opleggen van een bestuurlijke boete. De wet geeft alleen bestuursrechtelijke handhavingsmogelijkheden. Het gewone strafrecht geldt daarnaast bij overtreding van de bepalingen in het Wetboek van Strafrecht (bijvoorbeeld in geval van valsheid in geschrifte of bedreiging). Artikel 7, tweede en derde lid Van een bedrijfsmatige exploitatie is in de volgende gevallen sprake: 1. De overtreder verhuurt aantoonbaar meerdere woonruimten. Uit de omvang van de exploitatie blijkt het bedrijfsmatige aspect. Iemand die zich bedrijfsmatig bezig houdt met exploitatie behoort de regelgeving te kennen. 2. De overtreder houdt zich beroepsmatig bezig met regelgeving omtrent huisvesting en exploitatie van onroerend goed.
Hieronder vallen in ieder geval: vastgoedontwikkelaars, makelaars, woning- en kamerbemiddelingsbureaus en bedrijven die zich bezig houden met huisvesting van hun eigen werknemers. Het bedrijfsmatige aspect van de exploitatie vloeit voort uit de aard van het bedrijf of beroep van de overtreder. 3. Uit de omvang van onzelfstandige bewoning kan ook een bedrijfsmatig karakter van de exploitatie blijken: bij meer dan vier personen, kan dit aangemerkt worden als kamerverhuur in de zin van het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken. De exploitant dient bij een exploitatie van die omvang ook te zorgen voor een brandveilig gebruik en op de hoogte te zijn van de overige regelgeving. 4. Onttrekking van woonruimte is enkel bedrijfsmatig indien dit vanuit commercieel oogpunt plaatsvindt. Onttrekking in het kader van het voeren van een bedrijf (opslag supermarkt, meelsilo voor een bakkerij, of een logiesfunctie), maar ook het in gebruik hebben van woonruimte met een hennepkwekerij, is als een onttrekking vanuit commercieel oogpunt te beschouwen. 5. Samenvoeging van een woonruimte is niet bedrijfsmatig, tenzij de overtreder zich beroepsmatig bezig houdt met huisvesting en exploitatie van onroerend goed. Hieronder vallen in ieder geval: vastgoedontwikkelaars, makelaars, woning- en kamerbemiddelingsbureaus en bedrijven die zich bezig houden met huisvesting van hun eigen werknemers.
Het bedrijfsmatige aspect van de exploitatie vloeit voort uit de aard van het bedrijf of beroep van de overtreder. Artikel 7.1.2.6 Hardheidsclausule In bepaalde uitzonderlijke gevallen kan het met het oog op de situatie ter plaatse worden afgeweken van (een deel van) de weigeringsgronden uit artikel 5 van deze verordening en de daarmee verband houdende eisen zoals uitgewerkt in de Beleidsregel onttrekking en woningvorming. Het gaat hierbij bijvoorbeeld maar niet uitsluitend om het wel verlenen van vergunningen voor onttrekking op locaties die volgens de gestelde regels niet vergund kunnen worden, waar echter de lokale legale situatie zodanig is dat het niet verlenen andere negatieve gevolgen kan hebben zoals leegstand en het onverkoopbaar zijn van panden. Het gaat dan om panden die minder geschikt of zelfs ongeschikt zijn voor bewoning door andere doelgroepen dan kamerbewoners. Hierbij valt te denken aan het wonen boven een horecagelegenheid of in die situaties waarbij een pand zich bevindt tussen twee reeds legaal verkamerde panden. In die laatste situatie kan het zijn dat een pand door het feit dat het is ingeklemd door legaal verkamerde panden slecht verkoopbaar is als woonhuis en ook voor de verhuur als gehele woning of als appartementen aantoonbaar niet interessant is.
Wat voorts in aanmerking zou kunnen komen is een situatie waarbij een bepaald technisch vereiste, zoals het realiseren van een inpandige fietsenstalling, redelijkerwijs niet mogelijk is en er op een alternatieve wijze wel aan het
77
beoogde doel tegemoet gekomen kan worden. Anderzijds kan zich de situatie voordoen dat het verlenen van een vergunning in ernstige mate de belangen van derden zou schaden. Het college kan dan in die uitzonderlijke gevallen, ondanks dat er geen weigeringsgrond van toepassing is, een vergunning weigeren indien blijkt dat de belangen van de derden niet op een andere wijze kunnen worden beschermd. Het college dient terughoudend op te treden in het toepassen van deze hardheidsclausule. Bij het gebruik ervan dient zij in haar overwegingen rekening te houden met de vraag of er sprake is van bestaande overlast op de betreffende locatie. Daarnaast moet aannemelijk zijn dat met name het toevoegen van een verkamerd pand aan de bestaande situatie niet leidt tot extra overlast. Artikel 7.1.2.7 Strafbepaling leidingen Deze bepaling biedt de mogelijkheid om in voorkomende gevallen strafrechtelijk op te treden. Over het algemeen zal gekozen worden voor bestuursrechtelijke handhavingsinstrumenten en vormt de toepassing van strafrechtelijke sancties in beginsel een uiterste handhavingmiddel. Artikel 7.2.1.1 Overgangsrecht Omdat de Verordening fysieke leefomgeving een beleidsneutrale verordening is zijn de regels in principe hetzelfde als die in de verordeningen die erin opgaan. Dat betekent voor lopende procedures de artikelen uit de Verordening fysieke leefomgeving kunnen worden gevolgd.
Dat heeft geen invloed op het verloop van de procedure. Artikel 7.2.1.2 Overgangsrecht leidingen Deze bepaling bevat het overgangsrecht. De eigenaren van de talloze leidingen die thans in de openbare ruimte aanwezig zijn is in de meeste gevallen – al dan niet privaatrechtelijk - een ligrecht gegund waaraan diverse voorwaarden verbonden zijn. Om redenen van efficiency en om te voorkomen dat de huidige leidingeigenaren hoge kosten moeten maken is ervoor gekozen de huidige toestemmingen te beschouwen als een vergunning in de zin van deze Leidingenverordening, zulks met terzijdestelling van de voorschriften die verbonden zijn aan de reeds verleende schriftelijke toestemming danwel vergunning. Ook kan het college van de leidingexploitant verlangen dat hij een nieuwe aanvraag indient, vergezeld van de benodigde documenten. Daarbij kan het college een termijn stellen waarbinnen de nadere informatie moet zijn aangeleverd of een nieuwe aanvraag moet zijn ingediend. Met deze systematiek wordt beoogd maatwerk te leveren ten aanzien van de vele, naar aard en leeftijd verschillende leidingen. Overigens zij opgemerkt dat voor leidingen die zonder toestemming of vergunning in de openbare ruimte liggen hoe dan ook een aanvraag moet worden ingediend om een vergunning op grond van de Leidingenverordening te verkrijgen.
Artikel 7.3.1.3 Intrekken verordeningen De in dit artikel opgenomen verordeningen, beleidsregels en nadere regels zijn de regels die opgaan in de Verordening fysieke leefomgeving. Voor sommige van deze documenten geldt dat zij geheel over gaan, anderen gaan gedeeltelijk over. Deze verordeningen worden respectievelijk ingetrokken of gewijzigd.
78