CConstaterende datLeiden
Koppel je AI →
Document · PDF

210021 Bijlage 1. Toelichting op de Verordening fysieke leefomgeving

Gemeenteraad 29 april 2021, gemeente LeidenBij agendapunt: Bijlagen43.842 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 5

Toelichting op de Verordening fysieke leefomgeving Leiden 2020 Algemene inleiding De Verordening fysieke leefomgeving is opgesteld om de verordeningen met betrekking tot de fysieke leefomgeving samen te voegen tot één integrale verordening. Aanleiding hiervoor is de komst van de Omgevingswet op 1 januari 2021. Vanaf deze datum hebben alle gemeenten in Nederland een omgevingsplan van rechtswege waarin onder andere alle huidige bestemmingsplannen staan. Tot 1 januari 2029 hebben gemeenten de tijd om zich dat omgevingsplan eigen te maken. In het definitieve omgevingsplan komen naast de bestemmingsplannen en de bruidsschat, ook de huidige verordeningen over de fysieke leefomgeving. Deze verordening is opgesteld ter voorbereiding daarop. Op het moment dat de Omgevingswet in werking treedt kan deze verordening in het omgevingsplan worden opgenomen. Het doel van deze verordening is niet alleen het voorbereiden op de Omgevingswet door de oude verordeningen samen te voegen. Deze verordening is opgesteld als integraal document, waarin de oude verordeningen in een groter verband staan dan voorheen. Bij het opstellen van deze verordening is aandacht besteed aan het harmoniseren van begrippen, procedures en taalgebruik. Bij het opstellen is veelvuldig overlegd met de betreffende vakafdelingen om te borgen dat deze verordening ook voor hen werkbaar is.

In deze verordening zijn de volgende verordeningen opgenomen: de APV, de Bedrijfs- en Pleziervaartuigenverordening, de Bomenverordening, de Erfgoedverordening, de Huisvestingsverordening (onderdeel woonruimtevoorraad), de Leidingenverordening, de Marktverordening en de Rioolverordening. Ook de bij deze verordeningen horende beleidsregels en nadere regels zijn meegenomen. Hieronder vallen de Beleidsregels en Nadere regels Terrassen, het Instellingsbesluit Markten, het Ligplaatsenplan, de Nadere regels Handelsreclame en de Nadere regels uitvoering Bomenverordening. Deze raken elk op hun eigen manier de fysieke leefomgeving. Toelichtingen overgenomen verordeningen Naast de toelichting op de Verordening fysieke leefomgeving zelf, zijn in deze toelichting integraal alle toelichtingen opgenomen van alle verordeningen, beleidsregels en nadere regels die opgaan in de Verordening fysieke leefomgeving. In zowel de algemene toelichtingen als de artikelsgewijze toelichtingen van de opgenomen regelgeving zijn alle verwijzing naar artikelen aangepast naar de context van de Verordening fysieke leefomgeving. Het overnemen van deze regelgeving in de Verordening fysieke leefomgeving is een beleidsneutraal proces, derhalve dienen ook de toelichtingen beleidsneutraal overgezet te worden.

Daarom zijn de zijn deze toelichtingen op inhoud identiek gebleven aan het origineel om recht te doen aan de overwegingen die destijds ten grondslag lagen aan het vaststellen van de betreffende regelgeving.

1

Algemene toelichting APV Karakter toelichting Deze toelichting behoort bij de model-APV en is als zodanig te beschouwen als een gebruiksaanwijzing voor degenen die dit model gaan omzetten in een collegevoorstel voor een APV aan de raad. Het is dus niet zo dat deze toelichting onderdeel (moet of kan) uitmaken van een door de raad vastgestelde APV. Uiteraard kunnen gedeelten van de toelichting bij deze model-APV wel gebruikt worden in de voordracht van het college aan de raad. Autonomie en medebewind De APV is hét klassieke voorbeeld van een autonome gemeentelijke verordening. Toch bevat de APV medebewindsbepalingen, bijvoorbeeld: - Artikel 2:3 ‘Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen’: Dit artikel is een uitwerking van de artikelen 3 en 4 van de Wom; - Hoofdstuk 2, afdeling 5, ‘Regulering paracommerciele rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Drank- en Horecawet’: Op grond van artikel 4 van de DHW wordt een verordening verplicht gesteld voor de paracommerciële horecabedrijven. Andere medebewindsgrondslagen zijn ook in de aanhef opgenomen. Deze (en eventueel nog volgende soortgelijke verordeningen) betreffen net als de APV in elk geval gedeeltelijk de openbare ruimte en hangen nauw samen met de andere bepalingen in de APV. Het ligt daarom voor de hand deze medebewindverordeningen onder te brengen in de APV.

Op deze manier blijft er een samenhangend geheel bestaan van gemeentelijke regelingen die de openbare ruimte betreffen. Provinciale wegenverordening of provinciaal wegenreglement In een aantal artikelen in de APV wordt de grens afgebakend tussen de APV en andere regelingen. Soms is die andere regeling een provinciale verordening of een provinciaal reglement voor de provinciale wegen. Vergunning, ontheffing of melding; schaarste In de APV komen drie toestemmingsstelsels voor: - een ontheffingsstelsel; - een vergunningstelsel; - een meldingsstelsel.

Bij een ontheffingsstelsel geldt een verbod om een bepaalde activiteit uit te voeren. In uitzonderlijke gevallen is daarop een ontheffing mogelijk. Er kan sprake zijn van schaarste (meer aanvragen dan het aantal ontheffingen dat wordt verleend). Bij een vergunningstelsel geldt in beginsel een verbod, maar bestaat er in het algemeen geen bezwaar tegen de activiteit. De gemeente wil de regie op de activiteiten houden. Zij kan ook het aantal beschikbare vergunningen beperken. In dat geval kan er sprake zijn van schaarste. Als sprake is van schaarse ontheffingen of vergunningen gelden bepaalde verdelings- en procedurevoorschriften. Zie hiervoor de VNG Handreiking voor gemeenten ‘Schaarse vergunningen’, november 2018, en de toelichting hieronder. Bij een meldingsstelsel bestaat er al dan niet een verbod, maar bestaat er geen bezwaar tegen de activiteit als zodanig. Om grip en regie te houden, stelt de gemeente een melding verplicht. Er kan dan geen sprake zijn van schaarste, want elke melding die aan de voorschriften voldoet, wordt geaccepteerd. Juridisch karakter van een melding In januari 2015 heeft de Afdeling haar rechtspraak rond meldingsstelsels aangepast.

2

Beknopt samengevat komt de wijziging er op neer dat alleen een meldingsstelsel beheerst door algemene regels en waarbij niet is voorzien in enige reactie van het bestuursorgaan niet leidt tot een appellabel besluit. In andere gevallen leidt de weigering of acceptatie, dan wel het uitblijven of niettijdig reageren door het bestuursorgaan tot een appellabel besluit. Zie ABRvS 14-01-2015, ECLI:NL:RVS:2015:14 (Leeuwarden-Lekkum) en ABRvS 14-01-2015, ECLI:NL:RVS:2015:36 (SteinElsloo). De Afdeling volgt hiermee de conclusie van Advocaat-Generaal Widdershoven over meldingsstelsels (ABRvS 12-11-2014, ECLI:NL:RVS:2014:4116). Lex silencio positivo In artikel 4:20a, eerste lid, van de Awb is bepaald dat paragraaf 4.1.3.3 van de Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) bij wettelijk voorschrift van toepassing verklaard kan worden. In dat geval geldt dat als het bestuursorgaan niet tijdig op de aanvraag tot het geven van een beschikking beslist, de gevraagd beschikking van rechtswege is gegeven. Het doel hiervan is vermindering van regeldruk en verbetering van de dienstverlening aan bedrijven en burgers. Afdeling 4.1.3.3 van de Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is: - van toepassing op vergunningen, ontheffingen en vrijstellingen als bedoeld in de artikelen 3.4.4.1, 3.4.4.2, 3.6.2.2, 3.4.8.1, 3.4.6.3, 3.4.7.6.

