Samenvatting ontvangen reacties Pre-omgevingsplan
Tekst van het document
CONCEPT Samenvatting ontvangen overleg- en inspraakreacties pre-omgevingsplan Leeuwarden Buitengebied Zuid Overlegreacties Provincie Fryslân 1. Provincie Fryslân geeft aan dat ontwikkelingen die op grond van het gemeentelijke PRE-OP mogelijk worden gemaakt, moeten voldoen aan de principes uit de provinciale Omgevingsverordening. Het ontwerp hiervan ligt per 1 maart 2021 ter visie. Het is nog niet duidelijk hoe de principes uit de provinciale Omgevingsverordening zijn of worden verwerkt in het PRE-OP. 2. De provinciale Omgevingsverordening wordt ruimer. Voor de ruimte die ontstaat zal de gemeente in haar beleid invulling moeten geven. Dit blijkt nog niet uit het PRE-OP. 3. Provincie Fryslân stelt voor een ambtelijke bijeenkomst te organiseren om van gedachten te wisselen over de nieuwe wetgeving en bijbehorende planvormen, invulling en werkwijze. Erfgoedvereniging Bond Heemschut 1. De Erfgoedvereniging Bond Heemschut staat positief tegenover het gemeentelijk uitgangspunt om panden te beschermen door het aan te wijzen als gemeentelijk monument. Dit biedt meer bescherming dan een aanduiding als ‘karakteristiek’. 2. De Erfgoedvereniging Bond Heemschut heeft echter nog niet in het PRE-OP kunnen lezen hoe de gemeente de gemeentelijke monumenten bescherming wil bieden.
Niet ieder ‘karakteristiek’ pand zal worden aangewezen als gemeentelijk monument, terwijl deze panden wel van belang zijn. 3. De Erfgoedvereniging Bond Heemschut vraagt zich af hoe het beschermd dorpsgezicht van Warstiens zal worden opgenomen in het PRE-OP. 4. Opgemerkt wordt dat de Himpensermarpolder niet is aangeduid als gemeentelijk monument. Deze polder is in 2018 aangewezen als gemeentelijk monument. Het is wenselijk een beschermende regeling op te nemen. 5. Binnen ‘Agrarisch gebied’ wordt geen ruimte geboden aan zogenaamd ‘kansrijk weidevogelgebied’. De Himpensermarpolder is een gebied met weidevogels. De Erfgoedvereniging Bond Heemschut acht het wenselijk een regeling voor weidevogelgebied op te nemen in het ‘Agrarisch gebied’. Hetzelfde geldt voor waterretentie. Over het thematische aspect waterbeheer is nog weinig te vinden in het PRE-OP. 6. De Erfgoedvereniging Bond Heemschut juicht het opstellen van een landschapsbiografie en het inventariseren van monumentale panden toe. Hiermee kunnen de te beschermen waarden opgenomen worden in het omgevingsplan. 7. De Erfgoedvereniging Bond Heemschut onderschrift het standpunt om landschappelijke elementen met een rapportcijfer van 5 en hoger op te nemen in het omgevingsplan. De Erfgoedvereniging Bond Heemschut ziet een uitwerking van de regels graag tegemoet. TenneT 1.
Binnen de grenzen van het PRE-OP bevinden zich drie hoogspanningsverbindingen die in beheer zijn bij TenneT. De aanwezigheid hiervan kan beperkingen opleveren voor het gebruik voor de gronden en voor de bouwmogelijkheden op deze gronden. Daarnaast dient de leveringszekerheid geborgd te worden en de mogelijkheid voor onderhoud. Het PRE-OP kent nog geen regeling om de hiervoor genoemde zaken te regelen. 2. Onder de Omgevingswet kan de gemeente meer zaken (bouw)vergunningsvrij maken. TenneT acht het van belang dat ter plaatse van belemmerende stroken van hoogspanningsverbindingen terughoudend wordt omgegaan met het vergunningsvrij maken van activiteiten. 3. TenneT zal voorbeeldregels aanleveren aan de gemeente. De gemeente kan deze opnemen in de eigen systematiek van regels.
1
Gasunie De Gasunie merkt op dat de gasleidingen nog niet zijn opgenomen in het PRE-OP. Het is voor Gasunie van belang dat hun zogenaamde “assets” veilig en ongestoord kunnen functioneren. Op dit moment wordt dat geregeld door het opnemen van dubbelbestemmingen in het bestemmingsplan. De Gasunie geeft aan graag in contact te blijven met de gemeente om te kijken naar mogelijkheden tot bescherming van hun leidingen in het omgevingsplan. Gemeente Tytsjerksteradiel Gemeente Tytjerksteradiel geeft aan geen op- of aanmerkingen te hebben. Wetterskip Fryslân 1. Wetterskip Fryslân spreekt de waardering uit dat zij in een vroeg stadium betrokken worden bij de planvorming en dat water en klimaatadaptatie worden benoemd als belangrijke elementen in het plan. 2. In het plangebied liggen diverse objecten van Wetterskip Fryslân en er spelen belangen van Wetterskip Fryslân. Het gaat om waterkeringen, hoofdwatergangen, rioolpersleidingen. In het omgevingsplan hoeven deze functies niet expliciet benoemd te worden, maar mogen deze functies en belangen niet uitgesloten worden. 3. Water wordt in het pre-op benoemd als kernwaarde maar de (on)mogelijkheden worden niet uitgebreid uitgelicht. Verzocht wordt het aspect water integraal mee te nemen. Het waterbeheerplan en de ‘blauwe omgevingsvisie’ zouden benoemd kunnen worden.
