CConstaterende datLeiden
Koppel je AI →
Document · PDF

200127 bijlage 3 Raadsvoorstel Vaststelling Integraal Huisvestingsplan voor Onderwijs 2020-2032 (herijking IHP 2019-2030)

Gemeenteraad 28 januari 2021, gemeente LeidenBij agendapunt: Bijlagen bij het raadsvoorstel4.592 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Integraal Huisvestingsplan voor het Onderwijs 2020-2032 (herijking van het IHP 2019-2030) Bijlage III van V

Memo Toelichting Financiële Paragraaf IHP 2020-2032

Vooraf Deze bijlage is bedoeld om meer inzicht te geven in de financiële aspecten van het voorzien in de onderwijshuisvesting in Leiden. Ingegaan wordt op hoe de investeringen in onderwijshuisvesting worden gedekt, met welke m²-prijzen er wordt gerekend om te komen tot het benodigd investeringsvolume per project en welke gemeentelijke (plan)kosten hierbij horen en tenslotte wordt aandacht besteed aan de samenhang tussen het verloop van de kapitaallasten van de bestaande onderwijsgebouwen en die van de nieuwe investeringen in het IHP. Algemene uitkering Gemeenten zijn bij wet verantwoordelijk voor het zorgdragen van adequate onderwijshuisvesting. Zijn ontvangen hiervoor middelen via de Algemene Uitkering van het gemeentefonds. De verdeling van deze middelen wordt bepaald op basis van bepaalde verdeelmaatstaven. Dit zijn variabelen die het uitgavenniveau onderwijshuisvesting van verschillende typen gemeenten verklaren. Er wordt hiermee dus geen specifiek onderwijshuisvestingbudget als zodanig vastgesteld. Er wordt alleen bepaald welk deel iedere gemeente van het totale gemeentefonds krijgt op basis van de bestedingen door vergelijkbare gemeenten. De middelen in de algemene uitkering zijn vrij besteedbaar, zolang gemeenten aan hun verantwoordelijkheid voor adequate huisvesting voldoen (zorgplicht).

Hieronder staat het deel van het gemeentefonds dat de gemeente Leiden ontvangt op basis van de verdeelmaatstaven voor onderwijshuisvesting: septembercirculaire 2020: Jaar

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Algemene uitkering (k€)

11.840

12.200

12.340

12.472

12.600

12.705

Opbouw investeringsvolume onderwijshuisvestingsproject Het benodigde investeringsvolume voor ieder onderwijshuisvestingsproject bestaat uit hoofdzakelijk twee delen: • kosten van de gekozen aanpak van het project door het schoolbestuur en/of de gemeente; • de daarbij behorende gemeentelijke (plan)kosten. Deze zaken samen maken het totaal benodigde investeringsvolume van een project compleet. Loslaten van de VNG-normvergoeding onderwijshuisvesting Al jaren spelen er landelijk discussies over de hoogte van de normvergoeding onderwijshuisvesting van het VNG. Deze normvergoeding blijkt in de praktijk te laag en is feitelijk al jarenlang niet in lijn met de feitelijke bouwkosten. Dat heeft ongetwijfeld te maken met het feit dat het om één landelijk bepaald normbedrag gaat welke per gemeente als gevolg van vaak heel verschillende omstandigheden in de werkelijkheid heel anders kan uitpakken. Een college heeft overigens de vrijheid om zelf in de verordening onderwijshuisvesting de normbedragen te bepalen op basis waarvan aanvragen van schoolbesturen voor krediet worden beoordeeld. Leiden houdt daarom sinds de crisis in de bouw (start 2008) jaarlijks de VNG-normbedragen voor bouwkosten goed in de gaten. In 2011 is daarom voor het eerst gekozen de VNG-normvergoeding voor bouwkosten los te laten.

