CConstaterende datLeeuwarden
Koppel je AI →
Document · PDF

Samenvatting_evaluatie_Wet_veiligheidsregios_dec_2020.pdf

Informatiebijeenkomst MS Teams - RZ 24 maart 2021, gemeente LeeuwardenBij agendapunt: Veiligheidsregio Fryslân Organisatieontwikkeling democratische controle3.719 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Evaluatie Wet veiligheidsregio’s

Samenvatting, conclusies en adviezen naar toekomstbestendige crisisbeheersing en brandweerzorg 4 DECEMBER 2020

Samenvatting Tien jaar na de invoering van de Wet veiligheidsregio’s heeft de evaluatiecommissie Wet veiligheidsregio’s onderzocht hoe de wet- en regelgeving uitpakt. In opdracht van de minister van Justitie en Veiligheid is onderzocht of de wet aansluit bij de huidige situatie. Ook is onderzocht of de wet voldoende is voorbereid op toekomstige dreigingen, maatschappelijke ontwikkelingen en ontwikkelingen in de crisisbeheersing in het algemeen. De centrale onderzoeksvraagvraag van de evaluatie luidde: In hoeverre draagt de huidige Wet veiligheidsregio’s bij aan de beheersing van risico’s voor burgers en de aanpak van incidenten en crises en hoe sluit de wet aan op trends in crises, crisisbeheersing en brandweerzorg? In antwoord op deze vraag formuleert de commissie een aantal conclusies en adviezen. Professionalisering De Wet veiligheidsregio’s (Wvr) heeft in de afgelopen tien jaar bijgedragen aan professionalisering van crisisbeheersing en brandweerzorg. Door het vormgeven van een regionale organisatie is de operationele slagkracht versterkt. Hulpdiensten werken effectiever samen. Bovendien is de ontwikkeling van kennis en expertise verbeterd. De positie van voorzitter veiligheidsregio zorgt voor duidelijkheid. Voor de incidenten en crises met een lokaal of regionaal effect - dat is het merendeel - volstaat het huidige stelsel.

De huidige wet biedt mogelijkheden om invulling te geven aan democratische legitimiteit, maar deze mogelijkheden worden beperkt benut. Ook financiering door een combinatie van landelijke en gemeentelijke middelen, zoals nu het geval is, volstaat. De commissie adviseert daarom het stelsel van veiligheidsregio’s in principe niet te veranderen. Wel moeten veiligheidsregio’s de mogelijkheid hebben om te kunnen fuseren of samen te gaan met andere gemeenschappelijke regelingen. Complexe en onvolledige wet De Wvr regelt de inhoudelijke aspecten van crisisbeheersing, maar ook de organisatiestructuur ervan. Daarmee is de Wvr naar het oordeel van de evaluatiecommissie een complexe en onevenwichtige wet, die vooral gericht is op individuele veiligheidsregio’s. De wet benoemt niet eenduidig en consequent welke taken en organisaties een rol spelen in crisisbeheersing. Ook is de wet te complex en te vrijblijvend over sommige taken en bevoegdheden bij crisisbeheersing. Dat leidt tot vrijblijvendheid in de samenwerking, waardoor gezamenlijke kaders niet tot stand komen. De Wvr belemmert bovendien een flexibele afstemming tussen verschillende domeinen, die nodig is bij de bestrijding van grensoverschrijdende crises. Samenwerking tussen veiligheidsregio’s of samenwerking met de nationale crisisbeheersingsorganisatie of internationale partners wordt nauwelijks gestimuleerd.

Verder ontbreekt in de wet verbinding tussen crisisbeheersing op centraal en decentraal niveau. Het verschil tussen de beschrijving van brandweerzorg en die van bevolkingszorg en geneeskundige hulpverlening is te groot. De wet richt zich nu vooral op preparatie en respons en niet op de integrale cyclus van crisisbeheersing, waar ook risicoanalyse en herstel bij horen. Kwaliteitseisen zijn in wisselende mate uitgewerkt en op onderdelen te gedetailleerd. Flexibele netwerksamenwerking Veranderingen in de samenleving hebben invloed op de effectiviteit van de wet. Risico’s en crises zijn steeds meer onvoorspelbaar geworden. Ze zijn vaak ingewikkelder dan een grote brand en houden zich niet aan regio- of landsgrenzen. Het is moeilijker om crises af te bakenen, bijvoorbeeld geografisch, beleidsmatig of qua tijdsduur. Sociale media dragen eraan bij dat plaatselijke gebeurtenissen een landelijke of zelfs internationale impact kunnen hebben. Sluimerende crises kunnen langzaam ontstaan, uitdoven en weer snel aanwakkeren. Actuele dreigingen zijn veelzijdig: van een digitale hack of een terroristische aanval tot boerenprotesten en de klimaattransitie. covid-19 laat zien dat een crisis van ogenschijnlijk onvoorstelbare