In bijlage 1 zouden tevens de ambities van Wetterskip Fryslân benoemd kunnen worden. 4. Wetterskip Fryslân wil graag dat, voordat een cultuurhistorische waardering op watergangen wordt gelegd, dit eerst met hen besproken wordt. Dit vanwege het belang van doorstroming van water. 5. Per gebiedstype worden functies en ondergeschikte functies benoemd. Wetterskip Fryslân ziet graag dat ‘water’ standaard bij de ondergeschikte functies wordt opgenomen. ProRail 1. ProRail verzoekt de spoorbaan te voorzien van de bestemming Verkeer-Railverkeer. 2. ProRail verzoekt de hierna genoemde aspecten op te nemen in het omgevingsplan, met het doel dat de bedrijfsvoering van ProRail niet wordt belemmerd. De aspecten betreffen: externe veiligheid in relatie tot railverkeer, geluid in relatie tot railverkeer, trillingen. 3. ProRail bezit gronden in het plangebied. Deze gronden mogen zonder nadrukkelijke toestemming niet worden gebruikt. Deze percelen zijn nodig voor onderhoud en in geval van calamiteiten. Ook om die reden verzoekt ProRail tot het opnemen van de bestemming Verkeer-Railverkeer op hun gronden. 4. Het waterpeil nabij de spoorbaan mag niet wijzigen in verband met de stabiliteit van de spoorbaan. Om diezelfde reden mag er niet gebouwd worden op/in de nabijheid van de spoorbaan. GGD Fryslân 1. GGD Fryslân geeft aan het PRE-OP niet met alle disciplines te hebben kunnen bespreken.
Graag wordt een uitgebreider integraal advies gegeven. 2. In het PRE-OP staat dat gezondheid zowel beschermd als bevorderd moet worden. Bij besluitpunt 7 staat “zo goed mogelijk”. Dit is niet nader gespecificeerd. 3. GGD Fryslân vraagt hoe de milieuzonering uitgewerkt gaat worden, of de staalkaarten hiervoor gebruikt gaan worden. De vraag is of advisering met betrekking tot gezondheid relevant is. 4. De MER wordt OER, inclusief gezondheid. De GGD kan meedenken over de inzet van een instrument als een Gezondheidseffectscreening (GES). 5. Over ruimtelijke kwaliteit kan de GGD meedenken vanuit het concept positieve gezondheid.
2
6. Op pagina 25 gaat het over kwaliteit van bodem, water en lucht. De GGD vraagt zich af hoe zich dit verhoudt tot de bescherming en bevordering van gezondheid zoals genoemd onder beslispunt 7. 7. De GGD werkt aan een handreiking Gezonder leefomgeving in het Omgevingsplan. Een eerste werkversie komt in maart beschikbaar. Brandweer Fryslân 1. In het PRE-OP staat dat de technische toets door private partijen wordt gedaan. Dit is niet helemaal juist. De technische toets van een bouwwerk in gevolgklasse 1 van de Wkb wordt door een private partij gedaan. Bouwwerken uit klasse 2 en 3 door de gemeente. 2. Brandweer Fryslân hecht er aan dat de gemeente voor de verschillende ‘aandachtsgebieden’ en ‘voorschriftengebieden’ regels opneemt ten behoeve van het borgen van veiligheid. 3. Per gebiedstype moet afgewogen worden op welke manier bluswatervoorzieningen worden geborgd. 4. Omdat de opkomsttijden in het buitengebied langer kunnen zijn, adviseert Brandweer Fryslân de opkomsttijden mee te wegen in het al dan niet toestaan van (zeer) kwetsbare gebouwen en groepen. 5. Brandweer Fryslân adviseert planregels op te nemen met betrekking tot de bereikbaarheid van gebouwen. 6. Brandweer Fryslân heeft voorbeeldregels aangeleverd die opgenomen kunnen worden in het omgevingsplan. LTO Noord 1.
LTO heeft de indruk dat de gemeente in diverse opzichten ver van de realiteit van het agrarisch buitengebied staat. LTO is teleurgesteld in de manier waarop op 4 februari jl. de digitale discussie is vormgegeven. LTO adviseert het proces van interactie met de mensen die in een plangebied grote belangen vertegenwoordigen serieus tegen het licht te houden. 2. Uit het kaartbeeld blijkt niet hoe de grenzen van de gebiedstypen precies lopen. LTO vraagt zich af of er in het gebiedstype ‘Dorp’ geen agrarische gronden of functies voorkomen. 3. Met betrekking tot zonnepanelen vindt LTO dat de provinciale zonneladder uitgangspunt is voor de beoordeling van initiatieven. Plaatsing van zonnepanelen op landbouwgrond moet worden vermeden. 4. Bij het PRE-OP ontbreken de begripsbepalingen of definities. Het is dan ook voor de agrarische ondernemers niet te voorspellen of zijn/haar beoogde ontwikkeling van het bedrijf voldoet aan de in het gebiedstype genoemde criteria. LTO Noord is van mening dat een omgevingsplan de ontwikkeling in de agrarische sector moet faciliteren, daarbij past het om het ja-mits principe toe te passen. LTO is tegen onduidelijke, ingewikkelde en onvoorspelbare bepalingen. Zolang ontwikkelingen passen binnen de spelregels die daarvoor op grond van landelijke of provinciale wetten en regels gelden, moeten die in een omgevingsplanmogelijk worden gemaakt. 5.