Ook in de Leidse politiek is er veelvuldig over deze normvergoeding gesproken in de aanloop naar de vaststelling van het IHP 2019-2030 en ook nu rond de voorliggende herijking hiervan. In november 2020 heeft de VNG de normvergoeding in de modelverordening voor onderwijshuisvesting verhoogd met 9,6%, in verband met bouwbesluit-eisen voor BENG. Daarnaast volgt er een plus van 6,38% om de normbedragen te laten aansluiten bij de kostenontwikkeling. Beide

verhogen gaan in per 1 januari 2021. Het uitgangspunt van de verhoging van de normvergoeding door de VNG is, dat er door deze correctie weer gebouwd kan worden volgens de eisen die het bouwbesluit stelt aan nieuwe gebouwen. Indien vastgehouden wordt aan de nu geldende VNG-normvergoeding voor bouwkosten is de kans groot dat de geschiedenis zich herhaalt en de onderwijshuisvestingsprojecten uit dit IHP niet gerealiseerd kunnen worden, omdat met te lage bouwkosten is geregeld. Ondanks het feit dat de VNG in de normvergoeding nu wel rekening houdt met verduurzaming van schoolgebouwen liggen de werkelijke bouwkosten in de Randstad nog steeds hoger. Daarom gaat het college in dit IHP 20202032 wederom niet uit van de huidige normvergoeding, maar van een marktconforme prijs gebaseerd op de gemiddelde bouwkosten van recente projecten met betrekking tot de bouw van scholen op BENG-niveau. Marktconforme prijs (reguliere basisschool)

VNG-normvergoeding (reguliere basisschool)

€2998 per m² bvo

€2594 per m² bvo

Het meest recente voorbeeld van een nieuwbouwschool in Leiden is het VMBO aan de Boerhaavelaan. Deze is in oktober 2020 opgeleverd. Bij het realiseren van dit gebouw is al rekening gehouden met duurzaamheidseisen uit het nieuwe Bouwbesluit. De kosten per m² bvo bedroegen €2592. Bij indexatie naar dit jaar hebben we het over €2921 (indexering van 2018-2019 van 6,63% en indexering van 2019-2020 van 6,08%). De conclusie is dat de VNG-normvergoeding vanaf 1 januari 2021 nog geen marktconforme prijs betreft en dit IHP daarom niet uitgaat van de VNGnormvergoeding vanaf 1 januari 2021, maar van een marktconforme prijs van €3000 per m² bvo, zoals door adviesbureau ICS wordt geadviseerd. Opbouw prijs per m² bvo In dit IHP worden drie oplossingsrichtingen gehanteerd: lichte renovatie, vernieuwbouw en vervangende nieuwbouw. Onderstaande tabel geeft inzicht in de gehanteerde bekostigingssystematiek van deze drie oplossingsrichtingen. Oplossingsrichtingen

Kwaliteitsniveau

Levensduurverlenging

Investering per m² bvo

Lichte renovatie

Verbetering binnenklimaat /

25 jaar

€900,- /m² bvo (30% van nieuwbouw)

duurzaamheid Vernieuwbouw

BENG

40 jaar

€2.100,- /m² bvo (70% van nieuwbouw)

Vervangende nieuwbouw

BENG

40 jaar

€3.000,- /m² bvo

Aanvullend op bovenstaande tabel zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: • De gemeentelijke investering voor vernieuwbouw is afhankelijk van het bouwjaar van het betreffende gebouw of gebouwdeel. Afhankelijk van het bouwjaar wordt de hoogte van de gemeentelijke bekostiging (percentage van nieuwbouw) bepaald. De volgende verdeling is gehanteerd: o > 40 jaar: 70% van nieuwbouw o 40 – 20 jaar: 70% - 50% van nieuwbouw o 20 – 10 jaar: 50% - 30% van nieuwbouw o < 10 jaar: 30% - 10% van nieuwbouw • Vervangende nieuwbouw gymzaal: €2800,- /m² bvo; • Monumentenopslag: + 30% bij lichte renovatie of vernieuwbouw; • Tijdelijke huisvesting: €300,- /m² bvo per jaar; • Sloopkosten: €50,- /m² bvo; • Alle bedragen zijn inclusief btw en prijspeil 2020.

Op basis van ervaring en kennis van onderwijshuisvestingsprojecten trekt adviesbureau ICS de conclusie dat de gemiddelde kosten van dit type projecten €2.981 per m² bvo (incl. btw) bedragen. Hierbij houdt ICS rekening met grondkosten, bouwkosten, losse inrichtingskosten, directiekosten, bijkomende kosten en onvoorzien. ICS adviseert daarom om rekening te houden met een gemiddelde investering van €3.000 per m² bvo. Benodigd investeringsvolume Het IHP 2020-2032 vraagt een investering van de gemeente van €106,4 miljoen tot en met 2030. Daarnaast is er dekking nodig voor de gemeentelijke (plan)kosten. Bij het IHP 2019-2030 is een investeringsvolume van €72,9 miljoen tot en met 2030 vastgesteld. Hiervan resteert, na het bijsturen van lopende projecten, indexering en nieuwe projecten, nog €47,6 miljoen aan budgettaire ruimte. Het benodigde investeringsvolume voor de eerste fase bedraagt €46,3 miljoen (incl. gemeentelijke (plan)kosten) en is daarmee €1,3 miljoen lager dan het restant investeringsvolume van het IHP 20192030. Voor de tweede fase is €24,1 miljoen (incl. gemeentelijke (plan)kosten) nodig. De eerste twee fases zijn in de Kaderbrief 2020-2024 meegenomen. Vervolgens zijn de investeringen en de kapitaallasten daarvan in de periode 2020 t/m 2024 in het Investeringsplan 2021-2024 in de begroting 2021 opgenomen. De derde fase wordt onderdeel van een nieuw IHP.

