Schriftelijk ingediende vragen
Tekst van het document
Vragen VVD: 1. De juridische analyse geeft aan dat scenario 1 mogelijk is, mits er een goede objectieve rechtvaardigingsgrond is. O.b.v. welke rechtvaardigingsgrond en motivering kan er uitvoering gegeven worden aan scenario 1? (Indien de ambtelijke dienst geen antwoord kan geven op deze informatieve vraag, verwacht ik van de ambtelijke dienst dat deze vraag juridisch wordt uitgezet). In theorie is een rechtvaardigingsgrond mogelijk. In onze specifieke situatie lijkt die er, ook na navraag bij een juridisch adviseur, niet te zijn. Op basis van de uitvoeringswerkzaamheden die op basis van het vastgestelde PWR gepland staan, moet worden geconstateerd dat een ruimere kring van belastingplichtigen (enige vorm van) profijt heeft bij de maatregelen en hierdoor aangewezen moet worden als belastingplichtige. 2. Is er ook een juridische analyse opgevraagd van scenario 2? Indien er niet voor is gekozen, is er 100% garantie dat deze juridisch wel houdbaar is? Aan elke verordening kleven risico’s in de zin dat de juridische interpretatie altijd ter discussie kan worden gesteld. Een 100% garantie kan dus nooit worden gegeven. Om deze risico’s te reduceren hebben wij ons in het proces laten begeleiden door een extern juridisch adviseur. Daarnaast hebben wij de verordening voorgelegd aan een tweede extern juridisch adviseur.
Op basis van de gegeven adviezen komen we tot de conclusie dat de verordening zo juridisch sluitend als mogelijk is vormgegeven. 3. Waarom is er in december, bij de bespreking van het amendement, niet gekeken naar de juridische implicaties van scenario 1? Was deze informatie niet relevante informatie voor de raad bij de besluitvorming over het PWR? Het amendement roept op verschillende scenario’s te onderzoeken, waaronder een scenario waarbij de percelen zonder rioolaansluiting niet worden aangeslagen. Op het moment van de bespreking van dit amendement was de juridische impact niet in beeld. Zoals aangegeven op 30 oktober hadden we, achteraf gezien, bij de uitwerking van het amendement wel aandacht moeten hebben voor de nu bekende juridische implicaties, zodat we de raad hierover hadden kunnen berichten.
4. In de informerende brief riool- en waterzorgheffing (dd. 30 mei jl.) staat opgenomen dat het college geen onnodige risico’s wil lopen. Dat doet aannemen dat er toen een juridische toets (intern of extern) is geweest van scenario 1 en scenario 2. Is deze aanname juist? Zo ja, hoe heeft deze juridische toets eruit gezien (graag een uitvoerig antwoord)? Zo nee, waarom is hier niet voor gekozen? In de informerende brief is aangegeven dat we zoveel mogelijk willen vasthouden aan de huidige methodiek van heffen, juist om geen onnodige risico’s te lopen. Bij zowel scenario 1 als scenario 2 is de onderliggende methodiek gelijk aan die van de huidige methodiek van heffen en kostentoedeling. De methodiek is bewezen en wordt als weinig risicovol gezien. Het gehele proces en ook het opstellen van de verschillende scenario’s is begeleid door een juridisch adviseur. Een grondige toetsing vond pas plaats bij de uitwerking en juridische vertaling in een verordening (van scenario 2) en in een latere instantie bij de vraag om scenario 1 juridisch te vertalen in een verordening. Daarbij is gebleken dat het uitsluiten van doelgroepen zonder rechtvaardigingsgrond niet mogelijk is, omdat alle percelen (met of zonder rioolaansluiting) in enige mate profijt hebben van de maatregelen.
Zoals aangegeven tijdens de sessie van 30 oktober was het beter geweest als we in een eerder stadium een diepgaande toetsing hadden uitgevoerd voor zowel scenario 1 als scenario 2.
5.
De mogelijkheid bestaat altijd om terug te vallen naar de huidige systematiek: smalle variant rioolheffing (zonder opsplitsing) waaruit de waterzorgtaken worden gefinancierd. Is deze systematiek juridisch houdbaar? Over deze vraag is juridisch extern advies ingewonnen. Op basis daarvan moet worden geconstateerd dat dit juridisch kwetsbaar is. De Verordening Rioolheffing 2023 is binnen de Begroting van 2023 en het 'oude' gemeentelijk rioleringsplan wel houdbaar. Na het vaststellen van het PWR is de beleidscontext echter veranderd en is het sterk de vraag of de 'smalle variant' nog wel houdbaar is. Door het doorlopen proces, de beschrijving van de zorgplichten en werkzaamheden in het PWR én de keuze om te komen tot een riool- en waterzorgheffing, lijkt het niet mogelijk om belastingplichten uit te sluiten. 6. De juridische analyse geeft aan dat er bij invoering van een nieuwe verordening (juridische) risico’s zijn. Welke risico’s zijn dit (graag een uitvoerige reactie) en op welke wijze zijn deze risico’s afgehecht in voorkeursscenario van het college (scenario 2)? Zoals reeds aangegeven bij de beantwoording van vraag 2 kleven er aan elke verordening risico’s. Om deze risico’s te reduceren hebben wij ons in het proces laten begeleiden door een extern juridisch adviseur. Daarnaast hebben wij de verordening voorgelegd aan een tweede extern juridisch adviseur.