Het begrip ‘houtteelt’ ontbreekt. Het planten van bomen over grote oppervlaktes maakt inbreuk op het landschap en op kansen voor weidevogels. Agrarische grond is schaars en zou niet voor houtteelt gebruikt moeten worden. LTO stelt voor om houtteelt niet bij recht mogelijk te maken. 6. Vanuit het principe dat gebieden met kansen voor weidevogels geen ruimtelijke lading mogen krijgen (schaduwschade), verzoekt LTO verwijzing naar dergelijke gebieden in het PRE-OP achterwege te laten. [Schaduwschade is schade als gevolg van de omstandigheid dat bepaalde plannen of besluiten hun schaduw vooruit werpen doordat ze al wel bekend zijn, maar nog niet daadwerkelijk vastgesteld] 7. LTO is content met de keuze voor een afwijking in plaats van een wijzigingsbevoegdheid voor ontwikkelingen bij grondgebonden agrarische bedrijven. De invulling hiervan hangt echter ook weer af van de definitie van ‘grondgebonden’. Daarnaast is nog niet duidelijk wat de ontwikkelruimte is die wordt geboden. 8. Nieuwe geitenhouderijen en intensieve veehouderijen worden uitgesloten. Met betrekking tot de geitenhouderijen is er sprake van strijd met het provinciaal beleid.
3
9. Voor kassen geldt een maximum van 1.000 m². De oppervlakte is beperkt vanuit milieuoverwegingen en lichtbeleid. Echter, omdat een gebruiker van een kas moet voldoen aan strenge generieke milieuregels, zijn de genoemde argumenten in het omgevingsplan niet relevant. 10.Nieuwe fiets- en wandelroutes die het agrarische gebied doorkruisen, vormen een inbreuk op de belangen van de agrariërs. Om die reden verzoekt LTO hiervoor wel een vergunningplicht in te voeren. 11.Natuurontwikkeling op landbouwgrond is vergunningsvrij indien aan de voorwaarden wordt voldaan. Natuurontwikkeling is een ingrijpende wijziging die onomkeerbaar is. De natuurontwikkeling heeft heftige consequenties voor omliggende agrarische gronden, denk aan schaduwschade, wildschade, overwaaiende onkruiden. Nieuwe natuurwaarden krijgen op een zeker moment bescherming hetgeen belemmerend kan werken op naastgelegen agrarische gronden. Deze regeling impliceert dat overal vergunningsvrij van functie veranderd mag worden naar natuur, terwijl er in Fryslân goede afspraken zijn gemaakt over waar natuur moet komen (EHS, NNN). LTO is tegen deze functiewijziging buiten de gebieden waarvoor dit is afgesproken, omdat dit haaks staat op de provinciale afspraken. 12.De regeling met betrekking tot een te bebouwen oppervlakte van 20.000 m² en uitbreidingen groter dan 1 hectare is onduidelijk omdat begripsbepalingen ontbreken.
Wat valt er bijvoorbeeld onder de genoemde 1 hectare? (Gebouwen, erf, bouwvlak of bouwperceel?). De regeling mag in geen geval een beperking betekenen voor de agrariërs. De mogelijkheden uit de provinciale verordening Romte zouden maatgevend moeten zijn. Er worden termen genoemd als ‘welstand’ en ‘erfinrichtingsplan’. Hierbij vraagt LTO zich af of de principes van de Nije Pleats systematiek nog gelden. LTO vindt de methodiek van Nije Pleats goed toepasbaar bij forse ontwikkelingen. 13.Onduidelijk is of het bouwvlak terugkomt op de verbeelding. Voor de agrarische ondernemer is het wenselijk dat er duidelijkheid is over waar en hoe groot er gebouwd mag worden. Ook is onduidelijk of de regels voor bijvoorbeeld de goothoogte en dakhelling voldoende ruimte zullen bieden voor moderne agrarische gebouwen. 14.Gelet op de schaalgrootte van de agrarische bedrijven verzoekt LTO om in goed onderbouwde situaties een tweede bedrijfswoning toe te staan. 15.Buiten het bouwvlak mogen bouwwerken maximaal 2 meter hoog zijn. In de praktijk zijn sleufen mestsilo’s hoger. Deze regeling zal aangepast moeten worden. 16.Met betrekking tot de regels in het gebiedstype Veenweide merkt LTO het volgende op. De gemeente stelt dat het andere vormen van landbouw wil stimuleren die geen schade aanbrengen aan het naastgelegen Natura-2000 gebied.
Nederland kent binnen Europa de strengste regelgeving als het gaat om het beschermen van Natura-2000 gebieden. De agrariërs rond de Alde Feanen houden zich aan die regels. De agrarische sector wordt door de gemeente aan de schandpaal genageld. De agrariërs kunnen niet meebewegen met wat de maatschappij en de markt van hen vragen, door de beperkingen die worden opgelegd. Dit heeft ook gevolgen voor de financieringsmogelijkheden voor hun bedrijven (milieu-investeringen) en overdracht naar de volgende generatie (opvolging). Het voortbestaan van de bedrijven wordt op het spel gezet. 17.De Natura-2000 belangen worden niet via het omgevingsplan geborgd, maar via andere wet- en regelgeving. Deze bescherming dient niet nogmaals te worden opgenomen in een omgevingsplan. Om die reden verzoekt LTO aan het gebiedstype “Veenweide” dezelfde naam en voorwaarden (regels) te verbinden als aan gebiedstype ‘Agrarisch”. De aanwezige landbouw opereert binnen de wettelijke kaders op het gebied van natuur, er is derhalve geen reden de sector op slot te zetten. Indien de sector op slot gezet wordt, zijn ook investeringen die bijvoorbeeld de emissie van ammoniak verminderen, niet mogelijk. 18.Binnen het gebiedstype ‘Natuur’ wordt gesuggereerd dat alle gronden binnen dit gebiedstype een functie en gebruik als natuur hebben. Er wordt gesuggereerd dat geen landbouwgrond meer voorkomt.