- niet van toepassing op vergunningen en ontheffingen als bedoeld in de artikelen 3.4.4.7, 3.3.1.4, 3.4.8.2, 3.4.7.1, 3.4.7.2, 3.4.9.1, 3.4.10.2. De toepasselijkheid van de lex silencio positivo kan ook volgen uit een wet in formele zin. Zo volgt toepasselijkheid van de lex silencio positivo op aanvragen om omgevingsvergunningen bijvoorbeeld uit artikel 3.9, derde lid, van de Wabo en geldt op grond van artikel 28, eerste lid, van de Dienstenwet dat de lex silencio positivo van toepassing is op aanvragen om vergunningen die onder de reikwijdte van de Dienstenwet vallen. Daar waar toepasselijkheid van de lex silencio positivo reeds uit de wet voortvloeit, wordt dit in de APV (de artikelen 3.4.4.1, 3.4.4.2) niet herhaald. Wel wordt dan in de artikelsgewijze toelichting opgemerkt dat de lex silencio positivo van toepassing is. Daarnaast zijn er ook enkele bepalingen (de artikelen 3.4.7.1, 3.4.7.2, 3.4.9.1) waarin de toepasselijkheid van de lex silencio positivo uitdrukkelijk wordt uitgezonderd. Dit geldt voor gevallen waarin de lex silencio positivo op grond van artikel 28, eerste lid, van de Dienstenwet van toepassing zou zijn, maar er dwingende redenen van algemeen belang zijn om daar een uitzondering op te maken.

De dwingende redenen van algemeen belang die een uitzondering op de toepasselijkheid van de lex silencio positivo rechtvaardigen, worden in de artikelsgewijze toelichting bij die bepalingen gegeven. Voor zover de toepasselijkheid van de lex silencio positivo niet reeds uit de wet voortvloeit, maar het toch wenselijk is te voorzien in een positieve beschikking van rechtswege bij het niet tijdig beslissen op een aanvraag tot het geven van een beschikking, is de lex silencio positivo op verschillende plaatsen in de APV van toepassing verklaard. Dit geldt voor de artikelen 3.4.4.1 en 3.4.4.2 voor zover het gaat om activiteiten die niet onder de Wabo vallen (voor activiteiten die wel onder de Wabo vallen verklaart die wet de lex silencio positivo immers al van toepassing), en de artikelen 3.6.2.2, 3.4.8.1, 3.4.6.3, 3.4.7.6). De redenen voor het van toepassing verklaren van de lex silencio positivo worden in de artikelsgewijze toelichting bij die bepalingen gegeven. In gevallen waarin de lex silencio positivo niet reeds op grond van de wet van toepassing is en er evenmin redenen zijn om deze van toepassing te verklaren in de APV, is niets bepaald. Dit geldt voor de artikelen 3.4.4.7, 3.3.1.4, 3.4.8.2, 3.4.10.2. Ingevolge artikel 4:20a, eerste lid, van de Awb, geldt de lex silencio positivo immers alleen als dit bij wettelijk voorschrift is bepaald. Schaarse vergunningen

3

In gevallen waarin een activiteit beperkt is tot een aantal vergunninghouders, kan sprake zijn van schaarste. Voor vergunningen die onder de reikwijdte van de Dienstenrichtlijn vallen, geldt dat deze vergunningen niet voor onbepaalde tijd mogen worden verleend (HvJEU 01-10-2015, ECLI:EU:C:2015:641 (Trijber en Harmsen)). Er zal dan een redelijke looptijd voor de vergunning bepaald moeten worden, waartoe kan worden aangesloten bij de jurisprudentie over concessieverleningen. De looptijd moet worden afgestemd op de tijd die het de vergunninghouder kost om investeringen terug te verdienen. Ook gelden er bijzondere verdeelregels: er moet een passende mate van openbaarheid betracht worden bij de verdeling door potentiële gegadigden tijdig te informeren over de beschikbaarheid van een vergunning, het aanvraagtijdvak, de verdeelregels en de toewijzingscriteria, die objectief, duidelijk en niet discriminatoir moeten zijn. Op grond van het gelijkheidsbeginsel, waaruit het beginsel van gelijke kansen voortvloeit, geldt dit ook voor andere schaarse vergunningen dan vergunningen die onder de reikwijdte van de Dienstenrichtlijn vallen (ABRvS 02-11-2016, ECLI:NL:RVS:2016:2927 (De Vries/Vlaardingen)). Voor de looptijd van de vergunning bij schaarste zij verder verwezen naar artikel 3.1.2.5, tweede lid, en de toelichting daarbij.

Meer informatie is te vinden in de VNG Handreiking voor gemeenten ‘Schaarse vergunningen’, november 2018. Algemene toelichting Nadere regels handelsreclame In het kader van het terugdringen van de gemeentelijke regelgeving in het programma Minder & Beter een aantal voorstellen gedaan. Wat betreft de vergunningsplicht voor handelsreclame opgenomen in de APV is er destijds voor gekozen om deze vergunningplicht te laten vervallen, wanneer wordt voldaan aan nadere regels. Algemene toelichting Bomenverordening Als basis voor de verordening is het model Bomenverordening “Groene Kaart” gehanteerd. Dit model is door de Vereniging Stadswerk en de Bomenstichting ontwikkeld. De verordening bestaat uit een tekstgedeelte en een Groene Kaart. De Verordening fysieke leefomgeving sluit aan op andere relevante regelgeving, zoals Wet natuurbescherming, Plantenziektenwet en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Daarnaast is afgestemd de beleidsnotities Handboek Openbare Ruimte en de Nota ‘Versterken en verbinden van groen in Leiden’ met de bijlage Overlast van bomen. Op 3 december 2013 heeft het college de nota Versterken en verbinden van groen in Leiden vastgesteld (BW 13.1088), inclusief de bijlage Overlast van bomen. Duurzaam boombeheer in relatie tot overlastklachten (per brief voor kennisgeving aangeboden aan de leden van de raad (DIV-201313451).

In deze nota staat dat de accenten in het groenbeleid de komende jaren gelegd worden bij het beschermen en versterken van de groene hoofdstructuur in de stad (de houtopstanden op de Groene Kaart) en bij het verbinden van groengebieden in en om de stad door middel van recreatieve routes. Er is tevens afgesproken om in de gemeentelijke organisatie een werkwijze te borgen dat de planvorming van projecten die ingrijpen in de groene hoofdstructuur, start met een groenparagraaf, die inhoudelijk en financieel onderbouwd wordt en die ook inzicht geeft in de mate waarin het plan bijdraagt aan de gewenste groene kwaliteit (het referentiebeeld) van het betreffende deel van de hoofdstructuur. Bij het beheer(beleid) dient zo veel mogelijk gebruik gemaakt te worden van de kennis en inzet van burgers en maatschappelijke instanties. Ook is bepaald dat een gezonde boom in principe blijft staan en dat geen actie plaatsvindt bij overlastklachten die te maken hebben met de gevolgen van natuurlijke groei, cyclus en leefomgeving van de boom zoals blad- en bloesemval, pluizen en vruchten, e.d. Aan de hand van een indeling van klachten in verschillende categorieën van overlast wil het college zowel de groenbeheerders als de burgers duidelijkheid bieden of en zo ja, welke maatregelen de gemeente neemt ten aanzien van de specifieke overlastklachten. De nota “Overlast

4

van bomen? Duurzaam boombeheer in relatie tot overlastklachten” geeft een uiteenzetting van dit duurzaam boombeheerbeleid. In de verordening is het boombeheerbeleid verduidelijkt door het vergunningstelsel rechtstreeks te verbinden met de waarden die gebruikt worden voor de nieuwe opname van houtopstanden als beschermde solitaire boom, boomstructuur of boomgebied op de Groene Kaart en het bijbehorende register. Opbouw Groene Kaart De Groene Kaart bevat de aangewezen boomstructuren, boomgebieden en beschermde houtopstanden in de stad met bijbehorend register. De Groene Kaart vertegenwoordigt daarmee de kernkwaliteit van het groen in de gemeente Leiden. Het vormt het groene raamwerk van de stad. Op grond van de Bomenverordening 2012 is de Groene Kaart opgebouwd en zijn de aangewezen en beschermde houtopstanden samengebracht in de Groene Kaart 2012 behorende bij de Bomenverordening 2012, met bijbehorend register. De Groene Kaart 2012 is onder de werking van de Bomenverordening 2012 ontwikkeld en samengesteld. Dat is in hoofdzaak via papieren documenten gebeurd. Inmiddels zijn de Groene kaart en het register als elektronisch bestand samengesteld. Tevens is de Groene Kaart 2012 op papier beschikbaar als kopie van het elektronische bestand.