Eind 2023 zal een volgend college dit nieuwe IHP aan de raad aanbieden. Daarin zal o.a. de benodigde dekking worden opgenomen voor deze laatste fase. Eerste fase Start investering

Scholen

Ingreep

2022 2022

Vlietland College, incl gymzaal Lucas van Leyden Vliet

Vervangende nieuwbouw Vernieuwbouw

2022

5 Meilaan (wissellocatie)

2022

Noachstraat (wissellocatie)

2022

De Weerklank, incl gymzaal

2023

Nieuwbouw Leiden Noord

Beperkte ingreep Beperkte ingreep Vervangende nieuwbouw Nieuwbouw

Totaal

Totaal investeringsbedrag (€) 23.660.000

Totale plankosten (€)

Totale kosten (€)

490.000

24.150.000

2.580.000

275.000

2.855.000

5.300.000

0

5.300.000

2.500.000

0

2.500.000

6.250.000

390.000

6.640.000

4.370.000

490.000

4.860.000 46.305.000

Voor deze eerste fase is een investeringsvolume van €46,3 miljoen nodig. Dit is €1,3 miljoen minder dan het restant investeringsvolume van het IHP 2019-2030 van €47,6 miljoen. LET OP: Er is €47,4 miljoen bij de Kaderbrief 2020-2024 opgenomen voor de eerste fase. Na de vaststelling van de Kaderbrief 2020-2024 (RV20.0066) heeft echter, in overleg met de schoolbesturen, nog een correctie plaatsgevonden. ELS heeft namelijk recentelijk aangegeven dat er een correctie nodig is van m² als het gaat om één van hun gebouwdelen. In overleg met de schoolbesturen is besloten om de uitbreiding van de ELS die in de eerste fase is opgenomen te schrappen, omdat deze niet nodig is en om bij het opstellen van het nieuwe IHP de m² die in de derde fase bij de aanpak van hun school staan op te plussen naar het juiste totaal aan m². Met als gevolg dat er voor deze eerste fase €46,3 miljoen nodig is. Dit is echter te laat bekend geworden om nog door te voeren in de Kaderbrief 2020-2024. Deze is inmiddels door de raad vastgesteld. Deze correctie kon door het late constateren hiervan niet meer verwerkt worden in het IP 2021-2024 in de begroting 2021. In het komende IP 2022-2025 zal dit alsnog gebeuren. In het rapport van ICS (bijlage I bij het raadsvoorstel) is deze wijziging al wel doorgevoerd.

Tweede fase Start investering

Scholen

Ingreep

2022

Vernieuwbouw

2023

Scholencomplex Stevenshofschool, incl gymzaal Tijdelijke huisvesting Scholencomplex Scholencomplex De Zwaluw

Tijdelijke huisvesting Vernieuwbouw

2023

Nieuwbouw Morsdistrict

2024

Scholencomplex 't Klankbord Vrije School Mareland, incl gymzaal

2023

2026

Totaal investeringsbedrag (€) € 5.550.000

Totale plankosten (€)

Totale kosten(€)