LTO verzoekt op de verbeelding duidelijk te maken waar ook andere functies zitten. Indien er sprake is van agrarisch gebruik, dan moet dat gebruik uitgangspunt blijven. Andersom moet duidelijk worden waar EHS/NNN binnen het gebiedstype aanwezig is, omdat wordt vermoed dat het gebiedstype ‘Natuur’ groter is dan de aangewezen EHS/NNN gebieden. 19.In het PRE-OP wordt voorgesteld om duurzaamheidsmaatregelen op te nemen die tegemoetkomen aan de doelen van de Leeuwarder Energie-agenda, Klimaatadaptatie en Circulaire economie. Wat LTO Noord betreft is een omgevingsplan voorwaarde scheppend waarin beschreven wordt wat kan, niet wat moet.
4
20.LTO stelt voor om in de verbrede MER (OER) ook het onderwerp sociaaleconomische en landbouwkundige kant van de ontwikkelingen op te nemen. 21.LTO wil graag weten hoe het voorstel voor de bescherming van cultuurhistorische waarden doorwerkt voor de agrarische bedrijfsgebouwen. Dit kan een last betekenen voor de agrariër. Bij de aanwijzing tot monument moet een transparante procedure doorlopen worden die het mogelijk maakt om de duiding van hun panden aan te vechten. 22.Met betrekking tot de naamgeving van de gebieden vreest LTO dat dit voor verwarring kan gaan zorgen. Binnen de gebiedstypes zijn namelijk wel andere functies mogelijk, deze functies komen in verschillende verhoudingen voor. Wellicht is een neutralere naamgeving beter, om te voorkomen dat er een stempel wordt gedrukt op de gebieden (bijvoorbeeld landelijk gebied 1, 2 en 3). 23.LTO geeft aan dat hun constructieve aandacht voor het omgevingsplan wordt gefrustreerd door de lijn die is gekozen voor het gebiedstype Veenweide. Leden van LTO hebben ook emotioneel hierop gereageerd. De gemeente lijkt zich niet te realiseren wat een blokkade van de ontwikkeling van de betreffende bedrijven met zich meebrengt. Inspraakreacties van 34 agrariërs per onderwerp/thema 1. Gemeente Leeuwarden heeft geen weet van wat er in de agrarische sector speelt en hoe deze sector werkt.
Het filmpje over veenweide is tenenkrommend en denigrerend. In de dialoogsessie wordt gesproken over ‘intensieve landbouw’ hetgeen onwaar is, alle bedrijven zijn grondgebonden. De vraag is of de gemeente overziet wat de gevolgen van dit PRE-OP zijn voor alle boerenfamilies, die zich overvallen voelen door het PRE-OP. Er is bij de agrariërs in het gebiedstype ‘Veenweide’ geen draagvlak voor het PRE-OP, onder andere doordat zij het gevoel hebben dat de uitgezette lijn niet in overleg met hen is ingevuld. Tijdens de bijeenkomsten in 2018 was er nog geen sprake van het gebiedstype ‘Veenweide’. Gemeente Leeuwarden moet het vertrouwen herwinnen van de boeren. Als voorbeeld voor een goede aanpak van het proces, wordt het veenweideprogramma van provincie en Wetterskip genoemd. Dit is een proces van onderop. 2. In het PRE-OP wordt aangegeven dat de gemeente agrariërs de ruimte wil geven om te ondernemen. Als voorbeeld wordt genoemd natuurinclusieve landbouw en streekgerichte voedselproductie. Uitbreiding van het bestaande bedrijf wordt niet benoemd. Bovendien, door alle maatregelen die worden genoemd (geen ruimte voor uitbreiding stallen en veestapels), wordt de ruimte in zijn geheel teniet gedaan. Agrariërs kunnen hun bedrijven niet exploiteren en ontwikkelen op de manier waarop zij dat naar eigen inzicht zouden willen.
De passie van de boeren ligt bij de melkveehouderij, zij willen niet gedwongen worden tot omschakeling naar streekgerichte voedselproductie. 3. Voor veel bedrijven in het gebiedstype ‘Veenweide’ geldt dat zij niet gevestigd zijn op veengrond, maar op kleigrond of op klei-op-veen grond. In dit PRE-OP worden zij voor het eerst aangemerkt als ‘Veenweide’. De aanwezige kleilagen variëren in dikte van 30 cm tot 200 cm. Dit gebied is wezenlijk anders dan bijvoorbeeld Aldeboarn of De Deelen, waar sprake is van significant meer veen. Provincie Fryslân en Wetterskip Fryslân zijn bezig met het veenweideprogramma 2021-2030. In dit kader zijn in de veenweidegebieden de lagen en diktes in de bodem in kaart gebracht. Iedere agrariër, die binnen het werkingsgebied van het veenweideprogramma valt, beschikt over de resultaten van de bodemonderzoeken. Het kan niet zo zijn dat de gemeente andere kaarten met gebiedsgrenzen van het veenweidegebied hanteert dan de provincie en het Wetterskip. Verzocht wordt de begrenzing voor het gebiedstype ‘Veenweide’ aan te passen aan de begrenzing die Provincie Fryslân en Wetterskip Fryslân hanteren. Dan zal een aantal agrariërs buiten het gebied ‘Veenweide’. 4. Het beperken van de ontwikkelingsmogelijkheden in het gebedstype ‘Veenweide’ ontneemt de betrokken agrariërs het perspectief op de ontwikkeling van het bedrijf.