De Groene Kaart 2012 en bijbehorend register bevat de beschermde solitaire bomen en andere houtopstanden, de beschermde boomstructuren en boomgebieden. Zodoende blijft de onder de werking van de Bomenverordening 2012 samengestelde Groene Kaart bindend voor de rechthebbenden, belanghebbenden en maatschappelijke organisaties. Het college zal aan de hand van de in artikel 2.4.1.1, lid 4, gegeven bevoegdheid een houtopstand toe te voegen of af te voeren van de Groene Kaart en de in artikel 7.3.1.2 van de Verordening fysieke leefomgeving toegekende bevoegdheid, door het stellen van nadere regels, de Groene Kaart en het register beheren en voor de rechthebbenden, belanghebbenden en betrokkenen elektronisch beschikbaar te stellen. Het toevoegen of afvoeren van houtopstanden van de Groene Kaart gebeurt volgens procedure en behandelingsvoorschriften die in de Nadere regels zullen worden opgenomen. Rechthebbenden en belanghebbenden worden over de voorgenomen besluiten tot toevoegen en afvoeren geïnformeerd en kunnen zienswijzen indienen. Het definitieve besluit is een beschikking en staat open voor bezwaar en beroep. De Bomenverordening gaat over bomen, die in de verordening vaak houtopstanden worden genoemd. In de begripsbepalingen van de verordening is aangegeven welk samenhangend verband er is tussen boom, houtopstand, solitaire houtopstand en beschermde houtopstand.

Verordening fysieke leefomgeving t.o.v. Bomenverordening 2012 In deze verordening is het stelsel van de Bomenverordening 2012 verduidelijkt. Het stelsel bestaat uit volgende onderdelen: A. aanwijzen van beschermde houtopstanden en samenstellen van de Groene Kaart met bijbehorende register;

5

B. het vergunningstelsel voor het verlenen of weigeren van een aanvraag kapvergunning van een beschermde houtopstand, of van een houtopstand in de openbare ruimte die een stamomtrek heeft van meer dan 45 cm.; C. de compensatieplicht, opgelegd bij vergunningverlening waarbij ter plekke aan-/verplant dient plaats te vinden, mocht dit niet mogelijk zijn dan dient storting in het Bomenfonds worden gedaan; D. de mededelingsplicht van de rechthebbende van de beschermde houtopstand over mogelijk bedreigende of gevaarzettende situaties of handelingen; E. handhavingsmaatregelen (last onder bestuursdwang of dwangsom) en opleggen compensatieplicht bij illegale kap of houtopstand bedreigende handelingen. Cruciaal voor de toepassing van de verordening is de redengeving voor de aanwijzing als beschermde houtopstand en het gebruik daarvan bij de behandeling van de vergunningaanvraag, en het beoordelen of de aanvraag moet worden geweigerd of voor verlening onder te stellen voorschriften en beperkingen in aanmerking komt. De redenen die aanleiding kunnen geven voor de aanwijzing als beschermde houtopstand en opname op de Groene Kaart zijn uitdrukkelijk opgenomen in artikel 2.4.1.2, lid 4, en kunnen één of meer van de volgende waarden betreffen: a. b. c. d. e. f.

natuur- en milieuwaarden; landschappelijke waarden; cultuurhistorische waarden; waarden van stadsschoon; waarden voor recreatie en leefbaarheid; waarde voor de groene structuur van de stad.

Deze redengevende waarden moeten op grond van de artikel 3.6.1.5, lid 2 en artikel 3.6.1.6, lid 1 getoetst worden bij de behandeling van de vergunningaanvraag en vormen de motivering van de aanwijzing als beschermde houtopstand op de Groene Kaart en opname in het register. Zowel bij besluiten over bescherming van houtopstanden als bij de behandeling van de vergunningaanvraag worden deze waarden getoetst aan en afgewogen met het maatschappelijk belang van de rechthebbende, de verzoeker of de aanvrager. Bij de behandeling van een kapvergunning aanvraag betreffende een beschermde houtopstand, wordt bij de verlening of de weigering nagegaan welk door de aanvrager aangegeven maatschappelijk belang het instandhouden van de houtopstand of boom al dan niet overstijgt. Bij die belangeninventarisatie en afweging moeten de waarden aan de orde komen die in de redengeving voor de aanwijzing als beschermde houtopstand en voor opname op de Groene Kaart zijn genoemd. Buiten de categorie aangewezen beschermde houtopstanden op de Groene Kaart, zijn er bomen in het openbaar gebied die door natuurlijke omstandigheden een stamomtrek bereiken van 45 cm of meer. Deze bomen in het openbaar gebied worden bij het bereiken van die stamomtrek vergunningplichtig op grond van artikel 3.6.1.3, lid 2 van de verordening.

Bij de behandeling van de vergunningaanvraag worden de in artikel 2.4.1.2, lid 4 genoemde waarden getoetst aan en afgewogen met het maatschappelijk belang van de rechthebbende en de vergunningaanvrager op grond van art. 3.6.1.5, lid 2 onder b.)

6

Uitvoeren van de herplantregeling Met het vergunningenstelsel in deze verordening wordt gestreefd naar herplant indien mogelijk, of anders naar compensatie in de Groene Hoofdstructuur, als uitvloeisel van een voorgeschreven storting in het Bomenfonds. Algemene toelichting Erfgoedverordening De Erfgoedverordening wordt vernieuwd vanwege de invoering van de nieuwe Erfgoedwet, per 1 juli 2016. De Erfgoedwet vervangt en integreert verschillende wettelijke regelingen op het gebied van het cultureel erfgoed. Naast de Erfgoedwet wordt besluitvorming over cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving op termijn geregeld via de Omgevingswet. De Erfgoedwet anticipeert op de invoering van de Omgevingswet door overgangsrecht als gevolg waarvan delen van de Monumentenwet 1988 van kracht blijven, tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Daarom is deze verordening zowel gebaseerd op de Erfgoedwet als op de Monumentenwet 1988. Artikel 3.16 van de Erfgoedwet is de grondslag voor deze verordening. Hierin wordt namelijk geregeld dat de gemeenteraad een erfgoedverordening kan instellen. De Erfgoedwet geeft aan dat deze verordening ziet op het beheer en behoud van cultureel erfgoed binnen de desbetreffende gemeente, dat van bijzonder belang is voor die gemeente vanwege de cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis.

Het college houdt een gemeentelijk erfgoedregister van het aangewezen cultureel erfgoed bij. Deze Erfgoedverordening gaat in hoofdzaak om de bescherming van het lokale, gemeentelijke erfgoed. Voor de beschermde rijksmonumenten is in deze verordening alleen artikel 6.2.3.2 van toepassing. Hierin wordt namelijk het advies van de lokale Welstands- en Monumentencommissie geregeld, in het kader van een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een beschermd rijksmonument. Voor het overige verwijzen we naar de Erfgoedwet (en op voet van het overgangsrecht in de Erfgoedwet nog enkele artikelen uit de Monumentenwet) en naar de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Voor beschermde rijksmonumenten is het toetsingskader voor het verlenen van de omgevingsvergunning opgenomen in artikel 2.15 van de Wabo, niet in de Erfgoedwet. Voor het erfgoed dat op rijksniveau is beschermd (rijksmonumenten, rijks-beschermde stadsgezichten of rijks-cultuurgoederen en verzamelingen) verwijzen we dus naar landelijke wetgeving. Uiteraard bevindt het rijks-beschermde erfgoed zich ook in Leiden. Zo heeft Leiden anno 2017 ruim 1350 beschermde rijksmonumenten (waaronder ook enkele beschermde archeologische rijksmonumenten) en twee rijks-beschermde stadsgezichten (Leiden Binnen de Singels en de Zuidelijke Schil). Deze Erfgoedverordening maakt op hoofdlijn het volgende mogelijk: 1.