390.000

5.940.000

€ 830.000

0

830.000

€ 3.050.000

275.000

3.325.000

Nieuwbouw

€ 4.370.000

490.000

4.860.000

Vernieuwbouw

€ 3.470.000

390.000

3.860.000

Vernieuwbouw

€ 4.890.000

390.000

5.280.000

Totaal

24.095.000

Bij de Kaderbrief 2020-2024 is voor de eerste twee fases in totaliteit een investeringsvolume van ca. €71,5 miljoen opgenomen. Door de eerder genoemde correctie (ELS) die in eerste fase heeft plaatsgevonden is er €70,4 miljoen nodig voor de eerste en de tweede fase. Ten opzichte van het resterende investeringsvolume van het IHP 2019-2030 komt het extra benodigde investeringsvolume voor de eerste twee fases van het IHP 2020-2032 daarmee op totaal €22,8 miljoen. Met de vaststelling van dit IHP wordt besloten om de benodigde investeringen en de dekking van de kapitaallasten uit de eerste en tweede fase te betrekken bij de jaarlijkse programmabegrotingen. Derde fase Om de belasting op de gemeentelijke begroting gefaseerd te leggen worden de benodigde investeringen voor deze derde fase niet bij dit besluit geregeld. De dekking voor de derde fase uit dit IHP wordt geregeld in een nieuw IHP, waar naar verwachting ook nieuwe investeringen in zullen worden opgenomen. Omdat de verwachting is dat er ook nieuwe investeringen in het nieuwe IHP worden opgenomen is er geen totaalbedrag voor de derde fase in onderstaande tabel opgenomen. Voor de kapitaallasten geldt dat het grootste deel van deinvesteringen buiten de huidige meerjarenbegroting 2021-2024 valt.

De hieronder genoemde bedragen zijn enkel bedoeld als indicatie, omdat in het nieuwe IHP gewerkt zal worden met prijzen die op dat moment marktconform zijn: Start investering

Scholen

Ingreep

2024

Da Vinci College

2024 2024

Eerste Leidse Schoolvereniging Bonaventura College

2024

Leidse Houtschool

2026

OBS De Morskring

2026

Visser 't Hooft Kagerstraat, incl gymzaal Anne Frank incl gymzaal

2027 2028 2029 2030

Visser 't Hooft A.Duyklaan, incl gymzaal Lucas van Leyden St. Ursulasteeg De Pionier

Totale plankosten(€)

Totale kosten(€)

Vernieuwbouw

Totaal investeringsbedrag (€) 11.920.000

490.000

12.410.000

Vernieuwbouw

2.840.000

275.000

3.115.000

Lichte renovatie Vernieuwbouw

4.300.000

275.000

4.575.000

2.260.000

275.000

2.535.000

Lichte renovatie Lichte renovatie Lichte renovatie Lichte renovatie Lichte renovatie Lichte renovatie

1.350.000

275.000

1.625.000

10.470.000

390.000

10.860.000

2.200.000

275.000

2.475.000

2.040.000

275.000

2.315.000

1.210.000

275.000

1.485.000

1.000.000

275.000

1.275.000

De projecten uit de derde fase worden volgens de hierboven genoemde planning opgenomen in het nieuwe IHP, waarbij wordt vastgehouden aan de hierboven genoemde jaartallen. Vertraging van onderstaande projecten is namelijk zeer onwenselijk in verband met de technische kwaliteit en het binnenklimaat van de gebouwen. Uiteraard zal ook de benodigde budgettaire ruimte voor dit nieuwe IHP bij komende kaderbrieven moeten worden afgezet tegen de beschikbare financiële middelen op dat moment. Gemeentelijke (plan)kosten De gemeentelijke kosten bestaan niet alleen uit het investeren in de onderwijsgebouwen. Gedurende de looptijd van de onderwijshuisvestingsprojecten worden er daarnaast plankosten door de gemeente gemaakt en moet het onderwijsgebouw inclusief schoolplein worden aangesloten op het openbaar gebied. Aanhelingskosten Onderdeel van de realisatie van onderwijshuisvestingsprojecten is dat alles wat wordt gerealiseerd goed aansluit op de bestaande (openbare) ruimte hieromheen. De gemeente is verantwoordelijk voor de kosten die hieruit voortvloeien noemen we aanhelingskosten. Deze kosten verschillen per project en kunnen moeilijk worden ingeschat, omdat pas op het moment dat er een ontwerp wordt gemaakt duidelijk is wat er precies moet gebeuren om die nette aanheling op het openbaar gebied te realiseren.