Om als bedrijf, in een markt met flinterdunne marges, mee te kunnen blijven doen, is kostenefficiëntie een must voor het voortbestaan. Alleen door ontwikkeling van de bedrijven, kunnen kosten (verder) worden
5
beteugeld. Het beperken van de mogelijkheden, maakt het ‘bijblijven’ in de markt onmogelijk. Agrarische bedrijven in het gebiedstype ‘Veenweide’ worden feitelijk gesaneerd, zonder dat er compensatie is, hetgeen een kwalijke zaak is. 5. Door het voorgaande punt, beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden, daalt de waarde van het betreffende agrarische bedrijf (inclusief de grond). Financiering van bedrijven is gebaseerd op continuïteit, deze is in het geding door de beperkingen in het gebiedstype ‘Veenweide’. Als er geen financieringsmogelijkheden zijn (of onder slechtere voorwaarden) is er geen perspectief om uit te breiden, te moderniseren. Het bedrijf wordt daardoor ook onverkoopbaar (er staan enkele bedrijven te koop waarvoor dit geldt, leegstand en verloedering dreigt). Er ontstaat een groot verschil tussen agrarische bedrijven in het gebied ‘Veenweide’ en het gebied ‘Agrarisch’, een verslechtering van de concurrentiepositie. Boeren in het gebiedstype ‘Agrarisch’ zullen betere financieringsmogelijkheden hebben waardoor de vrees bestaat dat agrarische gronden in het gebiedstype ‘Veenweide’ liggen, gekocht zullen worden door boeren uit het gebiedstype ‘Agrarisch’. Dit terwijl het verdienmodel van boeren toch al onder druk staat.
6. Het beperken van de ontwikkelingsmogelijkheden van de bedrijven in het gebiedstype
‘Veenweide’ is niet in overeenstemming met het beleid dat provincie Fryslân, Wetterskip Fryslân en de Friese veenweidegemeenten (ook Leeuwarden??) hebben neergelegd in het (ontwerp) Veenweideprogramma 2021-2030 ‘Foarút met de Fryske Feangreiden’. Hierin staat onder andere:
"De landbouw is een cruciale schakel in het realiseren van de opgaven. De boeren in het veenweidegebied beheren bijna tweederde van het landschap. Zonder een vitale landbouw met een goed en houdbaar verdienmodel redden we het niet." 7. Als agrariër ervaren we geen verschillen tussen het veenweidegebied en het gebiedstype ‘Agrarisch’, het is de gemeente die in hokjes denkt en de agrariërs indeelt. Wij ervaren geen bodemdaling. Onze bodem bestaat voor een groot deel uit klei. Inspreker wil dezelfde mogelijkheden als in het gebiedstype ‘Agrarisch’. Het veenweidegebied wordt weggezet alsof het een probleemgebied zou zijn. 8. In het PRE-OP wordt gesproken over omschakeling naar extensieve landbouw. De boeren in het Leechlân gebruiken de grond al extensief, sommigen biologisch. Het gebruik van de gronden in het Leechlân is dus absoluut niet intensief, zoals de gemeente meerdere malen noemde. Gemeente Leeuwarden is kennelijk niet op de hoogte van de aard van de aanwezige bedrijven. 9. De regel die bepaalt dat het aantal dieren niet mag toenemen, hoeft niet in het omgevingsplan opgenomen te worden. Dierenaantallen worden al gereguleerd door andere wet- en regelgeving. Denk hierbij aan het fosfaat- en mestquotum. Als een agrariër meer vee wil houden, moet hij al aan strenge regels (natuurwetgeving) voldoen. 10.Diverse insprekers geven aan dat de grondsoort niet zorgt voor bodemdaling.
Het kleipakket is daarvoor voldoende dik. Er vindt door aanwezigheid van het kleipakket geen oxidatie plaats. Als er sprake is van bodemdaling, wordt deze veroorzaakt door 6 boorlocaties die naar gas boren onder dit gebied. 11.Inspreker vraagt zich af hoe verleende vergunningen worden overgenomen in het omgevingsplan. Indiener heeft een vergunning voor het realiseren van een camping, een waterpartij, de bouw van 20 recreatiewoningen, 2 schiphuizen en een pontgebouw. De volgende ingebrachte punten komen overeen met de punten die LTO ook heeft ingebracht. 12.Zie punt 3 LTO 13.Zie punt 5 LTO met daarbij de aanvulling dat de grond te duur is voor houtteelt
6
14.Zie punt 8 LTO 15.Zie punt 10 LTO met als toevoeging dat het belang van de boeren zit o.a. in loslopende honden en het verspreiden van ziekten door honden, zwerfafval in het grasland. 16.Zie punt 12 LTO met als aanvulling dat 1 hectare te klein is. Zelfs onder de voormalige gemeente Idaerderadeel was er sprake van een bouwblok van 2 hectare (bij recht). 17.Zie punt 16 LTO met aanvulling dat de agrarische bedrijven geen negatieve gevolgen hebben op de Natura-2000 gebieden. Bovendien hebben (en benutten) de agrariërs de mogelijkheid van extern salderen waarbij er bij iedere transactie 30% wordt afgeroomd. Hierdoor neemt in dit gebied de ammoniakemissie af en komt dit ten gunste van het Natura-2000 gebied. Verzocht wordt om alle regels die er toe dienen het Natura-2000 gebied te beschermen, te schrappen. Deze maatregelen zijn buiten proportie en overbodig. 18.Zie punt 17 LTO met de toevoeging dat uitbreiding van stallen in het kader van dierenwelzijn ook niet mogelijk zal zijn. Inspraakreacties 10 instanties Inspraakreactie De Friese Voedselbeweging De Friese Voedselbeweging heeft belang bij ruimte voor nieuwe initiatieven (gezonde voedselproductie, gezonde bodems, sociale cohesie, biodiversiteit, waterkwaliteit, waterberging). De Friese Voedselbeweging geeft aan graag betrokken te worden bij het verdere proces en uitwerking.