de instelling van een gemeentelijk erfgoedregister; 2. de aanwijzing van beschermde gemeentelijke (ook archeologische) monumenten; 3. de aanwijzing van beschermde gemeentelijke beschermde stadsgezichten; 4. de bescherming van – en de vergunningplicht voor de wijziging van – gemeentelijke monumenten; 5. de adviescommissie voor de wijziging – in het kader van de omgevingsvergunning – van beschermde rijksmonumenten; 6. de aanwijzing van beschermde gemeentelijke (roerende) cultuurgoederen en verzamelingen. Leiden heeft anno 2017 ruim 1500 gemeentelijke (onroerende) monumenten, maar geen gemeentelijke beschermde stadsgezichten en geen beschermde gemeentelijke (roerende) cultuurgoederen. Deze verordening biedt daartoe slechts de mogelijkheid. In aansluiting op de nieuwe Erfgoedwet (2016) en de modelverordening van de VNG wordt een brede Erfgoedverordening voorgesteld, waarin conform landelijk beleid ook de begrippen beschermde gemeentelijke cultuurgoederen en verzamelingen (van roerende zaken) zijn opgenomen. Daarbij moet worden

7

opgemerkt dat beschermde cultuurgoederen geen monumenten zijn. Een beschermd gemeentelijk monument is altijd onroerend en kan bijvoorbeeld een huis, kerk, school of park zijn (dit is geen uitputtende lijst), maar ook een beschermd gemeentelijk archeologisch monument. Deze verordening ziet wat betreft de archeologie alleen op de aanwijzing en bescherming van gemeentelijke archeologische monumenten, niet op het geheel van de archeologie. Dit wordt namelijk geregeld in de ruimtelijke ordening en is opgenomen in het bestemmingsplan (straks omgevingsplan). Hierin staan voor heel Leiden de bepalingen opgenomen ten aanzien van de eventuele verstoring van archeologische verwachtingen en waarden in de bodem. Toekomstige Omgevingswet De toekomstige Omgevingswet gaat het een en ander veranderen, ook voor het lokale, gemeentelijke, onroerende erfgoed. Besluitvorming over (de omgang met) cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving wordt op termijn geregeld via de toekomstige Omgevingswet. Bij de invoering van de nieuwe Omgevingswet zal deze Erfgoedverordening dus opnieuw moeten worden herzien. Algemene toelichting Huisvestingsverordening Uitgangspunten Huisvestingswet 2014 Algemeen De Huisvestingswet 2014 (hierna: wet) biedt gemeenten het (uitputtende) instrumentarium in te grijpen in: A. de verdeling van woonruimte en B. de samenstelling van de woonruimtevoorraad.

Gebruikmaken van dit instrumentarium – door een Huisvestingsverordening vast te stellen – is niet vanzelfsprekend en dient periodiek onderbouwd en getoetst te worden. De wet stelt derhalve dat de verordening voor maximaal 4 jaren kan gelden. Het instrumentarium bestaat uit het vaststellen van een Huisvestingsverordening, die regels bevat met betrekking tot het onderdeel: A. de verdeling van woonruimte: het in gebruik geven en nemen van goedkope woonruimte en/of het onderdeel: B. de samenstelling van de woonruimtevoorraad: wijzigen van de samenstelling van de woningvoorraad. Het uitgangspunt van de wet is de vrijheid van vestiging. Iedereen die rechtmatig in Nederland verblijft, heeft het recht om zich vrijelijk te verplaatsen en te vestigen. Dit grondrecht kan alleen worden beperkt indien noodzakelijk voor het algemeen belang in een democratische samenleving. Dat belang kan volgens de wet gelegen zijn in het tegengaan van de onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste aan goedkope woonruimte. Als hier aantoonbaar sprake van is – en als het instrumentarium van de wet geschikt en proportioneel is om die effecten te bestrijden – kunnen gemeenten verdelingsregels stellen.

De schaarste kan betrekking hebben op schaarste aan goedkope woonruimte in het algemeen, schaarste aan woonruimte met specifieke voorzieningen of schaarste aan woonruimte voor de huidige inwoners van een gemeente. Het bestaan van schaarste op zich is onvoldoende reden om van de wet gebruik te maken: er moet tevens sprake zijn van verdringing van kwetsbare groepen, als gevolg van die schaarste. Teneinde de rechten van woningzoekenden niet onnodig te beperken, dient ingrijpen beperkt te blijven tot die delen van de woningmarkt waar de onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste zich voordoen.

8

Sturing in de woonruimteverdeling: Holland Rijnland Sturing in de woonruimteverdeling beperkt zich tot de goedkope woonruimtevoorraad die bestemd is voor verhuur. De vaste huurprijsgrens is vervallen; de gemeente wijst zelf de schaarse, goedkope voorraad aan en maakt deze daarmee vergunningplichtig. Woonruimteverdeling op basis van de wet gebeurt dus aan de hand van een vergunningensysteem. Bemoeienis van de gemeente met de verdeling van woonruimte boven de in de verordening genoemde prijsgrens is uitgesloten. Dit onderdeel van de Huisvestingsverordening die de huisvestingsvergunning betreft is in Holland Rijnland verband voorbereid en vastgesteld. Sturing in de samenstelling van de woonruimtevoorraad: Leiden Het andere onderdeel van de Huisvestingswet 2014 betreft het wijzigen van de samenstelling van de woonruimtevoorraad. Het vergunningstelsel voor wijzigingen in de woonruimtevoorraad door onttrekking, samenvoeging en omzetting is dit onderdeel van de Huisvestingsverordening opgenomen. De wet biedt de mogelijkheid om onttrekking, samenvoeging, omzetting en woningvorming dan wel splitsing van aangewezen categorieën woonruimte vergunningplichtig te maken. Dit moet gericht zijn op het voorkomen van schaarste van de woningvoorraad.

Dit is niet noodzakelijkerwijs dezelfde woonruimtevoorraad als bij de woonruimteverdeling en kan van toepassing zijn op zowel de goedkope huur- als koopvoorraad. In Leiden zien we dat het aanbod van woningen achterblijft bij de vraag. In de bijlage “Toelichting schaarste woningen in Leiden” is de schaarste aan woningen in Leiden onderbouwd. Ook is aangegeven waarom toepassing van een huisvestingsverordening noodzakelijk is. Daarom blijft een vergunning verplicht voor het onttrekken van woonruimte aan de woonbestemming, het samenvoegen van woonruimte en het omzetten van zelfstandige woonruimte in onzelfstandige woonruimte. Ook het splitsen van een zelfstandige woonruimte in meerdere zelfstandig woonruimten is vergunningplichtig. Naast het onttrekken van zelfstandige woonruimte ten behoeve van onzelfstandige woonruimten ziet de raad ook een groei van het aantal woningen dat wordt omgebouwd naar meerdere kleine zelfstandige woonruimten. Dit geeft ook een vorm van verdichting die de leefbaarheid van een buurt onder druk kan zetten. Daarom heeft de raad eerderbesloten ook hiervoor een vergunningplicht in te stellen (de woningvormingsvergunning) en beleidsregels op te stellen.

Doel van een woningvormingsvergunning is dat het college kan beoordelen of de omzetting van een enkele zelfstandige woonruimte naar meerdere kleine woonruimten niet leidt tot aantasting van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de straat. Anderzijds is er een duidelijke ontwikkeling gaande waarbij meer behoefte is aan kleinere zelfstandige woonruimten. Het ombouwen van een enkele woning naar meerdere kleine woonruimten wil de raad niet te veel beperken of onnodig ingewikkeld maken. Met deze regelgeving wordt een onderscheid gemaakt in zelfstandige woonruimten met een oppervlakte die voor een andere doelgroep bedoeld zijn dan kamerbewoners en hele kleine zelfstandige woonruimten die voor de doelgroep van kamerbewoners bedoeld zijn. Om deze reden is ervoor gekozen alleen een woningvormingsvergunning in te voeren voor zelfstandige woonruimten die kleiner zijn dan 40 m² gebruiksoppervlakte. Daarom moet een vergunning aangevraagd worden als minimaal één van de nieuw te vormen zelfstandige woonruimten kleiner is dan 40 m² gebruiksoppervlakte. Een vergunning wordt verleend, tenzij het belang van behoud of samenstelling van de woonruimtevoorraad groter is dan het met de vergunning gediende belang. Naast schaarste kan een dergelijk belang ook liggen in een onaanvaardbare inbreuk op een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de omgeving van het betreffende pand.