Bij renovatie zal de situatie binnen de huidige grenzen plaatsvinden en gaat het om kleine zaken als het (ver)plaatsen van een lantaarnpaal of het aansluiten van een nieuwe entree op het voetpad. Bij vervangende nieuwbouw of vernieuwbouw kan het zijn dat er bijvoorbeeld extra autoparkeerplekken nodig zijn, of dat een fietspad ten dele moet worden verlegd. Bij het ramen van deze gemeentelijke kosten is daarom onderscheid gemaakt in complexiteit (laag, gemiddeld, hoog) en gaat het bij een lage complexiteit om circa €15.000 en bij een hoge complexiteit om €25.000. Bij elk project wordt kritisch gekeken naar de scope hiervan. Alleen de kosten die kunnen worden toegeschreven aan het project worden betaald. Gemeentelijke plankosten Geen enkel project kan uitgevoerd worden zonder hiervoor plankosten te maken. Bij initiatieven van derden worden deze kosten betaald door de ontwikkelende partij. In het geval van onderwijshuisvestingsprojecten zijn de schoolbesturen de ontwikkelende partij c.q. bouwheer. De gemeente is verantwoordelijk voor adequate onderwijshuisvesting, met andere woorden de renovatie of (ver)nieuwbouw van de gebouwen, inclusief de daarbij behorende gemeentelijke plankosten. De plankosten die de schoolbesturen maken worden door de schoolbesturen zelf betaald.

Om een goede inschatting te kunnen maken van de gemeentelijke plankosten is, net als bij de aanhelingskosten, gekozen voor onderscheid in mate van complexiteit. Wederom laag, middel en hoog. Een renovatie of uitbreiding is bijvoorbeeld minder complex dan vervangende nieuwbouw. Bij dit IHP 2020-2032 wordt enkel over het budget voor de eerste en tweede fase besloten. Hieronder staat in de tabel de voor deze fasen ingeschatte benodigde dekking van de gemeentelijke (plan)kosten. De derde fase zal deel uitmaken van een nieuw IHP. Daarom zijn de gemeentelijke (plan)kosten voor deze fase niet in de tabel op de volgende pagina meegenomen.

Start investering

Scholen

Fase

2022

Vlietland College, incl gymzaal

Eerste fase

Totale gemeentelijke (plan)kosten (€) 490.000

2022

Lucas van Leyden Vliet

Eerste fase

275.000

2022

5 Meilaan (wissellocatie)

Eerste fase

0

2022

Noachstraat (wissellocatie)

Eerste fase

0

2022

De Weerklank, incl gymzaal

Eerste fase

390.000

2023

Nieuwbouw Leiden Noord

Eerste fase

490.000

2022

Scholencomplex Stevenshof-school, incl gymzaal

Tweede fase

390.000

2023

Tijdelijke huisvesting Scholencomplex

Tweede fase

0

2023

Scholencomplex De Zwaluw

Tweede fase

275.000

2023

Nieuwbouw Morsdistrict

Tweede fase

490.000

2024

Scholen-complex 't Klankbord

Tweede fase

390.000

2026

Vrije School Mareland, incl gymzaal

Tweede fase

390.000

Totaal fase 1 & 2

3.580.000

Budget onderwijshuisvesting in programmabegroting 2020-2023 Investeringen in onderwijsgebouwen worden geactiveerd op de balans van de gemeente. Na verloop van tijd is sprake van verlies van functionaliteit en waardevermindering. Periodieke vervangingsinvesteringen zijn daarom noodzakelijk. De waardevermindering wordt opgevangen door afschrijving over de verwachte levensduur van de onderwijsgebouwen. Het overgrote deel van het budget voor onderwijshuisvesting ligt meerjarig vast in kapitaallasten van afgeronde investeringen in onderwijsgebouwen, maar ook in onderwijsprojecten die nog in uitvoering zijn of waarvan de uitvoering nog moet starten. De kapitaallasten hiervan zijn al wel in de begroting opgenomen. In de tabel hieronder is te zien dat het geraamde totale budget in de programmabegroting 2021 voor onderwijshuisvesting de komende jaren stijgt van circa €11,5 miljoen in 2020 naar circa €12,4 miljoen in 2024. Bedragen x 1000 euro

2020

2021

2022

2023

2024

Budget OHV

11.483

11.895

12.504

12.289

12.374

5.253

6.164

6.881

7.430

7.514

waarvan: Kapitaallasten

. De kapitaallasten in bovenstaande tabel zijn opgebouwd uit de kapitaallasten van lopende projecten en vrijval van kapitaallasten. Voor 2023 en 2024 geldt dat hierin ook de kapitaallasten van de projecten uit het IHP 2020-2032 zijn verwerkt, waarvan de realisatie in 2023 of 2024 is of wordt afgerond. Hierin zit ook de uitbreiding van de ELS verwerkt, waarvan op pagina 4 van deze bijlage staat aangegeven dat deze vervalt, maar wel in de begroting is opgenomen. Dit wordt in het IP 2022-2025 weer gecorrigeerd. Boekwaarden en kapitaallasten schoolgebouwen Door jaarlijkse (lineaire) afschrijving op de schoolgebouwen daalt de boekwaarde hiervan. Hierdoor nemen de jaarlijkse rentelasten eveneens geleidelijk af. Als gevolg hiervan valt ieder jaar een klein stukje structureel budget vrij. Aan het einde van de afschrijvingstermijn valt het budget waaruit de afschrijvingen worden gedekt geheel vrij. Dit budget is dan weer beschikbaar voor vervangingsinvesteringen.