Inspraakreactie Verhagen Groep – Rentmeesterij & Adviesbureau onroerende zaken De begrenzing van het PRE-OP aan de kant van Wergea is niet geheel duidelijk. Het lijkt of een strook grondgebied in het PRE-OP en in bestemmingsplan Wergea valt. Inspreker verzoekt de overlap te verwijderen. Inspraakreactie Stichting It Grienedykster Gea De Stichting beschrijft onder het kopje ‘algemene zienswijzen’ een aantal standpunten, zonder te verwijzen naar hoe dit betrekking heeft op het PRE-OP. Daarnaast zijn de volgende punten ingebracht. 1. Op basis van de negatieve maatschappelijke bijdrage van de gangbare melkveehouderij is er geen reden om ontwikkelruimte vrij te maken voor deze activiteit. Globaal aangegeven is het maatschappelijke resultaat per boer in onze gemeente minimaal € 80.000,- per jaar negatief. 2. Landbouwmethodes die leunen op fossiele energie, fossiele mineralen en niet duurzame methodes toepassen zouden geen ruimte behoren te krijgen in een omgevingsplan. Hiermee wordt o.a. gedoeld op krachtvoer dat is geproduceerd en verbouwd met kunstmest. Ook aan niet duurzame bedrijfsactiviteiten en bedrijfsvormen zouden geen ruimte geboden moeten worden in het omgevingsplan. 3. Inspreker verzoekt in het omgevingsplan uitsluitend ontwikkelruimte te bieden aan bedrijfsvoeringen op basis van een korte koolstof-kringloop en 1 koe per hectare. 4.
Het omgevingsplan zou slechts ontwikkelruimte moeten bieden aan bedrijfsvoeringen op basis van hoog waterpeil en zonder grondbewerking, om CO2 uitstoot te berperken. 5. Het omgevingsplan zou slechts ontwikkelruimte moeten bieden aan bedrijfsvoeringen die het organische stofgehalte in de bodem niet verder verminderen en bij voorkeur herstellen. 6. Het omgevingsplan zou slechts (ontwikkel)ruimte moeten geven aan bedrijfsvoeringen die het bodemleven niet verstoren en bij voorkeur zo goed mogelijk herstellen. 7. In het omgevingsplan zouden alleen bedrijven, die werkwijzen toepassen die de biodiversiteit versterken/herstellen, ontwikkelruimte moeten krijgen.
7
8. In het omgevingsplan zou slechts ontwikkelruimte gegeven moeten worden aan bedrijven die afscheid nemen van drijfmest en overgaan op volledige beweiding en dien ten gevolge de bijpassende schaalgrootte hebben. 9. Het omgevingsplan zou ontwikkelruimte moeten bieden aan de agrarisch ondernemer om de marktpositie te verbeteren door over te gaan op gemengd bedrijf, verwerking en vermarkting (verkoop eigen produkten). Dit omvat ook horeca-activiteiten om klantinteractie op basis van beleving en waarde te faciliteren. Deze wijziging in bedrijfsvoering heeft alleen zin wanneer de ‘waarde-propositie’ van de agrarisch ondernemer ook positief is, wanneer de bedrijfsvoering een positieve maatschappelijke kosten-baten uitkomst heeft. 10.Het omgevingsplan zou ontwikkelruimte moeten bieden om agrarische bedrijven te splitsen in meerdere kleine agrarische bedrijven om overname en bedrijfsopvolging te faciliteren. Ook zou er ruimte moeten zijn voor het opstarten van nieuwe kleinschalige agrarische bedrijven. 11.Inspreker stelt voor nog meer gebiedstypen ‘Agrarisch’ te introduceren, zoals ‘AgrarischGangbaar’, ‘Agrarisch-Circulair’, ‘Agrarisch-Ecologisch’, ‘Agrarisch – Toekomstgericht’. 12.Vernieuwende bedrijven en nieuwe ondernemers zouden op kleine schaal agrarische bedrijven moeten kunnen starten.