proporties mogelijk is. Bij de aanpak van crises zijn in toenemende mate meerdere veiligheidsregio’s betrokken, samen met de nationale crisisorganisatie. Ook andere partners zijn in wisselende rollen en samenstelling betrokken. De commissie constateert dat voor de aanpak van crises een flexibele crisisorganisatie is vereist, die wordt vormgegeven op basis van netwerken van crisispartners. Op dit moment is nog te vaak sprake van een bundeling van afzonderlijke regionale verbanden in plaats van gezamenlijke crisisbeheersing. Waar de veiligheidsregio’s individueel goed functioneren bij risico’s en crises binnen de eigen regiogrenzen, schiet dit functioneren tekort bij de aanpak van grensoverschrijdende incidenten. Crisisbeheersing wordt in de toekomst flexibel ingericht, afhankelijk van aard en omvang van aanwezige risico’s en crises. Crisisbeheersing moet meer worden vormgegeven vanuit netwerksamenwerking waarbij alle crisispartners zoveel mogelijk vanuit eigen verantwoordelijkheden en bevoegdheden bijdragen aan crisisbeheersing. Bij de samenstelling van het netwerk moeten de aard en de schaal van de specifieke dreiging of crisis leidend zijn. Omdat crises op verschillende manieren tot uiting kunnen komen, zijn telkens wisselende crisispartners en verschillende expertise nodig.

De bestrijding wordt flexibeler door te werken vanuit een netwerk, zeker wanneer (de effecten van) crises meerdere domeinen raken. De aard en omvang van een crisis moeten bepalend zijn voor de crisisbestrijding en niet de grens van een regio, de begrenzing van bestuurlijke bevoegdheden of het werkgebied van organisaties. Dat geldt voor alle fasen van crisisbeheersing. Nieuwe wet De huidige trends in de samenleving vragen om een nadrukkelijker onderscheid in de wet tussen crisisbeheersing en brandweerzorg. Beide moeten gezien worden als eigenstandige vakgebieden, kennen eigen uitdagingen en moeten een eigen ontwikkelpad volgen. De commissie adviseert om de Wvr te wijzigen in een Wet crisisbeheersing en brandweerzorg. Dat betekent niet dat de effectieve samenwerking tussen beide verloren gaat. De commissie adviseert verder om de functies van crisisbeheersing en brandweerzorg in de wet voorop te zetten in plaats van de organisatie veiligheidsregio. De commissie adviseert om crisisbeheersing in de nieuwe wetgeving in te richten als een cyclisch proces dat risicoanalyse, preparatie, respons en herstel omvat. Alle betrokken partners dragen gezamenlijk verantwoordelijkheid voor elke fase in het proces. In de huidige wet zijn met name risicoanalyse en herstel onderbelicht. Gezamenlijke risicoanalyse vormt het uitgangspunt voor het vormgeven van samenwerking bij crisisbeheersing.

De commissie adviseert om de nieuwe wet minder gedetailleerd te maken dan de huidige Wvr en onderliggende besluiten. De organisatie- en inrichtingsbepalingen moeten tot een minimum worden beperkt. In de financiering van veiligheidsregio’s moet onderscheid gemaakt worden tussen taken voor crisisbeheersing en taken voor brandweerzorg. De commissie adviseert om uit te gaan van de eigen verantwoordelijkheid van partners voor aansluiting bij crisisbeheersing. Daarbij krijgt de dienst crisisbeheersing van de veiligheidsregio een regisserende taak. De dienst crisisbeheersing krijgt hiermee ook de regie over de geneeskundige hulpverlening, bevolkingszorg en crisiscommunicatie. Een separate GHOR-organisatie is daarom niet nodig. De nationale crisisbeheersingsorganisatie moet onderdeel worden van de wetgeving.