Hier spelen leefbaarheidsoverwegingen een grote rol.

9

Artikel 25 uit de Huisvestingswet geeft aan dat burgemeester en wethouders op de aanvraag om een vergunning, binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag beslissen. Burgemeester en wethouders kunnen deze termijn eenmaal verlengen met ten hoogste zes weken. Onder omstandigheden kan het zijn dat er naast een vergunning als bedoeld in deze verordening ook een omgevingsvergunning noodzakelijk is. Dit kan bijvoorbeeld zijn als er een brandscheiding wordt aangebracht of als er sprake is van een (beoogd) gebruik dat strijdig is met de bestemming zoals opgenomen in het vigerende bestemmingsplan. Algemene toelichting Leidingenverordening Het transport via ondergrondse leidingen heeft de afgelopen decennia een hoge vlucht genomen. De relatief lage transportkosten en aanzienlijke voordelen ten opzichte van de overige vervoersmodaliteiten hebben ertoe geleid dat veel bedrijven hebben geïnvesteerd in het ondergrondse transport. Op het grondgebied van de gemeente Leiden is dan ook een uitgebreid netwerk aan ondergrondse leidingen (kabels en buizen) ontstaan. Via dit netwerk vindt niet alleen de levering van drinkwater plaats, maar ook grotendeels van energie en telecommunicatie. Juridische basis Het leggen, houden en verwijderen van leidingen in openbare ruimten en infrastructurele voorzieningen wordt nu publiekrechtelijk vergund.

De voorliggende Leidingenverordening, is gebaseerd op de artikelen 149, 154 en 156 van de Gemeentewet. Voor het leggen en houden van telecomkabels is de Telecommunicatieverordening gemeente Leiden beschikbaar. Kernartikel van de Leidingenverordening is artikel 4: het is verboden in de openbare ruimte een leiding aan te leggen, te houden, te onderhouden en te verwijderen zonder een vergunning van het college. Kernpunten van de Leidingenverordening en de daaraan gekoppelde vergunningen zijn: • te stellen eisen aan ordening en allocatie van leidingen; • te stellen eisen aan wijzigingen van leidingentracé’s en verwijdering van leidingen. De Leidingenverordening geeft het college de bevoegdheid om nadere regels te stellen ter uitvoering van de Leidingenverordening. Deze nadere regels zullen als beleidsregels worden neergelegd in het Handboek Leidingen en voornamelijk eisen behelzen waaraan bijvoorbeeld een aanvraag moet voldoen. Deze opzet is gekozen om het college in staat te stellen flexibel te reageren op nieuwe ontwikkelingen. In sommige gevallen zullen behalve een vergunning op basis van deze Leidingenverordening ook vergunningen op grond van andere wettelijke regelingen nodig zijn. Zo laat de Leidingenverordening de afgifte van eventuele milieu- en omgevingsvergunningen onverlet.

Ook kunnen vergunningen van andere dan de gemeentelijke organisatie nodig zijn, zoals vergunningen van waterschappen etcetera. Toepassingsbereik De Leidingenverordening is van toepassing op alle leidingen die zich bevinden in de openbare ruimte en in of op voor leidingen bestemde infrastructurele voorzieningen binnen de gemeente Leiden. De kabels en leidingen welke buiten het toepassingsbereik van de Leidingenverordening vallen zijn: • kabels als bedoeld in de Telecommunicatiewet; • bovengrondse hoogspanningskabels; • leidingen die onderdeel zijn van een inrichting als bedoeld in de Wet milieubeheer;

10

• leidingen die deel uitmaken van drukapparatuur als bedoeld in het Warenwetbesluit drukapparatuur. Het begrip “openbare ruimte” moet breed worden opgevat en bevat in beginsel alle ruimten die al dan niet met enige beperking algemeen toegankelijk zijn. Bestuurlijke, administratieve lasten Zoals uiteengezet hebben leidingexploitanten ook nu een vergunning nodig voor het leggen, houden en verwijderen van leidingen. De voorgestelde Leidingenverordening beoogt voor het vergunnen van deze leidingen een solide grondslag te creëren. De invoering van de Leidingenverordening brengt dan ook geen verzwaring van de bestuurlijke en/of administratieve lasten mee, noch voor de gemeente noch voor de leidingexploitanten. Toezicht / Handhaving Wat over de bestuurlijke, administratieve lasten is gezegd, geldt ook voor het toezicht / de handhaving. Ook nu wordt op het leggen, hebben en exploiteren van leidingen toezicht gehouden. Het toezicht op de naleving van de op basis van de Leidingenverordening vergunde leidingen is in handen van de hiertoe benoemde toezichthouders, de ogen en oren van het college.

Uitvoering en mandatering De uitvoering van de Leidingenverordening wordt opgedragen aan de: • Algemeen directeur als eerste functionaris; • Afdelingsmanager Service & Informatie als tweede functionaris; en • Teamleider Ondernemen, Wonen & Recreëren + Unitleider Parkeren, Markt en Water als derde functionaris. Deze functionarissen zullen in naam en onder verantwoordelijkheid van het college de vergunningverlening ter hand nemen (mandaat). Advisering De concept Leidingenverordening is inclusief concept toelichting voor advies gezonden aan de partijen die met de Leidingenverordening te maken zullen krijgen. Adviezen zijn ontvangen van: de Energiekamer van de Nederlandse Mededingingsautoriteit, Liander N.V.,Milieudienst West-Holland, N.V. Duinwaterbedrijf Zuid-Holland / Dunea, N.V. Nederlandse Gasunie, n.v. Nuon Warmte en TenneT TSO B.V. Algemene toelichting Marktverordening Grondslag en belang verordening In artikel 147, eerste lid, van de Gemeentewet is bepaald dat gemeentelijke verordeningen door de raad worden vastgesteld voor zover de bevoegdheid daartoe niet bij de wet of door de raad krachtens de wet aan het college of de burgemeester is toegekend. Ingevolge artikel 149 van de Gemeentewet maakt de raad de verordeningen die hij in het belang van de gemeente nodig acht.

Sinds de inwerkingtreding van de Wet dualisering gemeentebestuur (2002) zijn in de gemeente de bevoegdheden van de raad en het college ontvlecht. In het kader van de ontvlechting van raad en college zijn de bestuursbevoegdheden van de Gemeentewet geconcentreerd bij het college en zijn de kaderstellende en controlerende bevoegdheden aan de raad versterkt. Artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet regelt de overheveling van de gemeentewettelijke bestuursbevoegdheden aan het college. Hieronder valt de bevoegdheid om jaarmarkten of gewone markdagen in te stellen, af te schaffen of te veranderen.

11

De marktverordening beoogt de gemeentelijke belangen te beschermen. Het gaat hier om belangen van openbare orde, zedelijkheid en gezondheid, beperking van overlast, regulering van het woon- en leefklimaat en de (verkeers-)veiligheid binnen de gemeente. Belangrijkste wijziging ten opzichte van oude modellen Inrichtingsplannen De bevoegdheid van het college om de inrichting van de markt te bepalen en om nadere regels te stellen zijn omgevormd naar een plicht om per markt een inrichtingsplan vast te stellen. Een inrichtingsplan is geheel op de betrokken markt toegesneden. Er kunnen uiteraard ook regels worden opgesteld, die voor alle markten in de gemeente van toepassing zijn. Verzetten van marktdagen In deze verordening is het bepalen van de dag, tijd en plaats van de markt verdwenen, aangezien het instellen van de markt sinds de dualisering van het gemeentebestuur aan het college is voorbehouden. Uiteraard blijven bij eventuele verzette marktdagen de regels van de Marktverordening onverkort van kracht. Het college kan aanvullende bepalingen regels via het instellingsbesluit (op grond van artikel 1). Instellen marktcommissie Het instellen van een marktcommissie is een collegebevoegdheid geworden en dient desgewenst op grond van artikel 84 van de Gemeentewet ingesteld te worden.