De gebiedstypen ‘Wonen’, ‘Wonen met hobbyvee’ en ‘Woonboerderij’ zouden hier mogelijkheden voor moeten bieden. 13.Het buitengebied bij Jirnsum zou ook onder het gebiedstype ‘Veenweide’ moeten vallen omdat dit dezelfde problematiek kent. 14.Het omgevingsplan zou ook rekening moeten houden met het Natura-2000 gebied ‘Sneekermeergebied’ aangezien dit gebied op circa 30 meter van het plangebied ligt. 15.In het kader van het omgevingsplan zou een soort grondbank / herontwikkelingsmaatschappij opgezet kunnen worden. Dit zou het proces bespoedigen van bedrijfsverplaatsingen, omvorming van werkwijze / activiteiten, ontwikkelruimte, recreatieve voorzieningen etc. Inspraakreactie burgerinitiatief Bijen Flinter Lint & Ecologisch Berm Beheer Het burgerinitiatief Bijen Flinter Lint & Ecologisch Berm Beheer heeft belang bij een goed omgevingsplan voor biodiversiteit, herstel hiervan met ruimte voor nieuwe initiatieven gericht op gezonde bodems en ecologisch beheerde bermen die bijdragen aan onze gezondheid, leefbaarheid, sociale cohesie, biodiversiteit, waterkwaliteit, waterberging en klimaat. Het burgerinitiatief Bijen Flinter Lint & Ecologisch Berm Beheer geeft aan graag betrokken te worden bij het verdere proces en uitwerking.
Inspraakreactie Frijlân De bewoners en werkers op Frijlân zijn tevens ontwikkelaars en gebruikers van Oerfloed en onderdeel van de Stichting Permacultuur Friesland (zie ook de volgende inspraakreactie). Frijlân geeft aan graag op de hoogte te worden gehouden en graag mee te denken in het verdere proces met betrekking tot het omgevingsplan. Het valt inspreker op dat onderwerpen gesegregeerd worden behandeld in het omgevingsplan in plaats van geïntegreerd. Biodiversiteit en natuurontwikkeling staan apart vermeld van agrarische activiteiten. Frijlân merkt op dat deze zaken gecombineerd kunnen worden. Om die reden verzoekt Frijlân permacultuur mee te nemen als ontwerpsysteem voor de aanpak van omgevingsplannen. Inspraakreactie Stichting Permacultuur Friesland (SPF) SPF vindt het belangrijk dat in het omgevingsplan voldoende ruimte wordt geboden om de toepassing van permacultuur in brede zin mogelijk te maken. SPF wil graag op de hoogte worden gehouden van het vervolgproces en SPF levert graag input voor het vervolg. Inspraakreactie Friezen voor Frisse Lucht 1. In het PRE-OP wordt gesteld dat bij het opstellen van de regels zo goed mogelijk rekening gehouden zal worden met positieve effecten op onze gezondheid. Om dit te bewerkstelligen zal in de regels een verbod op zowel kleine als grote biomassacentrales opgenomen dienen te worden. 2.
Ook zal het stoken van hout als particuliere verwarmingsbron, ten minste binnen
8
woonkernen, verboden moeten worden. Bij het verbranden van houtachtige producten zijn de vrijkomende stoffen, met name roet, kankerverwekkende PAK's, fijnstof en ultrafijnstof, zeer schadelijk voor de gezondheid. Fijnstof veroorzaakt longaandoeningen, hart- en vaatziekten. Mensen met astma, COPD en Covid19 hebben hier heel veel last van. In het stookseizoen worden in woonkernen dagelijks de normen van het WHO voor de uitstoot van fijnstof overschreden. 3. In het kader van het punt ‘duurzaamheid’ wordt opgemerkt dat het verstoken van hout geen onderdeel hoort te zijn van de Leeuwarder Energieagenda. De vrijkomende CO2 veroorzaakt een toename in de atmosfeer, terwijl dat juist niet de bedoeling is. Bij het verstoken van hout, zowel op woningniveau alsook in biomassacentrales, komt tweemaal zoveel CO2 vrij als bij het verbranden van gas. 4. In het kader van het punt ‘luchtkwaliteit’ wordt opgemerkt dat bij het verbranden van hout behalve fijnstof ook het nog gevaarlijker ultrafijnstof vrijkomt. Vooral dit laatste dringt diep binnen in de longen van omwonenden. In een omgevingsplan dienen installaties, zowel particuliere houtkachels als biomassacentrales, expliciet te worden uitgesloten. Inspraakreactie Nederlandse Melkveehouders Vakbond (NMV) 1. NMV ondersteunt de door LTO ingebrachte reactie. 2. Met het verbod op groei wordt het boerenbedrijf een sterfhuisconstructie.
Bedrijven worden onverkoopbaar. Dit zorgt voor grote persoonlijke problemen bij de oudere boeren. Financiering wordt lastiger waardoor ook investeringen in bijvoorbeeld milieumaatregelen onmogelijk worden. 3. De landbouwsector is crisis-bestendig. Om die reden is NMV verbaasd over het ingenomen standpunt. NMV vindt het belangrijk om de agrarische bedrijven in stand te houden. Inspraakreactie Hûs en Hiem 1. De doelstellingen van de Omgevingswet worden in het PRE-OP onvolledig en daarmee onjuist beschreven. Elke verwijzing naar het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit ontbreekt, terwijl dit wel een belangrijke doelstelling van de Omgevingswet is en de basis vormt voor het beschermen van de kwaliteiten van het landschap, de dorpen en de steden. Door dit aspect als besluitpunt 21 door te schuiven naar een volgend stadium, wordt bij de start al de kans gemist op een integrale aanpak. 2. In het PRE-OP ontbreekt een open en transparant afwegingsproces. Veel ontwikkelingen, waarvoor nu nog een procedure nodig is, worden straks zondermeer mogelijk. Hier ontstaat een hiaat in het proces waarbij niet alle belangen goed afgewogen kunnen worden. In het PRE-OP wordt nauwelijks aandacht besteed aan een open en transparant afwegingsproces waarbij participatie een duidelijke invulling zou moeten krijgen. 3.