Eén organisatie Crisisbeheersing op de schaal van risico of crisis betekent dat er bij de bestrijding van een crisis in de responsfase zowel centraal als decentraal sprake moet zijn van één eenduidige crisisstructuur. Daarbinnen werken alle betrokken partners uit verschillende domeinen samen. Tijdens de crisis (in de responsfase) moet de crisisbeheersing decentraal bij voorkeur vanuit een tweelagenstructuur worden uitgevoerd. Dat betekent dat er één crisisteam functioneert op bestuurlijk niveau en één crisisteam op operationeel niveau, waarbij de schaal van de crisis leidend is. Het onderscheid tussen ramp en crisis en het begrip opperbevel kunnen verdwijnen. De verbinding met de nationale crisisbeheersingsorganisatie moet in de wet nadrukkelijker worden geborgd. Flexibiliteit is belangrijk, maar vraagt wel om duidelijke verantwoordelijkheden en bevoegdheden. De commissie adviseert om de regie over crisisbeheersing decentraal te beleggen bij de burgemeesters en voorzitters veiligheidsregio en centraal bij de minister van Justitie en Veiligheid (JenV). De besturen van de veiligheidsregio’s worden gezamenlijk verantwoordelijk voor de preventie, preparatie, respons en herstel van regio-overstijgende (risico’s op) crises en incidenten.

De burgemeesters, voorzitters veiligheidsregio en de minister van JenV krijgen bevoegdheden om te interveniëren wanneer samenwerking onvoldoende tot stand komt. De wettelijke bevoegdheden van de burgemeester en de voorzitter tijdens crisisrespons blijven bestaan. Wel moet de democratische legitimiteit tijdens een langer durende crisis geborgd worden. Gezien de reguliere bevoegdheden die de commissaris van de Koning al heeft om de samenwerking tussen bestuurders te bevorderen, zijn geen bijzondere bevoegdheden nodig in de nieuwe wet. Brandweerzorg De commissie adviseert om brandweerzorg en crisisbeheersing in de wet en in de praktijk duidelijk van elkaar te onderscheiden. De brandweerzorg krijgt daardoor een eigenstandige positie. De brandweer kent een eigen identiteit en eigen ontwikkelpad, waarbij de verbinding met crisisbeheersing behouden blijft. De Wvr regelt basisbrandweerzorg op regioniveau, maar stimuleert niet om tot gezamenlijke kaders te komen. De besturen van de veiligheidsregio's moeten gezamenlijk verantwoordelijk worden voor het periodiek formuleren van de landelijke opgaven voor de brandweer. Daarbij worden ook de normen en standaarden vastgesteld, net als een plan om dat te borgen en handhaven.

Op basis van de gemaakte afspraken en de regionale behoeften maken de besturen van de veiligheidsregio’s een evenwichtige verdeling van de menskracht, de middelen en het materieel. Daarnaast zal zowel individueel als gezamenlijk moeten worden geïnvesteerd in het lerend vermogen van de brandweer. De brandweer krijgt de wettelijke verantwoordelijkheid voor het adviseren, stimuleren en regisseren van brandveiligheid. Randvoorwaardelijke processen De voorwaarden voor flexibel en effectief samenwerken zijn een goede informatievoorziening, het ontwikkelen en delen van kennis, het vaststellen van normen, het bewaken van de kwaliteit en de financiering. Invulling en borging van deze processen in alle fasen van crisisbeheersing is noodzakelijk om de gewenste doorontwikkeling te realiseren, maar ook om regisserende taken te kunnen uitvoeren. De commissie adviseert om een wettelijke basis te creëren voor gemeenschappelijke informatievoorziening. Zo kunnen alle crisispartners beschikken over dezelfde actuele informatie, ongeacht de fase waarin de crisis zich bevindt. Op dit moment ligt de focus in de wet te veel op operationele informatievoorziening bij flitsincidenten en -crises, wat niet aansluit bij de huidige dreigingen in de maatschappij. De regie over deze informatievoorziening komt te liggen bij burgemeesters, voorzitters veiligheidsregio en minister van JenV.