Bij de samenstelling kan gedacht worden aan een vertegenwoordiging van de standplaatshouders, de Centrale Vereniging voor Ambulante Handel (hierna: CVAH), de lokale middenstand en consumenten, evenals de verantwoordelijke wethouder, de marktmeester en bijvoorbeeld de marktkramenexploitant. De marktcommissie kan eventueel worden bijgestaan door een ambtelijk secretaris. De leden kunnen verkozen worden, maar ook aangewezen worden door het college, eventueel voor een deel. Het takenpakket kan zo algemeen zijn als het college gevraagd en ongevraagd van advies voorzien over marktaangelegenheden, of zo specifiek als het adviseren over de instelling, wijziging of opheffing van markten, over het vaststellen, wijzigen of intrekken van de marktverordening en inrichtingsplannen, over het creëren van een verantwoord evenwicht tussen de warenmarkt, winkeliers en consumenten, of zelf het adviseren over vergunningaanvragen. Bovenstaande moet worden geregeld in een reglement dat eveneens moet worden opgesteld bij het instellen van een marktcommissie. Bescherming milieu Eventuele eisen die worden gesteld aan afval, geur, kook- en bakinstallaties worden opgenomen in het inrichtingsplan per markt en worden tevens in de voorschriften bij de vergunning opgenomen.

Voorts zijn de eisen die kunnen worden gesteld aan kook- en bakinstallaties reeds geregeld in hogere wetgeving zoals bijvoorbeeld de Omgevingswet, onderdeel Milieubeheer. Overdraagbaarheid van een vergunning voor een vaste standplaats Landelijk is het CVAH van mening dat vergunningen voor een vaste standplaats vrij overdraagbaar zouden moeten zijn. Vanuit Leiden wordt dit niet gesteund, gelet op het risico dat de vergunningen een ‘economische waarde’ gaan vertegenwoordigen, geld waard worden en daarmee een handel in vergunning kan ontstaan. Dit geeft mogelijk onwenselijke bijkomstigheden en consequenties in relatie tot de anciënniteitslijst en de meeloperslijst die thans in Leiden worden gehanteerd. Daarom is ervoor gekozen om in deze verordening vast te houden aan een systeem waarbij overdraagbaarheid aan zekere eisen is onderworpen (artikel 7). Algemene toelichting Rioolverordening Aanleiding Met de invoering van het bouwbesluit 2012 is in combinatie met de wet Milieubeheer, de Waterwet, de lozingsbesluiten en de normering NEN 3215 een samenhangend geheel van regels ontstaan voor aansluiten en lozingen. Een gemeentelijke aansluitverordening is daarmee overbodig. Het is echter

12

wel noodzakelijk de verplichtingen van gemeente en rechthebbenden ten aanzien van beheer en onderhoud eenduidig te regelen. De basis van het beleid blijft het uitgangspunt, dat de rechthebbende verantwoordelijk is voor het goed functioneren van de aansluitleiding. Wijze van totstandkoming van de Rioolverordening Leiden 2015 De Rioolverordening Leiden 2015 is tot stand gekomen in het kader van de samenwerking in de afvalwaterketen binnen het cluster Leidse Regio. In dit cluster werken de gemeenten Leiden, Leiderdorp, Zoeterwoude, Oegstgeest en Voorschoten samen met het hoogheemraadschap van Rijnland aan optimalisatie van kennis, kwaliteit en kosten op het gebied van afvalwater. Een onderwerp waar samenwerking op gezocht en gevonden wordt is afstemmen van beleid. Het is in dit kader de bedoeling dat elk van de gemeenten deze verordening vaststelt. Bij het opstellen van de verordening is gebruik gemaakt van voorbeeldverordeningen en documentatie van RIONED, bijvoorbeeld Module A2000 Juridische Aspecten Algemeen en Module A2100 Aansluiten en Lozen.

13

Artikelsgewijze toelichting Omdat voor de Verordening fysieke leefomgeving de artikelen uit de verordeningen die er in opgaan zijn herschreven, is voor deze artikelen de oorspronkelijke toelichting opgenomen. De nummering is hierbij aangepast naar die van de Verordening fysieke leefomgeving. Voor de artikelen die geheel nieuw zijn is een nieuwe toelichting geschreven. Dit betreft hoofdstuk 1 en enkele artikelen uit hoofdstuk 7. Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 Begripsbepalingen Voor de Verordening fysieke leefomgeving is een begrippenlijst opgesteld die bestaat uit de begrippen van de verordening die hierin op zijn gegaan. Hierbij is kritisch gekeken naar welke begrippen noodzakelijk zijn, enkele begrippen die slechts één keer of helemaal niet voorkomen zijn uit deze lijst geschrapt. De definities zijn zo veel mogelijk onveranderd gebleven. Artikel 1.2 Toepassingsbereik Dit artikel is overgenomen vanuit de Omgevingswet. Vanuit de Marktverordening is aan artikel 1.2 het volgende toegevoegd: De Model Marktverordening 2013 is van toepassing op markten die door het college zijn ingesteld krachtens artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet, voor zover het warenmarkten zijn en deze met enige regelmaat plaatsvinden; bijvoorbeeld dagelijks, wekelijks, op de zoveelste van de maand, en dergelijke.

Ook als zo’n markt alleen gedurende een deel van het jaar wordt gehouden, bijvoorbeeld alleen in de het voorjaar en de zomer. Ook kan het college in het instellingsbesluit bepalen dat de markt tijdelijk op een andere dag, een andere tijd of een andere plaats zal plaatsvinden. Voorts is het college via een instellingsbesluit bevoegd te bepalen dat de markt tijdelijk zal plaatsvinden op een andere dag, dan wel de markt te laten vervallen, indien de marktdag samenvalt met één van de in de Winkeltijdenwet genoemde feestdagen. Op Nieuwjaarsdag, eerste en tweede Paasdag, op de dag waarop de verjaardag van de koning wordt gevierd, Hemelvaartsdag, eerste en tweede Pinsterdag en op eerste en tweede Kerstdag wordt in ieder geval géén markt gehouden. Sommige markten kunnen uitdrukkelijk worden uitgezonderd van de werking van deze verordening. Als een markt zoals de vrijmarkt op de Koningsdag, braderieën, en dergelijke wel door college is ingesteld, maar het niet de bedoeling is dat die ook onder de marktverordening valt, zal ze in de tweede volzin van artikel 1 uitdrukkelijk moeten worden uitgezonderd. In het Instelingsbesluit Markten zijn de volgende reguliere markten opgenomen: • a. dinsdag in of bij het winkelcentrum ‘Vijf Meiplein’ in de Gasthuiswijk; • b.

woensdag in het gebied rond het water van de Nieuwe Rijn tussen Karnemelksbrug / Gangetje en Waaghoofdbrug inclusief de Karnemelksbrug, het Gangetje en de Koornbrugsteeg; • c. donderdag in of bij het winkelcentrum ‘De Stevensbloem’ in het Stevenshofdistrict; • d. vrijdag in of bij het winkelcentrum ‘de Kopermolen’ in Merenwijk-Centrum; • e. zaterdag in het gebied rond het water van de Nieuwe Rijn tussen Karnemelksbrug / Gangetje en Waaghoofdbrug inclusief de Karnemelksbrug, het Gangetje en de Koornbrugsteeg. Artikel 1.3 Doel van deze verordening Dit artikel is overgenomen vanuit de Omgevingswet. Artikel 1.4 Wijze van meten Lid 1 is overgenomen vanuit het bestemmingsplan ‘Binnenstad’, vastgesteld 17 oktober 2019.