Hûs en Hiem adviseert bij het opstellen van het omgevingsplan niet uit te gaan van ‘hoe kunnen we zo veel mogelijk regels schrappen’. Hûs en Hiem adviseert een integraal omgevingsplan op te stellen gebaseerd op de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet. 4. De term ‘welstandsvergunning’ wordt geïntroduceerd in het PRE-OP. Dit is een niet bestaande term en is ook niet gebaseerd op bestaande of nieuwe wetgeving. De term roept verwarring op. Hûs en Hiem adviseert de term te schrappen en beleidsregels op te stellen voor de plaatsing en het uiterlijk voor bouwwerken. Deze beleidsregels kunnen worden opgenomen in het omgevingsplan. 5. In het PRE-OP worden keuzes gemaakt die van grote invloed kunnen zijn op de toekomstige ontwikkelingen van het landschap en de omgeving. Er is geen analyse van mogelijke negatieve gevolgen van de geboden vrijheden. Scenario’s zouden gevisualiseerd kunnen worden. Hûs en Hiem adviseert de kwaliteiten van de omgeving goed inzichtelijk te maken en de mogelijke consequenties van het ‘loslaten’ beter inzichtelijk te maken. 6. Hûs en Hiem biedt aan constructief mee te denken en te werken aan de vernieuwing van het beleid en aan het optimaliseren van processen voor de borging van een goede omgevingskwaliteit.
9
Inspraakreactie Kening Kening is een burgerbeweging die zich inzet voor biodiversiteit in het landschap. Kening heeft belang bij ruimte voor nieuwe initiatieven gericht op het behoud en herstel van biodiversiteit. Kening geeft aan graag betrokken te worden bij het verdere proces en uitwerking. Inspraakreacties bewoners, grondeigenaren, soms ook verbonden aan instanties als de vogelwacht of plaatselijk belang, maar niet formeel namens hen gereageerd. inspraakreactie bewoner van het gebied 1. Indiener geeft aan dat met het voorgestelde PRE-OP geen boeren overblijven. En zonder boeren zijn er ook geen weidevogels. 2. Indiener geeft aan gronden in de verkoop te hebben in het gebiedstype ‘Veenweide’. Door deze naam aan het gebied te geven is de grond direct minder waard geworden. 3. Indiener stelt voor om te stoppen met dit omgevingsplan en met een nieuwe manier van werken met de inwoners van het gebied tot een beter plan te komen. inspraakreactie bewoner van het gebied 1. Inspreker geeft aan dat niet expliciet in het omgevingsplan staat dat in het gebiedstype ‘Veenweide’ geen plek is voor zonnepanelen. Inspreker gaat er van uit dat het ook niet de bedoeling is zonnepanelen toe te staan. Inspreker verzoekt zonneparken en windmolens, anders dan voor eigen gebruik, expliciet uit te sluiten ter bescherming van het landschap. 2.
Inspreker verzoekt de regeling voor Bêd en Brochje te verruimen zodat er mogelijkheden ontstaan voor recreatieappartementen in de bestaande bebouwing. Dit kan zorgen voor (compenserende) neveninkomsten. 3. Naast fiets- en wandelroutes zouden kano-routes (of voor andere kleine bootjes) gefaciliteerd kunnen worden. inspraakreactie bewoner van het gebied 1. De dialoogbijeenkomsten waren niet goed georganiseerd. Veel mensen hebben de bijeenkomsten daardoor moeten missen. 2. De gemeente heeft geen idee van de gevolgen van het PRE-OP op onder andere de boeren. Leefbaarheid van het platteland is dat de boeren hun gang kunnen gaan. inspraakreactie bewoner van het gebied 1. Inspreker verzoekt om meer maatwerk voor agrariërs in het gebied ‘Veenweide’. Ze hebben wellicht iets meer lucht nodig om te boeren of om om te schakelen naar een andere bedirjfsvoering. 2. Inspreker mist de focus op het belang van biodiversiteit in het omgevingsplan. 3. Inspreker verzoekt aandacht te besteden aan het opvullen van gaten in de bebouwing van de dorpen en het veranderen van bedrijfspanden naar huurwoningen voor jongeren/ouderen. 4. Zonnepanelen zouden alleen op daken toegestaan moeten worden. 5. Inspreker verzoekt wandelpaden aan te leggen langs nieuwe bebouwing zoals in Wergea (langs Nieuwe Hoek, De Mounder).
inspraakreactie bewoner van het gebied Inspreker vraagt zich af of er wel echt sprake is van participatie. Vaak zijn het dezelfde mensen die bij bijeenkomsten komen en reageren. Niet iedereen wordt bereikt.
10
inspraakreactie bewoner van het gebied 1. Inspreker verzoekt tussen de Alde Feanen en het Veenweidegebied nog een gebiedstype opnemen: overgangsgebied. Dit omdat dieren zich niet aan grenzen houden en in dit overgangsgebied vaak foerageren. 2. Inspreker is van mening dat zonnepanelen eerst op daken moeten worden gelegd en dat het gebied zich niet leent voor zonneweides. inspraakreactie bewoner van het gebied Deze bewoners van het gebied hebben als vertegenwoordiger van de Stichting It Grienedykster Gea een gelijkluidende reactie ingediend. Voor de samenvatting van de inspraakreactie wordt kortheidshalve verwezen naar “43 Inspraakreactie Stichting It Grienedykster Gea”.
11