De commissie adviseert om wettelijk vast te leggen dat kennisontwikkeling en leren onderdeel worden van het stelsel van crisisbeheersing. Het Instituut Fysieke Veiligheid (IFV) heeft op basis van de Wet veiligheidsregio’s een onduidelijke positie en de wet borgt de onafhankelijkheid van het IFV onvoldoende. De bestuursstructuur, diversiteit aan taken, onevenwichtige uitwerking van kennis en opleiding tussen crisisbeheersing en brandweerzorg in de Wvr hinderen het IFV in haar taakuitvoering. De commissie adviseert om te komen tot een zelfstandig en onafhankelijk opleidings- en kennisinstituut op het gebied van crisisbeheersing en brandweerzorg. Op basis van de wet moeten de veiligheidsregio’s en het ministerie van JenV gezamenlijk heldere kwaliteitseisen en -normen ontwikkelen en die regelmatig herijken. Het stelsel van crisisbeheersing moet hiermee zelf aan kunnen tonen dat crisisbeheersing op een voor de samenleving aanvaardbaar niveau wordt georganiseerd. Kwaliteitszorg moet met elkaar worden vormgegeven, waarbij ook het netwerk van crisispartners wordt betrokken. Op basis van terugkoppeling worden processen regelmatig bijgesteld. Ook hiervoor ligt een regisserende taak bij de besturen van de veiligheidsregio’s en de minister van JenV. Het toezicht op het stelsel moet daarop aansluiten.

De commissie realiseert zich dat niet alle aandachtspunten opgelost kunnen worden met wetgeving. Het rapport geldt daarom als een brede visie op crisisbeheersing en brandweerzorg, met wetgeving als basis. Naar het oordeel van de commissie ontstaat zo een flexibel, robuust en adaptief stelsel, dat ook in de toekomst voorziet in de veiligheid van de burger.

Conclusies 1

De Wet veiligheidsregio’s heeft gezorgd voor het professionaliseren van de crisisbeheersing en brandweerzorg en deze onder één regionale bestuurlijke regie gebracht.

2

De Wet veiligheidsregio’s is door de samenvoeging van drie wetten een complexe en onevenwichtige wet geworden. Het is zowel een organieke als een inhoudelijke wet. De Wet veiligheidsregio’s regelt verschillende uitvoerende en coördinerende overheidstaken in één wet. Dat leidt in de praktijk tot onduidelijkheid over de crisisbeheersingstaak van de veiligheidsregio en tot een onheldere positie van de brandweer. Daardoor verloopt de verdere ontwikkeling van zowel crisisbeheersing als brandweerzorg minder goed.

3

4

5

6

7 8

De Wet veiligheidsregio’s draagt bij aan de invulling van de basisbrandweerzorg op regioniveau. Wel zijn enkele knelpunten aan te wijzen. 4.1 De Wet veiligheidsregio’s stimuleert niet of nauwelijks dat de 25 algemeen besturen van veiligheidsregio’s komen tot gezamenlijke kaders, een gezamenlijk beeld van de landelijke slagkracht en uniforme regels en uitgangspunten voor brandweerzorg. 4.2 Het is onduidelijk of de Wet veiligheidsregio’s voldoende mogelijkheid biedt om bedrijven en inrichtingen met een bijzonder gevaar aan te wijzen als bedrijfsbrandweerplichtig. De wetgeving is niet eenduidig in de normering over het functioneren van bedrijfsbrandweren. 4.3 De Wet veiligheidsregio’s geeft onvoldoende positie aan publiek-private samenwerking in brandweerzorg en biedt te weinig mogelijkheden voor gezamenlijke beleidsontwikkeling door publiek-private en publieke brandweerzorg. 4.4 De Wet veiligheidsregio’s borgt de risicobeheersingstaak van de brandweer onvoldoende. Ook stelt de nieuwe Omgevingswet nieuwe eisen aan de invulling van de wettelijke en nietwettelijke adviestaak van de brandweer. De Wet veiligheidsregio’s is gericht op de individuele regio’s en besteedt nauwelijks aandacht aan interregionale, nationale en internationale samenwerking. 5.1 De Wet veiligheidsregio’s biedt nauwelijks prikkels of dwingende bepalingen voor interregionale samenwerking bij crisisbeheersing.