14

Lid 2 is afkomstig van artikel 14 van de Bomenverordening 2015. Artikel 1.5 Meest recente versie In artikel 10.6 uit de Bouwverordening was opgenomen dat wanneer de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere voorschriften worden gewijzigd of vervangen, het bevoegd gezag hiermee rekening kan houden en de nieuwe versie daarvan kan toepassen. Omdat in de Verordening fysieke leefomgeving wordt verwezen naar meerdere andere documenten die kunnen worden gewijzigd of vervangen, zoals de provinciale omgevingsverordening, is dit artikel opgenomen. Hoofdstuk 2 Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving Artikel 2.1.2.2 Inrichtingsplan Het inrichtingsplan Het inrichtingsplan is een nieuw, belangrijk beleidsstuk, waarmee de wijze van functioneren van elke afzonderlijke markt voor het grootste deel wordt bepaald. De kern van het inrichtingsplan wordt gevormd door de kaart, waarop te zien is welke delen van de markt bestemd zijn voor welke marktactiviteiten. Dat kan gebeuren door afzonderlijke plaatsen in te tekenen of door te werken met ‘gebieden’, waarvan de concrete indeling afhangt van de plaatsruimte die diverse vergunninghouders nodig hebben. Het ligt voor de hand hiervoor de techniek van bestemmingsplankaarten toe te passen: verschillende kleuren voor verschillende ‘bestemmingen’, waar nodig gebruik van verbijzonderende aanduidingen (letters, cijfers, symbolen).

Een reservering voor bepaalde branches of artikelgroepen (hierna: ‘groepen’) kan in diverse variaties; bijvoorbeeld afzonderlijke groepen of combinaties van groepen (‘dubbelbestemmingen’); daarvoor plaatsen of gebieden reserveren of werken met minimumof maximumgetallen of -percentages; eventueel kan afwijking mogelijk worden gemaakt binnen bepaalde grenzen. Bij artikel 3, lid 1 sub a kan ook worden verwezen naar het instellingsbesluit dat is vastgesteld op grond van artikel 1. Nadere regels omtrent bijvoorbeeld verlichting, energie, afval, koken, bakken, verwarmen, geluidsapparatuur, geur, uitstallingen, reclame en parasols kunnen ook worden opgenomen in het inrichtingsplan. In het derde lid is geregeld dat voor standplaatsen die overeenkomstig het inrichtingsplan zijn bestemd voor vergunninghouders van een vaste standplaats, een vergunning voor een dagplaats kan worden afgegeven als deze plekken niet tijdig zijn ingenomen. De invulling van deze bepaling zal afgestemd moeten worden met de invulling van artikel 12, vierde lid, van de marktverordening. Het vierde lid bepaalt dat het inrichtingsplan gedurende markttijd bij de markt aanwezig en in te zien dient te zijn. De vorm waarop dit beschikbaar is is vrij te bepalen; dit kan zowel digitaal als op papier.

Het kan verder handig zijn om daarnaast aan de marktkooplieden een overzicht van de (belangrijkste) regels uit de marktverordening te overhandigen. Branchering De mogelijkheid tot het nemen van branchebesluiten – en branchering in het algemeen – wordt door aangemoedigd en sommigen maken er bezwaar tegen. Uit jurisprudentie blijkt dat de Nederlandse bestuursrechter branchering op de markt te rechtvaardigen acht, in ieder geval als het ten doel heeft het waarborgen van een aantrekkelijke en goedlopende markt en het geen verderstrekkende beperkingen behelst dan daarvoor noodzakelijk zijn. In Leiden zijn er tot op heden geen zwaarwegende argumenten om op een van de markten branchering in te voeren. Om de mogelijkheid wel open te houden is lid 2, sub d, opgenomen. Jurisprudentie Zie de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rb. Rotterdam, LJN: BO6007. Ook bijvoorbeeld de voorzieningenrechter van de Rb. Maastricht heeft de bevoegdheid tot het vaststellen van een branchebesluit erkend (LJN: AN8555).

15

Handreiking ‘Veiligheid op de markt’ Bij het uitwerken van het inrichtingsplan is de handreiking ‘Veiligheid op de markt’ een belangrijke bron. De handreiking geeft richtlijnen voor iedereen die bij de organisatie van de markt is betrokken: gemeenten, marktmeesters, hulpverleningsdiensten en ambulante ondernemers. De handreiking brengt eerst de veiligheidsrisico’s in kaart. Vervolgens komen de toepasselijke regels aan bod en is er een praktisch overzicht opgenomen van de te treffen maatregelen. De inhoud is ontwikkeld in samenwerking met de CVAH, de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding, de Nederlandse Vereniging van gemeentelijke Marktbeheerders en de VNG. Artikel 2.1.2.3 Biologische markt De vraag naar biologische producten is bij consumenten stijgende. Er is vraag naar speciale en naar reguliere markten gericht op biologische producten. Met dit artikel wordt een dergelijke markt mogelijk gemaakt. Artikel 2.1.2.4 Lakenmarkt en 3 oktobermarkt Tijdens de Lakenfeesten en de viering van Leidens Ontzet worden sinds jaar en dag warenmarkten georganiseerd. In het verleden werden die aangemerkt als evenement. Echter door het reguliere karakter van die markten is het doelmatiger om deze op te nemen in de verordening en er een inrichtingsplan voor op te stellen.

Artikel 2.1.2.8 Mandaatverboden Inrichtingsplannen zijn van een zo centraal belang voor het ordenen van de markten dat ze door het college zelf behoren te worden vastgesteld. Voor vergunningen voor een vaste standplaats geldt dat het beslissen daarover nogal fraudegevoelig is; daarom is het verstandig daarover niet te laten beslissen door een ambtenaar (marktmeester) die geregeld met de betrokkenen in aanraking komt. De bevoegdheid tot het vaststellen van inrichtingsplannen is bij artikel 3 aan het college gedelegeerd. Het gaat daarbij dus niet om een gemandateerdebevoegdheid, wat overeenkomstig dit artikel verboden zou zijn. Artikel 2.3.1.1 Gemeentelijk erfgoedregister Het gemeentelijk erfgoedregister heeft betrekking op al het (beschermde) gemeentelijk aangewezen cultureel erfgoed als dat krachtens deze verordening is gebeurd. Het gaat om door het gemeentebestuur zelf aangewezen gemeentelijke monumenten, gemeentelijke stadsgezichten of cultuurgoederen. Daarnaast is in het tweede lid geregeld dat ook informatie over beschermde rijksmonumenten die in de gemeente zijn gelegen in het gemeentelijk erfgoedregister worden opgenomen. Op grond van de Erfgoedwet ontvangen burgemeester en wethouders deze informatie in afschrift van de minister bij de inschrijving in het rijksmonumentenregister.

Dit artikel geeft uitvoering aan de verplichting van artikel 3.16, derde lid, van de Erfgoedwet en is daarmee van toepassing op al het cultureel erfgoed, ongeacht of het om onroerende of roerende zaken gaat, dat is aangewezen op grond van deze verordening. Het woord “onherroepelijk” betekent hier dat tegen de aanwijzing geen beroep (of bezwaar) is ingesteld of dat het is afgewezen. Artikel 2.3.2.1 De aanwijzing tot beschermd gemeentelijk monument Lid 1 Aanwijzing beschermd gemeentelijk monument Dit artikel regelt de toekenning van de status van beschermd gemeentelijk monument aan een monument of archeologisch monument (een tuin en een park vallen binnen het begrip ‘monument’, natuurlandschap niet). De aanwijzing vergt een belangenafweging tussen het met de aanwijzing te dienen belang en de overige bij de aanwijzing betrokken belangen, waaronder planologische en/of economische belangen of het gebruik van het monument of archeologisch monument. Deze formulering is ontleend aan artikelen 3.1, eerste lid, en 3.16, tweede lid, van de Erfgoedwet. Burgemeester en wethouders hebben beleidsvrijheid bij de aanwijzing van een zaak of terrein als beschermd gemeentelijk monument. Er geldt bovendien niet zoiets als de voorheen gehanteerde

16

vijftigjarengrens voor monumenten. Bij de afweging van belangen die daarbij een rol spelen moeten ook de belangen van het gebruik ten opzichte van de te beschermen monumentale waarden uitdrukkelijk en gemotiveerd naar voren komen. Lid 4 Status monument Zaken of terreinen die al een status van beschermd rijksmonument of provinciaal monument hebben, komen niet voor aanwijzing als beschermd gemeentelijk monument in aanmerking. Artikel 2.3.2.2 Termijn advies en aanwijzingsbesluit Het besluit tot aanwijzing van een beschermd gemeentelijk monument is een bevoegdheid van het college. De adviescommissie is door het college ingesteld, op grond van het Reglement voor de Adviescommissie Cultuurhistorie Leiden. Dit artikel betreft de adviestermijn van de Adviescommissie Cultuurhistorie Leiden en de beslistermijn van het college. Wat betreft de termijn van 26 weken is aangesloten bij de termijn die gehanteerd wordt in de Erfgoedwet (artikel 3.2, derde lid). Artikel 2.3.2.3 Voorlopige aanwijzing bij spoed Deze verordening bevat geen automatische voorbescherming van een object of zaak in de procedure voor de monumentenstatus. Om een object of zaak onder de bescherming van deze verordening te plaatsen is een besluit tot aanwijzing (artikel 2.3.2.1) of een besluit tot voorlopige aanwijzing als beschermd gemeentelijk monument nodig. De voorlopige aanwijzing wordt in dit artikel 2.3.2.3 geregeld.