Als geen rekening zou worden gehouden met noodzakelijke toekomstige investeringen daalt als gevolg van afschrijving op langere termijn (de periode 2021 t/m 2032) de boekwaarde van de onderwijsgebouwen met €37,3 miljoen. Als gevolg daarvan dalen de kapitaallasten in de periode 2024 t/m 2032. Deze vrijval van kapitaallasten loopt geleidelijk op tot ruim €1 miljoen in 2032. Deze structurele vrijval wordt samen met de structurele vrijval op alle andere gemeentelijke activa jaarlijks bij de samenstelling van het IP in de begrotingen inzichtelijk gemaakt en maakt onderdeel uit van de algemene middelen. Hier tegenover plaatst het college dan weer de gemeentebreed noodzakelijke (vervangings)investeringen voor de komende vier jaar. tabel: afname boekwaarden en kapitaallasten schoolgebouwen

Boekwaarde

2020 2021 2022 2023 2024 2025 2026 2027 2028 2029 2030

Bovenstaande tabel geeft de omvang van de vrijval per jaar in de periode 2025 t/m 2032 aan. De vrijval van kapitaallasten is t/m 2024 in de begroting 2021-2024 verwerkt. Kapitaallasten ontwikkeling OHV 2020 t/m 2024 en de periode daarna Met deze gefaseerde aanpak stijgen de kapitaallasten als gevolg van de extra investeringen in de benoemde projecten (€22,8 miljoen) en eveneens door een andere fasering van de uitvoering van de projecten. In onderstaand schema wordt inzichtelijk gemaakt hoe de kapitaallasten zich gedurende de periode 2020-2030 in absolute getallen ontwikkelen (kolom 4). Tevens is in kolom 5 het extra beslag op kapitaallasten van het IHP 2020-3032 ten opzichte van het IHP 2019-2030 (kolom 2) zichtbaar gemaakt. Hierbij is gebruik gemaakt van geactualiseerde cashflows die zijn gebruikt voor de samenstelling van het IP 2020-2024 in de begroting 2021. De uitkomsten wijken daarom ook enigszins af van de getallen van de Kaderbrief 2020-2024. In de komende periode 2020-2024 waar we nu voor staan is in het schema op de volgende pagina te zien dat er gedurende deze periode van een beperkt extra budgettair beslag sprake is. De geringe

extra kapitaallast in 2024 wordt verwerkt in het Investeringsprogramma 2020-2024 in de begroting 2021. In de periode daarna lopen de extra kapitaallasten bij de voorgestelde gefaseerde aanpak op van bijna €1,1 miljoen in 2025 tot ruim €1,6 miljoen in 2030. In de onderstaande tabel zijn de kapitaallasten van het ‘oude’ IHP vanaf 2025 als een constante waarde weergegeven. Hierdoor is duidelijk welke ‘extra’ structurele budgettaire ruimte vanaf 2025 nog in de begroting moet worden gevonden ten opzichte van het structureel geraamde budget in de begroting. Kanttekening hierbij is wel dat ook onder het oude IHP de kapitaallasten vanaf 2026 verder waren gestegen en tot 2030 zouden oplopen tot circa €1,6 miljoen. Voor deze extra kapitaallasten zou ook nog dekking moeten worden gevonden. Daarnaast zou door de linaire afschrijvingssystematiek ook jaarlijks een klein deel van de kapitaallasten weer vrijvallen. Door het presenteren als constante waarde zijn deze nuances nu niet zichtbaar in de cijfers. In de Kaderbrief 2020-2024 zijn de structurele kapitaallasten die voortkomen uit fase I en II tot en met 2025 gedekt1. Voor 2026 en verder volgt bij komende Kaderbrieven nog een jaarlijks extra benodigd budget dat geleidelijk oploopt naar €600.000 in 2030 dat dan zal worden afgezet tegen de vrijval op kapitaallasten en overige mee- en tegenvallers in de begroting. Jaar