5.2 De Wet veiligheidsregio’s biedt geen prikkels of dwingende bepalingen voor samenwerking tussen veiligheidsregio’s en de nationale crisisbeheersingsorganisatie. 5.3 De Wet veiligheidsregio’s biedt geen prikkels of dwingende bepalingen voor internationale samenwerking op het terrein van crisisbeheersing. De Wet veiligheidsregio’s biedt geen prikkels of dwingende bepalingen om de samenwerking tussen veiligheidsregio’s en crisispartners te stimuleren. Dit leidt tot vrijblijvendheid en diversiteit in samenwerking waardoor essentiële gemeenschappelijke kaders niet tot stand komen. De Wet veiligheidsregio’s beschrijft een rigide structuur voor de coördinatie in de crisisrespons. De aanpak van crises vereist meer flexibiliteit. De Wet veiligheidsregio’s richt zich vooral op de voorbereiding en respons en nauwelijks op risicoanalyse en herstel. Daarmee is de wet niet volledig in het beschrijven van de gehele cyclus van crisisbeheersing en brandweerzorg. 8.1 De Wet veiligheidsregio’s besteedt weinig aandacht aan risicoanalyse als fundament voor crisisbeheersing. Het ontbreekt aan een wettelijke verantwoordelijkheid en coördinatie voor risicobeheersing vanuit gezamenlijk perspectief. 8.2 De Wet veiligheidsregio’s besteedt aandacht aan risicocommunicatie, maar bevat weinig prikkels om in de praktijk te komen tot interactieve en dynamische risicocommunicatie.

8.3 De Wet veiligheidsregio’s besteedt geen aandacht aan de herstelfase als onderdeel van de crisisbeheersing en brandweerzorg. Daarmee wordt de kwaliteitscirkel niet rondgemaakt.

9

10

11

12 13

De Wet veiligheidsregio’s geeft niet eenduidig en consequent aan welke taken en organisaties nodig zijn voor de crisisbeheersing. 9.1 De Wet veiligheidsregio’s is niet duidelijk over de taken die nodig zijn voor de geneeskundige hulpverlening bij crisisbeheersing. Door overlap van taken tussen veiligheidsregio, GGD, Regionaal Overleg Acute Zorgketen (ROAZ) en het overleg niet-acute zorg staat de meerwaarde van de GHOR-taken en -organisatie ter discussie. 9.2 De Wet veiligheidsregio’s maakt niet duidelijk wat bevolkingszorg is en wat de relatie is tussen gemeentelijke crisisbeheersing en bevolkingszorg. Ook beschrijft de wet geen doelen en prestatie-eisen voor bevolkingszorg. Bevolkingszorg is in de praktijk divers georganiseerd en wisselend van niveau. 9.3 Crisiscommunicatie is een van de belangrijkste processen in crisisbeheersing. Deze taak is niet goed geborgd in de huidige wet. 9.4 De Wet veiligheidsregio’s beschrijft geen taken voor de politie, terwijl de politie in de praktijk een vaste crisispartner is. De openbare-ordetaak van de politie raakt de taken van de veiligheidsregio. De crisisstructuren van de politie en de veiligheidsregio’s sluiten niet goed op elkaar aan. 9.5 De meldkamertaak voor de veiligheidsregio komt met de nieuwe meldkamersamenwerking te vervallen. De meldkamerfunctie voor crisisbeheersing en brandweerzorg is wettelijk nog niet voldoende geborgd.

De Wet veiligheidsregio’s is te complex en te vrijblijvend over sommige taken en bevoegdheden voor crisisbeheersing. De partijen binnen het stelsel slagen er niet in om te komen tot een gezamenlijke crisisbeheersing. 10.1 De Wet veiligheidsregio’s maakt een onnodig onderscheid tussen rampen en crises. De wijze waarop wet en praktijk het begrip opperbevel hanteren, maakt de uitvoering complex. 10.2 De Wet veiligheidsregio’s creëert met de voorzitter veiligheidsregio een aanspreekpunt voor het algemeen bestuur en een functionaris met doorzettingsmacht in specifieke situaties. Dat draagt bij aan duidelijkheid ten tijde van de crisisrespons. 10.3 De Wet veiligheidsregio’s geeft het Veiligheidsberaad geen handvatten om invulling te geven aan gezamenlijke vraagstukken en opgaven van de veiligheidsregio’s. 10.4 De Wet veiligheidsregio’s geeft de minister van Justitie en Veiligheid mogelijkheden om te sturen op de gezamenlijke opgaven van veiligheidsregio’s. In de praktijk gebeurt dit nauwelijks. 10.5 De rol van de commissaris van de Koning in het stelsel vloeit in de praktijk voort uit haar reguliere taken. De aanwijzingsbevoegdheden in de Wet veiligheidsregio’s voor de commissaris van de Koning worden in de praktijk niet gebruikt.