Daarmee komen we tot de conclusie dat de verordening zo juridisch sluitend als mogelijk is vormgegeven. 7. Bij de indiening van het amendement bij het PWR is door de VVD een mondelinge toelichting gegeven op het amendement. Hierbij is de volgende quote expliciet gezegd in de raadsvergadering: “waarbij het college eerst goed haar huiswerk gaat doen door verschillende scenario’s voor te leggen ter besluitvorming”. op welke wijze zijn de verschillende scenario’s ter besluitvorming voorgelegd aan de raad (dit is een informatieve vraag)? Met andere woorden: op welk moment heeft de raad hierover een besluit genomen? Het dictum van het amendement is als volgt geformuleerd ‘Waar het gaat om de mogelijkheid om percelen zonder rioolaansluiting aan te slaan voor een deel van de heffing, worden een aantal scenario’s aan de raad voorgelegd’. Aan de raad zijn middels een informerende brief enkele scenario's (en het voorkeursscenario van het college) voorgelegd. Insteek van het college is geweest om de scenario’s met u te bespreken om daarna tot een keuze te komen. Uiteindelijk kan er maar één scenario worden vastgelegd in een verordening. Waarbij u uiteraard de mogelijkheid heeft om dit besluit te amenderen. 8.
In het PWR is expliciet vastgelegd dat er 1.000 percelen niet aangesloten zijn op het riool. Nu blijken dit er bijna 6.000 te zijn. Wat betekent dit voor de status van het PWR? Moet het PWR aangepast worden? Loopt de gemeente juridische risico’s op het moment dat er bezwaren of juridische procedures worden aangespannen omdat ze wellicht verkeerd geïnformeerd zijn? Het PWR is een plan waarin het beleid is geformuleerd (‘een programma onder de Omgevingswet’), afgeleid uit de 3 zorgplichten die de gemeente heeft en de eigen ambities van de gemeente op het gebied van klimaatadaptatie. Van belang is dat bij het opstellen van de verordening riool- en waterzorgheffing wordt uitgegaan van de juiste definitie van de percelen waarop de heffing betrekking heeft en dat deze te herleiden zijn. Dat in het PWR een getal staat dat bij nader inzien
onvolledig is, doet daar juridisch gezien niet aan af. Het beeld was destijds dat het om dit aantal woonpercelen ging. Inmiddels is duidelijk dat in de categorisering ook andersoortige percelen onder deze definitie vallen. Denk bijvoorbeeld aan bergingen, garageboxen, nutsvoorzieningen. Daardoor ligt het aantal aanzienlijk hoger. Vragen lijst 058 Objectieve rechtsvaardigheidsgrond : niet aanwezig bij scenario 1. Maar de analyse zegt “: betekent niet dat deze er niet KAN zijn. Betekent dit dat die er dus wel kan zijn en wat zou dan een goede objectieve rechtsvaardigheidsgrond zijn waarbij dit waarbij dit scenario wel mogelijk is. In theorie is een rechtvaardigingsgrond mogelijk. In onze specifieke situatie lijkt die er, ook na navraag bij een juridisch adviseur, niet te zijn. Op basis van de uitvoeringswerkzaamheden die op basis van het vastgestelde PWR gepland staan, moet worden geconstateerd dat een ruimere kring van belastingplichtigen (enige vorm van) profijt heeft bij de maatregelen en hierdoor aangewezen moet worden als belastingplichtige.
Is handhaven van de huidige systematiek ( geen brede rioolheffing met waterzorgtarief maar allen riooltarief )ook nog een optie ? Over deze vraag is juridisch extern advies ingewonnen. Op basis daarvan moet worden geconstateerd dat dit juridisch kwetsbaar is. De Verordening Rioolheffing 2023 is binnen de Begroting van 2023 en het 'oude' gemeentelijk rioleringsplan wel houdbaar. Na het vaststellen van het PWR is de beleidscontext echter veranderd en is het sterk de vraag of de 'smalle variant' nog wel houdbaar is. Door het doorlopen proces, de beschrijving van de zorgplichten en werkzaamheden in het PWR én de keuze om te komen tot een riool- en waterzorgheffing, lijkt het niet mogelijk om belastingplichten uit te sluiten. Wat voor financiële en juridische consequenties zou dit hebben voor onze inwoners .( onderscheid tussen de gewone inwoners en de eigenaren van percelen zonder rioolaansluiting ) Financiële consequentie: Bij het handhaven van de huidige heffingsmethodiek (een rioolheffing met enkel een riooltarief): -
Daalt het tarief 2024 t.o.v. 2023 van alle eigenaren van een perceel met rioolaansluiting met circa 9,5% Stijgt het tarief 2024 t.o.v. 2023 van alle gebruikers van een perceel met rioolaansluiting met 7,3%
Zoals in de informerende brief van 30 mei aangegeven, ontstaan door de wijziging in de heffingsmethodiek kleine verschillen. De financiële effecten op de tarieven zijn tevens in deze brief opgenomen. Voor 2024 zijn de effecten soortgelijk (de berekende mutatie valt iets lager uit).