Dit artikel biedt burgemeester en wethouders de mogelijkheid om in spoedeisende gevallen snel tot een voorlopige aanwijzing over te gaan. Hierbij wordt niet vooraf een zienswijze van de zakelijk gerechtigden gevraagd en ook niet een advies van de Adviescommissie Cultuurhistorie Leiden. De bescherming van paragraaf 2 (hoofdstuk 2) van deze verordening geldt vanaf het moment dat belanghebbenden schriftelijk in kennis zijn gesteld van het besluit tot voorlopige aanwijzing. Net als tegen de normale aanwijzing (artikel 2.3.2.1) kan ook tegen deze voorlopige aanwijzing bezwaar worden ingediend. Een bezwaarschrift heeft geen opschortende werking en daarmee kan de voorlopige aanwijzing dus niet eenvoudig omzeild worden. Wanneer beoordeeld wordt dat tot definitieve aanwijzing zal worden overgegaan, wordt alsnog de normale procedure gevolgd. Dit betekent dat de zakelijk gerechtigde alsnog in de gelegenheid wordt gesteld om een zienswijze in te dienen, zoals bepaald in artikel 2.3.2.1, derde lid. Ook wordt de adviescommissie zoals bedoeld in artikel 6.2.1.1, eerste lid, alsnog ingeschakeld. Als de aanwijzing definitief wordt loopt de bescherming door. Als er uiteindelijk geen definitieve aanwijzing plaatsvindt, vervalt de bescherming. Artikel 2.3.2.4 Bekendmaking en registratie besluit tot aanwijzing is voor alle zakelijk gerechtigden van belang, niet alleen voor de eigenaar.

Zie ook artikel 1, onder a, onderdeel 1, jo. artikel 1, onder b, onderdeel 5, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Op een aanwijzingsbesluit is deze wet ook van toepassing. De registratie van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister is een louter administratieve verrichting en niet een besluit. Overigens zal van de aanwijzing ook inschrijving in het gemeentelijke beperkingenregister en in het kadaster plaatsvinden op grond van artikel 1, onder c en e, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Artikel 2.3.2.5 Wijziging van de aanwijzing

17

Dit artikel bepaalt dat op het wijzigen van een aanwijzing als beschermd gemeentelijk monument dezelfde procedure geldt als bij de aanwijzing daarvan, tenzij de wijziging van ondergeschikte betekenis is. Artikel 2.3.2.6 Intrekken van de aanwijzing Dit artikel bepaalt dat op het schrappen uit het register van een aanwijzing als beschermd gemeentelijk monument dezelfde procedure geldt als bij de aanwijzing daarvan. Voorts is hierin bepaald dat de aanwijzing als beschermd gemeentelijk monument vervalt zodra een monument is opgenomen in het rijksmonumentenregister of in een provinciaal erfgoedregister. Een monument is dus nooit gelijktijdig een gemeentelijk monument, provinciaal monument of rijksmonument. Artikel 2.3.3.1 Aanwijzing tot beschermd gemeentelijk stadsgezicht Bescherming van een individueel pand is soms niet afdoende, omdat het waardevolle nu juist is gelegen in het geheel / ensemble van met elkaar samenhangende delen. Dit artikel geeft de mogelijkheid aan de gemeenteraad om beschermde gemeentelijke stadsgezichten aan te wijzen. Voordat hiertoe wordt besloten, vraagt het college advies aan de Adviescommissie Cultuurhistorie Leiden, tenzij het een spoedeisend geval betreft. Gebieden die op grond van de Erfgoedwet dan wel een provinciale monumentenverordening zijn aangewezen als beschermd stadsgezicht kunnen niet door de gemeenteraad als zodanig worden aangewezen.

Artikel 2.3.3.2 Termijn advies en aanwijzingsbesluit en registratie in het erfgoedregister De termijn voor het inwinnen van advies en het aanwijzingsbesluit komt overeen met die voor het besluit tot het aanwijzen tot beschermd gemeentelijk monument. Beschermde gemeentelijke stadsgezichten worden geregistreerd in het gemeentelijk Erfgoedregister. Artikel 2.3.3.3 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijk stadsgezicht Dit artikel bepaalt dat bij wijziging (van niet-ondergeschikte aard) van een aanwijzing en bij intrekking van de status als beschermd gemeentelijk stadsgezicht dezelfde procedure geldt als bij de aanwijzing daarvan. Voorts is hier bepaald dat een aanwijzing vervalt zodra het stadsgezicht waarop de aanwijzing betrekking door de minister of een provincie wordt aangewezen als beschermd stadsgezicht. Bij een wijziging van ondergeschikte betekenis kan onder andere gedacht worden aan wijzigingen i.v.m. de verandering van bijvoorbeeld straatnamen of huisnummers. Artikel 2.3.3.4 Vaststellen beschermend bestemmingsplan Het rechtsgevolg van het aanwijzen van een beschermd gemeentelijk stadsgezicht is dat er door de gemeenteraad een ter bescherming van dat gebied strekkend bestemmingsplan moet worden vastgesteld. Dit bestemmingsplan moet dan de basis bieden voor het beschermen van de structuurbepalende delen van het gebied.

Deze delen worden benoemd in de beschrijving van het gemeentelijk stadsgezicht. Voor de vaststelling van dit bestemmingsplan kan een termijn worden gesteld bij de aanwijzing van het beschermd gemeentelijk stadsgezicht. Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd gemeentelijk stadsgezicht wordt bepaald of en in hoeverre geldende bestemmingsplannen als beschermend plan kunnen worden aangemerkt. Artikel 2.4.1.1 Aanwijzing beschermde houtopstand Het college stelt de Groene Kaart vast met bijbehorend register. De kaart hoort bij de Bomenverordening en bevat de volgende beschermde houtopstanden: 1. solitaire bomen; 2. boomstructuren en 3. boomgebieden.

18

De redenen die aanleiding kunnen geven voor de aanwijzing als beschermde houtopstand en opname op de Groene Kaart zijn opgenomen in artikel 2.4.1.2, lid 4 en kunnen één of meer van de volgende waarden betreffen: a. natuur- en milieuwaarden; b. landschappelijke waarden; c. cultuurhistorische waarden; d. waarden van stadsschoon; e. waarden voor recreatie en leefbaarheid; f. waarde voor de groene structuur van de stad. Hoofdstuk 3 Activiteiten in de fysieke leefomgeving Artikel 3.1.1.2 Vergunningplicht Het vergunningstelsel van de Omgevingswet gaat uit van ‘ja, mits’, in plaats van ‘nee, tenzij’. Met andere woorden, een activiteit is in principe toegestaan, mits aan de voorwaarden wordt voldaan. Een verleende vergunning is een voorbeeld van een dergelijke voorwaarde. Omdat de nadruk hiermee erg kan liggen op de toestemming, en niet op de vereiste vergunning, is dit artikel opgenomen. Met dit artikel wordt namelijk aangegeven dat activiteiten waarvoor een vergunningplicht geldt, niet mogen worden uitgevoerd zonder dat die vergunning daadwerkelijk is verleend. Met de algemene verbodsbepaling in dit artikel is bepaald dat activiteiten die krachtens deze verordening vergunningplichtig zijn, verboden zijn tenzij daarvoor een vergunning is verleend. Daarmee is voldoende geborgd dat burgers niet zonder vergunning een activiteit mogen uitvoeren.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9961499/1