10.6 De Wet veiligheidsregio’s gaat niet in op de betrokkenheid van publieke en private partijen in de maatschappij, en specifiek de burger, bij crisisbeheersing en brandweerzorg. De Wet veiligheidsregio’s biedt mogelijkheden om invulling te geven aan de democratische legitimiteit, maar deze mogelijkheden worden beperkt benut. Borging van de democratische legitimiteit tijdens een langdurende crisis ontbreekt. De hybride financiering van veiligheidsregio’s via gemeentelijke en Rijksfinanciering zorgt voor efficiëntie en democratische legitimiteit, maar biedt niet de gewenste sturingsmogelijkheden. Het IFV heeft op basis van de Wet veiligheidsregio’s een onduidelijke positie en de wet borgt de onafhankelijkheid van het IFV onvoldoende.

14

De Wet veiligheidsregio’s borgt de randvoorwaardelijke processen en het toezicht voor crisisbeheersing en brandweerzorg niet optimaal. 14.1 De Wet veiligheidsregio’s borgt een gezamenlijke informatievoorziening, maar in de praktijk wordt hier een smalle invulling aan gegeven. Gedetailleerde eisen in het Besluit veiligheidsregio’s dragen niet bij aan de kwaliteit van informatie. 14.2 De Wet veiligheidsregio’s benoemt een wettelijke verplichting tot het toepassen van een kwaliteitszorgsysteem. Het lukt de veiligheidsregio’s niet om kwaliteitszorg systematisch vorm te geven. 14.3 De Wet veiligheidsregio’s bevat geen duidelijk kwaliteitskader. Gestelde kwaliteitseisen zijn onevenwichtig in vorm (organisatie versus proces), uitwerking en detailniveau. Gedetailleerde en kwantitatieve normen doen geen recht aan de complexiteit van beoogde processen en gezamenlijke prestaties. 14.4 De Wet veiligheidsregio’s stimuleert niet het individueel en gezamenlijk leren van partners in crisisbeheersing en brandweerzorg. De wet stelt geen eisen aan het vakbekwaam blijven van functionarissen. 14.5 Het toezicht richt zich op basis van de Wet veiligheidsregio’s vooral op de organisatie van de veiligheidsregio en op kwantitatieve doelstellingen.

Kernadviezen

Crisisbeheersing

Algemeen

De commissie adviseert om de Wet veiligheidsregio’s te wijzigen in de Wet crisisbeheersing en brandweerzorg. De commissie adviseert om de Wet crisisbeheersing en brandweerzorg minder gedetailleerd te maken dan de huidige Wet veiligheidsregio’s en de onderliggende besluiten. De nieuwe wetgeving dient de organisatie- en inrichtingsbepalingen tot een minimum te beperken en zich zoveel mogelijk te richten op de functies van crisisbeheersing en brandweerzorg. De commissie adviseert om de crisisbeheersing en brandweerzorg te blijven organiseren via een wettelijk verplichte gemeenschappelijke regeling. Algemeen besturen van veiligheidsregio´s krijgen onder voorwaarden wettelijk de mogelijkheid om veiligheidsregio’s onderling of met andere gemeenschappelijke regelingen samen te voegen. De commissie adviseert om de regie over crisisbeheersing decentraal te beleggen bij de burgemeesters en voorzitters veiligheidsregio en centraal bij de minister van Justitie en Veiligheid. De burgemeester, voorzitter veiligheidsregio en de minister van Justitie en Veiligheid krijgen wettelijk bevoegdheden om te interveniëren wanneer samenwerking ontbreekt of niet het gewenste resultaat geeft. De commissie adviseert om crisisbeheersing in de nieuwe wetgeving flexibel in te richten.