Investering IHP

Kapitaallast IHP

Investering IHP 2020 - 2032

Kapitaallast

Verschil

2019-2030 **

2019-2030

fase 1 + 2 ***

IHP 2020-2032

(kolom 2 en

fase 1+ 2

kolom 4)

(4)

(5)

(1)

(2)

(3)

2020

323.894

2021

3.443.531

11.336

2022

15.014.134

28.473

47.385.000

2023

5.588.083

171.698

13.875.000

142.155

-29.543

2024

7.018.000

313.831

3.860.000

326.443

12.612

2025

2.692.250

850.370

1.941.450

1.091.080

2026

4.077.700

850.370

2.308.580

1.458.210

2027

2.202.200

850.370

2.415.670

1.565.300

2028

3.025.000

850.370

2.418.994

1.568.624

2029

1.603.250

850.370

2.549.038

1.698.668

2030

2.601.500

850.370

2.529.922

1.679.552

Totalen

47.589.542

-11.336

5.280.000

70.400.000

-28.473

22.810.458

*Ten opzichte van de Kaderbrief 2020-2024 zijn deze getallen in de begroting 2021 en het IP 2020-2024 geactualiseerd met de laatste inzichten omtrent de cashflows van de investeringen. **exclusief gemeentelijke plankosten ***inclusief gemeentelijke plankosten

1

In de Kaderbrief 2020-2024 zijn de kapitaallasten voor 2025 al boekhoudkundig in 2024 als structureel budget opgevoerd, maar met een

incidentele stelpost als correctie. Bij het opstellen van de begroting 2022-2025 wordt straks het jaar 2025 aan de meerjarenbegroting toegevoegd. Hierbij komen alle incidentele begrotingsposten uit 2024 te vervallen, maar blijven alle structurele begrotingsposten uit 2024 staan. Bij een structureel sluitende begroting is er in 2025 dan dekking voor dit extra structureel budget.

Samenhang extra kapitaallasten en vrijval kapitaallasten Door nieuwe investeringen is er sprake van oplopende extra kapitaallasten van circa €13.000 in 2024 tot ruim €1,6 miljoen in 2030. Tegenover deze extra kapitaallasten als gevolg van extra investeringen in onderwijshuisvesting staat een tegengestelde ontwikkeling, namelijk van geleidelijk vrijvallende kapitaallasten van bestaande onderwijsgebouwen, inclusief de investeringen die nog in uitvoering zijn. Deze vrijval van kapitaallasten is t/m 2024 in de begroting 2021-2024 verwerkt. In de periode 2024 t/m 2032 loopt de vrijval van kapitaallasten geleidelijk op tot ruim €1 miljoen in 2032. Deze vrijval zal in toekomstige begrotingen worden opgenomen. Zoals hiervoor is aangegeven is bij het bepalen van de extra kapitaallasten het IHP 2019-2030 vastgezet op het niveau van de kapitaallasten 2025. Bij een onverminderd voorzetten van het IHP 2019-2030 met het daarin opgenomen restant volume van €47,6 miljoen zou de kapitaallast ook na 2025 nog toenemen tot het niveau van ca €1,6 miljoen in 2030. In dat geval had dat een extra kapitaallast in 2023 van ca €1 miljoen betekend, hetgeen in grote lijnen overeenkomt met het extra benodigde investeringsvolume (€24,1 miljoen). Investeringsvolume IHP 2019-2030 Bij het IHP 2019-2030 is een investeringsvolume van €72,9 miljoen tot en met 2030 vastgesteld.

Met het vaststellen van dit IHP 2020-2032 vervalt het IHP 2019-2030. Maar wat is er vanaf de vaststelling van het IHP 2019-2030 in financieel opzicht gebeurd? Schrappen investeringen Bij de Kaderbrief 2019-2023 is besloten om een viertal projecten uit het in 2018 het vastgestelde IHP 2019-2030 te schrappen, om lopende projecten uit het IHP 2012-2027 te kunnen realiseren. Met dit besluit is tegelijkertijd de conclusie getrokken dat hierdoor een herijking van het IHP noodzakelijk was. Bij de vaststelling van het aanvullend krediet (RV19.0038) voor de uitbreiding van het schoolgebouw en de nieuwbouw van twee verdiepte gymzalen t.b.v. Stedelijk Gymnasium Athena is besloten om ter dekking van deze gymzalen de gereserveerde middelen voor de realisering van gymzalen in het Roodenburg District te schrappen. De gymzalen in het Roodenburg District maken onderdeel uit van het IHP 2019-2030 en is daarmee het vijfde project dat uit dit IHP is geschrapt. In de tabel op de volgende pagina is inzichtelijk gemaakt welke vijf projecten er uit het IHP 2019-2030 zijn geschrapt, inclusief het hierbij behorende investeringsvolume en de kapitaallasten. Geschrapte projecten