Dat houdt in dat risicoanalyse, preparatie, respons en herstel worden vormgegeven afhankelijk van de aard en omvang van specifieke risico’s en crises. In de responsfase moet sprake zijn van één eenduidige crisisstructuur. De commissie adviseert om crisisbeheersing in de nieuwe wetgeving in te richten als een cyclisch proces dat risicoanalyse, preparatie, respons en herstel omvat. Voor dit proces dragen alle bij de crisisbeheersing betrokken partners gezamenlijk verantwoordelijkheid. De commissie adviseert om crisisbeheersing vorm te geven via netwerksamenwerking. Crisispartners werken vanuit eigen verantwoordelijkheden. De algemeen besturen van veiligheidsregio’s en de minister van Justitie en Veiligheid faciliteren de inrichting van de netwerken. De commissie adviseert om de organisaties in de zorg primair zelf verantwoordelijk te maken voor de coördinatie van opgeschaalde geneeskundige hulpverlening. De commissie adviseert om de algemeen besturen van de veiligheidsregio’s in de nieuwe wetgeving verantwoordelijk te maken voor de regie op dit proces. Hiervoor is geen aparte GHOR-organisatie nodig. De commissie adviseert om de algemeen besturen van de veiligheidsregio’s in de nieuwe wetgeving verantwoordelijk te maken voor de regie op de bevolkingszorg.

Randvoorwaarden

Brandweerzorg

De commissie adviseert om crisiscommunicatie te beschouwen als eigenstandig proces onder verantwoordelijkheid van de gemeenten. De commissie adviseert om de algemeen besturen van de veiligheidsregio’s in de nieuwe wetgeving verantwoordelijk te maken voor de regie op dit proces. De commissie adviseert om in de nieuwe wetgeving vast te leggen dat het stelsel van crisisbeheersing voorziet in kennisontwikkeling en het gezamenlijk opstellen van kwaliteitsnormen. Het toezicht op het stelsel moet daarop aansluiten. De commissie adviseert om de algemeen besturen van de veiligheidsregio’s in de nieuwe wetgeving collectief verantwoordelijk te maken voor het periodiek formuleren van de gezamenlijke inhoudelijke opgave voor de brandweer. Daarbij hoort ook de vraag hoe die opgave operationeel wordt uitgewerkt en ingevuld. De commissie adviseert om de algemeen besturen van de veiligheidsregio’s in de nieuwe wetgeving collectief verantwoordelijk te maken voor de risicoanalyse, risicobeheersing, preparatie, respons en herstel van regio-overstijgende (risico’s op) branden en ongevallen. De commissie adviseert om de brandweer wettelijk te positioneren als het orgaan dat verantwoordelijk is voor het adviseren, stimuleren en regisseren van brandveiligheid, ook in verwante wetgeving.

De commissie adviseert om nader te onderzoeken of het nodig is de wettelijke mogelijkheden te verruimen om bedrijven een bedrijfsbrandweeraanwijzing te kunnen geven. De commissie adviseert om de gezamenlijke algemeen besturen van de veiligheidsregio’s wettelijk verantwoordelijk te maken voor het vaststellen en handhaven van de normen en standaarden voor de brandweerzorg. De commissie adviseert om in de nieuwe wetgeving vast te leggen dat algemeen besturen van veiligheidsregio’s, zowel individueel als gezamenlijk, investeren in het lerend vermogen van de brandweer. De commissie adviseert om een wettelijke basis te creëren voor gemeenschappelijke informatievoorziening in alle fasen van crisisbeheersing en brandweerzorg. De regie over informatievoorziening ligt bij de burgemeesters, voorzitters veiligheidsregio en minister van Justitie en Veiligheid. De commissie adviseert om in de nieuwe wetgeving vast te leggen dat er voor crisisbeheersing en brandweerzorg een onafhankelijk en zelfstandig opleidings- en kennisinstituut is. De commissie adviseert om crisisbeheersing en brandweerzorg ook in de toekomst te financieren door een combinatie van landelijke (BDuR) en gemeentelijke (gemeentefonds) financiering. De commissie adviseert om wettelijk onderscheid aan te brengen tussen de financiering van crisisbeheersing en brandweerzorg.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leeuwarden&id=988ac624-fd9b-494a-b7cf-8f9811fabfe4