Investeringsvolume

Vrije School Mareland (renovatie of nieuwbouw)

€ 2.541.000

De Weerklank (renovatie)

€ 1.179.750

Het Vlietland College (renovatie of nieuwbouw)

€ 10.133.750

Da Vinci College (renovatie of nieuwbouw gebouwdeel 1963)

€ 5.000.000

Gymzalen Roodenburg District (2 tot 3 gymzalen)

€ 2.900.000

Totaal investeringsvolume

€ 21.754.500

Beschikbaar stellen middelen knelpunten en nieuw beleid Onderwijshuisvesting Tegelijkertijd met het schrappen van de vijf hierboven genoemde projecten is besloten om een aantal financiële knelpunten binnen onderwijshuisvesting te dekken. En daarnaast ook nieuw beleid los van het IHP te initiëren (de tijdelijke huisvesting van het Internationaal Georiënteerd Basisonderwijs). In de tabel hieronder is inzichtelijk gemaakt voor welke zaken bij de Kaderbrief 2019-2023 middelen beschikbaar zijn gesteld voor de periode 2019 t/m 2023:

Project

Investering

Leonardo College (nieuwbouw en gemeentelijke

Eenmalige uitgaven

Structureel (jaarlijks terugkomend)

€ 5.000.000

plankosten) Athena (Stedelijk Gymnasium) (renovatie)

€ 2.900.000

Eerste Leidse Schoolvereniging (uitbreiding)

€ 145.000

Internationale Schakelklas (regulier OHV

€ 695.000

project) Broekplein (extra eenmalige kosten tijdelijke

€ 2.123.000*

huisvesting en afboeken restant boekwaarden) IGBO (nieuw beleid los van het IHP 2019-2030,

€ 723.000**

€ 255.000***

realisatie tijdelijke huisvesting en huurkosten) €150.000

Versterking Team OHV Beleid OHV****

€ 65.000

* afboeken restant boekwaarden Broekplein €490.000 en huur noodlokalen (€858.000 voor 2020, €531.000 voor 2021 en €244.000 voor 2021) ** realisatie tijdelijke huisvesting *** de huurkosten voor de tijdelijke huisvesting per jaar. De inschatting is dat deze tijdelijke huisvesting 5 jaar nodig is. Daarmee vervallen 5 jaar na plaatsing van de tijdelijke huisvesting deze huurkosten **** €20.000 in 2019 en €45.000 in 2020.

Wijze tot uitvoering komen van de investeringen Het IHP 2020-2032 geeft een prognose van de noodzakelijke investeringen voor de langere termijn. Hierover dient besluitvorming te worden voorbereid. De extra kapitaallasten tot 2025 zitten op basis van de huidige inzichten in het meerjarenbeeld van de programmabegroting 2021 verwerkt. Jaarlijks zal hiervoor, op basis van actuele inzichten en status van de betreffende investeringen, bij de kaderbrief en programmabegroting een voorstel worden gedaan voor opname van de investering in het door de raad goed te keuren MIP. Hierbij zal dan ook worden gekeken naar het realiteitsgehalte van de planning. Pas dan worden voor de nieuwe jaarschijven van de meerjarenbegroting de financiële consequenties van de investeringen en de dekking daarvan opgenomen in het meerjarenbeeld bij de PB. En worden de voorliggende jaren tegelijkertijd geactualiseerd. De uiteindelijke effectuering van de investering(en) komt aan de orde bij het jaarlijks op te stellen programma voorzieningen onderwijshuisvesting. Om in aanmerking te komen voor opname van een voorziening in het programma moeten schoolbesturen conform de verordening een aanvraag indienen, ook als deze voorziening onderdeel van het IHP is.

De aanvraag wordt dan getoetst aan nut en noodzaak conform richtlijnen en criteria die zijn opgenomen in de verordening Voorzieningen huisvesting onderwijs van de gemeente Leiden. Bij dit voorstel worden dan tevens de kredieten aangevraagd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9502963/1